De profeet Ezechiël over ‘witkalkers’…

Hoor, de Heer roept tot de stad – wie wijs is heeft ontzag voor Uw Naam. Hoor het striemen van de roede: wie zou er dan nog voor haar getuigen?
(Micha 6 : 9)

Kunnen we deze corona-tijd en de gevolgen ervan voor de samenkomsten van de gemeente(n) van onze Heer Jezus Christus zien als vergelijkbaar met de tijd van de teloorgang van de tempeldienst van het vroegere Israël?
Dat ‘verlies’ wordt beschreven in het Bijbelboek Ezechiël en daar blijkt dat God Zelf Zich terugtrekt en dan kan niemand de teloorgang van de tempeldienst nog tegenhouden. En later is het in het jaar 70 na Christus opnieuw zo ver….
Nu zijn ons de gemeentelijke vieringen van het Avondmaal ontnomen en nu kunnen we wel heel druk zijn met het zoeken en creëren van allerlei oplossingen, maar vragen we ons daarbij ook af of we ons niet vooral druk hebben te maken over het waarom van dit verlies…

Het Godsvolk bouwt zelf muren en de profeten kalkten ze wit…

(…) 9 Ik keer me tegen de profeten met hun bedrieglijke leugens en valse voorspellingen. Ze zullen uit de gemeenschap worden gestoten. Ze zullen niet meer ingeschreven staan in de boeken van het volk van Israël, en in het land van mijn volk zal geen plaats meer voor hen zijn. Dan zullen jullie inzien dat ik God, de HEER, ben.
10 De profeten hebben mijn volk op een dwaalspoor gebracht toen ze zeiden dat het vrede zou blijven, en mijn volk bouwde muren die door de profeten met witkalk werden bepleisterd – maar het bleef geen vrede.
11 Zeg daarom tegen die witkalkers dat hun muur zal instorten. Als er slagregens komen, als er hagelstenen neerkletteren, als er een stormwind losbreekt 12 en de muren instorten, zal er dan niet worden gezegd: ‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’
13 Daarom – zegt God, de HEER – zal ik in mijn woede een stormwind laten losbreken en slagregens doen neerslaan, ik zal hagelstenen laten neerkletteren in mijn allesverwoestende toorn.
14 Ik haal de witgepleisterde muren omver, ze zullen instorten en hun fundamenten zullen bloot komen te liggen. De stad zal in puin vallen en jullie zullen omkomen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben.
15 Ik zal mijn woede koelen op de muren en op de witkalkers, ik zeg jullie dat de muren zullen verdwijnen samen met hen die ze hebben bepleisterd: 16 de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven – zo spreekt God, de HEER.”  (Uit Ezechiël 13)

~~~

(…) 59 Dit zegt God, de HEER: Door je niet te houden aan ons verbond heb je je eed gebroken, en daarom zal Ik je behandelen zoals je verdient. 60 Toch zal Ik aan dat verbond blijven denken, het verbond dat Ik met je gesloten heb in de dagen dat je nog jong was. Daarom zal Ik nu een verbond met je sluiten dat eeuwig zal duren. 61 Als je grote en je kleine zusters weer bij je komen, zul je over je gedrag nadenken en je ervoor schamen. Je zult ze van mij als dochters krijgen, al maken zij van het verbond geen deel uit. 62 Als Ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat ik de HEER ben 63 en overdenken wat je gedaan hebt; je zult je schamen, en zwijgen omdat je vernederd bent – maar Ik vergeef je alles wat je hebt gedaan. Zo spreekt God, de HEER.’ (Uit Ezechiël 16)

Geciteerd: Ds. F. van Deursen (emeritus predikant van de NGK) in ‘Bijbellezingen over het boek Ezechiël*  bij het slot van hoofdstuk 16 van dit Bijbelboek:

Hoe Hij zich toch nog over haar ontfermde, vs. 53-63, 42

U hebt het zo zachtjesaan al wel gemerkt: wanneer je de profeten leest, zegt de Here telkens tegen Israël: ’t Is afgelopen! Nu is het afgelopen! Maar dan hoor je Hem daarna ook zeggen: ‘Maar hélemaal afgelopen is het niet!’ Hier in Ezechiël 16 : 53-63 hoort u dat ook weer.

Want hoe zou het gaan? In vs. 42 zegt de Here: Als Ik u dan zus en zo gestraft heb, ‘dan zal Ik tot rust komen en me niet langer getergd voelen’.  Het lijkt wel of de Here een mens is, een woedende vader, die nog zit uit te hijgen van zijn boosheid. ‘Dan zal Ik tot rust komen’. Zo is God.

En dan? Dan schep Ik toch weer betere tijden voor mijn zwaar getergde echtgenote Israël. Als het Oude Verbond dan zo geschonden is, dan zal Ik toch terugdenken aan de tijd datje nog zo jong en zo mooi was. En dan zal Ik een eeuwig, een blijvend verbond met je sluiten.

Dat is het Nieuwe Verbond waarin ook wij, van afkomst heidenvolken, door het geloof zijn opgenomen. Ik zeg ‘óók’: want het omvat ook talloze gelovige Israëlieten. Het is het verbond waarvan Jezus Christus Borg en Middelaar geworden is. Daartoe heeft God zijn afvallige, ontrouwe vrouw Israël toch nog willen verwaardigen.

Want onze Here Jezus is voortgekomen uit het Israël dat uit de ballingschap terug mocht keren. Maar elke Jood, die in die Heiland der wereld gelooft en de geschiedenis ook van zijn volk ootmoedig beziet in het licht van Ezechiël 16, zal zich wel moeten schamen. Heeft Jahweh mijn volk toch nog verwaardigd om de Zaligmaker der wereld te mogen voortbrengen? Wat een genade!

Ja, diepe schaamte, dát past het gelovige Israël. Maar diepe schaamte past evengoed de kerk-uit-de-heidenen. Om haar afkomst, haar roeping, haar schuld en haar begenadiging. Hoe is het mogelijk dat er nog een kerk bestaat!

Wat een aansporing om ons hele, maar dan ook ons hele hart te verpanden aan niets en niemand anders dan aan onze trouwe, genadige en liefdevolle God en Vader en aan zijn lieve Zoon, onze Here Jezus Christus, de Rots van onze levens en ons deel in eeuwigheid.

* Uitgave 2002, lees ook het Voorwoord via deze link

Bron afbeelding:  Greg Sloop Blog

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s