“De Wijnstok en de ranken”

‘Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Wijnbouwer. Iedere rank aan Mij die geen vrucht draagt snijdt Hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit Hij bij, opdat deze meer vrucht zal dragen.’ (Uit Johannes 15 uit de verzen 1-17 : 1-2)

Het onderstaande citaat komt uit Luthers verklaring van Johannes 15:1–10 over de Wijnstok en de ranken. Aan de hand van het werk van een goede wijngaardenier laat Luther zien waarom ook de vruchtdragende ranken gesnoeid en bemest moeten worden. Zo wil Christus Zijn christenen leren dat hun lijden en aanvechtingen geen tekenen zijn van Gods toorn, maar dat Hij deze in Zijn genade gebruikt tot hun welzijn en tot het dragen van meer vrucht.

Geciteerd: “Dit is een troostvol en lieflijk beeld, waarmee Christus ons geen nutteloze, onvruchtbare boom, maar de lieve wijnstok voor ogen stelt. Hoewel daaraan niet veel fraais te zien is, groeien er toch smakelijke druiven aan, die ons het zoetste sap en de heerlijkste wijn geven.

Alles wat wij hier zien, duidt op het lijden dat zowel de Wijnstok als u moet ondergaan (1). Het gaat voornamelijk over de vele arbeid en moeite die een wijngaardenier aan de wijnstok en de ranken besteedt, met de bedoeling dat de wijnstok groeit en veel vrucht draagt.

Christus wil ons hiermee leren dat wij de droefheid en het lijden van de christenen heel anders moeten beoordelen dan het zich aan de wereld voordoet. Want het lijden komt niet zonder Gods raad en wil. Het is geen teken van toorn en straf, maar van genade en liefde, en het moet ons ten beste dienen.

Daar hoort evenwel bij dat u dit gelooft en voor waar houdt. Want wat ons pijn en verdriet doet, moet geen pijn en lijden heten, maar: tot ons nut en voordeel gedaan!

Het is als wanneer wij zien dat een wijngaardenier aan zijn wijnstok hakt en snijdt. Als deze kon voelen en spreken en de wijngaardenier zag aankomen met zijn schoffel en spade om rond zijn wortels te woelen en te spitten, en met zijn scharen en messen om het onvruchtbare hout van de ranken te knippen en te snijden, dan zou zo’n wijnstok naar zijn gevoel toch moeten zeggen:

‘Ach, wat doet u? Nu moet ik verdorren en verwelken! Nu komt u eraan, spit en wroet in de aarde waarin ik sta en zet uw ijzeren tanden in mijn ranken. U snoeit en verzwakt mij zo, dat ik naakt en kaal in de wijngaard moet staan. U gaat zo ruw met mij om als met geen andere boom of struik.’

Maar de wijngaardenier zegt: ‘U bent een dwaas en begrijpt er niets van. Als ik inderdaad enkele ranken van u wegneem, doe ik dat alleen met de onvruchtbare, wilde ranken, die de goede ranken, welke vrucht moeten dragen, van hun kracht en sap beroven. Nee, weg ermee! Ik doe het alleen om uw bestwil.’

‘Ja’, zeg je/u, ‘maar ik begrijp het niet en ik voel en ervaar het heel anders!’

Dan zegt Hij: ‘Ik weet heel goed wat Ik doe. Alles moet dienen tot jouw/uw nut en voordeel. Ik wil die vreemde en wilde ranken niet de kans geven het sap en de kracht weg te nemen van de goede ranken, die meer en betere vruchten dragen, waarvan goede wijn kan worden gemaakt.’

Zo is het ook wanneer de wijngaardenier mest rond de stam van de wijnstok strooit. Ook dat doet hij ten goede van de wijnstok. Maar hier begint het klagen opnieuw: ‘Waarom moet dit nu weer? Is het niet genoeg dat u mij op alle mogelijke manieren inkort? Moet ik nu ook verdragen dat u mijn tere ranken, die zo’n goed en zoet sap geven, zo schandelijk besmeurt met stinkende koemest, die men in geen stal of huis verdragen kan?’

Op dezelfde manier, zegt Christus, zal het ook met u gaan. Want u moet, evenals Ik, zo bemest en besnoeid worden. De Vader, Die Mij tot Wijnstok en u tot ranken heeft gemaakt, zal niet toelaten dat een wijnrank zonder mest en snoeischaar blijft. Anders zou daaruit een verwilderde, onvruchtbare en nutteloze rank groeien, die uiteindelijk wordt verbrand (v. 6).

Maar wanneer de wijnstok goed wordt bewerkt, bemest, gesnoeid en uitgedund, zal hij krachtig groeien en niet alleen vele, maar ook goede en heerlijke wijndruiven dragen.

Dit is een prachtig en troostrijk beeld voor wie het in nood en aanvechting kan begrijpen en verstaan. Wanneer een christen oog in oog komt te staan met de dood, door de duivel wordt aangevochten en geplaagd, of door de wereld wordt gelasterd en voor een duivelsapostel wordt uitgemaakt, dan kan hij zeggen:

‘Kijk, ik word gesnoeid als een rank aan de wijnstok. Welnu, laat men maar snoeien, hakken en snijden! Ik zal het verdragen, want dit zijn Gods scharen en messen, die dienen tot mijn welzijn en behoud.’” (2)

[Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis durch D. Mart. Luther gepredigt und ausgelegt (Druck Frühjahr 1538), WA 45, 636 ff. (verkort)]

Voetnoot (1) Zie: o.a. Jesaja 53:9; 2 Korinthe 5:21; Filippenzen 2:7; Hebreeën 2:18; 4:15.

(2) Opgemerkt (AJ): ‘Welnu laat hij maar snoeien, hakken en snijden’. Eerder schreef Augustinus deze woorden bij een terugblik op zijn leven. Hij zal dat m.n. ervaren hebben vanwege het vroege overlijden van zijn zoon, waar hij zelf zo’n andere voorstelling over had gemaakt, hoe die zou kunnen opgroeien bij zo’n ‘gelovige’ vader en (z.i. nu betrouwbaar en ijverig) dienaar van God en het Evangelie. Wat hij vergat is dat hij niet (eerst) zó goed en gelovig naar Gods Woord geluisterd had, dat hij nederig was gaan samenleven met degene die hij zich tot vrouw genomen had (en in verwachting gemaakt had en die hem een zoon gebaard had) om deze zoon samen met haar in vrede en vreugde op te voeden. Hij had inmiddels een heel andere ‘way of life’ voor ogen, waarbij en waardoor zijn ster (zijn gaven en talenten, o.a. zijn redenaars en schrijverstalent en kennis van de Griekse wijsgeren en hun wijsheid) kon gaan rijzen binnen de christelijke gemeenten waartoe hij nu ‘krachtdadig bekeerd’ was (zoals hij anderen graag voorhield). Aan huwelijk met seksuele omgang, die bovendien (z.i.) gericht moest zijn op het (nog weer/meer) verwekken van kinderen, wilde hij niet denken, dat zou de ‘carrière’ die hij nu voor ogen had, alleen maar in de weg staan. Bovendien zag z’n moeder dat huwelijk met die vrouw ook helemaal niet zitten en alhoewel hij de verlangens van z’n moeder jarenlang genegeerd had, was dit – na z’n ‘bekering’ nu toch ook een punt dat meewoog.
Zie hierbij ook nog Paulus woorden in 2 Korintiërs 10 : 12-17!

Bron citaat: maartenluther-com – Wekelijks citaat van maandag 28 september – Gekozen en vertaald en toegezonden door H.C. van Woerden, sr.

‘Jullie zijn al rein door alles wat Ik jullie heb laten horen. Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie‘ (…) ‘Jullie hebben niet Mij uitgekozen, maar Ik jullie (3), en Ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht t dragen, blijvende vrucht. Wat je de Vader in Mijn Naam – en op grond van Mijn onderwijs (4) – vraagt, zal Hij je geven. Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.’ (Uit Johannes 15 uit de verzen 1-17 : 16-17)

(3) Er was er echter één die de roeping van en door onze Heer wist te weerstaan: de rijke jongeling die van jongs af aan was onderwezen in de wet van Mozes en die punctueel had onderhouden…
(4) Zie hierbij o.a., maar m.n., het gebedsonderwijs van onze Heer in Lukas 11 : 1-13.

Bron afbeelding: Is God calling you* – Knit Pray Share

* En God heeft ons geroepen, dat mogen wij, op grond van de Doop die wij ontvingen, zeker weten. Laten we ons daarom niet gedragen als de rijke jongeling, die zijn roeping geen gevolg wilde geven!



Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie