In het dienstkleed van de armoede…

Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet…
(Uit: Mattheüs 10 : 8b-10)

Omdat de opdracht en de kracht van de boden alleen gelegen zijn in het woord van Jezus, (1) mag aan Jezus’ boden niets gezien worden wat deze koninklijke zending onduidelijk of ongeloofwaardig maakt. In koninklijke armoede moeten de boden getuigenis afleggen van de rijkdom van hun Heer.

Wat ze van Jezus ontvangen hebben, is geen eigen bezit, waarmee ze andere goederen zouden kunnen kopen. ‘Om niet hebt gij het ontvangen.’ Bode van Jezus zijn, geeft geen persoonlijke rechten, geen aanspraak op macht en eer. En waar uit de bode van Jezus de predikant in het ambt geworden is, is dat niet anders.

De rechten van de gestudeerde man, de maatschappelijke aanspraken van een stand, hebben voor hem die bode van Jezus geworden is, geen gelding meer. Of was het toch niet alleen Jezus’ roepstem die ons onverdiend tot zijn dienst trok? ‘Geeft het ook om niet!’ Laat het duidelijk worden, dat ge met alle rijkdom die ge te vergeven hebt, niets voor u begeert, geen bezit, maar ook geen aanzien, waardering, zelfs geen dankbaarheid!

Op welke gronden zoudt ge op dat alles aanspraak kunnen maken? Alles wat ons aan eer ten deel zou vallen, ontroven wij immers Hem die het in waarheid toekomt, de Heer die ons gezonden heeft.

De vrijheid van de boden van Jezus moet blijken uit hun armoede. Niet als bedelaars, niet met gescheurde kleren moeten ze opvallen en de anderen als parasieten tot last worden. Maar in het dienstkleed van de armoede moeten zij er op uitgaan. Zij moeten zo weinig bij zich hebben, als degene die door het land trekt en zeker is, dat hij ’s avonds bij vrienden het huis vindt dat hem herbergt en hem met het nodige voedsel verzorgt.

Een dergelijk vertrouwen moeten ze weliswaar niet op mensen stellen, maar op Hem, die hen gezonden heeft, en op de hemelse Vader die voor hen zal zorgen. Daarmee zullen ze de boodschap die zij verkondigen, geloofwaardig maken, nl. de aanbrekende heerschappij van God op aarde. In dezelfde vrijheid waarin zij hun dienst doen, moeten zij ook onderdak en voedsel aannemen, niet als genadebrood, maar als voedsel, waarop de arbeider recht heeft.

‘Arbeiders’ noemt Jezus zijn boden. Wie traag is heeft geen recht op voedsel. Maar wat verdient meer de naam arbeid dan deze strijd met de machten van de satan, deze strijd om de harten der mensen, dit prijsgeven van eigen roem, van de goederen en vreugden van de wereld, ter wille van de dienst aan de armen, de mishandelden, de ellendigen? (2)

(1) Dus niet in eigen droombeelden over de kerk en/of (daarmee) een “koninkrijk voor God” hier op aarde.
(2) Dat Luther zijn dienstwerk in en aan de kerk in deze nederige staat en dienst heeft willen verrichten (en dat werk van hem de naam “Reformatie” niet waardig geacht heeft!), dat wordt heel goed en duidelijk belicht in het boek “Luther – mens tussen God en duivel” van prof. Heiko A. Oberman en wel in Hoofdstuk II “De Antichrist en zijn werk” (blz. 73-83).
(NB. Het enige waar Luther wel een droombeeld over gemaakt had, dat is de bekering van de Joden in zijn tijd. Toen dat niet uitkwam werd hem dat “noodlottig” en kwam zelfs hij aanzetten met een vorm van “dopers streven” en “doperse geweld”.)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De  boden” – “In het dienstkleed van de armoede” (19 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding: Pinterest

Matteüs 10 8 - Freely you received - Pinterest

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s