‘Er kwamen een paar mannen met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen. Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het dak op en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor Jezus. Toen Hij hún geloof zag – van de vier vrienden of toch ook van de verlamde? (1) – zei Hij tegen de verlamde: “Jouw zonden zijn je vergeven.”‘ (Uit Lukas 5 uit de verzen 1-26 : 18-20, het verhaal is ook te lezen in Marcus 2 : 1-12)
Geciteerd 1: Genezing is volgens haar (Miranda Klaver*) een teken, een glimp van Gods koninkrijk dat nog moet komen. Geen gesloten systeem van oorzaak en gevolg. Denk vooral niet: ik bid, dus genees ik, en als ik niet genees, ligt dat aan mij. Dan had ik misschien te weinig geloof, een onbeleden zonde … Dat leidt tot een tragisch godsbeeld, zegt Klaver. (…) Naar een gebedsgenezer zou Klaver zelf nooit gaan, denkt ze. Met ziekenzalving heeft ze geen moeite. Ze vertelt over een vrouw die voor een zwaar medisch traject stond, en zei: ‘Ik geloof niet dat ik genezen word, daar heb ik het geloof niet voor. Maar bid voor mij, nu ik het zelf niet kan.’
* Godsdienstsocioloog aan de VU en kenner van de evangelische wereld.
Geciteerd 2: Op Witte donderdag had Luther in een preek over de juiste voorbereiding op het Avondmaal een grondprincipe uitgesproken dat veel aandacht kreeg: ‘Zoveel zul je ontvangen als je gelooft te ontvangen… Het geloof alleen is de beste en enige voorwaarde, omdat het niet op onze krachten of werken (of rituelen) bouwt, maar op het absoluut zuivere en bestendige woord van Christus: ‘Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijn. (…) Luther heeft niet alleen voor Zwingli in Zürich, maar voor zijn hele tijdperk de religieuze grondvragen geformuleerd en ook beantwoord. Het geloof bevrijdt van de ondraaglijke last die bestaat uit dwang van binnen en van buiten. (2)
Luther laat op zijn ‘geloofsprincipe’ in zijn preek nog een voor velen van ons vreemde zin volgen, die – als gevolg van de betekenis van de eerste zin – nauwelijks aandacht heeft gekregen. Wanneer het geloof u/jou ontbreekt, grijp dan het laatste reddingsanker (of laat het je in de handen duwen – AJ). Laat je als dopeling, als een kind (dat zichzelf niet redden kan, als een verlamde) naar de kerk dragen en spreek dan zonder (of nog met – AJ) angst tot Christus onze Heer: ‘Ik ben onwaardig, ik verlaat me echter op het geloof van de kerk – of (beter: AJ) op het geloof van mijn broeders en zusters. Hoe het ook met mij gesteld is, o Heer, ik moet gehoorzaam zijn aan Uw kerk (gemeente), die mij – op grond van Uw Woord (AJ) – gebied ter communie te gaan (geen dopeling kan/mag zichzelf uitsluiten, dat komt hem of haar en ook zijn broeders en zusters niet toe!). Als het zo moet, dan betuig ik op deze manier (toch) mijn gehoorzaamheid. En dan, zo vervolgt Luther, besef en geloof dan vast en zeker dat je niet onwaardig naar het Avondmaal gaat. Christus zal jou de gehoorzaamheid die je aan de kerk (in de gemeente) bewezen hebt, toerekenen als geloofsgehoorzaamheid. Het geloof van de kerk – Christus’ gemeente, waar je ook een lidmaat van bent – zal jou volwassene, net zo min in de steek laten ‘als het kleine kind (of medevolwassene) dat op geloof van een ander (ouders of huisgenoot) gedoopt en gered wordt.’
Dit ‘vreemde geloof’, dat is de stevige brug tussen de kinderdoop (en huisgenotendoop) en de aanwezigheid van Christus in brood en wijn. De sacramenten zijn alleen in het geloof heilzaam en nuttig, ze zijn echter ook zonder geloof waar.
Dit ‘vreemde geloof’ scheidt Luther niet alleen van Zwingli en zijn aanhangers, maar ook van zijn eigen erfgenamen. Het moderne Protestantisme legt wel de nadruk op het geloof als de vervulling van de eigen persoonlijkheid, maar de gedachte aan het ‘vreemde geloof’ buiten de persoon om ligt in deze tijd allesbehalve voor de hand.
Geciteerd slot: De winst van de (toenmalige) Avondmaalsstrijd (1-3 oktober 1529 in Marburg) mag niet veronachtzaamd worden. Het geloof in Gods Woord is onontbeerlijk. Het doorbreekt echter de geestelijke-psychologische beperking tot de innerlijkheid van het vrome genot. De betekenis van deze ontgrenzing is nu juist dat de duivel, kenner van de ziel en vijand van het lichaam (!), tegengesproken wordt. Hij kan de psyche binnendringen en haar totaal beheersen en ook de gelovige Christen zo in zichzelf laten kromgroeien en in de analyse van zichzelf misvormen dat hij twijfelt aan (een genadig) God en aan de wereld. Een ding kan de boze echter niet: Hij kan niet aanwezig zijn in het vlees. De oproep van de instellingswoorden van het Avondmaal trekt de mens uit het vangnet van de zelfanalyse.
(1) Het is heel goed mogelijk dat de verlamde er ‘weinig heil’ in zag en tegensputterde, doe maar geen moeite voor mij (en dat later nog weer toen hij van de mensenmenigte voor dat huis hoorde en zelf ook zag, maar dat het geloof en het aandringen van z’n vrienden uiteindelijk de doorslag gaf en hij zich toch tot voor Jezus liet dragen. (A)
(2) Denk aan de woorden verlossende woorden van onze Heer tot de verlamde en de verontwaardiging van de Schriftgeleerden en Farizeeën.
Opgemerkt: Bovenstaande Bijbelgedeelte citaten (2 en slot) zijn wel heel toepasselijk op de geloofsstrijd die ik heb moeten voeren en de hulp die nodig was om mij los te maken uit het ‘vangnet van de zelfanalyse’. Stel je nu eens voor, dat de vrienden van de verlamde, wat later na die woorden van Jezus en na zijn genezing niet blij en dankbaar meer waren samen met hem – ondenkbaar toch?! Of toch niet?** Maar dat is mij wel overkomen!
** Mogelijk werden ze even later jaloers op de gezonde en sterke benen die de verlamde nu weer had (terwijl aan de benen van hen nog wel wat mankeerden, pijnlijke spataders oid) en hij had toch maar persoonlijk uit de mond van Jezus vergeving van zonden ontvangen, terwijl hij toch wel wat op z’n kerfstok had. Eigenlijk best onverdiend en zelfs onverdraaglijk achteraf bezien…
Zie ook: ‘Recht doen aan Gods Woord én aan de geschiedenis van de kerk…‘
Bron citaat 1: ND Geloof -‘Zijn christenen werkelijk eeuwenlang gebedsgenezing vergeten? ‘Zoek God niet alleen in het spectaculaire’’ – door Dick Schinkelshoek.
Bron citaat 2 en slot: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Heiko A. Oberman (1930-2001, hoogleraar kerkgeschiedenis in Tübingen en in Tucson (VS)).
‘Daarom zeg ik je: “haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.” Toen zei Hij tegen haar: “Jouw zonden zijn je vergeven.” Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is Hij dat Hij zelfs zonden vergeeft? Hij zei tegen de vrouw: ‘Jouw geloof heeft je gered; ga in vrede“.’ (uit Lukas 7 uit de verzen 36-50 : 47-50)
Bron afbeelding: Facebook