De ander wéldoen…

(…) 12 Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.
Dat is het ​hart​ van de Wet en de Profeten. (Uit Matteüs 7)

HC Zondag 42: Maar wat gebiedt God u in dit (achtste) gebod?

(1) Het is niet genoeg dat u uw naaste geen schade doet aan lichaam, ziel en leven, want er is nog een andere kant: u moet hem ook wéldoen – en wel zoveel als u mogelijk is.

  • Geef de hongerige eten. Hebt u dat niet gedaan, dan hebt u hem gedood. Dat betekent: als hij van honger zou sterven, dan is dat hetzelfde alsof u hem dood hebt laten gaan, ja, wat u betreft hebt u hem dan werkelijk gedood. Hetzelfde geldt ook in andere gevallen:
  • Kleed hen die geen kleding hebben. Als u het gekund had en hen niet hebt gekleed, dan is dat hetzelfde alsof u hen van kleding beroofd zou hebben.
  • Herberg de vreemdeling. Als u het gekund had en hem niet hebt geherbergd, dan is dat hetzelfde alsof u hem weggejaagd zou hebben.
  • Geef de dorstige te drinken. Als u het gekund had en hem geen drinken hebt gegeven, dan is dat hetzelfde alsof u hem van dorst deed omkomen.
  • Troost de bedroefden. Als u het gekund had en hen niet hebt getroost, dan is dat hetzelfde alsof u de oorzaak van hun verdriet zou zijn.
  • Onderwijs de dwalenden. Als u het gekund had en hen niet hebt onderwezen, dan is dat hetzelfde alsof u hen verleid zou hebben.
  • Vermaan de zondaren. Als u het gekund had en hen niet hebt vermaand, dan is dat hetzelfde alsof u hen aangezet zou hebben om te zondigen.
  • Neem het op voor hem die belasterd wordt. Als u het gekund had en het niet voor hem hebt opgenomen, dan is dat hetzelfde alsof u zijn eer geschonden zou hebben.
  • Verzorg de zieken. Als u het gekund had en hen niet hebt verzorgd, dan is dat hetzelfde alsof u hen nog zieker gemaakt zou hebben.

De grond en oorzaak van dit alles is: dat wij dit graag door anderen aan ons laten doen, als wijzelf in nood zouden zijn. Daarom zijn wij naar Gods bevel verplicht het ook aan anderen, als zij in nood zijn – zo goed we kunnen – te doen. (2)

(1) Behandelde tekst: Mattheüs 7 : 12

Maarten Luther: Monasterio Augustinen, Erffurdiae, circa x 514, vgl. WA 4,593,30 – 594,7

(2) Dit citaat komt uit een van de zeer vroege preken van Luther, mogelijk reeds van het jaar 1510, zegt Lutherkenner Erwin Mülhaupt, die deze preek aanwijst als de vroegst bekende preek van Luther die aan ons overgeleverd is. De kern van dit citaat is overigens oorspronkelijk niet van Luther. De kerkvaders Ambrosius en Augustinus hadden dit al ongeveer op dezelfde manier onder woorden gebracht. Luther zegt ook zelf dat hij het bij Augustinus gelezen heeft, en gebruikt het in deze preek die hij als monnik ooit gehouden heeft in het augustijnenklooster te Erftirt.

Bron tekst: “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelberger – Maarten Luther”  – samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  SlideShare

Matteüs 7 - The golden rule - Pinterest

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s