“Wat denkt u over de Christus?”

En Hij zei: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.‘ (Uit Matthéüs 22:42, weergave SV)

Geciteerd: Ik heb vaak gezegd: Ik kan zover niet komen, dat ik dadelijk weet te antwoorden op de vraag wie Christus is, zoals anderen dat doen. Zeker, wij kunnen de Tien Geboden, het Christelijke Geloof en het Onze Vader uit het hoofd opzeggen, maar daarmee hebben wij het nog niet werkelijk geleerd. Deze vraag zal zeker blijven tot aan het einde van de wereld: Wie is Christus?

Men moet daarop wel antwoorden zoals de Twaalf Artikelen luiden, maar toch is men daarmee niet uitgeleerd. Mensen die slechts letters leren, worden ten slotte zelfverzekerde geesten, die de Schrift slechts zover geleerd hebben, dat zij nu menen haar te kennen en anderen te kunnen beoordelen. Het is een schandelijke verzoeking wanneer iemand denkt alles te weten. Men is echter genoodzaakt te zeggen: Zo luiden wel de woorden, maar ik heb ze nog niet begrepen zoals ik zou moeten.

Er is namelijk een hogere kennis van Christus. Die bestaat hierin, dat Hij uw zonden gedragen heeft, en dat u erkent dat u daarvan verlost bent. Maar alle grove zonden zitten nog in u, en toch vreest u niet voor God en meent u wel over Christus te kunnen spreken. Maar u hebt van Christus niets begrepen dan de hulzen en de schillen; de kern echter hebt u nog niet. Want u weet nog steeds niet hoe u een vijand van uw zonden moet worden en de dood moet overwinnen.

Daarom blijft die vraag voor altijd onbeantwoord: Wie is Christus? Hij is zeker onze Heiland, Die ons van dood, zonde en duivel heeft verlost, en van Wie wij gerechtigheid, vrede en zaligheid hebben ontvangen.

Onderzoek nu eens uw hart en vraag uzelf af of u in uzelf zonde of vrede hebt. Dan zult u in uzelf grote klompen van zonden vinden, die u als het ware met haken moet uittrekken. Dan kent u Christus nog niet goed, wanneer u zulke zonden in uzelf vindt en daarover toch nog gerust en zeker bent. Het is een grote genade wanneer iemand in zonden vastzit en dat ook zelf voelt. Maar u merkt het niet eens op en bent er nooit bedroefd over.

Onderzoek daarom of u de dood niet vreest, of de wereld of de duivel, en of u werkelijk kunt zeggen: ik ben nergens bevreesd voor! Vindt u echter schrik en angst in uzelf, leer dan wie Christus is. Hij is de Heiland. Maar waar is Hij? Ja, meer dan honderdduizend mijlen ver weg! Ik vind in mijzelf een verslagen zondaar, die voor alles vreest.

Daarom is het met deze kunst zo gesteld, dat zij wel vlug gepredikt en in het oor gegoten wordt, maar nooit volledig uitgeleerd raakt. Want waar zult u anders vandaan halen dat u van de zonde verlost bent, gerechtigheid ontvangt en goede moed hebt, en het voor u niet uitmaakt of de wereld en de duivel u nu toelachen of bedreigen? Daarvoor is nodig dat u weet wie en wat Christus is.

Hij is niet ergens in een verborgen hoek, niet ver weg, maar Hij moet u nader zijn dan uw eigen lichaam en ziel. Wanneer de zonde aanwezig is en aan u knaagt, zie dan toe dat u niet wanhoopt, maar een vast en verzekerd hart verkrijgt. Dan hebt u de kern en niet alleen de schil.

[Maarten Luther: Predigt am 18. Sonntag nach Trinitatis, 16. Oktober 1530, Matth. 22:34 ff, WA 32, 131, 7-20 (Rörer). Weergave: Predigten Dr. Martin Luthers, 2. Band, S. 4-5, Georg Buchwald, Ausgabe: Gütersloh 1926]

Opgemerkt: Schreef deze dankbare woorden: Hartelijk dank voor dit gekozen citaat (van maandag 15 juni 2026) en altijd weer te overdenken woorden, want deze zullen DV ons helpen om niet te leven uit eigen kracht, veel theologische of wereldwijsheid en de goede werken die we daardoor menen te kunnen doen, maar om te leven uit de kracht die God ons verlenen wil. Hoe meer we (dagelijks) onze eigen zwakheid en de kracht van de oude mens beseffen en nog altijd voelen, dan zullen we die kracht niet zoeken bij mensenwoorden en menskracht maar willen ontvangen door het werk en de kracht van de Heilige Geest zoals Hij wil werken met en door het onderwijs van het (dagelijks en wekelijks) Woord. Dat moet ons ook helpen om bescheiden te zijn tegenover onze gedoopte broeders en zusters, want die zullen we juist helpen om dat ook steeds weer te zien en te beseffen en dan ook mee met ons de goede strijd te strijden van het geloof. Zoals Paulus dat ook altijd weer doet, zich niet boven de gemeente verheft – zoals heel wat anderen blijkbaar al wel gauw deden – maar laat zien hoe de strijd van het geloof niet uit eigen kracht en werken (en daarop wijzen en roemen) maar in zwakheid volbracht wordt, opdat we ons niet zullen verheffen.

Bron citaat: maartenluther-com – Meditatie maandag 15 juni – wekelijks toegezonden Nederlands-talig citaat

Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van Christus in mij zichtbaar wordt. Omdat Christus mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, in nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk.‘ (Uit 1 Korintiërs 12 de verzen 1-13 : 9-10)
NB. Die vreugde weerhield hem niet om zich te verweren tegen het soort ‘apostelen’ dat zich juist wel wilde laten gelden in en zich verheffen boven de gemeente op grond van allerlei kwaliteiten die ze zichzelf toedichtten en waarmee ze zich een (hoge) plaats wisten te verwerven binnen de gemeente(n) waarvan ze ook wilden/durfden leven op kosten van de gemeente(n) – zie 1 Korintiërs 4, en 2 Korintiërs 10 t/m 13.

Bron afbeelding: Tumblr

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie