Gods donderpreek aan het einde van het Oude Testament…

‘Zie Ik zal u zenden de profeet Elia voordat die grote en verschrikkelijke dag des Heren komt.‘ (Maleachi 4 : 5)

Geciteerd 1: Jezus werd gezien als de softie bij uitstek door zichzelf niet te verdedigen, Hij paste niet in de machocultuur waar het recht van de sterkste gold. Hij stelde kinderen als voorbeeld en ging om met hoeren en belastinginners. Tegelijkertijd was er helemaal niets ‘soft’ aan Jezus. Wat hij deed, getuigde van radicale liefde en daarom gooide Hij ook tafels om en waarschuwde met grove woorden. Dat zijn geen twee kanten van dezelfde Jezus, het komt allemaal voort uit zuivere, heilige, goddelijke liefde. Het is zonde en heeft vele donderpreken nodig als we Gods liefde associëren met softheid.

Geciteerd 2: Toen heeft de aan het einde van het Oude Testament tot slaan opgeheven vuist geslagen, op Hem, van Wie wij zingen: ‘Lijdt Hij die smaad, die slagen? Ja, ik kost Hem die slagen. Ik sloeg Hem al die wonden.’ Toen is de banbliksem van het Goddelijk gericht ingeslagen, maar zie, vóór Hij de aarde bereikte, heeft deze Zijn hoofd getroffen. Zo nauw neemt God het met de rechtvaardigheid in hemel en op aarde, zo nauw neemt Hij het tegelijkertijd met Zijn liefde, dat Hij, om de aarde niet te moeten slaan, de slag liever Zelf krijgt, de neersuizende vuist liever Zelf opvangt, en Hém slaat, Die van eeuwigheid bij Hem is. En zo heeft God gespaard. Omdat de rechtvaardigheid aan Christus voltrokken wordt, daarom zijn er nu mensen, van wie de namen in ‘het Boek des Levens’ geschreven staan, mensen die Zijn eigendom en Zijn erfgenamen zijn, die kunnen zeggen: ‘Dit is mijn enige troost in leven en in sterven, dat ik van mijn trouwe Zaligmaker Jezus Christus eigendom ben.’

Geciteerd 3: Eén ding zal tot aan de jongste dag een onfeilbaar teken zijn voor hen, die nu reeds in de Gekruisigde geloven en hem toebehoren: de kerk, d.w.z. de schare van de aan het kruis veroordeelden en geredden zal in die tijd tot aan de jongste dag steeds daar te vinden zijn, waar men aan het recht gelooft; d.w.z. daar, waar men niet gelooft, dat de slechtheid winstgevend is (zie Maleachi 3 vers 15). Zij zal altijd staan aan de kant van hen die onrecht lijden, en dat wel (diep) getroost zonder medelijden met zichzelf. Zij zal zich altijd moeten plaatsen tegenover hen, die zich maar zelf recht verschaffen, en die geneigd zijn het recht te buigen en te breken.
De kerk van de Gekruisigde zal gedurende deze wachttijd een advocaat en beschermer zijn voor wezen en weduwen, voor vreemdelingen en dagloners. En zou zij zelf daardoor smaad en schande te verduren krijgen en onrecht moeten lijden, dan zal zij zich, in onderscheiding van Maleachi’s moedeloze tijdgenoten, volstrekt niet beklagen. Zij zal zich er niet eens over verbazen ‘alsof haar iets vreemds overkwam’ (1 Petrus 4 de verzen 12-13); zij zal getroost weten dat het als het ware zó in orde is. Zo behoort zij geheel bij de Man van Smarten en mag zij onder de bescherming en in de schaduw van de Gekruisigde ook mee kruisdragen en lijden.

Geciteerd slot: Ook het laatste boek van het Nieuwe Testament heeft een laatste woord. Dat luidt aldus: ‘Kom Heere Jezus! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie allen! Amen.’ (Openbaring 22 de verzen 20-21)

Bron citaat 1: ND Opinie – ‘Ligt er te veel nadruk op Gods liefde? Het is misschien wel tijd voor een donderpreek daarover’ – door Almatine Leene

Bron citaten 2-slot: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker
(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

‘Zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, op de dag, die Ik doe aanbreken, Mij ten eigendom zijn; en Ik zal hen sparen zoals een man zijn zoon spaart, die hem dient. Dan zullen zij weer zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen hen, die God dienen, en hen, die Hem niet dienen.’ (Uit Maleachi 3 vers 18)

Bron afbeelding: TikTok

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Verbond en sociaal contract… (vervolg)

‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?‘
(Uit Maleachi 2 vers 10a)

Geciteerd 1: Dat wij allen één Vader hebben, laat de Bode ons nu nog iets concreter zien, als het ware meer tastbaar. Hij weet zich in dat opzicht één met alle andere profeten van het Oude Testament. Zo verwoestend de splijtzwam van de zonde zijn werk doet onder ons mensen, en ons van elkaar losscheurt, even duidelijk laat de Heilige Schrift ons één God en Vader zien, Die dicht bij elkaar houdt en verbindt. Wij staan hier voor het allergrootste wonder: tegenover ons verscheuren stelt God weer Zijn aanknopen.

De Bode spreekt hier aan het begin van het gesprek van ‘Het verbond dat met onze vaderen (voorgeslachten) is gemaakt’ (2 vers 10). God is niet alleen bij Maleachi, maar in het hele Oude en Nieuwe Testament de God van het Verbond, de Verbondsgod. Door het hele Oude Testament heen bemerken wij een mysterieus, moeizaam binden en aanknopen: het Verbond met Adam en Eva, het Verbond met Kaïn, het Verbond met Noach, het Verbond met Abraham, het Verbond met Mozes, het Verbond met David, al deze afzonderlijke Verbonden zijn in werkelijkheid geen afzonderlijke Verbonden, maar ’t is één enkel Verbond, dat heen wijst naar die Ene, Die geopenbaard is als onze Heer en Hoofd van het Nieuwe Verbond.

Wanneer ons mensen een schoenveter breekt, dan knopen wij hem weer aan, En als hij twee-, drie-, misschien viermaal breekt, dan knopen wij hem nóg weer aan; maar tenslotte wordt hij toch tekort en zijn wij gedwongen hem weg te werpen. Maar Gods band is niet slechts eenmaal en niet slechts viermaal gebroken, ontelbare malen hebben wij mensen hem gebroken, en ontelbare malen heeft God hem weer aangeknoopt. En deze band is tot op de huidige dag niet tekort geworden en God heeft hem niet weggeworpen. En uiteindelijk heeft Hij hem voor de laatste maal weer aangeknoopt, eens en voorgoed, en onherroepelijk is nu die band, het Verbond verzegeld in Jezus Christus. Daarom hebben wij allen één Vader door de Zoon. Breke wat breken wil, Gods Verbond breekt niet!

Ja, er is God zoveel aan gelegen dat wij Hem als God van het Verbond kennen, dat Hij door het hele Oude Testament heen Zijn Verbond met ons, arme mensen, een trouwverbond, je zelfs een huwelijksverbond noemt. Hij noemt Zichzelf de ‘Man’ van Israël, en Israël is de met Hem getrouwde en nu (in Maleachi’s tijd opnieuw) de Hem ontrouwe ‘vrouw’. Zij is zo ontrouw, dat Hij haar van tijd tot tijd moet tuchtigen. Maar wanneer Hij haar ook ‘een korte tijd verstoten heeft, heeft Hij haar toch aangenomen in eeuwige barmhartigheid.’ Deze voorstelling van God als ‘Man’ en Zijn gemeente als Zijn ‘vrouw’ gaat in het Nieuwe Testament zelfs zover, dat Christus Zichzelf de Bruidegom noemt en Zijn gemeente Zijn bruid. Die Bruidegom is trouw. Hij is letterlijk ‘trouw tot in de dood.’

Aan het kruis is het trouwverbond van God met ons, arme mensen, op de proef gesteld, om te zien of het daar ook breken zou. En daar heeft het stand gehouden. Daarop werd gedoeld, toen wij zeiden dat we de Vader door de Zoon kennen. In Jezus Christus hebben wij allen één Vader. En al wordt ook de hele wereld door onze ‘boze en overspelige natuur’ tot atomen verbrijzeld, het blijft een feit, dat Christus aan het kruis het Verbond heeft verzegeld.

Geciteerd 2: De bondeling (hij/zij!) krijgt Gods gunst om niet (Galaten 3 : 25-29). Die verwerft ook het eeuwige leven om niet. Die leert, zo lang hij/zij leeft, uit louter genade te leven. Het is zijn/haar zonde en schade, dat zij dit nooit goed genoeg leren. Ze worden geboren in het Verbond, en lang voordat de bondeling „tot zijn verstand gekomen is” past de God van het Verbond Zijn Woord op hem of haar toe, doordat Hij Zijn gemeente opdraagt en machtigt (ook) ‘dit kind’ te dopen. En zolang als de bondeling leeft is dit Woord van God, dat tot hem/haar persoonlijk gericht is, zijn/haar steun. Hoeveel men ook leert en doet, hoezeer een bondeling zich oefent in goede werken, hoezeer men groeit in geloofskennis en toeneemt in consequentie van geloven, hoeveel malen zo iemand zich afkeert van het betrouwen op zich zelf of op enig schepsel om zich toe te vertrouwen aan God, al die daden en al die rijkdom zijn ongeschikt om erop te leunen, alleen het vaste Woord van God, dat in de Doop (al) tot een bondeling gesproken wordt, is de steun van zijn/haar leven. Een bondeling leeft, en verwerft het eeuwige leven (Johannes 8 : 51), en daarin worden ze gedurig gedragen door het Goddelijk Woord van belofte.

Zie ook deze eerdere blog: ‘Over Verbond en sociaal contract…‘

Bron citaat 1: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker
(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

Bron citaat 2: ‘Eerst de Jood, maar ook de Griek’ – van prof. dr. K.J. Popma.

‘O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en jullie die geen geld hebben, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom wegen jullie geld af voor wat geen brood is en jullie vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat jullie het goede eet en jullie ziel zich in overvloed verlustige. Neigt jullie oor en komt tot Mij; hoort, opdat jullie ziel leve; Ik zal met jullie een eeuwig Verbond sluiten: de betrouwbare genadebewijzen van David.‘ (Uit Jesaja 55 de verzen 1-3)

‘Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus in de tempel, en Hij riep: “Laat wie dorst heeft bij Mij komen en drinken! Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft,” zo zegt de Schrift.’ (Uit Johannes 7 de verzen 37-38)

Bron afbeelding: Heartlight-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Abraham als pleitbezorger*…

* Pleitbezorger was een juridisch ambt dat erin bestond gedingvoerende partijen bij te staan en te vertegenwoordigen, in het bijzonder voor het opstellen en indienen van processtukken.

Geciteerd: Dan beginnen de onderhandelingen. Als er nu nog vijftig rechtvaardigen zijn, of veertig of dertig of twintig of tien? En God blijkt buitengewoon toegeeflijk in de onderhandelingen. Totaal niet toegeeflijk tegenover het kwaad, maar wel zeer beïnvloedbaar wanneer het gaat om Abraham, de rechtvaardige, de bidder die tot het uiterste gaat.
Wanneer ik in die spiegel kijk, word ik beschaamd en aangespoord tegelijk. Beschaamd, omdat ik dat zelden doe, zo tot het uiterste gaan in mijn bidden. Over mijn gebed hangt nogal eens een grauwsluier van verlegenheid, traagheid, twijfel. Mij ontbreekt het lef, het geloof, dat ik met God kan onderhandelen en dat dit werkelijk het verschil zou kunnen maken.
Maar als dit verhaal nu doorverteld is in de Bijbel om in alle tijden mensen aan te sporen om zo met God om te gaan, dan is het ook een geweldige aansporing voor mij. Trek je hieraan op. Durf het hoog te spelen in de onderhandelingen met God wanneer het gaat om recht en onrecht. Rechter van de hele aarde, doe recht! Als er nog tien rechtvaardigen zijn, scheer hen dan niet over één kam met de anderen!

Opgemerkt 1: Abraham kon (wist) nog niet te wijzen op Die éne Rechtvaardige…
Opgemerkt 2: Hoe verwerken wij vandaag onze kennis van en het geloof in Die éne Rechtvaardige in onze ‘onderhandelingen’ met God? Hoe bidden wij voor overheden en volken en mensen die ons kwaad doen?

Bron citaat: RD Opinie – ‘Abraham spoort ons aan tot gebed om omkeer’ – door dr. W. Dekker

‘Hij heeft ons strafblad dat tegen ons getuigde verscheurd, de lijst met regels waaraan we ons niet hebben gehouden. Dat bewijs heeft Hij vernietigd door het aan het kruis te slaan. Op die manier heeft God zich ontdaan van alle heersers en machten. Hij heeft hen in het openbaar te kijk gezet en daarmee laten zien dat zij door het kruis van Christus overwonnen en verslagen zijn.’ (Uit Kolossenzen 2 de verzen 14-15)

Bron afbeelding: Knowing Jesus – Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de dienende liefde van God…

‘Zó heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft…’ (Uit Johannes 3 vers 16)

‘Zal Hij, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alle dingen schenken?!‘ (Uit Romeinen 8 vers 32)

Geciteerd: Wat is de oorzaak van Gods geven, en wat beweegt Hem daartoe? Het is niets anders dan onuitsprekelijke grote liefde. Want Hij geeft niet uit schuld of plicht, of dat iemand Hem daarom zou gebeden of gesmeekt hebben, maar door Goddelijke goedheid en liefde bewogen. Het is Zijn blijdschap en vreugde om uit vrije genade te geven, zonder dat iemand Hem daarom gevraagd heeft. Hij geeft uit pure liefde. En zoals er geen groter Gever is dan God, zo is er ook geen grotere deugd – niet in God en ook niet in de mensen – dan de liefde (1 Johannes 4 vers 8 ). (1,2,3)
Liefde is meer dan geduld, nederigheid en alle andere deugden tezamen. Want alle deugden zijn vervat in de liefde. Immer als ik iemand liefheb, met die zal ik zeker niet (liefdeloos) toornen of hem/haar kwaad doen. Ook zal ik tegen hem of haar niet opscheppen of aanmatigend zijn, maar ik zal bereid zijn die ander te dienen, raad te geven en te helpen in alles, wanneer ik zie dat die ander mij nodig heeft. Kort gezegd: die ander heeft mij helemaal met lichaam, bezit en met alles wat ik kan. Nu, dat gaat over de liefde van mens tot mens!
Daarom moet hier ons hart vervuld worden tegen alle droefenis, omdat aan ons zo’n rijkdom van grondeloze liefde van God wordt voorgesteld. Hij, Die zó geeft dat het voortvloeit uit Zijn Vaderlijke hart, en ontspringt uit de hoogste deugd van de Goddelijke liefde. Hij, Die de Bron is van alle goed, die ook dé Gave [de Zoon] dierbaar en kostbaar maakt.
[Maarten Luther: Cruciger Sommerpostille 1530/35 (Druck 1544), WA 21, 479 ff]

Leestip: Johannes 13 : 1-20.

(1) Daarom is het zo’n verdrietige zaak dat wij de samenkomsten van de gemeente ‘erediensten’ (zijn gaan) noemen. Wanneer we beseffen dat (ook) daar alles van Gods kant naar ons toekomt – zelfs de lofzangen die we daar zingen heeft Hij ons in de mond gelegd – tenminste wanneer we daar m.n. de ‘lofzangen Israëls’ zingen zie Psalm 22 vers 4 – en wat we Hem daar bidden is geen nieuws voor Hem en ook wat en hoe wij Hem bidden zullen heeft Hij ons onderwezen en onderwijst Hij ons nog altijd – dan zullen we toch beseffen dat wij Hem niets hoeven toebrengen en/of ‘wijsmaken’.
(2) Wanneer we menen dat wij mensen Hem (juist) dáár (in onze samenkomsten) de ‘ere’ zullen en moeten toebrengen, dan lijkt het ook gepast dat we daar de hoogst opgeleide voorgangers en de beste sprekers en bidders en de beste muzikanten en (koor)zangers zullen laten optreden, want die dragen dan natuurlijk [lees: ons inziens!] het beste bij aan het eren van God in onze ‘erediensten’.
(3) Wanneer we echter beseffen dat het in de gemeentelijke samenkomsten (juist, heel bepaald) gaat om de dienende liefde van Hem, zoals Hij daar in ons midden aanwezig wil zijn met Zijn Geest en door het Woord, dan gaan we niet meer zoveel belang hechten aan onze inbreng in die zondagse samenkomsten van de gemeente, maar gebruiken we die (vooral) liever om dan (stilletjes) te zitten aan de voeten van onze Meester, zoals Maria dat deed. En dan worden we (steeds verder) onderwezen in wat Paulus in Romeinen 12 onze ‘ware eredienst’ noemt en passen we ons niet aan aan deze wereld*, maar veranderen we door onze gezindheid te (laten) vernieuwen, om zó (weer) ons te (laten) ontdekken wat God van ons wil en wat goed en volmaakt en Hem welgevallig is.
* Dan kijken we bij hen niet de kunst af van hoe zij hun afgoden vereren – bijv. zoals met hun extatische lofzangen in grote stadions.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Meditatie 12 september – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘U hebt mijn redding bevolen, mijn Rots en mijn Burcht, dat bent U‘
(Uit Psalm 71 uit vers 3)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘eeuwigheids-vraag’ – ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ – is al beantwoord!

‘Weten jullie (dan) niet – het is jullie toch al verkondigd – dat jullie een tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigd – bijv. door jullie niet als Gods bevrijde kinderen te zien en toe te spreken door het geloof – dan zal God zo iemand vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel zijn jullie zelf.‘ (Geschreven aan ‘zuigelingen in het geloof’ in 1 Korintiërs 3 de verzen 16-17)

Geciteerd: Aan veel predikanten en catecheten wordt regelmatig de vraag gesteld of de preek of de les niet wat praktischer kan zijn. Deze vraag lijkt op gespannen voet te staan met een theologie waarin de thema’s bepaald worden door de orde van het heil en de toepassing van het werk van Christus. Een wat-kan-ik-ermee-preek mist, volgens hen, immers de belangrijkste vraag: Hoe krijg ik een genadig God en hoe komt God aan Zijn eer?

Opgemerkt 1: In de gedoopte gemeente van onze Heer is het beslist niet waar en kan en mag het beslist niet zo zijn dat daar de belangrijkste vraag is ‘Hoe krijg ik een genadig God’ of ‘Hoe kan ik het heil, dat God mij in het Evangelie aanbiedt, mij toe-eigenen’. Het is een grote (de grootste!) overwinning van de satan na de ‘Luther-reformatie’ geweest dat hij deze vraag (weer) tot de belangrijkste vraag heeft weten te maken in veel kerken.

Opgemerkt 2: Alleen daar waar heel de gedoopte gemeente geleerd wordt en door het geloof weet te leven voor het aangezicht van een hen in Christus genadig God en Vader, daar worden de mensen losgemaakt van hun eigen ik (dat eerst nog zekerheid wil en moet zien te verkrijgen over het persoonlijk heil) en in de ware vrijheid gezet (door de bediening van Gods Woord en de sacramenten en het werk van de heilige Geest daarmee) om God en de naaste te dienen met een dankbaar hart. Het onderwijs van Gods Woord dient om hen altijd weer en steeds meer te overtuigen van het feit dat God hen om Christus’ wil een genadig God is en om hen te leren hoe zij in de praktijk van het leven God en de naaste zullen liefhebben en dienen. De(ze) waarheid, die maakt vrij!

Opgemerkt 3: Ook de vraag ‘hoe komt God aan Zijn eer’ is daarmee beantwoord, namelijk: Dat we gelovig amen zeggen op al Gods beloften, die in Jezus Christus ‘ja en amen’ zijn voor/in Zijn gemeente. Maarten Luther zei het zo: De ere Gods is dat we zijn weldaden (gelovig) aannemen. God wil namelijk geen (angstige) slaven maar dankbare kinderen in Zijn huis zien en horen en zo mogen ze ook de wereld weer in gaan om daar als vrije kinderen van God de Vader te leven in navolging van Zijn Zoon. En hoe we dat leven in navolging zullen leven dat leren we door altijd weer te luisteren naar het onderwijs van Gods Woord, niet alleen in de samenkomsten van de gemeente, maar ook thuis en op de scholen (waar dat nog kan) en in de ‘catechisatielokalen’.

Leestip: 1 Korintiërs 3.

Bron citaat: RD Opinie – ‘Maak preek en catechese praktisch, de Bijbel is het ook’ – door Johan Schouls
En ook mee n.a.v. ND Opinie & Columns – ‘Stefan Paas: Jongere christenen voelen zich verlegen met de protestantse reddingsleer’ – door Stefan Paas

‘Niemand van jullie moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van jullie. Maar (want) jullie zijn van Christus en Christus is van God.’ (Geschreven aan ‘zuigelingen in het geloof in 1 Korintiërs 3 de verzen 21-23)

Bron afbeelding: Knowing Jesus – Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vragen (bij de gang van zaken) bij een volwassendoop…

‘”Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren zich te houden aan alles wat ik jullie onderwezen (bevolen) heb. En zie, Ik ben met jullie (getuigenis!) alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.“‘ (Uit Matteüs 28 uit de verzen 18-20).
‘Maar broeders en zusters, ik kon tot jullie niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak (nog) tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb jullie melk gegeven, geen vast voedsel; daar waren jullie nog niet aan toe. En ook nu nog niet…’ (uit 1 Korintiërs 3 de verzen 1-2)

Geciteerd 1: Marten Micron, een van de voorgangers van de gemeente in London had aangegeven hoe met volwassenen die als kind niet waren gedoopt moest worden omgegaan: zij moeten ‘eerstmael in ’t gheloove geleerd werden’ en daarna hun geloof voor de gemeente belijden. Blijkbaar is er in de loop der jaren een aantal vragen geformuleerd die in voorkomende gevallen gebruikt werden.
Geciteerd 2: Het blijft verbazingwekkend dat deze vragen honderdvijftig jaar ‘verborgen’ zijn gebleven in een boek, uitgegeven zonder zaakregister. De literatuur over de doop zwijgt over deze vragen.
Geciteerd 3: De laatste vragen laten zich ook vandaag nog lezen als een vernieuwing van het verbond.

  • Verlangt u, nu u hier de kernpunten van het christelijk geloof beleden hebt, altijd daarbij te blijven en uw leven dienovereenkomstig in te richten, terwijl u de duivel met alle dwalingen en ketterijen samen met de wereld en al haar lusten verzaakt, en voortaan in ware gerechtigheid en heiligheid God en uw Zaligmaker te dienen? – (antw.: ) Ja, ik door Zijn genade.
  • Verlangt u ook op grond van deze belijdenis en op dit geloof de heilige doop in de gemeente van Christus te ontvangen? – (antw.: ) Ja, ik van harte.

Opgemerkt 1: ‘Deze vragen laten zich lezen als een vernieuwing van het verbond’? In die tijd gebeurde het wel dat men mensen uit de koloniën meebracht en deze dan liet onderwijzen in de christelijke leer en ook dopen. Maar dan is het toch niet terecht om te spreken van ‘verbondsvernieuwing’. Dan passen eerder de woorden die Paulus aan de gedoopte heidenen te Efeze schreef (zie Efeziërs 2 : 11-22)

Opgemerkt 2: Hoe kan het toch dat de apostelen het niet nodig vonden dat de heidenen ‘eerstmael in ’t gheloove geleerd werden’ voordat ze hen wilde dopen? Is dat niet (altijd nog en overal) een veel betere (aan te raden) praktijk?! Wanneer iemand op de verkondiging van ‘Jezus en Die gekruisigd’, die verkondiging niet afwijst, maar gelovig als waarheid aanvaardt (1), om diegene dan te dopen en uit te nodigen om de samenkomsten van de gemeente (met ook de vieringen van het Avondmaal) trouw te bezoeken en om zich – zo mogelijke en gewenst – dan ook nog op andere manier te laten onderwijzen over wat Christus Zijn discipelen/apostelen geleerd heeft en wat er nog meer te leren valt uit heel Gods Woord?!

Opgemerkt 3: Gezien Jezus onderwijs over het ‘grote gebod’ zou de vraag ‘en voortaan in ware gerechtigheid…’ zeker nog aangevuld dienen te worden met de woorden: en (dus/daarmee) ook uw naaste(n) te dienen. De dopeling is toch niet voor niets eerst onderwezen in de ‘christelijke leer’ (maw: in wat Christus Zijn discipelen geleerd heeft).

(1) Zie bijv. deze woorden van Lydia in Handelingen 16 (nadat ze met haar huis was gedoopt): ‘Als u (!) er van overtuigd bent dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij uw intrek.’ (vers 15).

Bron citaat: De Waarheidsvriend – ‘Teruggevonden doopvragen’ – door dr. W.H. Th. Moen

‘Hij bracht hen naar buiten en vroeg: “Zegt u mij heren, wat moet ik doen (2) om gered te worden?’ Ze antwoordden: “Geloof in de Here Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.” En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan iedereen die bij hem woonde. Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon. Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten gedoopt.’ (Uit Handelingen 16 de verzen 30-33)
(2) Zie hierbij ook Jezus woorden in Johannes 6 : 28-29.

Bron afbeelding: ‘Lydia is listening’ (YouTube)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Verbond en geloof…

‘Daarom lachte ze in zichzelf. Zou de liefde bedrijven dan nog voor mij weggelegd zijn? – dacht ze. Ik ben immers verwelkt, en mijn man is al oud. Toen vroeg de HERE aan Abraham”: “Waarom lacht Sara, waarom vraagt ze zich af of ze op haar leeftijd nog wel een kind ter wereld kan brengen? Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn?”‘ (Uit Genesis 18 uit de verzen 9-15 de verzen 12-14)

Wanneer het lachen je niet vergaat, maar je geschonken wordt…

Geciteerd 1: ‘Vorstin van volken’, SARA. Zij zal tot volken worden. Dat doet Abraham voor de HERE neervallen. (Genesis 17 de verzen 15-17). Korte tijd later hoort ook Sara zichzelf noemen als moeder. Net als eerder bij Abraham (Genesis 17 : 17) wekt dat bij haar lachen op door het contrast met haar kinderloosheid. Bij haar is de gedachte van mislukte moeder nog sterk gebleven, ondanks haar naamsverandering en de stellige beloften van de HERE. Dat is ongeloof. En daarom wordt ze bestraft. Blijkbaar schaamt ze zich dan en zegt ze dat ze niet gelachen heeft.

Geciteerd 2: Sara baarde Abraham een zoon. Genesis 21 vers 2. God heeft mij een lachen gemaakt! Jubelt zij. En haar grote betekenis voor de mensheid beseffend, roept ze het uit: ‘al wie het hoort, zal met mij lachen!‘. De mensheid zal niet mislukt ondergaan in de dood. God heeft met Abraham en met Zijn zaad uit Sara (Genesis 17 vers 19, Galaten 3 vers 16) een verbond gemaakt. Dát is Sara’s betekenis voor de mensheid. Hoe duidelijk wordt haar vorstinnennaam als we bedenken dat uit haar geboren is de Grote Koning, ‘aan Wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is‘, Die nu, ook in onze tijd, de wereld regeert.
Als de huidige wereld eens de ogen geopend werden – als die eens zouden zien de Koning op Davids troon, de Zoon des Mensen – uit Sara. Wat een plaats zou deze vorstin (naast Maria) ook in hun gedachtewereld innemen. Mislukte vrouw – naar het scheen. Vorstin – door Gods genade én door HET GELOOF! Na bestraffing om haar ongeloof – dat haar deed lachen – heeft Sara ernst gemaakt met de belofte van de HERE. Zij heeft die belofte geloofd. En het geloof geeft kracht. Ook fysieke kracht om leeuwenmuilen te stoppen, om sterk te zijn in de strijd (zie Hebreeën 11 : 33-34). Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht gekregen (fysieke kracht, zie de kanttekening van de SV op Hebreeën 11 : 11) ontvangen om ‘zaad te geven’.

Zie ook deze blogs: ‘Over Verbond en huwelijk…(I)‘ en (II)

Bron citaat: ‘Eva’s dochters’ – door A. Janse (1890-1960) – Uitgeverij De Vuurbaak (Groningen)

‘Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Izak werd geboren. “God maakt dat ik kan lachen”, zei Sara, “en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen. Wie had Abraham durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven. En toch heb ik hem op zijn oude dag een zoon gebaard!” (Uit Genesis 21 de verzen 5-7)

Bron afbeelding: Bible Verses For You

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘helse macht’ van het geweten… (vervolg)

‘En toen wij in de herberg kwamen en wij onze zakken opendeden, zie, toen was ieders geld boven in zijn zak in het volle gewicht, daarom hebben wij het weer teruggebracht’ (Genesis 43 : 21, weergave DB 1545)

Geciteerd 1: Luther spreekt in zijn uitgebreide verklaring van Genesis (1535-1545) in hoofdstuk 43 over het kwade geweten van de broers van Jozef tijdens hun tocht naar Egypte, waarheen zij Jozef als slaaf hadden verkocht.
(…) “Een kwaad geweten legt immers het allerbeste uit als het allerergste. Iets dat overeenkomstig de natuur van de zaak aangenaam en liefelijk is, dat verandert een kwaad geweten in alsem en bittere gal. Ja, alle schepselen die voor ons tot nut en vreugde geschapen zijn, stelt het voor als zouden die alle tegen ons zijn. Op deze manier is een kwaad geweten ook tegen God gezind. Want als Hij ons toelacht, en vriendelijk en genadig is, vreest het toch voor Zijn straf, en houdt het ervoor dat Hij met ons strijdt en op ons toornt…
> Lees meer/verder in deze blog: De ‘helse macht’ van het geweten…

Aanvullend 1: We zullen bij dit werk van ons geweten onderscheid maken tussen een geweten dat (zwaar) belast is vanwege het nog niet goed kennen van Gods liefde en genade (Zijn barmhartigheid) voor ons in Jezus Christus en een geweten dat weigert schuld te erkennen en belijden. Maarten Luther leed aan dat eerste, maar de broers van Jozef leden aan dat laatste. Toch zien we in de geschiedenis van Jozef en zijn broers dat God zo genadig is dat hij de broers van Jozef stap voor stap leidden wilde naar dat erkennen en belijden van schuld en Jozef naar vergevingsgezindheid jegens zijn broers. En zo wil God ook ons helpen, waar wij dat nodig hebben, om de weg van schuld erkennen belijden of van vergeving van anderen te gaan, en dat dus zelfs ook al wanneer we daar zelf nog niet mee aan de slag zijn gegaan, zoals uit de geschiedenis van Jozef en zijn broers blijkt.
Voor Jozef is het later – na het overlijden van hun vader Jakob (zie Genesis 50 : 15-21) nog wel teleurstellend en verdrietig dat zijn broers dan toch nog weer (hardop) vraagtekens gaan zetten bij die vergevingsgezindheid van hem, die Jozef hen toch klaarblijkelijk en daadwerkelijk al geschonken had. Het was geen toneelspel van hem geweest. Zal God niet net zo goed er verdriet van hebben wanneer wij altijd nog achterdochtig blijven over Zijn vergevingsgezindheid jegens ons?! Luister dan nog weer eens naar Paulus – die toch de gemeente vervolgd had – maar dan toch belijdt: ‘Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn. Zal Hij, Die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alles schenken?‘ – en wat er nog verder volgt in de verzen 33-38 in Romeinen 8.

Aanvullend 2: Je zou het ook nog zo kunnen zeggen: Je kunt last hebben van een kwaad geweten en je kunt het te kwaad hebben met je geweten. Bij dat eerste speelt vrijwel altijd zelfhandhaving en eerzucht een rol. Je weigert bepaald onrecht dat je een ander hebt aangedaan recht te zetten door je (mede)schuld daaraan niet te erkennen en belijden naar God én mensen en dat maakt dat je ook niet bijdraagt aan verzoening met en vergeving door die ander, al kan de betreffende andere mogelijk je die vergeving al wel hebben geschonken.
Wanneer je het te kwaad hebt met je geweten, dan kan de oorzaak daarvan zijn dat je moeite hebt met het aanvaarden van vergeving voor bepaalde zonden, die je al wel beleden hebt en vergeving voor hebt gevraagd. Dat is dan meestal een zaak tussen God en jou en niet (meer) een zaak tussen jou en andere mensen. Ook kan het zijn dat de strijd die je nog altijd te voeren hebt met je zondige natuur en bepaalde zonden je het moeilijk maakt. Maar wanneer je daar van harte droefheid over hebt en ook alijd weer vergeving voor vraagt, dan mag je zeker weten dat God je ook altijd weer volmaakt (zeventig maal zevenmaal!) vergeeft.

Bron citaat 1: http://www.maartenluther.com (contact zoals vermeldt op de homepage en van deze website: info@maartenluther-citaten.nl).

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Verbond en sociaal contract…

‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?‘
(Uit Maleachi 2 vers 10a)

Geciteerd 1: (…) Opvallend ook: Althusius claimt nergens dat hij met iets nieuws komt! Het is voor hem volstrekt vanzelfsprekend: politieke macht is niet gebaseerd op een of andere absurdistische goddelijke beschikking maar op een contract of verbond tussen het volk en een machthebber. Daarin wordt afgesproken dat een machthebber (en de burgers) zich aan de gezamenlijk afgesproken wetten (regels) zullen houden. Zo niet, dan wordt hij (zij) de laan uitgestuurd (de burgers de laan uitsturen ligt lastiger, maar het gebeurd op grote schaal door machthebbers – AJ)*. Zo hadden de Nederlanders het gedaan met hun Plakkaat van Verlatinghe in 1581, en zo hoort het ook. Een koning moet niet menen een soort grillige, oud-oosterse, absolute god te zijn.
* Zelfs onze Heer werd ‘de laan uitgestuurd’!

Waarom is dit niet nieuw? Het woord contract bestaat in veel talen en met nogal wat synoniemen: berith (Hebreeuws), diatheke (Grieks), pactum en foedus (Latijn), covenant, compact, agreement, pact, contract (Engels), VERBOND, afspraak, verdrag, genootschap (Nederlands), pacte, contrat, alliance (Frans). Nu wil het geval dat bij vrijwel alle auteurs deze termen door elkaar heen gebruikt worden. Althusius, maar ook Hobbes, Locke en Rousseau gebruiken de termen lustig door elkaar. Dat betekent ook dat men royaal put uit een breed, oud en diep reservoir, en daarvoor hoeven we niet ver te zoeken: het Bijbelse denken, zoals dat in het christendom in het Westen bekend was geworden. Daarin is ‘verbond’ een centrale term. (…) Het centrale middel om een gemeenschap te creëren is een contract, of zoals men het ook wel noemt, een ‘verbond’.

Verbond betekent: instemmen met een serie rechten én plichten. In een gemeenschap waar je toetreedt, is er geen ‘free lunch’, nee, je zet je in voor het geheel, je houdt je aan de met elkaar afgesproken regels, ook de machthebber, ook de staat: een rechtsstaat! En ten derde: in zo’n ‘bottom up’-gemeenschap doet iedereen mee, maar wordt ook voor iedereen gezorgd, je hoort erbij. Verbondenheid, solidariteit, door dik en dun.

Geciteerd 2: Hoe het ook zij, de vraag ‘Hebben wij niet allen één Vader?’ is gesteld en raakt ook ons. Het gaat hier om een van de weinige, zeer belangrijke vraag van alle tijden. ‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen (voorgeslacht) is gemaakt?‘ (Maleachi 2 vers 10). Dat is de vraag die ook ons vandaag op de lippen brandt, als de vraag naar de eenheid van het menselijk geslacht.

Door deze vraag te stellen beantwoordt de Bode haar bevestigend. Ja, de hele mensheid heeft één God en Vader, die de almachtige Schepper van de hemel en van de aarde is. Dit Woord van de éne God moesten wij in alle Godshuizen en hogere en lagere scholen en in alle huis- en kinderkamers leren spellen. (…) Wij weten (nog) niet allemaal dát God onze Vader is. En helemaal weten wij niet allen dat het door Jezus Christus de Zoon is, dat wij allen één Vader hebben. En velen in deze wereld weten eigenlijk niets meer of nog niets (weer) van God af. Maar – of we het nu weten of niet, of dat wij het maar half weten, dat veranderd niets aan het feit, dát wij allen één Vader hebben.

Maar wij, die Die éne Vader zelfs ook door de Zoon kennen, liefhebben en eerbied bewijzen mogen, wij christenen hebben meer kans dit geloof te verloochenen dan heidenen ooit gegeven is. Wanneer een christen het enige Vaderschap van God loochent, dan gebeurd dat tegen beter weten in. En juist doordat wij het enige Vaderschap van God afvallig loochenen, zijn wellicht die onoverkomelijke scheidsmuren opgetrokken tussen Roomse- en Griek-Katholiek, tussen Rooms en Protestant. Daar zit de splijtzwam, de splijtzwam van de bijzondere schuld als christenen. Ja, midden in een en dezelfde christelijke gemeente vindt men de ‘richtingen’, die vreemder kunnen staan tegenover elkaar dan tegenover dan ‘heidenen’ (mensen – nog – zonder het Evangelie).

Dit geloof aan de ‘ene ondeelbare wereld’ kan men een mooi (en verheven) idee (ideaal) noemen. Maar het is veel meer dan dat, het gaat hier om de (heils)feiten en om de werkelijkheid. Nu is weliswaar de plaats, die deze eenheid van de aarde garandeert, niet in de eerste plaats op de aarde zelf te zoeken. Deze plaats is in de hemel. In de hemel ligt de garantie voor de eenheid van het menselijke geslacht.

(Wordt vervolgd!)

Leestips: Handelingen 17 : 22-34 en Psalm 50.

Zie ook deze blogs: ‘Over Verbond en sociaal contract… (vervolg)‘ en ‘Over Verbond en huwelijk…(I)‘ en (II)

Bron citaat/citaten 1: ND Opinie & Columns – ‘Een ‘nieuw sociaal contract’? Pieter Omtzigt doelt op een heel oude, christelijke traditie’ – door Govert Buijs
Bron citaat/citaten 2: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker
(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

‘De God Die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft , Hij Die hemel en aarde bestuurt, woont niet in door mensenhanden vervaardigde tempels (Godshuizen). Hij laat Zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft, Hij Die Zelf aan iedereen (en alle schepselen) het leven en adem en al het andere schenkt. Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid…’ (…) ‘God slaat geen acht op de tijden dat men Hem niet (meer!) kende, maar roept nu overal de mensen op een nieuw leven te beginnen (zich te bekeren)…‘ (Uit Handelingen 17 vers 30).

Bron afbeelding: Bible Answer Man (Facebook)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Spreken over Verbond en huwelijk… (II)

‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (…) ‘En dit is het tweede dat jullie doen: Jullie bedekken het altaar van de HERE met tranen, met geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer wendt tot de offergave, noch iets met welgevallen uit jullie handen aanneemt.’ Vragen jullie: Waarom? – Daarom, dat de HERE getuige geweest is tussen u en de huisvrouw/’huisman’ van uw jeugd, tegen wie ge trouwbreuk hebt gepleegd, terwijl zij/hij toch uw levensgezel is geweest en de vrouw/man met wie ge een verbond zijt aangegaan.’ (Uit Maleachi 2 de verzen 10 en 13-14)

Geciteerd: En nu nog enkele overwegingen van meer pastorale aard: hoe komt het toch dat de Bode uit alle mogelijke manieren waarop mensen met elkaar een gemeenschap kunnen vormen (volksgemeenschap, werkgemeenschap, nabuurschap, vriendschap) alleen en nu juist de huwelijksgemeenschap in die bijna ondragelijke en bijna beangstigende nabijheid van het eeuwige Verbond van God plaatst? Waarom doet hij dat met het huwelijk? Ja, eigenlijk is hij het niet, die dat doet, maar God. Lees er de allereerste bladzijden van de Bijbel maar op na.

De volgende overweging kan ons, zo al niet alles verklaren, dan toch enigszins van dienst zijn: Hoe verder wij mensen van elkaar af wonen, des te minder mogelijkheid heeft de zonde om haar scheiding-brengende werking te doen. En omgekeerd, hoe dichter wij mensen bij elkaar komen, des te meer vernielende werking krijgt de zonde. Ja, de vernielende werking van de zonde neemt toe in dezelfde verhouding, waarin wij mensen dichter bij elkaar komen. We naderen nu elkaar nergens dichter dan in de huwelijksgemeenschap. Aangezien in een beperkte ruimte de dingen tegen elkaar botsen en wij in het huwelijk nu eenmaal zeer dicht bij elkaar zijn, is hier de explosieve kracht van de zonde ook het grootst. Daarom is het huwelijk in een heel bijzondere zin de plaats van tweespalt en bederf, en eveneens in het bijzonder een plaats van de dood.

Over vaderschap en moederschap hangt van het begin af de schaduw van de sterfelijkheid en van de dood. Dientengevolge is het een pijnlijk onderwerp dat we aansnijden, zo dikwijls als we over het huwelijk spreken. Dan treden we als het ware een hospitaal binnen, ja verkeren wij op een slagveld vol lijdenden en gewonden. En het is maar niet, nu ja, een slagveld, maar het huwelijk is, zij het ook in het verborgene, het bloedigste strijdtoneel van het menselijke geslacht.

En nu hebben wij gehoord, dat God juist aan deze plaats der verwonding, aan dit bloedige en onzalige oord, niet alleen aandacht schenkt, maar dat Hij het Zijn buitengewone zorg en bescherming waardig keurt. Ja, we kunnen hier niet, zonder gevaar te lopen dat wij een nietszeggende cliché-uitdrukking gebruiken, met het volste recht zeggen: ‘Als de nood het hoogste is, is de redding nabij.’ Daarom spreekt de Bode van het huwelijk als van een verbond. Daarom spreekt Paulus van het huwelijk als van een verborgenheid tussen Christus en Zijn gemeente. Daarom betreedt Christus als het ware dit slagveld als de Heer en Heiland van het huwelijk.

Zoals Christus het Hoofd van de gemeente is, zo is Hij, boven de man, het Hoofd van het gezin. Omdat het huwelijk in bijzondere zin een zee van bloed en tranen is, daarom is hier de geneesheer en barmhartige Samaritaan in bijzondere zin tegenwoordig als Heer, ook over de huwelijksnood. Laat toch ieder dit horen, die deze nood kent, en, wie kent hem niet. Wie kan hier ergens anders staan dan in de sfeer der vergeving, wie kan hier anders leven dan uit het feit van Pasen?

Jullie, die in het huwelijk begraven zijn, jullie, die in het huwelijk gevangen zijn, jullie, die aan het huwelijk te gronde zijn gegaan, jullie, die in het huwelijk gevallen zijn, en jullie, voor wie het huwelijk hierom een pijnlijke geschiedenis is, omdat het voor jou niet weggelegd was een huwelijk te sluiten, en vooral jullie die gescheiden zijn, die niet maar als geamputeerden, maar als gehalveerden moet verder leven – hoor het toch: Christus is in heel bijzondere zin de Heer en Geneesheer van het huwelijk. Deze verborgenheid is groot.

‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond dat met ons voorgeslacht is gemaakt.‘ Hebben wij niet allen één vader, op beide wereldhelften en in beide huwelijkshelften? Eén Vader, in de éne Zoon?

Zie ook: ‘Spreken over Verbond en huwelijk… (I)‘ en ‘Over Verbond en sociaal contract…‘

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

‘En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar.‘ (Uit Kolossenzen 3 vers 14)

Bron afbeelding: Do Not Depart

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie