‘Dus altijd wanneer jullie dit brood eten en uit de beker drinken, verkondigen jullie de dood van onze Heer, totdat Hij komt.’ (Uit 1 Korintiërs 11 uit de verzen 1-34 : 26)
NB. Gisteren (zondag 5 september) een gezegende Avondmaalsdienst met daarbij een zeer troostrijke Woord/Evangelie/Christusverkondiging uitgaande van wat ons geschonken is door de Heilige Geest met en door de woorden van Paulus in Kolossenzen 2.
Geciteerd: Het onderstaande preekfragment komt uit Luthers verklaring van Galaten 3:23–29. Dit gedeelte uit de Bijbel werd vroeger op Nieuwjaarsdag in de kerk gelezen en in de preek uitgelegd. Tijdens zijn verblijf op de Wartburg was Luther begonnen met het schrijven van zijn Kerkpostille, die in het jaar 1522 verscheen onder de titel Kirchenpostille. Het was een verzameling voorbeeldpreken voor priesters die tot de Reformatie overgingen en hulp nodig hadden om het Evangelie helder te verkondigen (1). Luther hield daarbij de oude kerkelijke indeling van de postille aan, waarin voor iedere zon- en feestdag vaste gedeelten uit de brieven en de evangeliën waren aangewezen. De volgorde bleef dus grotendeels hetzelfde, maar de preken kregen een geheel nieuwe, reformatorische inhoud. Ook in zijn eigen prediking volgde Luther op de morgens van zon- en feestdagen meestal deze oude indeling. Op doordeweekse dagen en op zondagmiddag werd er gewoonlijk over andere gedeelten uit de Heilige Schrift gepreekt.
(1) (AJ): Hoeveel meer zegen viel hier van te verwachten dan van het hen toezenden van de ‘Institutie’ van Calvijn (waarin de reformatorische leer eens en voorgoed was/werd vastgelegd door een intellectuele autoriteit) en ook vele malen meer dan van beeldenstormen die de RK-kerkgebouwen (en haar doopleden) moest zuiveren van de heiligenverering via beelden. Die dienden voortaan vervangen worden door heiligenverering in de bibliotheken en boekenkasten…
(…) “Er zijn sommigen, vooral onder de nieuwe leraren van de scholastiek (2) die zeggen en leren: De vergeving der zonden en de rechtvaardiging berusten geheel en al op de Goddelijke toerekening der genade, dat wil zeggen: daarop dat God ons, ondanks onze zonden, eenvoudig voor rechtvaardig rekent. Dit – zo zeggen zij – is alles wat nodig is: degene aan wie God de zonde toerekent of niet toerekent, is daardoor van zijn zonden niet gerechtvaardigd of wel gerechtvaardigd. Zo menen zij dat Psalm 32:2 en Romeinen 4:7–8 leren. Daar staat: ‘Zalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.’
Als deze opvatting waar was, zou het gehele Nieuwe Testament werkelijk vergeefs en nutteloos zijn. Dan zou Christus ten onrechte en tevergeefs hebben geleden voor de zonde. God Zelf zou zonder enige noodzaak een schijnvertoning hebben opgevoerd, omdat Hij evengoed de zonden had kunnen vergeven en niet toerekenen zonder het lijden en sterven van Christus. Dan zou bovendien ook een ander geloof dan het geloof in Christus een mens kunnen rechtvaardigen en zalig maken. Ik bedoel een geloof dat slechts zou steunen op de genadige barmhartigheid van God, Die hem zijn zonden niet zou toerekenen.
Tegen deze afschuwelijke, verschrikkelijke opvatting en dwaling is de apostel Paulus gewoon het geloof altijd op Christus te betrekken. Ook noemt hij de Heere Jezus Christus zo dikwijls, dat het werkelijk verbazingwekkend is iemand te vinden die niet beseft hoe noodzakelijk het geloof in Christus is. Zij menen dat Christus slechts een soort Mozes is: een Leraar Die wetten en geboden geeft en leert hoe men vroom moet worden en een goed leven moet leiden. Daarna komen zij aan met de vrije wil en de natuurlijke werken, om zich voor de genade geschikt te maken, en willen zij daarmee de hemel bestormen.
Laten wij daarom op onze hoede zijn voor dit helse vergif en Christus, de troostrijke Zaligmaker, niet verliezen – het moet Christus alleen zijn! Het is zeker waar wat David zegt (Psalm 32:2) en Paulus (Romeinen 4:8): ‘Zalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.’ Maar de apostel Paulus voert deze gedachte aan om duidelijk te maken dat deze Goddelijke toerekening alleen ten deel valt aan hem die in Christus gelooft. Zij valt niet ten deel aan de vrije wil van de mens of aan de menselijke natuur wegens de goede werken. Want Paulus voert Abraham aan om erop te wijzen hoe zijn geloof hem tot gerechtigheid werd gerekend, toen hij de Goddelijke belofte aangaande zijn Zaad geloofde.
Hoewel God uit louter genade onze zonden ons niet toerekent, wilde Hij dit toch niet doen voordat aan Zijn wet en aan Zijn gerechtigheid volkomen en overvloedig genoegdoening was geschonken. De genadige toerekening waarvan de psalm spreekt, moest eerst door Christus’ gerechtigheid en kostbaar bloed voor ons worden gekocht en verworven (o.a. 1 Petrus 1:18 e.v.).
Omdat dit voor ons onmogelijk was, heeft God voor ons, in onze plaats, Zijn Zoon gesteld, Die alle straf die wij hadden verdiend, op Zich nam en voor ons de wet vervulde. Zo heeft Hij het oordeel van God van ons afgewend en Zijn toorn gestild. De genade wordt ons daarom inderdaad om niet geschonken. Zij kost ons niets, maar het heeft een Ander veel gekost om haar voor ons te verwerven. Zij werd gekocht met een onberekenbare, oneindige Prijs: de Zoon van God Zelf. Daarom is het boven alles noodzakelijk dat wij door het geloof Hem bezitten Die dit voor ons heeft volbracht. Het is onmogelijk de genade anders dan alleen door het geloof in Hem te verkrijgen.
Zie, daarom werd vanaf de dagen van Adam tot die van Abraham niemand zalig dan door het geloof in het Zaad der vrouw, Dat de kop van de slang zou vermorzelen. En na Abraham werd niemand zalig dan door het geloof in zijn Zaad. Ook nu kan niemand zalig worden dan alleen door het geloof in dit Zaad van Abraham, Dat nu gekomen is.
O, zonder deze Middelaar zult u nooit tot God kunnen komen. Door uzelf en door uw eigen werken zult u Hem nooit kunnen bereiken. Want wie zal u dan eerst met God verzoenen? Christus zegt: ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’ (Johannes 14:6).”
[Maarten Luther: Kirchenpostille 1522, Epistel an Neuen Jahr Tag, WA10.1.1, 468ff; weergave: Dr. Joh. Georg Walch, W(1) 12, 261ff. (verkort)]
(2) De scholastieke leraren waren middeleeuwse theologen die de christelijke leer verstandelijk manier (3) probeerden uit te leggen (en aan de man* te brengen in hun geschriften). Luther verzette zich tegen hen wanneer (beter: omdat) zij te veel waarde hechtten aan de menselijke rede, de vrije wil en de goede werken.
* Vrouwen deden er niet zoveel toe, die moesten maar luisteren naar hun ‘verstandige’ mannen.
(3) Het Evangelie moet verkondigd worden, en dus niet – in allerlei geschriften en (dikke) boekwerken – aannemelijk gemaakt voor het verstand! Zie hierbij Jezus woorden in Matteüs 11 : 25-30 en Lukas 10 : 21-24 en Paulus woorden in 1 Korintiërs 1 : 18 t/m 3 : 23 en ook de woorden van de apostel Johannes in Johannes 19 : 26-31 en 1 Johannes 3 : 18-29.
Lees hierbij ook deze blog: ‘De Schrift moet preek worden!‘
Bron citaat: www-maartenluther-com – Wekelijkse toezending Luthercitaten – Maandag 7 september 2026
‘Blijf dus in Hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer Hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij Zijn komst.’ (Uit 1 Johannes 2 : 28)
Bron afbeelding: Shutterstock