God’s glorierijke overwinning…

(…) “Het Paaslicht is de morgenglans niet van deze maar van een nieuwe aarde. Pasen is het goddelijke: ‘Er zij licht!’ tot een wereld die (ten onrechte) verheerlijkt wordt! Daarin ligt zijn unieke ‘Sursum corda’. Geen ander feest eist zo gebiedend dat wij over de aardse grenzen heen treden als dit feest. Pasen wordt in de lente gevierd. De vernieuwde aarde is echter maar een armoedige gelijkenis van dit feest. In het christelijke opstandingsgeloof gaat het niet om de oneindige vernieuwing van het natuurlijke en daarom altijd weer sterfelijke leven. Niet in de natuur, maar in de doop en het opbiechten van de zonde is het dat wij de weerschijn van Pasen moeten zoeken. De Opgestane die de discipelen zagen, is Hij die naar de hemel opvaart. Het ‘halleluja’ dat de Kerk aanheft, geeft geen stem aan de jubel die bestemd is voor deze kant van het graf. Zij is er vanwege de eeuwigheid aan de andere kant van het graf.

Pasen ziet dus op het eeuwige leven. Toch is daarmee nog niet het diepste geheimeniskarakter van de Paasmorgen aangegeven. Het ligt vooral daarin dat dit ‘halleluja’ dat betrekking heeft op de eeuwigheid, toch al op aarde gezongen wordt. De Opgestane die naar de hemel vaart, is verschenen aan zijn discipelen. Hij, de verheerlijkte, heeft hen uit de nacht van Golgotha weggetrokken. De Verheerlijkte heeft tot hen gesproken: ‘Onderwijst alle volkeren”. De Opgestane is degene die in zijn Kerk voortleeft. Dat wil niet alleen zeggen dat de roeping van de Kerk stamt uit de verheerlijking van het leven na dit leven. Het wil ook zeggen dat haar lotsbestemming altijd en reeds hier op aarde iets heeft van het leven hierna; anders gezegd: zij is wel in de wereld, maar niet uit deze wereld.

Van hieruit wordt veel van het verdrietige verklaarbaar, dat anders onverklaarbaar zou blijven. (…)

Niet het feit dat de Kerk in haar uiterlijke verschijning over kan komen als een machtsinstituut, roept de diepste tegenspraak op (1) – deze kant van de Kerk is voor de tegenstanders in zekere zin nog een troost en een toevlucht, omdat dit de sfeer is waarin zij haar tegemoet kunnen treden, hoewel tegen haar strijdend. De eigenlijke tegenspraak echter hangt samen met het bovenwereldlijke en boventijdelijke karakter van het christendom!”

Wat Gertud von le Fort naar voren brengt, is prachtig onder woorden gebracht door dr. W. Aalders. Hij vergelijkt de Kerk met de weduwe uit de gelijkenis (Lukas 18). Zij hoort, als haar man is heengegaan, niet meer bij deze wereld. Ze kan er niet meer volop in opgaan. Om die houding wordt ze gezien als een spelbreekster en wordt ze nauwelijks geduld. Op die manier wordt haar onrecht aangedaan.

Gertrud von le Fort schrijft verder:
“De tegenspraak van de tegenstanders doet ook denken aan de teleurstelling en de moedeloosheid van veel vrome christenen, als het met het christendom niet goed gaat. (…)

Vanuit dit gezichtspunt wijst al het mislukken, ja de triomf van de antichristelijke en de heidense machten, in de grond van de zaak op de triomf van Christus, dat wil zeggen de triomf van zijn lijden en van zijn dood. Maar in deze triomf gaat alleen de triomferende wereld (ook de “godsdienstige”! – AJ) te gronde. Het christendom zelf wordt de kroon op het hoofd gezet (2). Zijn ‘dood is verslonden tot overwinning.’ Wat van de mens uit gezien kruis en graf heet, dat heet van God uit reeds verheerlijking en eeuwig leven. Zo wordt het hoogste jubellied mogelijk, dat ooit op aarde heeft geklonken. Het ‘Dat zij jubele!’ en het ‘Halleluja’ dat op Stille Zaterdag wordt aangeheven, zijn de beide liederen waarvan men heeft gezegd: zij zijn geen liederen meer, maar ‘gezongen licht van de eeuwigheid‘.”

Gertrud von le Fort houdt ons voor:

  • Pasen is het feest van het eeuwige leven dat zich realiseert aan de andere kant van de doodsgrens.
  • Pasen is het feest van het eeuwige leven dat toch doorbreekt in deze wereld. Zo is de Kerk in de wereld, maar niet van de wereld.
  • Pasen laat vooral zien dat de schijnbare overwinning van de boze de triomf van Christus betekent. Toen de Emmaüsgangers dat begrepen, sloeg de stemming om.

Blijkt op die momenten dat de Kerk van Christus moedeloos is en niet verder komt dan “wij hoopten…”, dat haar gezichtseinder veel te beperkt is geworden? Heeft zij het nodig om, evenals de Emmaüsgangers, bijgepraat te worden?

Wanneer de Kerk daarvoor openstaat, welke perspectieven breken zich dan baan!

(1) Ook voor gelovigen is de kerk als “machtsinstituut” en de glans en glorie die de mens daarmee toekomt en daarmee verspreiden kan nogal eens een houvast en troost.
(2) Beter is het hier niet te spreken over Christendom (of Jodendom…) maar over Gods kinderen. En in deze wereld betekent die kroon (dus) vooral nog “kruisdragen”.

Bron tekst: Ecclesia nr. 8 – april 2017 – “De discipelen toen en de Kerk van nu – eenzelfde les” van H. Klink, Hoornaar.
Bron afbeelding: Bemoedigende Bijbelteksten

Hand-2622-23 - Bemoedigende Bijbelteksten

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s