Wie denken wij wel dat we zijn…

De volgende dag ging Jezus naar Galilea en vond Filippus. Hij zei tegen hem: Volg mij. Filippus kwam uit Bethsaida, de stad van Andreas en Petrus. Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: Wij hebben Hem gevonden, over wie Mozes in de wet en de profeten geschreven hebben: Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef.’ (Uit Johannes 1 de verzen 43-45)

Geciteerd: Christus vestigt zijn koninkrijk op zo’n nederige en onbeduidende manier om aan te geven dat Hij de arme bedelaars en vissers, zijn apostelen, evenzeer waardeert als degenen die door de wereld hoog in aanzien staan. Hijzelf rijdt in armoede Jeruzalem binnen op een geleende ezel; Hij bezit niet eens een haarbreedte van deze aarde die Hij zijn eigen kan noemen en waarop Hij zijn hoofd kan neerleggen (Matteüs 8:20). Hij was zo’n arme gast op aarde dat Hij in de lucht aan het kruis moest sterven.

Daarom kiest Christus hier als Zijn apostelen de armsten en nederigsten die Hij kan vinden: Andreas, Petrus, Filippus, Johannes en anderen met wie iedereen liever helemaal geen contact zou hebben gehad. Hij wordt niet gedreven door minachting voor sociale status, door afwijzing of veroordeling van talenten, of door vijandigheid jegens mensen vanwege deze talenten. Maar God wil niet dat ik denk dat Hij mij genadig is vanwege deze en vele andere gaven, en dat zulke gaven mij tot een kind van God maken en mij eeuwige zaligheid schenken.

Nee, dat is niet de bedoeling. God schenkt deze gaven niet opdat wij erdoor verlossing zouden zoeken, maar opdat wij ze zouden gebruiken in de vreze Gods en tot ons eigen en het welzijn van onze naasten in dit leven. Dit is het doel dat onze macht, rijkdom en wijsheid moeten dienen. Om een ​​kind van God te worden, is meer nodig dan zilver en goud, wijsheid en macht; Het vereist “het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt.” De wereld, met haar aangeboren trots, misbruikt deze gaven en goederen.

In geestelijke hoogmoed denkt een mens dat God hem of haar genadig is vanwege verkregen rijkdom, of dat iemand kind van God is vanwege verworven wijsheid, aangeboren intelligentie of een ascetische leven, zoals de monniken geloven. Nu komt Christus en laat zien dat Hij de bedelaars, onwetenden en dwazen als Zijn discipelen wil uitkiezen. Het zou zelfs de arme hoer Maria Magdalena kunnen zijn, of de moordenaar en schurk Paulus, of de misdadiger aan het kruis. Hij wil voor iedereen duidelijk maken dat niemand Gods genade verkrijgt vanwege zijn gaven, zoals rijkdom, wijsheid en macht.

Waarom zouden wij dan zo hoogmoedig zijn om te veronderstellen dat God ons dan toch willen zou begunstigen vanwege deze gaven? Werpt God ze niet toe aan goddelozen én godvruchtigen, misschien zelfs wel genereuzer aan de goddelozen dan aan Zijn christenen? Zo laat Hij ook Zijn zon schijnen over de slechten en over de goeden, en Zijn regen evenzeer vallen op het veld van een schurk als op dat van een godvruchtig mens (Matteüs 5:45). Dus wie denkt dat iemand gered zal worden vanwege van zijn of haar deugden en (bereikte) bekwaamheden, bedriegt zichzelf.”

[Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 46, 541 e.v. – (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, Concordia Publishing House, deel 22, blz. 191/193)]

Bron citaat: maartenluther-com – Engelstalig Luthercitaat van 29 januari 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (43)’

Jullie moeten uit ons voorbeeld deze regel leren: houd je aan wat geschreven staat. Je mag jezelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. Wie denk je wel dat je bent? Bezit je ook maar iets dat je niet geschonken is? Alles is je geschonken, dus waarom verhef je je dan boven een ander en doe je alsof je het aan jezelf te danken hebt wat God je gaf of liet verwerven?‘ (Uit 1 Korintiërs 4 uit de verzen 6-21 : 6b-7)

Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door Hém worden wij verlost, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: “Wil iemand zich beroemen, laat hij/zij zich op de Heer beroemen.”‘ (Uit 1 Korintiërs 1 de verzen 26-31 : 30b-31)

Bron afbeelding: Lift Up Your Eyes! – WordPress-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waarom en waarvoor willen christenen (en kerken) zich sterk maken?

Maar wee jullie die nu rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. Wee jullie, wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde manier behandeld.’ (Uit Lukas 6 uit de verzen 1-38 : 24-26)

Geciteerd: Europa kijkt met afgrijzen hoe Trump het internationaal recht inruilt voor het recht van de sterkste, maar applaudisseert de witte, christelijke aanhang van Trump hier nog voor? Auteur en historicus Kristin Kobes Du Mez, die de witte evangelicals als geen ander kent, legt uit hoe zij zich bewegen tussen een slachtofferrol, bravoure en geloof.

Opgemerkt: De witte evangelicals en orthodoxe christenen die Trump steunen, die hebben blijkbaar niet uit Gods Woord geleerd en begrepen dat God van het eerste begin af aan al duidelijk heeft gemaakt dat Hij het niet van de sterke man/mens moet hebben hier op aarde en dat Hij het zwakke (en mensen op de ‘tweede plaats’) aanneemt en zegenen wil. Huwelijk en gezin krijgen een taak in het genereren (geboren doen worden) van de beloofde Verlosser. Zal onze Heer straks niet de tweede Adam genoemd worden?
We zien direct al bij Kaïn en Abel hoe God dat duidelijk wil hebben (Adam&Eva meenden in de sterke eerstgeboren Kaïn al de beloofde Verlosser te kunnen zien) en dan lezen we in de volgende hoofdstukken hoe de mensheid op aarde zich ontwikkelt. Het wordt een wereld vol geweld en blijkbaar kan dat alleen nog beteugeld worden door een zondvloed.
Maar ook nadat alleen de gelovige Noach en zijn gezin de aarde weer kunnen en mogen bevolken gaat het toch snel al weer mis. God moet opnieuw ingrijpen en de mensheid, die zich sterk maakt, intomen door de spraakverwarring bij de torenbouw van Babel.
En wanneer God Zijn plannen met de mensheid dan toch doorzet door Abraham en Sarah te roepen, dan wordt helemaal duidelijk dat God geen verwachting heeft van wat mensen (nog) voor Hem op aarde zullen presteren. Dat Abraham en Sarah toch nageslacht krijgen en dat God door het nageslacht van hen alle volken wil en zal zegenen, dat is een prestatie die niet aan mensen of aan een volk kan worden toegeschreven.
Toch wil God door het nageslacht van Abraham en Sarah en dus daarmee door de huwelijken en gezinnen van het Joodse volk de beloofde Verlosser geboren doen worden. Maar we zien in de geslachtslijn van onze Heer dat ook daarmee God niet gebonden is aan wat (Joodse) mensen er van maken.
Wij leven inmiddels na de geboorte van de beloofde Verlosser, onze Heer Jezus Christus, geboren uit de Joodse maagd Maria, in Hem werden en worden al Gods beloften vervuld. En dat is dan ook de reden dat Paulus zo kan schrijven over huwelijk en al of niet getrouwd zijn als christen, zoals hij dat deed in 1 Korintiërs 7.

Zie hierbij verder ook nog deze blogs:

Bron citaat: ND Nieuws – ‘Wat vinden evangelicals van Trump na Epstein, Groenland en politiegeweld? Deze historicus* legt het uit’ – door Alexander Dommerholt
* Kristin Kobes Du Mez

Tot jullie die naar Mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen.’ (…) ‘Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (Uit Lukas 6 de verzen 1-18 : 36-38)

Bron afbeelding: a christian pilgrimage (WordPress-com)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

“Ergernissen in de christenheid” *

Zoals de Vader Mij liefheeft, zó heb Ik ook jullie lief. Blijf in Mijn liefde.
(Uit Johannes 15 vers 9, weergave DB 1545)

* En in de christelijke gemeenten, families, gezinnen en huwelijken.

Geciteerd: Het kan gebeuren, en het gebeurt ook daadwerkelijk, dat zelfs de vroomste en allerliefste vrienden het met elkaar oneens zijn en aan elkaar geërgerd raken, alleen omdat de duivel soms om een enkel woord of om een onvriendelijke blik achterdocht en vergif in het hart werpt, zodat zulke vrienden elkaar ten slotte niet meer kunnen verdragen. Daarin is de duivel een meester en weet hij het zo hoog te drijven, dat zoiets al gebeurd is voordat men het verwacht of gewaarwordt.

Zoals dit ook tussen Paulus en Barnabas plaatsvond (Handelingen 15:39): zij konden het niet met elkaar eens worden en gingen daarop uit elkaar. Evenzo waren de twee mannen Hiëronymus en Rufinus eens de beste vrienden en gingen zij als broeders met elkaar om, en toch werden zij vijanden om een voorwoord of inleiding van een zeker geschrift van Origenes, zodat zij geen vrienden konden blijven (1). Dat zou tussen Augustinus en Hiëronymus ook zijn gebeurd, als Augustinus niet wijzer was geweest (2).

Zo kunnen uit kleine zaken grote ruzies en twisten ontstaan, die daarna veel schade toebrengen aan een hele gemeente. Want wanneer het bloed eenmaal begint te koken, dan schiet de duivel zijn giftige pijlen in het hart door boze lastertongen, zodat niemand nog iets goeds van de ander spreekt of denkt; dan blaast hij het vuurtje verder aan en wil hij de mensen tegen elkaar ophitsen en ellende en moord aanrichten.

Wij moeten als christenen de kunstgrepen en streken van de duivel kennen en ons daarnaar richten, dat wij verstandig zijn en weten hoe wij ons daarvoor moeten wachten. Wij mogen niet toestaan dat zulk vergif in ons hart opgroeit, maar ook, wanneer wij toch tot wantrouwen en onwilligheid worden aangezet, ons daartegen verzetten en ons herinneren dat wij daarom de liefde niet mogen opgeven of laten uitblussen, maar des te vaster daaraan moeten vasthouden. En als er misschien toch onwilligheid of onenigheid ontstaat, moet men de liefde en vriendschap weer herstellen en verbeteren.”
[Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis (Druck Frühjahr 1538), WA 45, 683ff]

(1) Rufinus van Aquileia (ca. 345–410) was een groot bewonderaar van Origenes (ca. 185–253) en vertaalde diens werken. Hiëronymus (ca. 347–420), die aanvankelijk eveneens door Origenes was beïnvloed, keerde zich later tegen hem en beschuldigde Rufinus van ketterij. (Dr. Ernst Schäfer, Luther als Kirchenhistoriker, Druck C. Bertelmann, Gütersloh, 1897. S. 260)

(2) Ondanks hun geschillen over de Septuagint en de Vulgaat (en, zoals Luther opmerkt, ook over de oudtestamentische wetten) bleven Augustinus (354–430) en Hiëronymus (ca. 347–420) elkaar respecteren en wisselden zij brieven uit. Uiteindelijk erkenden zij elkaars intellectuele en geestelijke waarde, al bleef er spanning bestaan. (Dr. Ernst Schäfer, idem, S. 261)

Leestip: Psalm 55

Opgemerkt: Aan het lezen van deze Psalm was ik vanochtend toe. Wie zou bij deze Psalm (en m.n. de verzen 13-15 en 21-22) niet denken aan hoe Achitofel, die een gezien raadslid was aan het hof van David, zich tegen koning David keerde vanwege de zonden van David tegen Bathseba en tegen Uria haar man en tegen zijn eigen manschappen die voor hun gezalfde koning streden. Moeten we niet van Achitofel zeggen dat hij – ondanks zijn wijsheid en verstand – aardse belangen nastreefde en daardoor geen zicht (meer) had op het werk dat de Geest – en dat dus ondanks en door Davids zonden heen – door deze gezalfde koning wilde verrichten ten bate van het volk van God. Toen zijn streven en streken geen resultaat opleverden was er blijkbaar geen plaats voor openlijk schuld belijden, voor berouw en bekering, zoals die er door Gods genade bij David wel gevonden werd. Davids berouw en openlijk schuld erkennen en belijden zijn ons zondaars tot hoop- en moedgevend (en ootmoedgevend!) voorbeeld geschonken. God had David ook kunnen bewaren voor de genoemde zonden – zoals Hij bijvoorbeeld eerder David door Abigaïl (de vrouw van de rijke Nabal, zie 1 Samuël 25) geholpen had om onnodig en onterecht bloedvergieten te voorkomen…

Wie beheerst wordt door het aardse, streeft aardse zaken na, maar wie beheerst wordt door de Geest, streeft na wat de Geest wil.‘ (Uit Romeinen 8 vers 5)

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over “je vertrouwen in ‘de kerk’ kwijt”…

‘Zie mij, antwoord mij, HEER, mijn God!
(Uit Psalm 13 vers 4a)

Geciteerd: Op een mooie winteravond dronk Rokus Maasland samen met twee vrienden buiten bij een groot vuur een biertje. Starend in de vlammen ging het gesprek langzaam van grappen naar serieus. De twee waren niet hun geloof kwijtgeraakt, maar wel hun vertrouwen. In de kerk. In mensen. In hoe het blijkbaar kan gaan.

De twee kenden elkaar uit een kerk die inmiddels niet meer bestaat. Niet omdat het gebouw is afgebroken, maar omdat de gemeenschap zichzelf kwijtraakte. Heilige overtuigingen waren gebotst, met alle onheilige gevolgen van dien. Beide mannen hadden het zinkende schip vroegtijdig verlaten. Teleurgesteld, gefrustreerd en gekwetst.

Als hun kerk een dansvloer was, hadden ze allebei jarenlang meegedanst. Ze stonden niet langs de kant maar midden op de vloer, in het zweet. Ze bouwden, organiseerden, inspireerden. De bloeiperiode van die kerk — voor zover je die niet volledig aan God toeschrijft — droeg ook hun handschrift. En toch stonden ze aan het eind buiten. Moe en uitgedanst.

Geciteerd 2: Want ja, er raken mensen de maat kwijt. Er raken mensen beschadigd. Ze stappen van de dansvloer af en blijven jarenlang langs de muur staan. Met een klein restje geloof in hun zak of, zoals Paul het noemt, ‘a thimbleful (vingerhoedje) of faith’. Genoeg om de muziek nog te horen, te weinig om weer onbevangen mee te dansen.

Misschien is dat wel de vraag die de kerk – en dan bedoel ik niet de stapel stenen, maar de leden – zich steeds opnieuw mag stellen: zijn wij een plek waar mensen steeds opnieuw durven binnenkomen? Waar uitgedansten mogen bijkomen, waar wie uit de maat loopt niet wordt weggewuifd, maar vastgehouden?

Een kerk waar we tegen zwervers, hoeren, tollenaars, maar ook tegen mijn twee vrienden zeggen: welkom, je bent weer thuis!

Opgemerkt 1: Het is waar: Jezus zocht de zwervers, de hoeren en tollenaars op, maar hij ‘preekte’ ook in de synagogen. Laten christenen dus vooral mensen zijn die zwervers, hoeren en tollenaren niet mijden en uit de weg gaan maar hen opzoeken en helpen en hen nodigen om ook deel te worden van Christus’ gemeente hier op aarde. Laat je maar dopen dan zal je de Heilige Geest ontvangen en kom onder Zijn gehoor en vier met ons – in de relatief besloten eenvoudige samenkomsten van Zijn gemeente – de maaltijden van de Heer.

Opgemerkt 2: Als we ‘de kerk’ of ‘ónze’ gemeente’ willen inrichten en laten functioneren naar onze eigen denkbeelden en inzichten (wereldwijsheid/wetenschap) en we krijgen het dan toch niet voor elkaar zoals wij dat wensen, dan kunnen we gefrustreerd raken in ‘de kerk’ en de mensen die haar bevolken en reden zien/hebben om ‘hún’ kerk/gemeente maar te verlaten. Maar soms (of eerder: als regel?) hebben juist die eersten de macht of weten die te veroveren en die krijgen het wel voor elkaar het wel voor elkaar om een gemeente naar hun inzicht en streven op te zetten. Maar door zulke mensen zou je nog meer gefrustreerd kunnen raken, wanneer je hun inzichten niet deelt. (1) Want die zijn ook bekwaam om je op allerlei manier duidelijk te maken dat je je heil dan maar elders moet zoeken. Zo niet goedschiks, dan gaat het, wat hun betreft, maar kwaadschiks.

(1) Je zou kunnen zeggen: Wanneer je niet naar hun pijpen danst. *
* “Naar iemands pijpen dansen” betekent alles doen wat een ander wil, iemands wil volledig volgen en geen eigen wil hebben, net zoals je willoos danst op de muziek van iemand die op een fluit (pijp) speelt. Het beeld is dat iemand blindelings de commando’s van een ander uitvoert, zoals een poppenspeler een pop laat dansen op zijn muziek, en wordt vaak in negatieve zin gebruikt om te zeggen dat iemand zich volledig laat leiden.

Leestips: Psalm 13 en Lukas 7 : 18-35.

Bron citaten: Petrus Magazine – ‘Column Rokus: Als het vertrouwen kwijt is’ – door Rokus Maasland.
De schrijver van de column is zanger, liedjesschrijver en auteur van het boek ‘Allen die vermoeid en belast zijn’, waarin hij aan de hand van Psalm 13 op zoek gaat naar waar God is in het lijden en naar de rol van de kerk daarin.

‘Ik vertrouw – ondanks alles wat me overkomen is en nog overkomen zal – op Uw liefde,
mijn hart zal juichen omdat U redding brengt,
Ik zal zingen voor de HEER, Hij heeft mij geholpen.’
(Uit Psalm 13 vers 6)

Bron afbeelding: A Reason For Hope

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wie mag/moet het voor het zeggen hebben in Christus gemeenten?

Mijn volk was een dolende kudde schapen, hun herders lieten hen dwalen, ze dreven hen de bergen in. Daar dwaalden ze over heuvels en bergen, ze vergaten waar hun schaapskooi was.’ (Uit Jeremia 50 vers 6)

Orakels zijn bedrog en waarzeggers vertellen leugens: wat zij dromen komt niet uit, hun troost bestaat uit holle woorden. De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet.’ (Uit Zacharia 10 vers 2)

En Jezus, uitgaande, zag een grote schare (menigte mensen), en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder(s) hebben; en Hij begon hun veel dingen te leren.’ (Uit Markus 6 vers 34)

Geciteerd 1: ‘Dat betekent ook iets voor de kerkdienst. Iemand zei: “Ik kom in de kerk om God te ontmoeten, maar de dominee praat er telkens doorheen”. Waarom creëren we niet meer stiltemomenten, waarin God tot ons kan spreken? Laten de kerkdiensten en ook andere momenten, oases van rust zijn.’

In het omgaan met ‘weerbaarheid en veerkracht’ zou de kerk de lat volgens Visser veel hoger mogen leggen.

‘Want dit vraagt niet om een brave en burgerlijke, maar om een uitnodigende en uitdagende kerk. Een gemeenschap waar karakters worden gevormd. Het zou mooi zijn als er meer initiatieven zoals ‘De vierde musketier’ komen, waarin mannen die niet zoveel interesse hebben in theologie of boeken lezen, maar wél iets met God willen, worden uitgedaagd in outdooractiviteiten. Moeten we niet vaker predikanten van het type Ray van Kamp van Koningsbrugge op de kansel hebben?’

Volgens Visser zet de kerk ‘te vaak alleen in op de zwakken en behoeftigen’ – hoe goed dat op zichzelf ook is. ‘Maar wat is er voor de anderen? In het jeugdwerk lijkt soms het hoogste doel om jongeren bij de kerk te houden. Dus geven we hen chips en cola; ze moeten het vooral fijn vinden. Waarom dagen we hen niet veel meer uit?’

Tegen de ‘tribalisering’ zou de kerk veel meer moeten inzetten op het vormen van een gemeenschap met een doel buiten de eigen kring. ‘Niet onze eigen kerk op de eerste plaats, het voortbestaan, het overleven, maar God en zijn missie.

Laten de predikant en de kerkenraad eens dertig procent van hun tijd gaan besteden aan een doel buiten de kerk. Moet je eens zien hoeveel nieuwe verbindingen dan kunnen ontstaan.

Opgemerkt 1a: Wie was er beter in staat om de moeiten van het Godsvolk te peilen en te duiden dan onze Heer Jezus Christus? En aan wie/Wie vertrouwde Hij het Godsvolk, dat Hij Zich ging werven uit alle volken, toe? En hoe heeft Hij gedurende Zijn leven laten zien hoe Hij Zijn schapen tot Zich wilde trekken? Hebben we werkelijk dit soort praat van een wereldwijze wetenschapper die zich aanmeet ons te kunnen vertellen hoe wij als ‘kerk'(en) – en niet als leden van Christus gemeente ieder op onze eigen plaats in de samenleving – missionair dienen te zijn?

Opgemerkt 1b: Dat het zout werkzaam zal zijn en dat het licht niet onder een korenmaat zal worden geplaatst daar mogen onze voorgangers in navolging van onze Heer – net als vroeger in de synagogen gebeurde en waar ook onze Heer Zijn stem liet horen – aan werken door de bediening van heel Gods Woord en de bediening van de Sacramenten (Doop en Avondmaal) in de liturgie van lof- en dankzegging en belijden in de (nog altijd zondagse) samenkomsten van de gemeenten van onze Heer. Zo wil de Heilige Geest werkzaam zijn door de middelen die van God ons geschonken zijn. Zo zullen gemeenten van onze Heer elkaar wereldwijd herkennen en steunen.

Geciteerd 2: Visser kiest in de missionaire trendrede, die hij zaterdag uitspreekt, voor ‘verwildering’ als trefwoord. Het lijkt nóg dramatischer dan wat zijn voorgangers signaleerden. ‘Maar het beeld van verwildering is nadrukkelijk niet bedoeld om een doemscenario te schetsen’, licht hij toe. ‘Verwildering heeft zeker ook positieve kanten.’

Opgemerkt 2: Moet hierbij denken aan ‘Waar de profetie ontbreekt, verwildert het volk’ (Spreuken 29 : 18). Bij profetie hebben we dan te denken aan het onderwijs van heel Gods Woord en m.n. ook met wat de profeten ons hebben aangereikt (ook in de Psalmen). De apostel Petrus wijst ons ook op de noodzaak van het blijvend aandacht geven aan dat onderwijs, m.n. het begin van zijn tweede brief en Paulus heeft dat ook van het begin af aan Timoteüs aangeraden om daar aandacht aan te geven in de samenkomsten van de gemeente(n) die hij diende.
Dietrich Bonhoeffer heeft zich ingespannen om m.n. ook het onderwijs van de Psalmen onder de aandacht te brengen. Maar we weten wel dat hij binnen de Duitse christenheid van die dagen een roepende in de woestijn is geweest.

Leestip: Lukas 6 : 17-49 en 14 : 25-35.

Bron citaten: ND geloof – ‘Deze wetenschapper pleit voor avontuurlijke kerken. ‘Een ‘wilde God’ kan nooit een tamme kerk hebben’’ – door Koos van Noppen

En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen. En Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de sabbat naar de synagoge; en stond op om te lezen. En Hem werd gegeven het boek (de boekrol) van de profeet Jesaja; en als Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven staat: De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren. En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht.‘ (Uit Lukas 4 uit de verzen 15-30 : 15-20)

Maar Hij zei tegen hen: “Ook in de andere steden moet ik het goede nieuws over het Koninkrijk van God brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.” En Hij maakte dat goede nieuws bekend in de synagogen van Judea.‘ (Uit Lukas 4 uit de verzen 31-44 : 43-44)

Bron afbeelding: BiblePic

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Wij hebben Hem gevonden’…

De volgende dag ging Jezus naar Galilea en vond Filippus. Hij zei tegen hem: Volg mij. Filippus kwam uit Bethsaida, de stad van Andreas en Petrus. Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: Wij hebben Hem gevonden, over wie Mozes in de wet en de profeten geschreven hebben: Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef.‘ (Uit Johannes 1 de verzen 43-45)

Geciteerd: Na Zijn doop nam Christus de discipelen op vriendschappelijke wijze in Zijn kring op, stelde hen aan Zichzelf voor en ging in een zeer vriendschappelijke geest met hen om, voordat Hij hen uitnodigde Zijn apostelen te worden. We hebben gehoord over Zijn ontmoeting met de vier: Andreas, Petrus, Filippus en Nathanaël. We zagen Hem rondtrekken langs de oevers van de Jordaan en door eenvoudige steden en marktplaatsen, en uit het hele volk Israël degenen uitkiezen die Hem behaagden en die Hij het meest geschikt achtte voor de dienst in Zijn koninkrijk.

Hij vermeed zorgvuldig de stad Jeruzalem met haar koninklijke troon, de woonplaats van de machtigsten, rijksten en wijzen. Hij weigerde de hogepriesters en heersers in Zijn gelederen op te nemen. Hij keerde de vorst van het land de rug toe en nodigde geen vooraanstaande mannen uit. Hij trok door de woestijn, door dorpen en marktplaatsen, en koos de armste en meest ellendige bedelaars uit die Hij kon vinden, zoals arme vissers en goede, eenvoudige, onbeschaafde mensen.

Het lijkt er bijna op alsof Hij zich niet in staat voelde Zijn koninkrijk te besturen tenzij Hij Zich omringde met zulke eenvoudige mensen. De grote aristocraten liet Hij achter in Jeruzalem, hoewel iedereen ervan uitging dat de Messias zich ooit zou mengen onder de hooggeplaatsten in Jeruzalem, met de wijzen en de geleerden. Maar Christus deed precies het tegenovergestelde; Hij volgde Zijn eigen plan en stichtte Zijn koninkrijk met zo’n absurde eenvoud dat het alle wijze mensen zeker zou beledigen.

Christus’ enige reden voor deze handelwijze was om te voorkomen dat de verhevenen, de machtigen, de slimmen en de invloedrijken zouden denken dat zij alleen toegang hadden tot het koninkrijk van Christus en dat zij anderen onder de voet konden lopen. Hij wilde een koninkrijk stichten en begon Zijn koninkrijk met een absurde eenvoud die onmiskenbaar was als een koninkrijk van genade, waarin niets anders dan Gods genade waarde zou hebben, hoe goed en waardevol het verder ook zou zijn.

Hij wilde de waarheid benadrukken dat een dergelijk koninkrijk evenmin gebaseerd was op rede en menselijke wijsheid. Zo werd het koninkrijk opgebouwd, en zo wordt het tot op de dag van vandaag in stand gehouden. Christus is niet erg onder de indruk van grote koningen of machtige heren, van de rijken van deze wereld, of van koninklijke afstamming en grote pracht en praal, die anderszins gewicht in de schaal leggen. Als Hij alleen vooraanstaande, geleerde en heilige mannen als Zijn apostelen had gekozen, zou niemand de wereld ervan kunnen overtuigen dat ook de armen tot het koninkrijk van God behoren.

Iedereen zou volhouden dat alleen de heiligen en de rijken in aanmerking kwamen voor lidmaatschap. Zelfs nu Christus de meest geringsten aanneemt en degenen uitkiest die door de wereld als dwaas en ongeschikt worden verworpen – zoals Paulus verklaart (1 Korintiërs 1:27): ‘God heeft de zwakken uitgekozen’ toen Hij Zijn koninkrijk vestigde door niets anders dan bedelaars, lompe lomperiken en nederige mensen, namelijk de apostelen – zelfs nu is het moeilijk te bevatten dat Christus’ koninkrijk ook voor de armen is. Hij wil geëerd worden als iemand die gedreven wordt door genade en niet door ons gouden haar of een andere deugd waarover we kunnen opscheppen of trots op kunnen zijn.”

[Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 46, 541 e.v. – (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, Concordia Publishing House, deel 22, blz. 189/190)]

Bron citaat: maartenluther-com – Engelstalig Luthercitaat van 23 januari 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (42)’

Ook jullie moeten – net als de vogels en de lelies – je niet druk maken over wat je zult eten en wat je zult drinken en waarmee jullie je zullen kleden, en je door zorgen laten kwellen. De volken en de machthebbers van deze wereld jagen die dingen na, maar jullie Vader weet dat je ze nodig hebt. Zoek liever Zijn Koninkrijk, en die andere dingen zullen jullie erbij geschonken worden. Vrees niet, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie het Koninkrijk willen schenken.’ (Uit Lukas 12 uit de verzen 22-34 : 29-32)

Bron afbeelding: Prayables

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Loze woorden (op preekstoelen en vanaf podia)?

Jullie zijn onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven maar voor iedereen – ook buitenstaanders! – te zien en te lezen: jullie zijn zelf een brief van Christus, door ons opgesteld – lees 1 Korintiërs 3! -, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen. Dat vertrouwen kunnen wij dankzij Christus (!) tegenover God uitspreken (en God er in de samenkomsten voor danken). Niet dat wij uit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk (en als gevolg van ons beleid) kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond (!) te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van Zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakte en maakt – ook jullie Korintiërs! – levend.’ (Uit 2 Korintiërs 3 uit de verzen 1-18 : 2-6)

Geciteerd 1: Van nature ben ik een pessimist. Mijn enthousiaste buitenkant kan nauwelijks verhullen dat de staat van kerk en wereld mij soms diep aangrijpt. Misschien komt het door de reformatorische christen in mij, die zich scherp bewust is van de zondige staat van de mens.

Geciteerd 2: Vorig jaar traden 300 mensen toe tot de PKN als tegelijkertijd belijdend lid én dooplid. Het gaat om tieners en volwassenen die niet eerder waren gedoopt en die nieuw tot geloof kwamen. Nieuwe leden zijn er namelijk wel meer. Duizenden kinderen worden jaarlijks gedoopt. Duizenden mensen sluiten zich aan vanuit andere kerken. Maar ‘volledig nieuwe’ gelovigen waren het er 300. De Protestantse Kerk telt circa 1,4 miljoen leden, verdeeld over bijna 2000 gemeenten. Dat betekent gemiddeld 0,16 nieuwe gelovige per gemeente per jaar. Met 1352 actieve predikanten komt dit neer op 0,22 nieuwe gelovige per predikant.

Geciteerd 3: We vertellen graag verhalen over hoopvolle signalen, generatie Z en het keren van de krimp. Zolang dit niet zichtbaar wordt in concreet missionair beleid, zijn het loze woorden. Het getal 300 laat mij niet los. Het hoort niet alleen mij wakker te houden, maar de hele kerk. Dit cijfer hoort op tafel te liggen in kerkenraden en classes, net zo lang tot de missionaire roeping van de kerk weer onontkoombaar centraal staat.

Opgemerkt 1: Wat van beleid van bovenaf en m.n. opgelegd missionair beleid al niet verwacht mag worden! Hoop doet (op)leven zeggen we dan.

Opgemerkt 2: Of klinkt er in de (reformatorische) huizen en van de reformatorische kansels een boodschap, die jong en oud de moed in de schoenen doet zinken en hen het water aan de lippen brengt – en hen het water op hun voorhoofd doet vergeten! – omdat ze te verstaan krijgen dat ze (vooralsnog) nog buiten de boot vallen en al watertrappend toch het schip van de kerk – met de kruisvlag hoog in top? – in het oog moeten blijven houden vanwege de kans dat dit – de reddingsboei toegeworpen krijgen – hen mogelijk toch een keertje overkomt?

Opgemerkt 3: Moet een getal ons wakker houden en moeten beleidsmakers ons (op)wekken (w.o. zelfs predikanten op conferenties en zo) of is dat wakkerhouden iets wat de Heilige Geest in Zijn gedoopte gemeente(n) wil werken door Woord en gebed. En dat heel gewoon – zonder opdracht of inbreng van beleidsmakers – dagelijks en wekelijks.

Bron citaat: ND Opinie – ‘De Protestantse Kerk heeft een gigantisch missionair probleem. ‘Het getal 300 laat mij niet los’’ – door Mark de Jager (protestants predikant in Heerde)

Er staat geschreven: “Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.” In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven en weten dat Hij Die de Here Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met jullie (!) naar Zich toe zal voeren. Dit alles gebeurd omwille van jullie (!), zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt (2), ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God.‘ (Uit 2 Korintiërs 4 uit de verzen 7-18 : 13-15)
(2) Lees Titus 3.

Bron afbeelding: nl.pinterest-com/pin

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Nieuw is echt nieuw’… (I)

Daarom, iedere Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.‘ (Uit Matteüs 13 vers 52)

Leven in de eenentwintigste eeuw van het Nieuwe Testament

Geciteerd 1a: Nieuwtestamenticus Donald Hagner schreef jaren geleden een prachtig boekje met (vertaald) de titel: Hoe niéuw is het Nieuwe Testament? Dat is een fascinerende vraag. Het Bijbelonderzoek van de laatste jaren benadrukt sterk de continuïteit tussen het Oude en Nieuwe Testament. Dat is grote winst. Ook de aandacht van het feit dat de Heere Jezus een Jood was (net als Paulus), en dat we Hem daarom vanuit de Joodse context moeten begrijpen, is toe te juichen. Dat is weleens anders geweest. De keerzijde is echter dat wie alleen de doorgaande lijn benadrukt, het punt mist dat Jezus’ komst naar de aarde de tijd voorgoed veranderd heeft. Je struikelt in het Nieuwe Testament over woorden als een nieuw gebod, de nieuwe mens, de nieuwe gehoorzaamheid, een nieuw verbond, de nieuwe schepping, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuwe leer, de nieuwe wijn, een nieuw lied, het nieuwe Jeruzalem. We zouden zonder moeite een tijdje door kunnen gaan.

Hoe voorkomen we dat we een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed naaien? Het nieuwe past immers niet bij het oude (Lukas 5 : 35)? Wat de Heere Jezus meebrengt, is niet het oude met een kleine update, maar werkelijk nieuw – splinternieuw. Zijn we ons daarvan voldoende bewust? Naar mijn mening niet. Er schuilt een gevaar in het opsluiten van de Heere Jezus en Paulus in de Joodse context. Want waarom werd Hij door Zijn volksgenoten gekruisigd? En van wie had de apostel het meest te duchten? Om welke reden?

Geciteerd 1b: (…) In de context van hoofdstuk 13 van het Matteüsevangelie gaat het erom dat de Heere Jezus in precies zoveel gelijkenissen de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen uitlegt. Tussen haakjes: Matteüs gebruikt de uitdrukking ‘Koninkrijk der hemelen’ niet zozeer om de naam van God (voor zijn Joodse lezers) te vermijden. Dat is slechts ten dele waar. De klemtoon valt op het feit dat het Koninkrijk waar Jezus over spreekt bij de hémel hoort en op geen enkele manier door menselijke inspanning tot stand komt. Het komt bij God vandaan, uit de hemel. Vandaar dat er velen zijn die van de gelijkenissen niets begrijpen.

Geciteerd 1c: We kunnen niet simpelweg een isgelijkteken zetten tussen de Schriftgeleerde uit Mateüs 13 vers 52 en de dominee van vandaag. Toch zijn er ook frappante overeenkomsten tussen beiden. Behoort een predikant geen Schriftgeleerde te zijn, een dienaar van het Woord? En is verkondiging niet opdiepen van nieuwe en oude schatten, in die volgorde?

Geciteerd 1d: Kerkenraden gaan in vacaturetijd naarstig op zoek naar de alleskunner. Er ‘moet’ ook zoveel. Echter: een voorganger (dominee/predikant) is ook maar een mens. Niet ook, maar dat ís een mens. Als ik de Bijbel goed begrijp, is het zelfs zo dat God bij voorkeur gebruik of zelfs uitsluitend gebruik maakt van het zwakkere(re). Om de sterke(ren) te beschamen, om ons allemaal te leren dat het Gods werk is (1 Korintiërs 1 : 19-21, 26-31, 2 Korintiërs 13 : 9). Precies, dat het het Koninkrijk van Gód is. Dienaren van het nieuwe verbond (2 Korintiërs 3 : 6) zijn geen krachtpatsers. Juist niet. Zouden kerkenraden een in onze ogen zwakke(re) broeder (dienaar van het Woord… AJ) durven beroepen? Zodat wie roemt, dat alleen in de Heere doet? Dat is een serieuze vraag die ons geestelijk gehalte toetst.

Geciteerd slot: Uiteindelijk is niet de evangelist Matteüs, maar de Heere Jezus Zelf de ware Schriftgeleerde. Dat wist de vroege kerk al. Christus brengt uit Vaders voorraad nieuwe en oude schatten tevoorschijn én deelt er ook van uit. Ik wees al op het onbekommerde: de schatten worden uitgeworpen. (1) Volgens nieuwtestamenticus Adolf Schlatter is het zelfs zo dat het nieuwe zich steeds opnieuw – en díéper – in Christus voor het geloofsoog ontvouwt. We vallen zogezegd van de ene in de andere verrassing. Tot de dag aanbreekt waarop de nieuwe hemel en de nieuwe aarde definitief gestalte krijgen. Vanwege Hem Die zegt: Zie Ik maak alle dingen nieuw.” (Openbaring 21 : 5)
(1) Vertrouwen! Zie ook Jezus’ woorden in Matteüs 6 : 33)

(Wordt vervolgd)

Bron citaat: De Waarheidsvriend (15 januari 2026) – ‘Leven in de eenentwintigste eeuw van het Nieuwe Testament – Nieuw is echt nieuw’ – door ds. C.H. Hogendoorn (Zwolle, redactielid)

Zorg ervoor dat jullie Timoteüs niet afschrikken wanneer hij bij jullie komt, want hij werkt net als ik ten dienste van de Heer. Dus niemand mag op hem neerzien.’ (Uit 1 Korintiërs 16 de verzen 10-11 – zie hierbij ook 1 Korintiërs 4 : 6-7 en 1 Timoteüs 4 : 1-13)

Bron afbeelding: Susan Barnes

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over een evangelisatietentje van arts Bunyan voor de ingang van het Hospitaal…

Jullie moeten geen moeite doen voor voedsel dat vergaat – dus door ijverig te bidden om/voor je dagelijkse boterham – , maar tot Mij komen en vragen om het voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het jullie geven, want de Vader, God Zelf, heeft Hém die volmacht gegeven. Ze vroegen Hém (niet Bunyan, etc., etc.): “Wát moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?” “Dit moeten jullie voor God doen: Geloven* in Hém Die Hij gezonden heeft”, antwoordde Jezus.’ (Uit Johannes 6 de verzen 27-29)
* Luisteren naar en je vertrouwen geven aan wat Hij (!) ons zegt in de naam van de Vader.

Geciteerd 1: ”Komen tot Christus”, was het thema van de jaarlijkse winterconferentie, georganiseerd door de werkgroep voor studenten van de GG. De avond werd gehouden in het Hoornbeeck College in Gouda. Dit jaar bezoeken ruim honderdtwintig studenten de avond, die gevuld is met een maaltijd, veel gesprekken, discussie over stellingen en een lezing.
Vanavond is er ook een boekentafel van de John Bunyanstichting en wordt de nieuwe website van de werkgroep gelanceerd. Uit de vragen die binnenkomen na de lezing blijkt dat het onderwerp leeft, door vragen als „Hoe kan ik tot Christus gaan?”, „Hoe gaat dat praktisch?” en „Mag je pleiten op alle beloften?”.
(…) Ds. Visser vertelt dat John Bunyan het komen tot Jezus Christus „een van de grootste wonderwerken van God” noemt.

Opgemerkt 1: Let wel, het gaat hier om gedoopte studenten die van jongs af aan opgevoed zijn bij Gods Woord en bij het dagelijks gebed en de wekelijkse gebeden om het voedsel dat niet vergaat. Ze hebben uit de mond van onze Heer Zelf kunnen horen dat Hij geloofd wil/moet worden op de woorden die Hij gesproken heeft en die Hij ons in de Naam van de Vader liet en laat verkondigen door Zijn apostelen. En nu gaan deze studenten voor zulke basale vragen te rade bij ene ds. R.A.M. Visser (uit Apeldoorn) en die ontleend zijn wijsheid dan vooral aan wat John Bunyan ons te vertellen had/heeft?

Geciteerd 2: Ds. Visser tekent de verandering. „Diegenen die komen, worden ernstig, gaan bidden en Bijbellezen, breken met de zonde en verlaten de godsdienst van de lege buitenkant. Veranderingen zijn soms levensgroot.” Hij waarschuwt: „Let erop: niet iedere verandering is vernieuwing. Het gaat erom dat Christus de hoogste plaats in het leven inneemt. Daarom is het belangrijk dat de Heilige Geest doorwerkt. Zo leer je om alles te verliezen en als een arme, uitgewerkte zondaar uit te gaan tot Hem en het leven te vinden bij de Heere Jezus.”

Opgemerkt 2: Wordt op deze manier niet het gaan tot onze Geneesheer, Die ons in het Hospitaal dat Hij voor ons heeft ingericht en ons daar – al van geboorte af aan – dagelijks heeft ontvangen en ons daar alles schonk en schenkt wat wij nodig hebben, nu bij de ingang al geblokkeerd door het evangelisatietentje van (o.a.) John Bunyan en nodigt ds. Visser, die voor dat tentje staat, deze studenten uit om nu eerst eens bij arts John Bunyan binnen te gaan om daar met hulp van hem eerst eens te gaan doen aan een grondige zelfanalyse? En wanneer daarbij dan blijkt dat je overtuigd genoeg bent van het lijden aan de kwaal waar alle mensen mee behept zijn en je genoeg kunt laten blijken dat je grondig beseft en kunt beschrijven wat die kwaal aan misvorming in jouw leven heeft teweeg gebracht, dat je dan (pas) mag doorlopen (of beter: weer teruglopen) naar het Hospitaal om daar al de middelen uitgereikt te krijgen die nodig zijn om de kwaal effectief te bestrijden? Maar zolang dat niet genoegzaam blijkt, dan wordt je gevraagd om daar bij dat Hospitaal en de grote Geneesheer nog weg te blijven en om in plaats daarvan met enige regelmaat – mee op aanraden van ds. Visser – opnieuw het tentje van John Bunyan te bezoeken om daar met hulp van hem de zelfanalyse nog weer eens opnieuw uit te voeren, totdat aan de daaraan gestelde eisen wordt voldaan…

Geciteerd 3 (vervolg citaat 2): „De beloftewoorden van God doen dan (dan pas?) kracht, geven hoop en verwachting, overwinnen bezwaren, verbreken weerstand en richten je van jezelf af naar boven. Het zijn woorden die naar binnen gaan en ingedragen worden in je ziel”, vervolgt ds. Visser. „Dan wordt er zoveel trekking gevoeld, dat ik ren, loop, struikel of kruip naar Christus om – dan eindelijk? – te ervaren dat het waar is: „Die zal Ik geenszins uitwerpen”. In Christus vind je alles wat je nodig hebt tot de zaligheid en wordt dat toegeëigend.”
Ds. Visser raadt de jongeren aan om biddend met dit thema werkzaam zijn, ook als er zoveel – door John Bunyan en ds. Visser opgeworpen? – bezwaren zijn. „Zeg het maar tegen de Heere, want de Heere Jezus zegt: Ik zal u geenszins uitwerpen.”

Opgemerkt 3: Zullen we niet beter met (alleen) Gods Woord in de hand tegen deze jongeren zeggen: Loop nu maar gauw weer door naar onze grote Geneesheer in Zijn Hospitaal, en gebruik daar trouw en in goed vertrouwen – dus in geloof – álle middelen die Hij ons aangereikt heeft en mij en ook jou aanreikt. En dat betekent dat je ‘heel gewoon’ trouw bent en trouw blijft doorgaan met het lezen van de Bijbel en met bidden en in het bezoeken van de samenkomsten van Christus’ gemeente en dat je niet nalaat om daar ook alle (!) door Hém aangereikte (bevolen!) middelen te gebruiken…

Daarop zei Jezus: “Waarachtig Ik verzeker jullie: als je het lichaam van de Mensenzoon niet eet en Zijn bloed niet drinkt, heb je geen leven in je. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem of haar zal Ik op de laatste dag uit de dood opwekken. Mijn lichaam is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. Wie Mijn lichaam eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik blijf in Hem. De levende Vader heeft Mij gezonden, en Ik leef door de Vader; zo zal wie Mij eet leven door Mij.“‘ (Uit Johannes 6 de verzen 53-57)

Opgemerkt slot: Tegen de gedoopte gemeente van Laodicea zegt onze Heer – die Zijn Hospitaal om hen verlaten heeft en aanklopt bij mensen rondom het evangelisatietentje van John Bunyan en er staan nog veel meer van die tentjes op de ‘Voorhof der Heidenen’** bij Zijn Hospitaal – en zegt: Kom en koop bij mij medicijnen ‘om niet’ (gratis dus) en ook: Ik sta voor de deur en Ik klop aan. Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem of haar en hij/zij met Mij. (Uit Openbaring 3 uit de verzen 14-22 : 18 en 20).
** De Tempel in Jeruzalem had een buitenste gedeelte, de ‘Voorhof der Heidenen’, waar zowel Joden als niet-Joden (heidenen) mochten komen om te bidden, te rusten en te luisteren, hoewel heidenen niet verder de heiligere delen van de Tempel in mochten; dit gebied was een grote open ruimte met zuilengangen waar ook geldwisselaars en handelaren waren en diende als een publieke plek voor iedereen, ondanks de duidelijke scheiding met een muur (de balustrade) die de weg naar de binnenste gedeelten afsloot, met een doodstraf voor wie deze overschreed.

Zie ook deze blog: ‘Geen vrijbrief voor de zonde, wel voor de zondaar…

Bron citaat: RD kerk & religie – ‘Ds. R.A.M. Visser tegen studenten Gereformeerde Gemeenten: Is er levend geloof in Christus in je jonge leven?’ – door Nico van den Berg

Want Hij is onze vrede, Hij die met Zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de Wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld om uit die twee Zichzelf één nieuwe Mens te scheppen. Zo bracht Hij vrede en verzoende Hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in Zijn lichaam (binnen Zijn gemeente) de vijandschap te doden. Vrede kwam Hij verkondigen aan jullie die ver weg waren en vrede aan hen die dichtbij waren: dankzij Hém hebben wij allen door één Geest toegang tot de Vader.’ (Uit Efeziërs 2 uit de verzen 1-22 : 14-18)

Bron afbeelding: Facebook (Verse of the Day)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Geen vrijbrief voor de zonde, wel voor de zondaar…

Wij weten dat dat de Wet in alles wat zij zegt alleen (nog*) tot degenen spreekt die nog aan de Wet onderworpen zijn. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. Daarom is geen sterveling onschuldig (en rechtvaardig voor God) omdat hij of zij de Wet (zo voorbeeldig) naleeft, want juist de Wet leert ons (onze) zonde(n) kennen.’ (Uit Romeinen 3 de verzen 19-20)
* Zie o.a. Galaten 5 : 1-5.

Geciteerd 1: De eerste ‘verbetering’ die Kohlbrugge aanbrengt in het Avondmaalsformulier betreft een aanvulling op het onderwijzende gedeelte ervan. Deze toevoeging volgt direct na de passage waarin wordt benadrukt dat wij niet tot het avondmaal komen “om daarmee te tonen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn. Integendeel, aangezien wij (gelovigen) ons leven – altijd weer! (AJ) – buiten onszelf in Jezus Christus zoeken (en belijden/weten!), belijden wij daarmee dat wij midden in de dood liggen.” In deze zinnen worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de (gelovige) Farizeeër en die van de (gelovige) tollenaar. Waar “in onszelf’ verwijst naar zelfgenoegzaamheid en eigen gerechtigheid staat “buiten onszelf” voor het zoeken van leven en gerechtigheid in Christus alleen. Op dit punt onderbreekt Kohlbrugge de lezing van het formulier en voegt hij er een pastorale en troostvolle aansporing toe, speciaal gericht aan de tollenaar, de zondaar die zich onwaardig acht: “Laten we dus goed verstaan en er aan vasthouden dat dit sacrament een artsenij is voor zieken en bekommerden, en dat de waardigheid die God van ons vordert, alleen daarin bestaat dat wij ons ongeveinsd zo erkennen zoals wij zijn, over onze zonde(n) smart en droefheid ondervinden en al onze vreugde en lust (en zaligheid) in Christus hebben.”
Met deze woorden richt Kohlbrugge zich tot de aangevochten zondaar, die worstelt met zijn of haar onwaardigheid en juist daardoor dreigt te wankelen (en af te blijven van het Avondmaal).

Geciteerd 2: Een opvallend nieuw element dat Kohlbrugge in het avondmaalsformulier opneemt, betreft de uitnodiging, die hij invoegt na de opwekking tot deelname. (…) In Spreuken 9 wordt gesproken over een feestmaal dat is aangericht door de opperste Wijsheid. Haar dienstmeisjes worden eropuit gestuurd om mensen uit te nodigen. Kohlbrugge ziet hierin een diep geestelijk beeld, dat hij doortrekt naar het heilig avondmaal. Voor hem is vers 4 daarbij de kern: “Wie is er onverstandig? Laat hij/zij hierheen afwijken.”
Aan tafel worden dus juist de onverstandigen genodigd. In de Duitse vertaling gebruikt Kohlbrugge het woord Albern, wat iets betekent als eenvoudig, dwaas of onbeduidend.

In een preek legt Kohlbrugge uit: “De nodiging geschiedt tot allen die slecht zijn, dat betekent: eenvoudig, argeloos.” Het zijn mensen die “vanwege hun zonden en vervloeking niet weten waar zij het anders zoeken moeten”. Ook deze toevoeging in het formulier weerspiegelt het hart van Kohlbrugge’s theologie [=verstaan van Gods Woord]. De nodiging tot degene voor wie niets duidelijk is dan de eigen onheiligheid. Hij komt (en durft) aan tafel als een onheilige heilige, omdat het (uitnodigende) Woord van God, Christus Jezus, het enige is wat voor hem of haar geldt.

Geciteerd slot: Kohlbrugge sluit het formulier af met de lofprijzing; het daaropvolgende slotgebed laat hij achterwege. Waarom hij daarvoor kiest is niet met zekerheid te zeggen. De term ‘verbeteringen’ suggereert dat het oorspronkelijke avondmaalsformulier tekort schiet, maar dat was wat Kohlbrugge betrof zeker niet het geval. Zijn aanpassingen vormen een verdieping en aanscherping vanuit zijn verstaan van Gods Woord. Ze weerspiegelen zijn nadruk op de radicale genade, de geestelijke armoede van de zondaar en de volkomenheid van de eenheid met Christus in het Avondmaal.

Zie ook deze blog: ‘Over een evangelisatietentje van arts Bunyan…

Bron citaat: De Waarheidsvriend, 15 januari 2026 – ‘Kohlbrugge ‘verbetert’ het avondmaalsformulier’ – door H. Boele (kerkhistorisch publicist)

Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. Zolang we leven, leven we voor de Heer, en wanneer we sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden. Wie bent u dat u een oordeel velt over een broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op een broeder of zuster? Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan, want er staat geschreven: “Zo waar Ik leef – zegt de HEER -, voor Mij zal alle knie zich buigen, en elke tong zal God loven.” Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden.’ (Uit Romeinen 14 de verzen 7-12)

Bron afbeelding: Bible Portal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie