Begaan met de noodlijdende schapen?

Is het jullie herders niet genoeg dat jullie op de beste weiden grazen. En dat jullie vertrappen (met jullie theologen-discussies) wat er van het gras nog over is. Dat jullie het heldere water opdrinken en de rest met jullie poten troebel maken. Mijn schapen moeten eten van wat jullie hebben vertrapt, en drinken van wat jullie met je poten troebel hebben gemaakt.‘ (Uit Ezechiël 34 uit de verzen 17-18)

Geciteerd: De discussie wordt soms ongemakkelijk doordat Van den Brink zijn verwijten publiekelijk adresseert en op de persoon richt. Omgekeerd krijgt hij ook heel wat te incasseren, als zou hij een ‘dwaalleraar’ of een ‘tweelingbroer van Arminius’ zijn. ‘Het gaat me er niet om dat ik goede maatjes met allerlei dominees word’, zei hij in een interview. Zijn hart ligt bij de hoorders, de gewone kerkgangers. ‘Want in de kerk vallen de slachtoffers, daar zitten mensen in geestelijke nood. Ze horen het evangelie niet meer.’

Opgemerkt: Wanneer dr. Gert van den Brink begaan is met de ‘gewone kerkgangers’, dan moet hij hen niet leiden naar de theologendiscussies (met verwijten en dreigementen over en weer) waar het goede gras vertrapt en het heldere water vertroebeld wordt, maar hen wegleiden (weglokken) van die plaatsen om ze te brengen naar het ongerepte verse kruidige gras van de bergweiden en het heldere water van de bergbeken, dwz naar het Woord van God Zelf. En wanneer anderen zo graag wijzen op de (totale) onmacht van de mens, dan moet hij hen uit Gods Woord onderwijzen over hun doop. Dat is helemaal niet zo moeilijk, want Romeinen 6 en 1 Korintiërs 3 vallen ook nu nog altijd heel goed uit te leggen, wanneer je niet allerlei theologen en theologie eerst hun zegje wil laten doen.

> Leestip: Ezechiël 34.

Bron citaat: ND Geloof – ‘Theoloog Gert van den Brink wil geen ‘maatjes met dominees worden’. Maar hij gaat er wel erg hard in’ – door Koos van Noppen.

Alles wat de Schrift zegt is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een rechtschapen leven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust.‘ (Uit 2 Timoteüs 3 de verzen 16-17)

Bron afbeelding: Word To All International

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Lees theologische werken’ en ‘wees overtuigd dat jouw kerk om je geeft’…*

* Uitkomst van gesprek wanneer twee (hyper)calvinisten met elkaar in gesprek gaan over Dordt.

Vooraf: Prof. dr. W. van Vlastuin (dsWvV), rector van het Hersteld Hervormd Seminarium in Amsterdam, bleek bereid om, samen met ds. G.W.S. Mulder (dsWM), predikant van de gereformeerde gemeente in Ridderkerk, op diens voorstel een gesprek te voeren om daarin met elkaar te kunnen terugblikken op ‘de strijd’ die is ontstaan n.a.v. het boek ‘Hyperdordt’ van de herstel hervormde predikant dr. G.A. van den Brink.

Geciteerd 1a (dsWvV): Wij als calvinisten zeggen: „Wij prediken het Evangelie met bevel van geloof en bekering.” Niet omdat we denken dat die mens nog iets kan, maar omdat we geloven dat Jezus het kan door Zijn Woord en Geest. Dus we staan als het ware op het kerkhof en zeggen: Staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
Geciteerd 1b (dsWM): Ds. Mulder: „Ik heb ds. J. Karels, emeritus in Rijssen, een hartelijk bevindelijk prediker, een keer horen zeggen: „Kinderen, bidden jullie allemaal om een nieuw hartje? Allemaal doen, hoor! Vanavond, elke avond. En dan hoor ik een kind zeggen: „Ja maar, kan ik dat wel krijgen?” Ja”, zei hij toen: „weet jij hoeveel nieuwe hartjes de Heere nog geeft? Eíndeloos veel.”

Opgemerkt 1a: Die beide dominees zien hun gedoopte gemeente als een ‘knekelhof’ vol dorre doodsbeenderen, waartegen zij, als eertijds Ezechiël, moeten profeteren om ze tot leven te wekken in de hoop dat Jezus dat wil en (deels) nog gaat doen ook door Zijn Woord en Geest.
Opgemerkt 1b: Of men stelt de gedoopte gemeente voor als kinderen, die eerst nog maar eens te weten moeten zien te komen of hun gebed om een nieuw hartje al dan niet verhoord wordt. God hoort al die gebedjes wel, maar je moet er iedere avond weer om bidden, anders wordt het nooit wat. En of het ooit wat wordt, nou ja daar heb je de predikant en de kerkenraad voor om je te helpen nagaan of je inmiddels zeggen mag dat je misschien toch wel wat gebedsverhoring ontvangen hebt. En anders kun je tal van (aangeraden) theologische boekwerken checken om te ontdekken of je mag spreken van ware bevinding bij jezelf en wat je op basis daarvan kunt concluderen over de mate van je eigen toe-eigening van het heil.

Geciteerd 2:
Vraag (RD): Wat raadt u een jongere, of oudere, die met vragen op dit terrein loopt aan?
Antwoord (dsWvV): „Ik zou zeggen: lees de Marrowmen. Ambrosius, ”Het zien op Jezus”. Fisher. Of M’Cheyne.”
Vraag (RD): De vraag is of jongeren dát nog zullen doen.
Antwoord (dsWvV): „Nee, maar ik beveel ze toch aan. Ik heb daar zo superveel aan gehad. Ik zou zeggen: als mensen echt worstelen, dan willen ze daar ook wel iets voor doen. Ik heb die boeken destijds gewoon opgegeten.”
Antwoord (dsWM): „Ik zou willen zeggen tegen zo’n jongere of oudere: Lees biddend je Bijbel. Kom trouw naar de kerk. Ga in gesprek met de leider van de jeugdvereniging of met een ambtsdrager die je vertrouwt. Wees ervan overtuigd dat jouw kerk om je geeft. Ik merk dat in kerkenraadskamers, overal waar ik kom. Bovenal: de Heere is een Waarmaker van Zijn Woord. Allen die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Dat is echt waar.”

Opgemerkt 2: Maar de dopelingen (de gemeente) heel ‘Bijbels gewoon’ aanraden om gelovig (!) al de middelen te blijven gebruiken en hen ook altijd weer de eenvoudige woorden (zie Romeinen 6 vers 19!) van Paulus uit Romeinen 6 voorhouden en zo nodig (en dat blijkt ook steeds weer nodig!) goed uitleggen, daar horen we deze predikanten zó niet over! Maar dát is toch echt de weg die Gods Woord ons wijst. Daar kan een ‘bevindelijk’ predikant met ‘bevindelijke’ prediking toch echt niets aan toe of af doen (en dat mag ook niet!).

Geciteerd 3 (dsWM): Onze generatie is inmiddels gewend aan bol.com: voor 24 uur besteld, is morgen in huis. We leven in een cultuur die niet meer kan wachten. Maar zet die nu eens naast de Messiasverwachting van Sara, Maria, Simeon. Die wachtenstijd is nuttig. Vlees en bloed beërven het Koninkrijk niet. Mijn vleselijke bestaan moet sterven. Ik heb bij sterfbedden gestaan van mensen die zichzelf niets konden geven en van wie je toch wist: Die man is goed heen.”
Opgemerkt 3: Dit zijn twee onvergelijkbare grootheden! De (opgelegde!) ‘wachtstand’ van gedoopte gemeenteleden wat betreft de zekerheid over hun persoonlijk heil en de gelovige ‘wachtstand’ van de Messiasverwachting van Sara, Maria en Simeon!

Opgemerkt slot: Wat we toch hier weer zien (lezen, horen) dat is dat het levende Woord gevangen wordt in een theologisch denkkader, waarbij mensen eerst op een bepaalde manier tot een persoonlijke zekerheid over het hun toegezegde heil moeten zien te komen en wanneer het dan eenmaal volgens hen en/of anderen (volgens bepaalde in ‘bevindelijke’ kring gehanteerde criteria) toch wel zo ver gekomen is, dan ook gerechtigd zijn/worden om deel te nemen aan de vieringen van het Heilig Avondmaal. Ook hoeven ze dan niet meer te vrezen voor de waarschuwende woorden, zoals we die o.a. vinden in Hebreeën 10 en in de brieven aan de (leden van de) zeven gemeenten in Openbaring…

Zie hierbij ook deze blog: ‘Ons geloof niet meer dan een luchtspiegeling?

Bron citaten: RD kerk & religie – ‘Ds. Mulder en ds. Van Vlastuin: Laten we elkaar vasthouden rond Dordt’ – door Arie de Heer en Maarten Stolk

Denk aan jezelf (zie jezelf) als levenden die uit de dood zijn opgestaan en stel jullie in dienst van God als werktuigen (instrumenten) van de gerechtigheid. De zonde mag niet langer over jullie heersen, want jullie staan niet onder de wet, maar leven onder de genade.‘ (Uit Romeinen 6 uit de verzen 13-14)

Bron afbeelding: Amazon-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Ons geloof niet meer dan een af/luchtspiegeling?

Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet
in Uw naam geprofeteerd?‘ (uit Matteüs 7 vers 22)

Geciteerd: Waarom zegt Christus dit? Het ontbrak deze mensen aan het echte geloof dat door de liefde werkt. Uit wat we hiervóór in dit Evangelie (van Matteüs) lezen, blijkt wel hoe moeilijk het is om Christus op de juiste manier te kennen en te volgen. Er zijn veel hindernissen die dit in de weg staan. De een wordt hier aan geërgerd en de ander ergert zich daaraan. Het gaat nergens goed, ook niet bij de discipelen van Johannes. Het helpt hen niet dat zij met hun ogen zien wat Christus doet en met hun oren horen wat Christus zegt. (1)
Zo gaat het ook bij ons. We zien, horen en weten dat een christelijk leven niets anders is dan geloven in God (Hem in en onder alles je vertrouwen geven, in navolging van onze Heer) en je naaste bijstaan in zijn of haar noden, maar toch komt er niets van terecht. De een is druk met zijn godsdienst en met eigen werken (die voorbijgaan aan de werkelijke nood van een op je weg gebrachte medemens, zie o.a. Lukas 10 : 25-37), een ander haalt alles naar zich toe en helpt niemand (zie o.a. Lukas 12 : 16-21 en 16 : 19-31).
Dat geldt zelfs ook van hen die deze leer van het zuivere geloof graag willen horen en begrijpen. Die beginnen net zo min hun naaste te dienen (of beter: zich naaste te betonen aan een medemens in nood), juist alsof zij door een geloof zonder werken zalig wilden worden.
Deze gelovigen zien niet dat hun geloof geen geloof, maar slechts een afspiegeling van het geloof is. Zoals ook een aangezicht in de spiegel niet het aangezicht zélf, maar een afspiegeling daarvan is. De apostel Jakobus heeft daar ook mooie dingen over gezegd, als hij spreekt over hoorders en daders van het Woord (vgl. Jakobus 1 : 22-24).
[Maarten Luther: WA 10.1.2, 169, 24 -170, 10]

(1) Hun eigen visies en doelstellingen zitten hen dwars en maken hen blind en doof en toch wijst Jezus hen niet af, maar neemt Hij tijd voor hen om hen de ogen te openen voor Zijn werk hier op aarde (zie Lukas 7 : 18-23)
(2) Heidelbergse Catechismus Zondag 44 vraag en antwoord 114.

Opgemerkt 1: Deze woorden van Luther kunnen we heel goed gebruiken ter weerlegging van degenen die nog altijd tegen Luther willen inbrengen dat hij de brief van Jakobus toch ‘een strooien brief’ heeft genoemd en waarmee ze nog altijd weer menen te kunnen aantonen dat Luther het doen van goede werken niet wist te plaatsen binnen het Evangelie en de Bijbelse leer over ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’.
Opgemerkt 2: Wat we wel moeten beseffen en wat ons barmhartig zal maken naar onze medegelovigen en onszelf (we kunnen ook onbarmhartig zijn jegens onszelf!), dat is dat wij ook in ons geloven en werken leven van het volmaakte geloof en het werk van onze Heer Jezus Christus. Van Hém moeten wij het hebben. Elke dag weer! Ook wanneer we moeten vaststellen dat we nog in veel dingen (geloof en werken) niet meer dan een klein beginsel (2) hebben van de liefde en gehoorzaamheid die in onze Heer was en is.

> Leestip: deze preek

Bron citaat: ‘Vrees niet, geloof alleen – Dagboek over het geloof’ – Meditatie 26 januari – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr.

Er is geen mens op aarde die niet zondigt, die alleen maar goed is en altijd rechtvaardig. Spits daarom je oren niet bij alles wat er om je heen (en tegen je) gezegd wordt* …’ (Uit Prediker 7 vers 20)
* Om dit – waar het eigen belang dit lijkt nodig te hebben – tegen de ander te gebruiken ter zelfrechtvaardiging.

Bron afbeelding: jesus-works-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Ik zal zijn of haar naam geenszins uitwissen’…

Wie overwint zal zich ook in het wit kleden. Ik zal zijn/haar naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar ik zal zijn/haar naam belijden voor mijn Vader en Zijn engelen.’ (Uit Openbaring 3 vers 5)

Geciteerd: In de brief aan Sardes (Openbaring 3 vers 5) worden witte klederen beloofd en: “Ik zal zijn/haar naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar ik zal zijn/haar naam belijden voor Mijn Vader en Zijn engelen“. Over witte kleren horen wij telkens in deze openbaringen. Tegenover bezoedelde kleren van velen in Sardes duidt het op de rechtvaardiging, dus de vrijspraak door Christus. Die rechtvaardiging gaat niet buiten Zijn bloedstorting om. Daarom heet het van de witte klederen, dat ze gewassen zijn in het bloed van het Lam (7 vers 14). Daar is slechts rechtvaardiging om en door de genoegdoening van onze Middelaar.
Daarnaast wordt de zekerheid gegeven, dat ieder die overwint, niet geschrapt zal worden uit het ‘boek des levens‘. Dat is dus precies het tegenovergestelde van wat de dichter van Psalm 69 vers 29 wenste voor de goddelozen. Nu waren goddelozen voor de psalmist geen vreemden, maar volksgenoten, die leefden en handelden alsof God niet bestond. Het waren Verbondskinderen, die met de God van het Verbond niet rekenden. In de Burgerlijke stand van Israël stonden zij ingeschreven. De dichter bidt dat zij daaruit geschrapt zullen worden. Bedenken we nu wél, dat in de psalm de Geest van Christus spreekt en Hij wist immers ook van ‘kinderen des Koninkrijks‘, die zouden worden buitengeworpen. Ja, Zelf zal Hij tot sommigen zeggen: “gaat weg van Mij, Ik heb jullie nooit gekend!” Hier in Openbaring 3 moeten wij dus wel de dreiging aan de ene kant zien: naam-christenen geschrapt, maar ook naar de andere kant de belofte: de bekeerden behouden!

En dan komt voor die laatsten nog de vertroosting dat zij niet naamloos vergeten raken, omdat zij het er toch ook zo best niet zo best afgebracht hadden, maar dat ze bij name genoemd worden: Christus zal voor hen uitkomen bij de Vader en bij Zijn engelen. In 3 vers 12 wordt de erfenis als volgt omschreven: “hem/haar zal ik maken tot een zuil in de tempel van Mijn God en hij/zij zal niet meer daaruit gaan; en ik zal op hem/haar schrijven de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God – en Mijn nieuwe naam.

Voor de tempel van Salomo stonden twee zuilen: Boaz (in hem is sterkte) en Jakin (Hij stelt vast). Deze zuilen symboliseerden de vastheid van de tempel. Edoch, die tempel is in 586 vC verwoest en de zuilen aan stukken gebroken, volgens Jeremia 52 vers 17. Zo vast was die tempel dus niet. Geen wonder, hij was ook maar een schaduw van de tempel, die in het Nieuwe testament heet: woonstede Gods in de Geest! Dat is de Gemeente, die nu nog op weg is naar haar voltooiing, zoals getoond is volgens Openbaring 21 : 9-27. Wie daar nu in geplaatst wordt heeft zijn definitieve bestemming bereikt. Nu is het nog zo, dat ook de gelovigen opgeroepen worden tot standvastigheid (3 vers 11), dáár zullen ze vaststaan.

Van de zuilen Boaz en Jakin weten we niet of zij hun namen ingegraveerd droegen; van de zuilen van Romeinse tempels is ons dat wel bekend. Hier spreekt de Christus nu over een bijzondere inscriptie: Gods naam, die van het nieuwe Jeruzalem en Zijn nieuwe naam. In de Bijbel duidt een naam heel wat meer aan dan bij ons. De naam zegt wie en wat de drager is. Zo wordt dus op deze plaats tot onze troost gemeld, dat wie overwint mag dragen de volheid van Zijn God en van zijn/haar Verlosser, en mag behoren tot de verloste Gemeente, die straks zal neerdalen op de nieuwe aarde, waar God alles zal zijn in allen.

Bron citaat: ‘Het Lam overwint’ – Uit ‘2.2..4 Wat beloof Christus Zijn gemeenten’ – door ds. J.W. Verheij (1911-2008)

Er wacht jullie, die door Gods kracht worden beschermd omdat jullie geloven, in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. Jullie zien de de redding tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker geopenbaard zal worden.’ (Uit 1 Petrus 1 de verzen 4-5)

Bron afbeelding: Heartligt-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over verzet tegen de Heilige Geest en Zijn werk…

Velen dan van Zijn discipelen, die dit hoorden*, zeiden: Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren? Jezus nu wetende bij Zichzelf dat Zijn discipelen daartegen protesteerden, zei tegen hen: Ergert jullie dit? Wat zou het dan zijn wanneer jullie de Zoon des mensen zouden zien opvaren waar Hij tevoren was? De Geest is het Die levend maakt; het vlees is niet nuttig. De woorden die Ik tot jullie spreek, zijn Geest en zijn leven. Maar er zijn sommigen onder jullie, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij was die Hem verraden zou. En Hij zei: Daarom heb Ik jullie gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven wordt van Mijn Vader. Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.’ (Uit Johannes 6 de verzen 60-66)
* Zie Johannes 6 : 41-52.

Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden… (…) Petrus nam Hem terzijde en begon Hem fel terecht te wijzen: “God verhoede het, Heer! Dat zal U zeker niet gebeuren!” Maar Jezus keerde Hem de rug toe met de woorden: “Ga terug, achter Mij, Satan! Je zou Me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.”‘ (Uit Matteüs 16 uit de verzen 21-23).

Geciteerd 1 (AJ): Merkte onlangs op n.a.v. ds. Thomas Boston’s ‘twaalf bijlslagen’* (die nodig zouden zijn om een mens los te kappen van de oude Adam) dat Paulus de ‘klein duimpje gelovigen’ (van 1 Korintiërs 3) de twaalf bijls/mijlslaarzen van het Evangelie aandoet (Lees 1 Korintiërs 3 of Romeinen 6 er maar weer op na). Wanneer dan de gedoopte gemeente zich gehoorzaam laat onderwijzen uit heel Gods Woord, dán ondervinden ze in de dagelijkse praktijk van het leven hoezeer er moet gestreden worden tegen en geleden onder onze ‘oude/Adam’s natuur’. En ook hoezeer wij allen ook altijd weer de ernstige aansporingen nodig hebben, zoals we die lezen in de brieven, en zoals we die m.n. ook lezen in Hebreeën 10 : 19-39.
* Thomas Boston (1676-1732) aangehaald door Steef de Bruijn in het RD.

Geciteerd 2 (HvW): Je kunt zoiets inderdaad (die ‘twaalf bijlslagen’) aan niemand opleggen… laat staan aan een gedoopte gemeente … je moet het echter wel persoonlijk ondervonden hebben… (alles in trap en mate) .. de uitwendige waterdoop kan je niet behouden… een Engelse theoloog, schreef ergens… dit in verband met de doop: … als sleep je iemand door het Kanaal van Dover naar Calais … dan is er nog geen enkele zonde afgewassen…

Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, Zoon van God. (…) Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te krijgen. Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. (…) In die tijd kwam Jezus vanuit Nazareth, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om Zich door Johannes te laten dopen. Op het moment dat Hij uit het water omhoog kwam, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest op Zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel…’ (Uit Marcus 1 uit de verzen 1-14)

Opgemerkt 1: Dat de waterdoop (al ten tijde van Johannes) een ‘hemels gebeuren’ is (!), dat werd duidelijk bij de doop van onze Heer, toen werd zichtbaar hoe daadwerkelijk betrokken ‘de hemel’ was (en is) bij de waterdoop! En onze Heer horen we dat nog eens uitdrukkelijk noemen en bevestigen in het gesprek met de Farizeeër Nikodemus (Johannes 3 : 1 t/m 4 : 3). De Geest was voorbij gewaaid aan de ‘hoge heren theologen’ in Jeruzalem en was aan het werk gegaan in de woestijn op de plaats bij de Jordaan waar Johannes de mensen opriep om tot inkeer te komen en zich te laten dopen. Dat bij de doop van Johannes de Heilige Geest niet zichtbaar neerdaalde op zijn dopelingen (en trouwens later ook niet bij de doop door Jezus’ discipelen! Johannes 4 : 1-3) dat doet niets af aan het feit dat de Heilige Geest wel degelijk aan het werk was in de harten van de hoorders (zie Matteüs 13 : 18-19) en degenen die zich ook daadwerkelijk lieten dopen. Maar, zoals later bleek, zelfs ook bij de twaalf discipelen van Jezus, kon dat werk van de Heilige Geest ook nog worden genegeerd en weerstaan. Bij de vrome Farizeeën en Schriftgeleerden ging dat zelfs zo ver, dat zij weigerden om zich te laten dopen en later zelfs overgingen tot het afwijzen van Jezus’ verkondiging en het laten arresteren van onze Heer om Hem (definitief) uit de weg te ruimen. Zo ver kan het dus met het verzet tegen de Heilige Geest en Zijn werk komen, en dat juist bij de meest vrome mannen onder het volk van God. Maar dat is niet gebeurd, dan nadat onze Heer hen vele malen heeft gewaarschuwd en ook gewezen op hún hardnekkige verzet (o.a. in Matteüs 23 : 13 en 37, Markus 3 : 22-30, Lukas 20 : 1-8, Johannes 11 : 45-53 en 12 : 42-43.

Opgemerkt 2: Dat de waterdoop door het geloof, voor zowel Joden en heidenen, als hét onweerlegbare teken van hun behoud moest gelden, dat leren we uit het onderwijs van de apostelen. De dopelingen mochten niet zien op hoe en door wie hen het Evangelie gebracht was en/of op hoe welbespraakt en wijs en op de hoorders aangepast de verkondiging geweest was, waardoor zij geloof gehecht hadden aan wat door één van de apostelen (of hun medewerkers) verkondigd was, nee ze moesten het feit dat ze zich hadden laten overtuigen en dopen helemaal toeschrijven aan het werk van de Heilige Geest. Dat een apostel op hun levensweg aan hen verschenen was, dat zij de moeite genomen hadden om hun boodschap aan te horen en dat zij het besluit genomen hadden om aan die boodschap geloof te hechten, en zich op aanraden van de apostelen of één van hun medewerkers hadden laten dopen, dat was allemaal het werk van de Heilige Geest! Hun Doop was hen door Zijn werk overkomen!
En op precies dezelfde manier overkomt de kinderen in Christus’ gemeente ook nu nog altijd hun Doop. Dat is allemaal het werk geweest van de Heilige Geest. Dáár zullen ze op zien en dát zullen ze geloven. De/hún Doop is een geloofsstuk! Zelfs een fundamenteel geloofsstuk! Zeggen dat je niet weet – niet/nooit zeggen kunt – of de Doop je (wel of niet) ‘van de hemel gegeven’ is, is zondermeer vergelijkbaar met de onwil en het ongeloof en het verzet tegen de Heilige Geest als waarover we lezen in Lukas 20 : 1-8 en ook in Hebreeën 10 : 29.

Opgemerkt 3: God wil Zijn gemeenten bouwen door de voortgaande prediking van Zijn Woord. Laten we daarom niet ophouden te bidden dat er altijd weer betrouwbare dienaars van dat Woord gevonden mogen worden, gesteund – en zo nodig terechtgewezen – door wijze en meelevende oudsten en broeders en zusters (oud en jong), zodat er in een gemeente gebouwd wordt met het goud, zilver en edelstenen van het Woord Zelf, want dat wil God gebruiken voor de groei van het geloof en dat natuurlijk niet minder door het gelovig gebruik van de Sacramenten – daarin zal men de gedoopte gemeente niet hebben te ontmoedigen maar juist aan te moedigen! Dienaars van het Woord, die dat ontmoedigen wel doen, die kunnen maar beter – volgens onze Heer! – ‘met een molensteen om de hals’ uitgeschakeld worden, namelijk om te voorkomen dat ze de ‘kleinen’ van Christus’ kudde zullen ‘ergeren’ (Zie Matteüs 18 : 4-6 en 10-14!).

> Leestip: Matteüs 18 (in z’n geheel!).

Opgemerkt slot: Wat we helaas heel wat in de praktijk van het kerkelijk leven zien gebeuren, dat is dat de verkondiging van Gods Woord door een predikant getoetst wordt aan onze belijdenisgeschriften (w.o. de Dordtse leerregels) in plaats van juist andersom! Dat men (dus) niet zegt: ‘God zij dank!, we hoorden Gods Woord weer lezen en verkondigd worden! (1), zijn de Dordtse leerregels – als menselijk geschrift – er werkelijk in geslaagd om het Woord van God, dat toch Zelf levend en krachtig is – niet ‘dood te slaan’ met en door menselijke redeneringen en zegswijzen?’ Maar nog beter is het om die leerregels maar te laten rusten en om maar liever heel ‘Bijbels gewoon’ altijd weer te willen horen naar wat de Geest door de verkondiging van Gods Woord ons weer te zeggen had en heeft. En dat elke zondag weer, maar ook – in onze tijd is dat toch helemaal goed mogelijk – elke dag van de week weer. Gods Woord altijd weer dankend ontvangen als het levende Manna voor de nieuwe week en nieuwe dag!

(1) Zie 1 Timoteüs 4 : 11-16 en 2 Timoteüs 3 : 10 t/m 4 : 5.

Ik ben het brood dat leven geeft. Jullie voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn ze gestorven. Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik geven zal voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.”‘ (Uit Johannes 6 uit de veren 41-51 de verzen 48-51)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een bedotting meer of minder in de dienst van Jezus…

Men moet ons beschouwen als dienaren van Christus, aan wie het beheer over de geheimen van God is toevertrouwd. Van iemand die deze taak vervuld, wordt verlangd dat hij betrouwbaar is.’ (Uit 1 Korintiërs 4 de verzen 1-2) (1)

Geciteerd 1: Ook Ouweneel denkt indertijd al dat niet elke genezing authentiek is en Joshua de boel soms ‘bedot’. Niettemin blijft Ouweneel enthousiast over de vele genezingen; hij legt zelf ook zieken de handen op, op verzoek van T.B. Joshua, tijdens zijn bezoeken aan The Synagogue.
Opgemerkt 1: Blijkbaar mag je als ‘geweldig kerkleider’ de boel als het zo uitkomt wel bedotten, en laat niemand je daarover de les (uit Gods Woord!) lezen, want dan weet zo’n kerkleider wel van aanpakken…

Geciteerd 2: Van zijn eerste bezoek aan de Nigeriaanse gebedsgenezer kwam hij als ‘vernieuwd man’ terug. Ouweneel verhaalt uitvoerig hoe hij vele zonden belijdt en wordt genezen van onder andere knieklachten en hoofdpijnen. En hoe hij terug in Nederland nog meer enthousiasme over het evangelie uitstraalt in lezingen.
Opgemerkt 2: Ja, wanneer zulke krachten en werkingen aan het werk van kerkleiders kunnen worden toegeschreven, hoe had de apostel Petrus zich dan wel niet kunnen laten gelden, maar die moest daar werkelijk niets (!) van weten. Lees het maar na in Handelingen 4 en ook hoe Petrus zich verantwoorden moet en wil tegenover zijn medegelovigen in de gemeente van Jeruzalem (Handelingen 11 : 1-18, Handelingen 15 : 6-11 en Galaten 2 : 6-14)

Geciteerd 3: TBJ vroeg mij een boek over zijn leven en bediening te schrijven. Maar toen ik hem het manuscript liet lezen, keurde hij het af omdat ik het gewaagd had bij bepaalde aspecten kritische vragen te stellen… Tja, zo gaat dat (vaak) bij grote leiders, zeker in een Afrikaanse context, waar het ‘stamhoofd’ onaantastbaar is.’
Opgemerkt 3: Tja, bij grote (kerk)leiders moet je nu eenmaal een oogje willen dichtknijpen, dat zien we in Gods Woord bij koning Saul, koning David en koning Salomo toch ook gebeuren. En knijpen de Bijbelse profeten niet ook vaak een oogje dicht? Nou dan!

Geciteerd 4: Niettemin blijft Ouweneel met respect naar de prediker kijken, omdat die ‘het zuivere evangelie van Christus verkondigde, en personen die onder zijn bediening waren geweest, dichter bij Jezus waren gebracht (zoals ikzelf)’.
Opgemerkt 4: Ja, als je door zo iemand als TBJ dichterbij onze Heer gebracht kan worden dan door Gods Zelf, namelijk door Zijn Heilige Geest, zoals Die door Hem bij iemands Doop wordt toegezegd én toebedeeld, en je jezelf daar graag op laat voorstaan, zodat jij daarmee nogal een voorsprong meent te hebben verworven t.a.v. heel wat (gedoopte) medegelovigen, dan laat je je dat niet door wat negatieve publiciteit zomaar uit handen slaan…

Opgemerkt slot: Je kunt ook stellen dat daar in Afrika bij TBJ een soort protestants/evangelisch Lourdes te vinden was en mensen die zich een reisje Afrika permitteren konden, (w.o. ene WJO, die kon dat zelfs ‘mooi meenemen’ om de eigen status er mee op te poetsen en de zichzelf toebedeelde positie in de gemeenten van Jezus Christus nog meer glans te geven – zoals hij zelfs ook nu nog weer doet!
En dat toch alles tegen het duidelijke onderwijs van onze Heer (zie o.a. Johannes 4 : 23-24) en de apostelen in. Nergens wordt door hen een bedevaart naar Jeruzalem, waar eerst nog de apostelen en iemand als Jakobus te vinden waren aanbevolen om daar genezen te worden of nog dichter bij Jezus te komen of je daar de biecht af te laten nemen).

(1) De apostel Paulus nadat hij in de hoofdstukken daarvoor heeft duidelijk gemaakt dat in de gedoopte gemeente van onze Heer niemand zich kan laten voorstaan op de positie en het werk van een ander.

> Leestip: 2 Korintiërs 6 : 1-13.

Bron citaten: ND Geloof – ‘Hoe Willem Ouweneel wel en niet afstand neemt van de van misbruik beschuldigde pastor T.B. Joshua’ – door Jacolien Viveen.

Ik zal mijn werk op dezelfde manier blijven doen om die apostelen de kans te ontnemen met hun gewichtigdoenerij dezelfde roem (2) te oogsten als wij.‘ (Uit 2 Korintiërs 11 vers 12)
(2) Paulus die zich zó in die gemeente heeft ingespannen om duidelijk te maken dat zij zich niet op mensen en hún werk zullen beroemen!

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Zolang wij dat niet goed begrepen hebben’…

Kinderen, zolang Christus geen gestalte in jullie krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om jullie.‘ (Uit Galaten 4 vers 19)

Geciteerd 1: Het is moeilijk maar toch cruciaal om hierin het evenwicht te bewaren. Waar die balans ontbreekt, ontstaat eenzijdigheid. Het valt moeilijk te ontkennen dat dat geldt voor een deel van de preken in de gereformeerde gezindte, breder dan de Gereformeerde Gemeenten dus: daarin klinkt de nodiging tot het heil, de oproep tot geloof en de plicht om te geloven met veel minder klem dan in de tijd van de Reformatie en de Nadere Reformatie. Wordt er vanaf zulke kansels nog gewaarschuwd dat de zonde van ongeloof ernstiger is dan overspel en moord, omdat die God tot leugenaar maakt? Tegelijkertijd klinkt in de boeken van dr. Van den Brink veel te weinig door dat wedergeboorte een groter wonder is dan de schepping, en dat „wij allen vervloekt, verdoemd en verloren [zijn]. Zolang wij dat niet goed begrepen hebben*, zullen wij nooit proeven wat het betekent genade en barmhartigheid van God te ontvangen” (Calvijn).

* Zie Matteüs 11 : 25-26: ‘Voor verstandigen en wijzen verborgen, maar aan kinderkens geopenbaard…’ en ook 1 Korintiërs 1 : 20 en 2 : 13-16.

Geciteerd 2: „Het moet naar de ondergang toe met ieder mens. Als nu de mens zo ondergaat en tot niets wordt met al zijn kracht, werk en hele bestaan, als er niets meer dan een ellendige, verdoemde, verlaten zondaar overblijft, komt de Goddelijke hulp en kracht” (Luther).

Geciteerd 3: In evenwichtige preken klinken beide kanten door, zoals bijvoorbeeld bij de achttiende-eeuwse Schotse predikant ds. Thomas Boston. Hij drong er bij élke zondaar op aan dat hij de plicht heeft om de belofte van genade te [geloven], maar beschrijft ook welke twaalf bijlslagen nodig zijn om zo’n zondaar los te kappen uit de oude stam Adam en over te brengen in Christus.

Opgemerkt 1: Dringt Paulus Timoteüs er niet toe om heel Gods Woord te verkondigen (1) en daarmee doelde Paulus toentertijd toch echt op m.n. het Oude Testament en dat dan gelezen en uitgelegd en toegepast met het licht van het Evangelie, zoals hij dat als apostel verkondigd had. En wanneer dat gebeurt in een gemeente, ja dan zal een predikant niet elke preek moeten willen uitblinken door het aanbrengen van evenwichtigheid, want dan moet hij het Bijbelgedeelte waarover gepreekt wordt al gauw geweld aan doen. Het gaat dus om de doorgaande prediking van Gods Woord in/aan de gemeente, daarmee en daardoor zal de gemeente gebouwd worden in het geloof. Dat laatste is toch echt Gods werk! (Zie 1 Korintiërs 3 : 6-7)
(1) Zie 1 Timoteüs 4 : 11-16 en 2 Timoteüs 3 : 14 t/m 4 : 5.

Opgemerkt 2: Wanneer we bij onszelf of anderen willen meten hoeveel wij begrepen hebben van ons ‘vervloekt, verdoemd en verloren zijn’ dan zullen wel velen beneden de ‘intellectuele maat’ van het begrijpen van Calvijn (en universitair geschoolde predikanten) vallen. Maar Paulus schrijft aan de gemeente te Rome (in Romeinen 6): ‘Hoe zouden wij (gedoopten!), die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven – hoe zouden wij het daarin nog uit kunnen houden nu Gods genade in Christus ons verkondigd is – ? Weten jullie niet – is het jullie niet verkondigd? – dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in Zijn dood? We zijn door de doop in Zijn dood met Hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Als we delen in Zijn dood zullen we ook delen in Zijn opstanding.‘ (Lees het zelf nog weer na in deze brief!)

Opgemerkt 3: Zoals we niet kunnen afgaan op een enkele Bijbeltekst om daar een hele leer op te grondvesten, zo kunnen we ook niet een enkel citaat uit de Woordverkondiging van Luther plukken om daarmee een bepaalde kerkelijke leer (uitleg en toepassing van de Dordtse leerregels) al of niet te bevestigen.

Opgemerkt slot: Bij die twaalf bijlslagen waar Boston het over heeft, daar wil ik nog maar weer wijzen op Romeinen 6 en op 1 Korintiërs 3. En daarbij ook het volgende ter overweging meegeven: Zijn de Institutie (van Calvijn), de Dordtse leerregels (van een gereformeerde synode) en allerlei (‘verplichte’) dikke boekwerken (van puriteinen als Jonathan Edwards en Thomas Boston bijv.) niet nogal in tegenspraak met het bij de reformatie weer beleden ‘sola Scriptura’?

> Leestips: Galaten 4 (en Romeinen 6 en 1 Korintiërs 3).

Zie hierbij ook deze blog: ‘Ons een nieuw testament nagelaten?

Bron citaat: RD opinie | Toegespitst – ‘Loopgravenoorlog rond Dordt doet de Leerregels geen recht’ – door Steef de Bruijn

Jullie zijn geen slaven meer, jullie zijn kinderen van God en als Zijn kinderen zijn jullie erfgenamen, door de wil van God.’ (Uit Galaten 4 vers 7)

Bron afbeelding: Viewpoint

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Ons een nieuw testament nagelaten?

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij (apostelen): het Woord dat leven is.’ (Uit 1 Johannes 1 vers 1)

Geciteerd 1: Hij (Johannes Calvijn) liet in Gods voorzienigheid een testament en daarin een erfenis na waarvan toen niemand kon vermoeden welke invloed deze zou hebben in de volgende eeuwen. Zijn erfenis is kernachtig samen te vatten in: ”sola gratia” (alleen door genade), ”sola fide” (alleen door het geloof) en ”sola Scriptura” (alleen door de Schrift). We kunnen dit de erfenis van de Reformatie noemen. Óf zij wordt door genade gelovig aanvaard, gekend en beleefd. Óf zij is ten diepste een steen des aanstoots.

Wat is Apollos eigenlijk?’ En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die jullie tot geloof hebben gebracht, elk op de wijze (manier) die God hun heeft geschonken. (…) Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien. (…) Jullie zijn (als gedoopte gemeente) een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik (als apostel! en) kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder (als leerlingen en medewerkers van ons apostelen) erop letten hoe hij bouwt, want niemand anders kan een ander fundament leggen dan er al bij jullie ligt – Jezus Christus Zelf. (…) Weten jullie niet dat jullie (persoonlijk en als gemeente) een tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie midden woont? (…) Niemand van jullie zal zich daarom laten voorstaan op (het werk van) een ander mens, want álles is van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van jullie. Maar jullie zijn van Christus en Christus is van God.
(…) ‘Maar broeders en zusters, ik kon tot jullie niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb jullie melk gegeven, geen vast voedsel; daar waren jullie nog niet aan toe.‘ (Woorden uit 1 Korintiërs 3)

Jullie doen er goed aan jullie aandacht altijd daarop gericht te houden– op de woorden van alle profeten in het OT (zoals we die te vinden zijn in de boeken van Mozes, in de Psalmen, in die van de profeten en in de wijsheidsboeken) – , als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in jullie hart.‘ (Woorden uit 2 Petrus 1)

Opgemerkt 1: In feite zijn de woorden uit de eerste hoofdstukken van de eerste brief aan de Korintiërs en de woorden uit de 2e Petrus brief voldoende om de gemeente te overtuigen van het ‘sola gratia’, ‘sola fide’ en ‘sola Scriptura’. Daar hadden we Calvijn en zijn Institutie echt niet voor nodig! En al helemaal niet als ‘aanvulling’ op de ‘luther-reformatie’* in Europa!
* Dat was een ‘terug naar de verkondiging van (heel) Gods Woord’ aan/in de gemeente(n) en het gelovig gebruik van de sacramenten door heel de gemeente!

Opgemerkt 2: De Bijbel waarschuwt ons juist tegen dit soort ‘buiten Bijbelse/buiten apostolische’ toevoegingen aan Gods Woord. Gods Woord zal eerbiedig verkondigd/gepredikt worden aan een gedoopte gemeente en waar een gemeente bijeen is om naar dat Woord te horen, daar is naar Gods belofte de Heilige Geest aanwezig en aan het werk en daar wordt heel de gemeente gebouwd door het gebruik van de middelen, maar ook ernstig gewaarschuwd tegen verachtering in de genade! Lees er de Hebreeënbrief maar op na (m.n. Hebr. 10) en ook 1 Johannes 2 over de antichristen die uit het midden van de gemeente waren voortgekomen.

Opgemerkt 3: De gemeente van Christus heeft het helemaal niet nodig dat een ‘grote intellectueel begaafde broer’ (Calvijn) de gemeenten in een lijvig werk (nu eens eerst) haarfijn uit de doeken ging doen hoe zij hun God en Vader hebben te zien en hoe zij daarmee om hebben te gaan. Stel u eens voor dat dit in een gezin zou gebeuren. Een grote broer schrijft een lijvig boek over zijn ouders en vraagt de andere kinderen dat boek nu eerst maar eens te lezen om hun ouders te leren kennen en te weten hoe zij met hun ouders hebben om te gaan. Dat hij daarmee de levende omgang en het levende gesprek van die kinderen met hun ouders juist danig in de weg zit, dat schijnt hem niet te deren… En als er dan kleinere broertjes en zusjes zó enthousiast worden van dat lezen in dat dikke boek, dat ze wat dat boek leert (en dan ook nog weer eens hún interpretatie daarvan) dwingend gaan opleggen aan de andere leden van dat gezin…

Opgemerkt slot: De Geneefse predikant Guillaume Farel moest Calvijn met een ‘hemelse vervloeking’ roepen (dwingen) tot het predikambt, anders was hij een ‘studeerkamergeleerde’ gebleven. Dankzij deze prediker – die het boven zestigjarige leeftijd nog waagde te trouwen met een 17 jarig meisje (met afkeuring van Calvijn) – heeft Calvijn toch het nederige ambt van prediker mogen beoefenen, al is hem dat niet meegevallen in een stad als Geneve met haar inwoners.

> Zie ook deze webpagina’s : ‘Des Heeren lof, Farel (I)‘ en ‘Zolang wij dat niet goed begrepen hebben…

Bron citaat: RD Opinie – Leerkracht moet leerling van Bijbelse geloofsleer zijn – door Wim Kole

De auteur is directeur-bestuurder van de Eben-Haëzerschool in Barneveld. Dit artikel is een verkorte weergave van zijn lezing getiteld ”De waarde van de Dordtse Leerregels en school”, die hij hield op de jubileumbijeenkomst van de 50-jarige VBSO, op 10 januari in Ede.

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het getuigenis van Johannes de Doper en ‘ons getuigenis’…

Waarachtig, Ik verzeker u: wij spreken over wat wij weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.’ (Uit Johannes 3 vers 11)

Geciteerd 1: Er was een mens. Johannes is zijn naam. Hij zegt dat je met Jezus op een kantelpunt komt te staan. Laat je dopen. Is dat getuigenis ernstig te nemen? Een mens, langs de Jordaan, door God gezonden? Iederéén kan wel beweren door God gezonden te zijn. Ziehier de weerloosheid, de dwaasheid van de prediking. Een mens, een stem, een roepende in de woestijn. Kameelharen jas aan. Op de kale vlakte van de wereld. Je komt tot een getuigenis. Door God geroepen. Wie zal zeggen hoe dat gegaan is? Je raakt erin verstrengeld. Het slaat door je heen. Je bent geen postbode. Je bent getuige. Met huid en haar. Het is je opgelegd. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig.

Geciteerd 2: Er was een mens. Door God gezonden. Hij kwam tot een getuigenis. Je kunt met dat getuigenis voor gek staan. Je kunt er je goede naam door verliezen, je status als weldenkend mens. Je kunt ermee in de gevangenis raken. Je kunt er je leven voor moeten geven, onthoofd worden. Juist dán en juist zó zal blijken, dat ons getuigenis de wereld overwint. Wie zal ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus?

Opgemerkt 1: Helaas wordt in dit artikel (waaruit geciteerd) geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen het getuigenis van de Schrift Zelf (en dus het getuigenis van de Bijbelse profeten en apostelen) en ‘ons getuigenis’ (van gelovigen van nu). Het lijkt wel of wij zomaar kunnen deelnemen in/aan hun getuigenis (1), maar ons past een veel bescheidener opstelling en rol, zowel binnen de eigen gemeente(n) met haar gedoopte leden (oud én jong!) als tegenover de wereld.

Opgemerkt 2: Wanneer wij menen dat we zulke ‘bevlogen’ getuigen moeten én kunnen zijn, dan worden we hoogmoedig of we raken vreselijk teleurgesteld in onszelf en de mensen om ons heen of erger nog: teleurgesteld in God Zelf. Laten christenen daarom allereerst maar met en door hun (liefdes!)daden laten zien dat zij werkelijk geloven in een hun genadig God, Die ook de hele wereld met Zijn Heilig Evangelie op het oog had en heeft. Juist uit het doen en laten van christenen zal blijken dat zij de waarheid van het Evangelie daadwerkelijk geloven.

Opgemerkt 3: Binnen een gemeente wordt heel de Schrift tot verkondiging van Gods Woord en dáár nemen wij de ernstige waarschuwingen in Gods Woord ter harte en daarom zullen wij ons dagelijks hebben te bekeren. Wanneer we in dat besef leven, dan wordt ‘ons getuigenis’ (met woorden) naar de wereld beslist minder hoogdravend en rigoureus. Als voor de gelovigen, waarvan toch geldt dat zij zich dagelijkse en wekelijks laten gezeggen door Gods Woord, onderling al geld: ‘Wie sta zie toe dat hij/zij niet valle‘ en dat we ‘elkaar in een geest van zachtmoedigheid zullen terechtwijzen‘, hoeveel milder zullen wij ons dan opstellen tegenover ‘de wereld’, die al dat goede onderwijs uit Gods Woord en versterking van het persoonlijk geloof door het gebruik van de sacramenten missen. Tegenover deze mensen past ons toch echt nog meer bescheidenheid. Denk aan een profeet als Daniël (2), hoe bescheiden hij de wrede koning Nebukadnezar en zijn dienaren en opvolger (Belzasar) heeft aangesproken en gewezen op wat hen verlangd en verwacht mocht worden.

Opgemerkt Slot: Wanneer onze Heer in gesprek is met Nikodemus, (Johannes 3 : 1-21), dan zegt Hij: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: wij spreken over wat wij weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.‘ Met ‘wij weten en getuigen‘ en ‘ons getuigenis‘ doelt onze Heer op Johannes de Doper, die gezien en gehoord heeft wat er gebeurde bij de doop van Jezus in de Jordaan (we lezen daarover in Johannes 1 : 29-34).
In Johannes 5 : 38 wijst onze Heer ook nog weer op het getuigenis van Johannes en toch zegt Jezus daarbij ook dat Hij het getuigenis van een mens niet nodig heeft. Voor Hém was het niet nodig om overtuigd te worden van wie Hij was, maar de mensen in Israël en Jeruzalem hadden dat getuigenis van Johannes de Doper beslist wel nodig, maar er waren helaas velen (m.n. dus onder de Farizeeën en Schriftgeleerden) die dat getuigenis van Johannes niet aanvaardden. Maar onze Heer wees hen op het getuigenis van Johannes en Hij zei daarbij ‘dat zeg Ik om jullie te redden‘ (Zie Johannes 5 vers 34).

(1) We moeten hierbij zeker bedenken dat (ook) de profeet Johannes de Doper op een heel bijzondere manier was ‘voor-aangekondigd’ en aangewezen door God en dat was zelfs al gebeurd voor zijn geboorte. Dat verhaal was in Jeruzalem niet onbekend. Zeker niet onder de priesters en Farizeeën en Schriftgeleerden daar!
(2) En Paulus heeft het later niet anders gedaan (dan Daniel) in zijn spreken met en tegenover de overheden. Eén keer valt hij uit tegen de hogepriester, die met het hele sanhedrin was gekomen om Paulus bij de Romeinse tribuun (vals) te beschuldigen en iemand naast hem de opdracht gaf om Paulus op de mond te slaan, maar dan biedt Paulus (en niet de hogepriester) zijn excuses aan.

Bron citaten: De Waarheidsvriend (blog) – ‘Prediking is deelnemen in het getuigenis dat Jezus het Licht is – Duister is dichtbij’ – door ds. J.A.W. Verhoeven.

Jullie hebben boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg dit om jullie te redden.‘ (Uit Johannes 5 uit de verzen 30-47 de verzen 33-34)

Bron afbeelding: The King James Bible Version

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Bijbelonderwijs over vervuld worden met de Heilige Geest…

Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de Heilige Geest‘ (…) ‘Wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ (Uit Handelingen 1 uit de verzen 4-8 vers 5 en vers 8).

Opgemerkt 1: Johannes de Doper bleek een heel bescheiden mens en profeet daar waar het zijn eigen roeping en werk betrof. Zijn leven en werk stond van het begin af aan in dienst van de Heilige Geest – Die Zelf ook altijd weer bescheiden blijkt in Persoon en werk – om het volk van God op de komst van de Messias voor te bereiden. Hoezeer God Zelf door de Heilige Geest betrokken was bij de verkondiging door Johannes en zijn – ‘hemelse’! (1) – waterdoop, bleek nog wel het sterkst bij de doop van onze Heer in de Jordaan, waarbij onze Heer de ‘tegenstribbelende’ profeet voorhoudt: ‘Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen.’ En God bevestigde deze waterdoop op bijzondere manier vanuit de hemel – lees hierover in Matteüs 3 : 13-17.
Dat God Zelf Zich aan de waterdoop van Johannes verbond en de mensen die zich hadden laten dopen daarna niet ‘ongemoeid’ liet, dat blijkt wel heel duidelijk uit de woorden die we lezen in Lukas 7 waar onze Heer het optreden van Johannes de Doper ter sprake brengt, nadat twee leerlingen, die Johannes naar Jezus verwezen had (2), weer vertrokken waren. Dan blijkt dat de mensen die zich door Johannes lieten dopen in staat blijken het ‘koninkrijk van God te zien’ (3), namelijk zoals dat tot vervulling komt in en door Jezus, onze Heer, want zo schrijft Lukas: ‘Alle mensen die Jezus’ woorden hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en Zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen.’

Opgemerkt 2: Na Jezus opstanding en hemelvaart stonden Zijn discipelen voor de – alle mensencapaciteit en mensenmacht te boven gaande – taak om van Jezus kruisdood en opstanding uit de dood en van Zijn hemelvaart te getuigen (‘in Jeruzalem en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde‘) en dat zonder ook maar één woord van Hem ‘op papier’ te hebben meegekregen. Dat laatste was beslist ook naar Gods plan en Jezus woorden (3), want alleen de Goddelijke macht van de Heilige Geest zou hen in staat stellen om aan dit werk te beginnen en om het ook tot een goed einde te brengen. Maar omdat zowat de hele ‘Joods kerk’ (met hun theologen, de Schriftgeleerden en Farizeeën) zich tegen dit getuigenis zouden verzetten, wilde God hun getuigenis en werk – zoals ons dat beschreven wordt in het boek Handelingen – gepaard doen gaan met bijzondere en overtuigende blijken van de bijstand en macht van Gods Geest.

Opgemerkt 3: Wat we op en na de Pinksterdag in Jeruzalem horen en zien, dat is dat onze Heer door Zijn Heilige Geest op bijzondere wijze het werk van de apostelen laat aanvangen in Jeruzalem, en even later in Samaria en daarna ook tot ver buiten Jeruzalem. In Jeruzalem wordt de Heilige Geest allereerst zichtbaar uitgestort op Zijn daar vergaderde discipelen en dat was nodig om de daar aanwezige Joden ervan te overtuigen, dat de buiten Jeruzalem gekruisigde Jezus werkelijk de Joodse Messias is, waarop zij hadden leren hopen. Zijn ‘ecclesia’ zouden ze voortaan niet meer hebben te zoeken in de synagogen en in de tempel – die beiden in handen waren van de ‘kerkleiders’ van die tijd – maar in de vergadering van Jezus volgelingen, zoals die geleid zou gaan worden door Zijn eerder uitgekozen discipelen.
Deze discipelen – nu in de rol van apostelen – waren na de uitstorting van de Heilige Geest ook vervuld van de Heilige Geest, maar dat weerhield hen er niet van om steeds ook heel goed op te letten welke weg de Heilige Geest hen in nieuwe situaties wees. Filippus durfde het aan om de ‘Moorman’ te dopen, maar Petrus moest op een bijzondere manier er toe gebracht worden om het Evangelie ook te verkondigen aan heidenen en om ook hen te (laten) dopen (Handelingen 10 en 11). We mogen wel heel dankbaar zijn dat God juist Petrus deze ‘moeizame’ weg heeft laten gaan, terwijl Hij Filippus direct al de overtuiging gaf dat hij de kamerling uit Ethiopië mocht dopen. We lezen trouwens niet dat deze dopeling zichtbaar vervuld werd van de Heilige Geest, wel dat hij zijn weg vervolgde met blijdschap (Handelingen vers 39).
Dat ook in Samaria de mensen nog weer op bijzondere wijze een (zichtbare) uitstorting van de Heilige Geest mochten meemaken, dat zal zeker te maken hebben gehad met het feit dat God deze ‘tweederangs Joden’ wilde overtuigen van het feit dat ook zij zich voluit mochten rekenen als behorend bij de nieuwe ‘ecclesia’, zoals die te Jeruzalem allereerst gesticht was. Dat is toch te zien als Gods goede zorg voor deze mensen, dat Hij de apostelen Petrus en Johannes ertoe bewoog om dat ontvangen van en vervuld worden met de Heilige Geest ook dáár heel zichtbaar te laten gebeuren, namelijk door de handoplegging en dan gevolgd door het (ook) zichtbaar ontvangen van de Heilige Geest. (Lees hierover in Handelingen 8)
NB. Let er ook op dat we wél lezen over veel mensen die zich lieten dopen op de Pinksterdag in Jeruzalem (wel drieduizend, zal vast niet door onderdompeling gebeurd zijn!), maar niet over handoplegging(en) van de apostelen bij deze drieduizend, toen of later, namelijk opdat ook deze dopelingen alsnog vervuld zouden worden met de Heilige Geest.

Opgemerkt 4: Dan lezen we ook nog over gevluchte/vertrokken leerlingen, die vanwege de onderdrukking en vervolging in Jeruzalem in (o.a.) Antiochië terecht kwamen en daar het Evangelie ook aan de heidenen verkondigden en die deze heidenen dus ook gedoopt zullen hebben en genodigd tot het bijwonen van hun samenkomsten en het breken van het brood met elkaar. We lezen dan niet dat men zich in Jeruzalem afvraagt of die ‘bekeerde heidenen’ daar dan ook een zichtbare vervulling met de Heilige Geest hebben ontvangen, wel dat men Barnabas de opdracht geeft om die gemeente op te zoeken. En die verheugt zich zeer en spoort de mensen aan om standvastig te zijn en trouw te blijven aan de Heer. Hij beseft ook dat deze mensen het onderwijs van de apostelen in Jeruzalem node missen, maar dan haalt hij niet één van de apostelen weg uit Jeruzalem, maar gaat hij op zoek naar Saulus (die hij eerder zelf in Jeruzalem mocht/moest introduceren) en geeft hij samen met hem een jaar lang onderwijs aan de gemeente in Antiochië. En dan besluiten ze dáár om de behoeftige gemeente in Jeruzalem financieel te gaan ondersteunen…

Opgemerkt 5: Over de door Johannes de Doper gedoopte leerlingen, die Paulus ontmoet in Efeze, vinden we een zeer verduidelijkend verhaal op de webpagina ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen‘ van ‘het Zoeklicht’ (4). Deze gedoopte leerlingen aanvaardden Paulus getuigenis zonder tegenspraak en ontvangen na handoplegging – zichtbaar en hoorbaar! – de Heilige Geest, net zoals op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem! Wat een heerlijke bevestiging van dat God Zelf Zich verbonden had aan de waterdoop van Johannes: ‘Niemand kan het Koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij/zij geboren wordt uit water en Geest.’ (Johannes 3 vers 5)

Opgemerkt 6: Wat de handoplegging van Timoteus betreft zullen we niet zozeer denken aan het daardoor (alsnog) vervuld raken met de Heilige Geest, maar aan de bijzondere taak die de jonge Timoteüs te vervullen kreeg in de gemeenten die Paulus had gesticht en het geloof, de liefde en de wijsheid – als gaven van de Geest – die daarvoor en daarbij nodig waren om die taak op betrouwbare wijze te vervullen (zie 1 Korintiërs 4 : 1, 2 Korintiërs 1 : 12, 1 Timoteüs 4 : 11-16, 6 : 13-14, 2 Timoteüs 1 : 6-8, 3 : 10-17, Titus 1 : 7-9 en 3 : 8)

Opgemerkt 7: Dat de apostelen zich onder elkaar en naar anderen niet hebben laten voorstaan op hun vervuld zijn met de Heilige Geest en dat zij het ‘de ander uitnemender achten‘ steeds weer in praktijk brachten, waardoor de bereidheid om steeds weer naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren bijzonder groot was, wordt diverse malen duidelijk uit wat we lezen in het boek Handelingen. We horen hoe Petrus verhaalt over zijn ervaringen voorafgaand en tijdens zijn bezoek aan het huis van Cornelius (Handelingen 11) en hoe zij zich laten informeren over de gemeente in Antiochië en hoe zij tot het opstellen van een bericht komen aan deze gemeente. Paulus laat in de brief aan de Galaten nog horen hoe hij zich op het apostelconvent in Jeruzalem heeft opgesteld en hoe hij eerder zich in Antiochië tegenover Petrus heeft moeten opstellen in belang van het Evangelie. Wat goed om te lezen dat Petrus Paulus niet hoogmoedig heeft weersproken vanuit zijn (sterkere) positie, als ‘direct uitgekozen en aangewezen’ leerling en later, in het bijzijn van anderen, ‘direct aangewezen’ apostel van onze Heer…

Opgemerkt slot: Op grond van het onderwijs zoals we dat opgetekend vinden in het boek Handelingen kunnen we toch tot de slotsom komen dat het zichtbaar vervuld worden met de Heilige Geest (door gebed en handoplegging en gevolgd door bijzondere verschijnselen en uitingen) steeds weer in verband gebracht kan/moet worden met het bevestigen van het getuigenis van de apostelen in die bijzondere periode na Christus hemelvaart, waarin zij de opdracht hadden om getuigenis te geven van het Evangelie ‘te beginnen in Jeruzalem en omstreken, in Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde‘. En die hún door de Heer opgedragen taak hebben de apostelen inderdaad volbracht! (5) Dat gebeurde in een periode dat het Evangelie bijna overal door de ‘officiële Joodse kerk’ (dus in door de synagogen met hun leiders binnen en buiten het toenmalige Israël) weerspraak en zelfs vervolging en verdrukking ondervond. Maar toen er inmiddels ‘overal’ gemeenten gesticht waren, op grond van het getuigenis van de apostelen, verviel de noodzaak van het door de Heilige Geest door bijzondere tekenen steun geven aan getuigenis van de apostelen.
Alleen bij het vervullen van ‘bijzondere’ taken in of voor de gemeente, zal men nog gebruik kunnen maken van gebed en handoplegging en dat dan niet met het oog op dan (eindelijk ook) vervuld te mogen/zullen worden met de Heilige Geest – men wordt toch aangewezen en gekozen omdat de betreffende persoon blijk gegeven heeft om in aanmerking te komen voor het vervullen van die ‘bijzondere’ taak -, maar om de betreffende persoon in die taak (en zijn of haar roeping daartoe) te bevestigen.
Op grond van het onderwijs in het boek Handelingen (en de brieven) kunnen we (m.i.) stellen dat daarin geen aanleiding gevonden wordt voor de opvatting dat wij gebruik zouden kunnen of moeten gaan maken van (volgens ons) ‘zuivere christenen” (zuiver bevonden christenen – binnen of zelfs van buiten de eigen gemeente), die dan de gave zouden hebben om medegelovigen door handoplegging te vervullen met de Heilige Geest. Zulke afhankelijkheid van gelovige mede broeders en/of zusters wordt van ons toch niet gevraagd en al helemaal niet ons opgelegd! In de brieven (en in de Psalmen!) lezen we toch dat iedere gelovige zich door onze Heer gekend mag weten en geholpen wordt en aangespoord om die relatie met Hem onder en door het werk van de Heilige Geest te geloven en vol vertrouwen altijd weer te aanvaarden, ook wanneer mensen dat willen ontkennen of wanneer alle uiterlijke omstandigheden dat lijken te weerspreken (zie hierbij bijv. Hebreeën 10 en 1 Johannes 2 : 12-17 en 20-29).

(1) Marcus 11 : 22-23 – De vraag van Jezus ‘De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?‘ waarop de hogepriesters, de Schriftgeleerden en de oudsten van het volk geen antwoord wilden geven.
NB. We dienen te beseffen dat wat er bij de doop van onze Heer gezegd en gehoord was, algemeen bekend was geworden, tot in Jeruzalem toe, want Johannes had dat ook later nog weer van Jezus getuigd: zie 1 Johannes 1 : 19-39. De waterdoop en het getuigenis van Johannes worden door onze Heer ook uitdrukkelijk aan de orde gesteld in het gesprek met Nikodemus – in Johannes 3 : 5 en 11-13.
(2) Zie deze blog ‘Johannes de Doper bleef naar Jezus verwijzen
(3) Zie (o.a.) de woorden van onze Heer tot Zijn discipelen in Johannes 14 en 16 : 12-16.
(4) ‘Hebt u de heilige Geest ontvangen?
(5) Wanneer het Evangelie later aan nog niet bereikte volken (‘aan de uiteinden van de aarde’) werd en wordt verkondigd, dan gebeurd dat ook nu nog altijd door (op grond van) het getuigenis van de apostelen.
We kunnen de woorden uit het slot van Matteüs 28 dan ook wel zo lezen: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie – getuigenis! (AJ) -, tot aan de voltooiing van de wereld.’

> Zie ook deze blog: ‘Doop van Johannes schakel tussen Oude en Nieuwe Testament.

N.a.v. een middagdienst met ds. G. de Kimpe op zondag 7 januari 2024 in de NGK ‘De Burcht’ in Barneveld.

Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is. En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte, dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles‘ (Uit Efeziërs 5 de verzen 15-20)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie