Het Evangelie maakt geen vrome, wel lieve en zorgzame mensen!

‘Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard zonder de wet, (en toch) hebbende de getuigenis van de Wet en de Profeten. Namelijk de rechtvaardigheid van het geloof van Jezus Christus.’ (Uit Romeinen 3 uit de verzen 19-31 : 21-22)

Geciteerd: Dat moet nu in de hele wereld gepredikt (1) en verkondigd worden, opdat je zou leren de Mensenzoon (het Zaad van de vrouw) in waarheid te kennen, én dat we weten hoe we christenen zullen worden, niet hoe we vroom [=rechtschapen] zullen worden. Andere leringen die afwijken van het Evangelie, dringen er altijd op aan dat de mensen vroom moeten worden, zoals de boeken van de heidense filosofen (en van kerk- en oudvaders? zie hierna) en die van de wereldlijke wetten doen. Idem: de levensbeschrijvingen van de heiligen, die wel in het bijzonder aansporen, dat wij ook moeten leven zoals de heiligen geleefd hebben (2). Bovendien doen de leraars der wet hun uiterste best om mensen (eerst) vroom te maken (voor ze aan mogen gaan bij het Avondmaal, bijvoorbeeld). Vrome mensen maken is echter niet iets wat bij het Evangelie hoort, want het Evangelie maakt alleen christenen (3).
Het is veel méér om christen te zijn, dan om vroom te zijn (4). Iemand kan wel vroom zijn, maar een christen niet (4). Een christen weet over vroomheid niets te zeggen (anderen voor te houden hoe hij of zij dat zou kunnen en/of moeten zijn). Hij/zij vindt immers bij zichzelf niet goed of vrooms! (5) Als gedoopte christenen rechtvaardig willen zijn, dan moeten ze naar een andere vreemde gerechtigheid omzien.
Daartoe is Christus nu aan ons voorgesteld als een onuitputtelijke Bron, Die altijd overvloeit van pure goedheid en genade en voor deze goedheid en genade hoeft Hij niets te hebben, dan alleen dat de mensen deze goedheid en genade erkennen, Hem daarvoor danken, Hem daarvoor loven en lieven.
[Maarten Luther: WA 10.1.2, 430, 24-39]

(1) Dat is nu eerst en vooral de opdracht voor Christus’ gemeenten hier op aarde, dat daar het Evangelie trouw en naar waarheid verkondigd wordt. Zó zullen de leden van Christus’ gemeente toegerust worden om een zoutend zout te zijn en het licht van het Evangelie te verspreiden in het samenleven (als gemeente en in de familie en gezinsverbanden) en in de samenleving (maatschappij) waarin zij mogen leven en werken.
(2) Zit dat niet ook heel sterk in de boeken van en over de geschiedenis van Augustinus?
(3) Zie hoe de apostelen bereid waren om de dopelingen uit de heidenen – Paulus was voor hen als een vader! – op te voeden tot christenen. Ze waren bereid om hen van zuigeling tot volwassenheid te brengen met alle inspanning en moeiten (en tegenspraak en tegenwerking ook) die dat gaf! Lees 1 Korintiërs 3 en wat Paulus schrijft in 2 Korintiërs 6 : 3-13 en ook nog weer in Galaten 4 : 19 en 1 Tessalonicenzen 2 : 8-13; in Handelingen 20 : 17-38 roept hij de oudsten op om, naar het voorbeeld dat hijzelf gaf, de kudde van Christus te hoeden (=>Johannes 21 : 15-19).
(4) Dat moeten we (dus) leren uit het Evangelie (zelf), anders blijft de Islam ook op christenen aantrekkingskracht uitoefenen.
(5) Dát is mijn worsteling en dat zijn mijn (heftige) aanvechtingen geweest, want ik zag bij anderen zoveel goeds en vrooms waaraan ik niet tippen kon in mijn leven en in de omstandigheden (familie, huwelijk en gezin, gemeente, etc.) waarin ik als gedoopt en gelovig christen te leven had. En de boze houdt je dan ook nog eens voor – mee door de inzet van vrome broeders en zusters – dat jij er in vergelijking met hen werkelijk niets van hebt gemaakt en dat alle hoop voor jou verloren is – en dat het terecht is dat anderen je ‘niet meer moeten’.

Leestips: De Bijbelgedeelten waarnaar hierboven en hieronder verwezen wordt.

‘Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we jullie tegemoet getreden met de tederheid van een voedster (vrouwelijk/moederlijk!) die haar kinderen koestert. In die gezindheid, vol liefde voor jullie, waren we niet alleen bereid jullie te laten delen in Gods Evangelie, maar ook in ons eigen leven (mannelijk/vaderlijk!). Zo dierbaar waren jullie ons geworden! Jullie herinneren je wel, broeders en zusters, hoe we ons ingezet en ingespannen hebben, hoe we dag en nacht hebben gewerkt (zoals ouders dat doen) om niemand van jullie tot last te zijn. Op dié manier hebben we jullie het Evangelie van God verkondigd. Jullie kunnen getuigen – dat ontgaat geliefde kinderen toch niet? -, én God Zelf, hoe toegewijd, oprecht en zuiver we bij jullie, die tot geloof gekomen waren, hebben geleefd. Jullie weten dat we voor ieder van jullie (geen uitzonderingen dus) waren als een vader voor zijn kinderen. We hebben jullie aangespoord en bemoedigd en jullie op het hart gedrukt zo te leven – in liefde en zorg voor elkaar – dat jullie dáármee en dáárdoor God eer zouden bewijzen. Hij (!) roept jullie tot Zijn Koninkrijk en luister‘ (Uit 1 Tessalonicenzen 2 uit de verzen 1-20 : 7-12)

Bron afbeelding: Zie afbeelding.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie