Het (h)eerlijke Evangelie…

3 Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.
4 Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd, laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen. (…)
8 Het gras verdort en de bloem verwelkt, maar het Woord van onze God houdt altijd stand.
.
(Uit Jesaja 40)

Vroeger meende ik dat bovenstaande teksten betekende dat er bij de geboorte en komst van de Messias en bij en voor de vestiging en uitbreiding van Zijn koninkrijk een soort heerbanen (“koninklijke wegen”) aangelegd behoorden te worden (o.a. van Nazareth naar Jeruzalem bijvoorbeeld) en dat die wegen daarbij strak en horizontaal aangelegd behoorde te zijn, dus net als in de regel het geval is bij de aanleg en loop van een spoorbaan met treinrails. Ook stelde ik me voor dat de weg naar Jeruzalem, dicht bij Jeruzalem een heel bijzonder karakter zouden krijgen en dat er verwacht werd, dat daar dan een soort feestcomité van belangrijke mensen (Farizeeën en Schriftgeleerden met name) Hem daar zou staan opwachten…
Wanneer deze fantasie-voorstelling juist was geweest, dan hadden wij mensen natuurlijk veel reden gehad om bij en voor Hem juist de rijken en machtigen en gezonde mensen en mensen met veel invloed en organisatievermogen belangrijk te vinden en om vooral naar hen te zien voor het uitvoeren van de taken ter voorbereiding en vestiging en uitbreiding van Zijn koninkrijk… En in feite was zoiets wel de gedachte en de verwachting bij het Joodse volk bij Jezus komst op aarde. En hoe is dat nu?
Bij de komst van onze Messias in deze wereld bleken de hierboven geciteerde Bijbelteksten echter een heel andere inhoud te hebben bij en voor de ontvangst en vestiging en uitbreiding van het rijk van onze werkelijke Messias. Ze bleken juist te beteken dat ieder die zichzelf te min (onwaardig) achtte om deze Messias te mogen verwelkomen en om mee te helpen aan de vestiging en uitbreiding van zijn rijk en anderen die meenden dat zij daartoe  juist bijzonder geschikt waren of nog weer anderen die meenden dat het onder hun stand was daaraan bij te dragen, dat al die mensen  voor deze Messias in een volkomen gelijke (rechts)positie kwamen te staan en verkeren en dat geen van hen te min is of een streepje voor heeft wanneer het gaat om hun noodzakelijke redding of wanneer het gaat om het kunnen en mogen leveren van een bijdrage aan de vestiging en uitbreiding van Zijn rijk. Wie zich daarvoor te min achten worden verheven en wie zichzelf te hoog inschatten worden verlaagd en zo komen alle mensen naast elkaar te staan. Zij allen hebben niets van zichzelf te verwachten, maar alles van de Redder die hen verschenen is en van de gaven die Hij hen toebedeelt om daarmee te kunnen werken aan de vestiging en uitbreiding van Zijn rijk hier op aarde…

1 Mijn broeders, houdt uw geloof in onze Here der heerlijkheid, Jezus Christus, vrij van aanzien des persoons. 2 Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen met een gouden ring aan zijn vinger en in prachtige kleding, en er kwam ook een arme binnen in schamele kleding, 3 en jullie zouden opzien tegen de man met de prachtige kleding en zeggen: neemt u hier deze goede plaats, maar tot de arme zouden jullie zeggen: ga jij daar maar staan, of ga beneden bij mijn voetbank zitten, 4 zouden jullie dan geen onderscheid maken onder elkander en optreden als rechters, die zich door verkeerde overwegingen laten leiden?
5 Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben? 6 Doch jullie hebben de arme smadelijk behandeld. Zijn het niet de rijken, die u geweld aandoen en die u voor de rechtbanken slepen? 7 Lasteren zij niet de goede Naam, Die over u is aangeroepen? 8 Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het Schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan doet gij wél. 9 Doch indien jullie met aanzien des persoons handelen, doen jullie zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding. 10 Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden). (Uit Jakobus 2)

17 En wanneer jullie Hem als Vader aanroept, die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze gedurende de tijd van uw vreemdelingschap, 18 wetende, dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, bent vrijgekocht van uw ijdele/zinloze wandel, die (u) door uw voorouders overgeleverd is, 19 maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. (Uit 1 Petrus 1)

Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; 10 maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. 11 Want er is geen aanzien des persoons bij God. (Uit Romeinen 2)

Bron afbeelding:  leefhetleven.punt.nl

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s