De ander helpen…(VI)

(…) 24-25 De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden en u onberispelijk en juichend van vreugde voor zijn majesteit te laten verschijnen, Die ons redt door Jezus Christus, onze Heer, Hem behoort de luister, de majesteit, de kracht en de macht, vóór alle eeuwigheid, nu en tot in alle eeuwigheid. Amen. (Uit Judas 1)

Goddelijke vergeving of slechts zelfvergeving?

In de biecht vindt de doorbraak naar de zekerheid plaats. Hoe komt het, dat het belijden van onze schuld tegenover God dikwijls gemakkelijker voor ons is dan tegenover de broeder?

God is heilig. Hij is een rechtvaardig rechter van het kwaad en een vijand van alle ongehoorzaamheid. Maar de broeder is even zondig als wij zelf. Hij kent de macht van de zonde uit eigen ervaring. (1)

Moesten wij de weg tot de broeder dan niet gemakkelijker vinden
dan de weg tot de heilige God?

Als het bij ons anders is, dan moeten wij ons afvragen, of we ons zelf met onze schuldbelijdenis voor God niet dikwijls wat wijs hebben gemaakt en of wij niet veel meer onze zonden aan ons zelf beleden en ze ook ons zelf vergaven?

Vindt de krachteloosheid van onze christelijke gehoorzaamheid misschien juist daarin zijn oorzaak, dat wij leven uit een soort zelfvergiffenis en niet uit de werkelijke vergeving van onze zonden? Zelfvergiffenis kan niemand tot breken met de zonde brengen. Dat kan alleen het oordelende en vrijsprekende Woord van God zelf. Wie garandeert dat wij bij belijdenis en vergeving niet met ons zelf te doen hebben, maar met de levende God?

Deze zekerheid geeft God ons door de broeder. De broeder verbreekt de ban van de zelfmisleiding. Wie tegenover de broeder zijn zonden belijdt, weet, dat hij hier niet meer bij zich zelf is, maar ervaart in de realiteit van de ander de tegenwoordigheid van God. (1)

Zolang ik in het belijden van mijn schuld bij mij zelf ben, blijft alles in het duister. Omdat de zonde toch een keer aan de dag moet treden, is het beter, dat het vandaag gebeurt tussen mij en de broeder (1), dan dat het gebeuren moet op de jongste dag, in het licht van het laatste oordeel.

Het is Goddelijke genade, dat wij onze zonden belijden mogen
tegenover de broeder.

Wij worden er door gespaard voor de verschrikking van het laatste oordeel. De broeder is mij gegeven, opdat ik reeds hier zeker zal zijn van de werkelijkheid van God in zijn oordeel en in zijn genade.

(1) Opgemerkt AJ: Let op de passieve rol van de broeder die de schuldbelijdenis aanhoort. Zo iemand hoeft dus heus geen maatregelen te gaan nemen om degene die zijn  schuld heeft willen belijden in het vervolg te gaan behoeden voor latere struikelingen (zie o.a. de hier gekozen teksten uit Judas!).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Is er geen koning onder u?” – “Vergeven wij onszelf?” (8 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen,
u zult de waarheid kennen, en de Waarheid zal u vrijmaken.

(Uit Johannes 8 : 31-32)

(…) Aan allen die geroepen zijn en aan wie de ​liefde​ van God, de Vader, en de bescherming van ​Jezus​ ​Christus​ ten deel vallen. 2 Barmhartigheid​ zij u, ​vrede​ en ​liefde, in overvloed. (Uit Judas 1 : 1-2)

Bron afbeelding:  YouTube

 

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Een reactie op De ander helpen…(VI)

  1. janvdijk9464 zegt:

    Dit is op Sitetitel herblogden reageerde:
    vergeven en vergeving geven is een mooi doel

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s