De ander helpen…(IX)

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
(Uit Lucas 10 : 25-29)

Geef ons heden ons dagelijks alibi voor
blijvende liefdeloosheid… (a)

De vraag van deze wetgeleerde is dezelfde als die van de rijke jongeling. De vrager weet in wezen het antwoord op zijn vraag, maar terwijl hij nog vraagt, hoewel hij al weet, wil hij zich onttrekken aan de gehoorzaamheid aan Gods gebod. Er blijft voor hem echter slechts de uitkomst: Doe wat ge weet, dan zult ge leven.

Dan volgt weer de vlucht in het ethische conflict: Wie is mijn naaste? Ontelbare keren is sindsdien de strikvraag van de Schriftgeleerde in goed vertrouwen en onwetend nagesproken; ze geniet de waardering van een ernstige en verstandige vraag van een zoekend mens. Maar men heeft de samenhang niet goed gelezen.

Het gehele verhaal van de barmhartige Samaritaan is één afweer en vernietiging van deze vraag als een satanische door Jezus. Het is een vraag zonder einde, zonder antwoord.

Wie is mijn naaste?

Is er een antwoord op, of het mijn eigen broer, mijn volksgenoot, mijn broeder in de gemeente of mijn vijand is? Laat zich niet het één, zo goed als het andere, met hetzelfde recht beweren en ontkennen?

Is niet het einde van deze vraag tweespalt en ongehoorzaamheid? Ja, deze vraag is opstandigheid tegen Gods eigen gebod. Ik wil wel gehoorzaam zijn, maar God zegt mij niet hoe ik dat kan. Gods gebod is voor tweeërlei, uitleg vatbaar, het laat me in een eeuwigdurend conflict.

De vraag: ‘Wat moet ik doen?‘ was het eerste bedrog.
Het antwoord luidt: Doe het gebod dat ge kent. Ge zult niet vragen, maar doen.

De vraag:Wie is dan mijn naaste?’ is de laatste vraag van de vertwijfeling of de zelfverzekerdheid, waarin de ongehoorzaamheid zich rechtvaardigt.
Het antwoord is: Gij zijt zelf de naaste.

Ga heen, wees gehoorzaam en betoon u in de daad der liefde de naaste aan de ander. 

Naaste te zijn is niet een kwalificatie van de ander,
maar is zijn aanspraak op mij, verder niets.

In elk ogenblik, in elke situatie ben ik degene die geroepen wordt tot handelen, tot gehoorzaamheid. Er is letterlijk geen tijd om naar een kwalificatie van de ander te vragen. Ik moet handelen en gehoorzamen, ik moet de naaste zijn voor de ander.

Vraagt ge dan nog weer verschrikt, of ik dan niet van tevoren moet weten en bedenken hoe ik heb te handelen – dan krijg ik alleen te horen: wat gehoorzaamheid is, leer ik alleen in de gehoorzaamheid, niet door te vragen.

Pas in de gehoorzaamheid leer ik de Waarheid kennen.

Vanuit de gespletenheid van het geweten en de zonde roept de stem van Jezus ons op
tot de eenvoud van de gehoorzaamheid.

(a) Opgemerkt AJ:  Ongehoorzaamheid is gebrek aan liefde tot God en die komt tot uiting in gebrek aan liefde, vergevingsgezindheid, aanvaarding en hulp aan de naaste. Wie is hier zonder zonde?! Wie heeft zich niet dagelijks te bekeren?!

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Liefde tot de vijand” – “Opstandig vragen” (5 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen,
u zult de waarheid kennen, en de Waarheid zal u vrijmaken.

(Uit Johannes 8 : 31-32)

Bron afbeelding:  Flickr

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s