Christus belichaamt het ja van God…

Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de wereld onbeduidend is en veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. Door Hem zijn jullie één met Christus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. Door Christus worden wij rechtvaardig en heilig en door Hem worden wij verlost, opdat het zal zijn zoals geschreven staat: “Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij of zij zich op de Heer beroemen‘ (Uit 1 Korintiërs 1 uit de verzen 18-31 : 27-31)

Als je dat mag zien ben je een dankbaar mens‘ *

Geciteerd: Maar ik durf eigenlijk ook niet van dieptepunten in mijn leven te spreken. Als ik niet zo mishandeld was in mijn jeugd vanwege mijn Bijbellezen, of als mijn huwelijk anders was gelopen, hoe zou het dan zijn gegaan? Ik weet wel: als de Heere wil, trekt Hij je altijd. Maar in mijn leven hebben de dieptepunten wel veel goeds uitgewerkt. Ze hebben geleid tot het hoogtepunt dat ik bij de Heere gebracht ben.

En ik heb nog zoveel meer teruggekregen. De Heere doet nooit half werk, niet in de bekering (1), maar ook niet in praktische zaken. Hij doet altijd meer en beter dan je vraagt. Als je dat mag zien, ben je een dankbaar mens. Ik ben in de ban gedaan door de Rooms-Katholieke Kerk en daardoor uit mijn familie gestoten, maar heb een pleegmoeder teruggekregen en een volwaardige plaats in mijn schoonfamilie, ik heb veel vrienden en contacten. Daar heeft Hij in voorzien, zo zorgt Hij. Vanmorgen zag ik nog een merel die aan de gang ging voor zijn nest, en hier naast de deur zag ik sneeuwklokjes omhoogkomen. Heere, gaat u nu het gelaat des aardrijks weer vernieuwen, dacht ik. Ondanks de rommel die wij ervan maken, geeft Hij toch weer een nieuwe lente. Dat de Heere nog een plan met deze aarde heeft, dat is me tot grote verwondering.”

* Meer dan de helft van haar leven zit Emhe van Duin (76) uit Dirksland al in een rolstoel. Door haar ziekte (Multiple sclerose) kon ze slechts korte tijd als arts werkzaam zijn. Desondanks zou ze haar leven niet anders gewild hebben. „De Heere doet altijd meer en beter dan je vraagt. Als je dat mag zien, ben je een dankbaar mens.”

(1) Bekering niet opgevat als iets waarvan je maar moet afwachten of het je nog eens gegeven wordt, maar iets waarvan we zeker mogen weten/zijn dat God ons dat schenken wil en schenken zal, dan is er niet meer dan geloofsvertrouwen nodig, en dat werd/wordt ons vast en zeker toegezegd bij de Doop, want de Heilige Geest zal Zelf dat nodige geloofsvertrouwen in ons werken. We staan daarmee dus op het Fundament van het Evangelie: Jezus Christus Zelf – zie 2 Korintiërs 1 : 18-22! En lees 1 Korintiërs 3 geschreven aan zuigelingen in het geloof.

Zie ook deze blog: ‘Die volgens Zijn voornemen geroepen zijn...’

Bron citaat: RD Samenleving | Het gesprek – ‘Emhe van Duin is Joods én refo: „Een deel van mijn geloofsleven is misschien anders”’ – door Betsy Biemond-Boer

Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen jullie zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, Die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan jullie verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In Hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door Hem dat we amen zeggen, tot Gods eer. Het is God Die jullie en ons Christus als Fundament geeft, Die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als Zijn eigendom en als voorschot ons de Geest gegeven heeft.‘ (Uit 2 Korintiërs 1 uit de verzen 12-24 : 18-22)

Bron afbeelding: Emhe van Duin – beeld Cees van der Wal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat de inspecteur veronderstelde…

De inspecteur begon met te veronderstellen dat ik een soort monster was‘ *

Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.’ (Uit Johannes 10 vers 27)

Geciteerd uit het ND-artikel over schoolmeester Theo Thijssen en zijn boek ‘De gelukkige klas’:

> Een ander fenomeen van de huidige tijd is de neiging vrij snel een etiket op leerlingen te plakken: ADHD, autisme, dyslexie et cetera. Om daarna de hulptroepen in te schakelen omdat er ‘iets mis is met dit kind’.
Natuurlijk kan dit zinvol zijn, maar Thijssen had daar ook zo zijn ideeën over: ‘Van kinderen die je alle dagen voor je hebt, verdwijnt de merkwaardigheid – tenzij je zover van hen raakt, dat je jezelf merkwaardig gaat vinden.’ (of: niet meer jezelf ook altijd nog merkwaardig blijft vinden).
Kortom: kijk (en luister) eerst goed naar een kind en vraag je allereerst af: wat kan ík betekenen voor deze leerling?

> Scholen komen vaak met het argument: ‘Dat moet van de inspectie of het bestuur.’ Thijssen wist honderd jaar geleden al raad met de onderwijsinspecteur: ‘Hij begint met te onderstellen dat ik een soort monster ben; een onderwijzer die zijn eigen klas, de kinderen waar ‘ie dag-aan-dag mee verkeert, kalmweg tekort doet.’

> Thijssen lapte dan ook regelmatig het rooster aan zijn laars omdat hij vond dat er andere dingen op dat moment belangrijker waren. En telkens weer lees je bij hem dat hij vooral wil dat kinderen zich prettig voelen in zijn klas.
En dat moet volgens mij nog steeds de basis zijn: zorg eerst dat een kind zich gezien weet en kom dan pas aan met je staartdelingen of je stam+t.
Of zoals Thijssen zijn boek eindigt: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaren of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren we enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik jullie dat nooit zeggen.’

* Vraag: Maar wat als broeders van het pastoraat je zo willen kwalificeren en de veronderstelling al voorbij zijn?

Opgemerkt n.a.v. het artikel:

> Wat hier in dit artikel geschreven staat, dat is toch werkelijk altijd mijn verlangen en streven geweest voor/binnen ons huwelijk en gezin!
Veel had ik daarover al geleerd vanuit het werk van mijn grootvader, die dat streven ook had en ook op zijn school en in de klassen waaraan hij les gaf dat in praktijk bracht en daarover schreef om ook anderen te motiveren ‘de ander’ te zien omdat wij ons door ‘dé Ander’ gezien en geliefd weten, wie en hoe we ook zijn wat aanleg en vaardigheden en tekortkomingen en eigenaardigheden betreft.
In het ouderlijk huis kregen wij ook de vrijheid om onze hobby’s (natuurliefde, voetbal, later ook m.n. vogelexcursies en vogelfotografie) te beoefenen. Wij hadden als opgroeiende kinderen een heerlijk thuis!

> Dat ik na de lerarenopleiding en drie jaar vormingswerk (1) niet aarden kond in het systeem van lesgeven en leerlingen toetsen het middelbaar onderwijs (gaf twee jaar biologie en aardrijkskundeles aan het JFC in Barneveld) had met name toch te maken met mijn overgevoeligheid en overprikkeling in en door de overvolle klassen, waardoor ik het zicht op de individuele leerlingen niet had en kreeg en daardoor ook mezelf en de leerlingen niet voldoende structuur kon bieden. Had altijd moeite om eraan te denken op tijd het vervolg huiswerk op te geven en om na vertrek van de leerlingen weer helder gereed te staan om de volgende overvolle klas te verwelkomen, te overzien (te zien/herinneren wie er nog wat moest inleveren, als ik het al tijdig genoteerd had, etc.) en om de te presenteren lesstof paraat te hebben en die hen op een aantrekkelijke manier voor te schotelen. (2)
Overgevoeligheid en overprikkeling en dat dag in en dag uit, het was maar goed dat ik mezelf niet belangrijk vond en mezelf en de leerlingen toch met (zelf)relativering en humor bleef bezien en dat ik thuis mijn moeiten en gebreken niet af reageerde op Yvonne en de kinderen! Integendeel zelfs, ze gaven mij vreugde en een gezonde en plezierige afleiding. En de rust die ik nodig had, die zocht ik in de natuur door veel te fietsen en te wandelen en door me daar te ontspannen, maar dat deed ik op momenten dat ons gezin dat ook hebben kon…

(1) Het vormingswerk in Rijssen was voor mij twee vliegen in één klap: We konden weg uit de drukke randstad en ik hoefde geen leraar te zijn met ieder uur weer een andere klas vol leerlingen. Als vormingsleiders maakten we veel gebruik van gastdocenten en hadden we iedere woensdag geen jongeren in huis, maar tijd om onze ‘programma’s’ voor te bereiden. Voor mij een goede plek om te beginnen en die eerste jaren als beginnend ‘werknemer/kostwinner’ te overleven. Toch was/bleek mij ook toen al duidelijk dat ik niet voor het ‘groepsleiderschap’ geboren was. Een hele groep mensen voor of bij me hebben, dat bleef een grote moeite voor me en dat is nog altijd zo!
(2) Na twee jaar aan het JFC besloot ik dan ook tot ontslag nemen en dat ondanks kostwinnerschap voor huwelijk en gezin met vier kinderen en ondanks dat het bestuur me ook nog weer een derde jaar wilde gunnen. Het bestuur gaf me toen ‘eervol’ ontslag om mij de WW-uitkering niet te laten ontlopen.

Bron citaat: ND Opinie – ‘Een leraar moet eerst het kind zien. Daarna komen de staartdelingen wel’ – door Jacques Vriens (oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver)

Welke vader onder jullie zou zijn kind als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven. Of een schorpioen als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen.‘ (Uit Lukas 11 uit de verzen 1-13 : 11-13)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wij kennen Christus uit en door de verkondiging!

Niemand heeft ooit God gezien: de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verkondigd.‘ (Uit Johannes 1 vers 18, weergave DB 1545)

Geciteerd: Wij zijn zo afschuwelijk verdorven door de zonde, dat wij niet alleen niets meer weten van onze oorspronkelijke kennis van God, maar ook zijn afgeweken van de gerechtigheid der wet en vervallen zijn tot leugen. Toch hebben wij met eigen verzonnen werken God willen verzoenen. Evenwel kent het verstand God uit de wet van Mozes, zoals wij lezen in de brief aan de Romeinen (1:19 en 32). Maar wat het Evangelie betreft, weet het verstand niets van God. Want dit is een nieuwe openbaring uit de hemel, die ons niet alleen met de Tien Geboden bekendmaakt, maar ook laat weten dat wij mensen allen in zonde ontvangen zijn en verloren gaan; dat er niemand is die de wet houdt, maar dat wie zalig wil worden, dit alleen kan door de genade en waarheid van Jezus Christus.

Hier is de afgrond van Zijn natuur en van Zijn Goddelijke wil. Daarnaar moet ieder zich weten te voegen, wie hij ook zij – of hij zich nu aan Mozes houdt, of verdronken ligt in zijn eigen gerechtigheid – dat er buiten Christus geen zaligheid is en geen kennis van God. Niemand betekent iets voor God, tenzij hij zich onderwerpt aan de genade en waarheid van de Zoon. Deze kennis is voor het verstand verborgen. Zelfs vandaag nog zijn de werkheiligen en allen die tot hen behoren daarvan onwetend. Ik moet tot Christus komen, mij onder Hem verbergen (o.a. Mattheüs 23:37), ja, tot Hem kruipen, en alles voor tijd en eeuwigheid verkrijgen door Zijn genade en waarheid (v.17).

Adam heeft na de val God gekend door de Zoon, evenals alle aartsvaders en profeten. Zij hoopten op de komende en beloofde Messias (Genesis 3:15). Door Hem ontvingen zij genade bij God. Zij bleven niet bij de wet staan, maar zagen in geloof uit naar Christus. Want toen zij zich ervan bewust werden dat zij de wet niet volkomen konden houden, is Christus tot hun bedroefde en bevreesde harten gekomen en heeft Hij hun de genade en wil van de Vader verkondigd: dat Hij, de Zoon, voor hen uit een maagd als Mens geboren zou worden en voor hen zou sterven. Daarom zeggen wij: niemand kan God zien, niet door de wet en niet door het verstand. Niemand heeft dat kunnen uitdenken of is met zijn verstand zo hoog opgeklommen. Het is voor ons te hoog. Er staat niet: die uit bloed [of iets dat uit de mens is], maar: ‘Die uit God geboren zijn’ (v.13).

Vanwaar komt de kennis van de God der genade en waarheid? Zij wordt gegeven door de eniggeboren Zoon van God. De Zoon van God, Die ín God is en Zelf God is, is daarvoor nodig (zie o.a. Johannes 10:38; 14:10). Want Hij komt van de Vader, en Hij kent de waarheid. Verder is er geen andere leraar of prediker die in het Goddelijke wezen woont en in de schoot van de Vader is, dan deze enige Leraar: Christus. Menselijkerwijs gesproken omvat de Vader Hem met Zijn armen en drukt Hem aan Zijn hart. Hij, Die ín het Goddelijke Wezen is, daalt van de hemel tot ons af en wordt Mens.

Wie anders dan Christus had ons God kunnen openbaren? Raadpleeg alle wetboeken van de juristen, alle geschriften van de filosofen en de boeken van alle heidenen: u zult ontdekken dat zij niet verder gaan dan de kennis van God zoals die vervat is in de wet van Mozes, die gebiedt dat men niet zal stelen, geen meineed zal plegen en dat men de overheid en de ouders lief moet hebben. Dat is een eenzijdige [lett.: linkszijdige] kennis van God, waardoor men wel weet dat er een God is, maar slechts uit de wet: een God Die ons de rug toekeert.

Kijk daarom de andere kant op en zie wat het ware aangezicht van God is – wat Zijn wil is in Christus Jezus (zie 2 Korinthe 4:6). Namelijk: dat allen die zalig willen worden, moeten belijden dat zij zondaren en verdoemd zijn, en zich alleen moeten vastklampen aan Christus, Die vol van genade en waarheid is – opdat wij door Hem ook genade en waarheid verkrijgen. Want alleen in Hem wordt gezien hoe God gezind is! Wij moeten op Christus vertrouwen – dan hebben we ook de echte kennis van God.

Lees de heilige Schrift. Vanaf de dagen van Adam heeft Christus steeds de kennis van God aan de mensen geopenbaard (1). Hij is nooit opgehouden dit te prediken: dat wij door Hem genade en waarheid ontvangen – dat is: het eeuwige leven. Het was aan arme, gevallen mensen dat Christus wilde prediken, niet aan koeien en varkens. Laat daarom niemand zich beroemen op zijn kennis van God, hoe heilig het leven ook is dat hij leidt.

Ja, zelfs Mozes kon God niet zien. Toen Mozes verlangde God te mogen zien en zei: ‘Toon mij Uw aangezicht’, sprak God: ‘Indien u Mij zou zien, dan moest u sterven; echter, Ik zal u slechts Mijn rug en Mijn mantel tonen, want Mij zal geen mens zien en leven’ (Exodus 33:18-23). Zo zag Mozes Gods barmhartigheid aan de achterzijde, zoals deze in het Goddelijk Woord van het Oude Testament wordt gezien. Door de eniggeboren Zoon en door het Evangelie leert men echter rechtstreeks in Gods aangezicht te kijken. En wanneer dat gebeurt, sterft alles wat de mens is en heeft. Want dan moet hij belijden dat hij een blinde en onwetende zondaar is, die zich direct op Christus moet beroepen.

Wanneer een monnik in zijn hart deze kennis ontvangt – dat een vreemde gerechtigheid, namelijk de gerechtigheid die ons uit genade om Christus’ wil wordt toegerekend, hem moet behouden – zal hij vragen: Wat bereik ik nu met mijn monnikskap, mijn kloosterorde en regel? Kap en regel gaan nu tegen de grond! Alles wat hij voor heilig gehouden heeft, houdt hij nu voor drek, ja, voor de dood zelf. Zijn eigen gerechtigheid en heiligheid verwerpt hij, evenals alles wat verder uit menselijke kracht voortkomt – dat alles moet sterven, in het graf worden gelegd en begraven. De mens wil er niets meer mee te maken hebben. Deze kennis van het Evangelie is het aangezicht van God: de boodschap dat wij genade en waarheid hebben door de dood van Christus. Wie deze Christus niet heeft, die wordt niet zalig.

[Maarten Luther: Auslegung des ersten und zweiten Kapitels Johannis, 1537 und 1538. WA 46, 671ff]

(1) Dat is onder meer overal in het OT van de SV waar gesproken wordt over de Engel des HEEREN: o.a. Genesis 16:7; 22:11; Exodus 3:2; Richteren 6:12; Zacharia 3:1.

Het is toegestaan om onze citaten en meditaties afzonderlijk (met een goede intentie) geheel of gedeeltelijk te publiceren in kerkbladen, brochures en tijdschriften.
Het is echter niet toegestaan meerdere citaten of meditaties te bundelen en in boekvorm te verspreiden zonder onze voorafgaande schriftelijke toestemming.
Bij publicatie (indien mogelijk) graag met bronvermelding: http://www.maartenluther-com
Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan familie en vrienden? Er zijn geen kosten aan verbonden als iemand deze wekelijkse citaten zelf ook graag wil ontvangen.
Aan- en afmelden: Bij voorkeur via e-mail: info@maartenluther-citaten.nl of via de homepage van http://www.maartenluther-com met vermelding: meditaties

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen jullie het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook aan jullie, opdat ook jullie met ons verbonden zijn. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven jullie deze brief om onze vreugde volkomen te maken.’ (Uit 1 Johannes 1 de verzen 1-4)

Bron afbeelding: A Reason for Hope

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Dat ging in tegen de toenmalige cultuur’?

Heeft het Woord van God zich soms verspreidt vanuit jullie gemeente? Of heeft het enkel jullie bereikt? Wie van jullie meent te kunnen profeteren of in het bezit van de Geest te zijn dient te erkennen wat ik schrijf een bevel van de Heer is.’ (Uit 1 Korintiërs 14 uit de verzen 36-40 : 36-37)

Geciteerd: Wat betreft de vraag naar de vrouw in het ambt zou je het volgende kunnen stellen: in Paulus’ tijd was het een chaos wanneer de vrouwen in de samenkomsten van de gemeente zouden spreken. Dat ging in tegen de toenmalige cultuur.
De bedoeling van deze tekst is derhalve dat het geen chaos moet zijn in de samenkomsten van de christenen. Het moet vandaag de dag ook geen chaos worden in onze samenkomsten. Er is bijvoorbeeld een liturgie in de erediensten.

Opgemerkt: Nee, niet dat het inging tegen de toenmalige cultuur moeten we als eerste oorzaak noemen, maar veel meer het feit dat de apostelen verlangden dat de gemeenten zouden onderwezen en opgebouwd worden door het geschreven Woord en door wat zij van onze Heer Zelf vernomen hadden. Dat geschreven Woord van God (het OT, de opschrift gestelde evangeliën en de brieven van de apostelen voor zover die beschikbaar waren) was toen nog niet in het bezit van vrouwen en velen (de meerderheid) van hen konden niet lezen. Wat ze wel konden was in klanktaal spreken en ze konden vragen stellen tijdens de samenkomsten en mogelijk meenden sommigen dat ze daar konden spreken over bijzondere openbaringen en visioenen die zij ontvangen zouden hebben. Maar die kant moest het beslist niet op in de samenkomsten! Het onderwijs van de apostel Paulus in hoofdstuk 14 van de eerste brief aan de Korintiërs laat daar geen misverstand over bestaan. Paulus en de apostelen wilden voortbouwen op de gangbare praktijk in de synagogen, waar ook onze Heer van gebruik had gemaakt. En door dat te doen werd er gewerkt aan ordelijk verlopende samenkomsten – in Korinthe was het misgegaan, zie o.a. 1 Korintiërs 11 : 17! De ontstane wanorde in de samenkomsten die moest worden uitgebannen.

‘Iemand (man of vrouw) die klanktaal spreekt (tijdens jullie samenkomsten) is daar alleen zelf bij gebaat; iemand die profeteert – gedeelten uit Gods geschreven Woord aanhaalt en toepast op basis van een Bijbelgedeelte uit het OT! – doet dat ten bate van (heel) de gemeente.’ (…) ‘Wanneer jullie als gemeente samenkomen en ieder zich daar in klanktaal uit, zullen ongelovige buitenstaanders die de samenkomst bezoeken dan niet zeggen dat jullie krankzinnig zijn? Maar wanneer ieder – die daar zijn mond opendoet (kan en mag opendoen vanwege zijn kunde om uit de Schriften voor te lezen en die ook uit te leggen en toe te passen) – profeteert, dan zal een ongelovige buitenstaander worden beoordeelt en terechtgewezen (niet persoonlijk!) maar samen met de andere hoorders die luisteren naar wat de Geest door Zijn Woord tot de gemeente(n) te zeggen heeft.’ (…) ‘Laat van hen die (werkelijk) kunnen profeteren en daartoe gelegenheid krijgen of willen nemen of erom vragen er twee of drie de gelegenheid krijgen om dat in een samenkomst van jullie te doen en de anderen moeten het beoordelen. Wanneer een van de sprekers (van de twee of drie die gelegenheid kregen om te profeteren) nog op z’n plaats zit en hem iets duidelijk wordt over het aan de orde gestelde Bijbelgedeelte of n.a.v. wat de aan de beurt zijnde spreker te zeggen heeft, dan moet degene die op dat moment aan het woord is verder zwijgen (tot de ander uitgesproken is). Maar bedenk dat ieder op zijn beurt kan profeteren (geduld oefenen dus!) en de woorden van een ander tot z’n recht kan laten komen, zodat ieder zal onderwezen en bemoedigd worden door wat een spreker die profeteert de hoorders te zeggen heeft. Want wie gelegenheid krijgt om te spreken (profeteren) in een samenkomst heeft macht over zijn geest, want God is niet een God van wanorde maar van vrede. En wat ik jullie hierover geschreven heb gaat op voor en is toepasbaar in alle gemeenten.’
(Woorden uit 1 Korintiërs 14, lees heel dit hoofdstuk en daarbij ook het advies van Paulus aan Timoteüs in 1 Timoteüs 4 : 11-16, 2 Timoteüs 2 : 3 : 14 t/m 4 : 5 en aan Titus in Titus 2 : 11 t/m 3 : 11)

Zie ook deze blog: ‘Vrouw en ambt typisch probleem van de huidige tijd’?

Bron citaat: ND Opinie – ‘Vrouwen het zwijgen opleggen in de kerkdienst? Dat kan niet voortkomen uit liefde’ – Opiniebijdrage van Jan Schonewille, emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).
NB. Overigens een pleidooi om vrouwen wel toe te laten in de ambten.

Kortom broeders en zusters, streef ernaar te profeteren en verhinder niet dat er in klanktaal gesproken wordt – maar handel bij dat laatste naar wat ik erover schreef betreffende het gebruik in jullie samenkomsten. Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren‘ – dus ten bate van de opbouw van de gemeente – lees hierbij 1 Korintiërs 3 : 10-23! (Uit 1 Korintiërs 14 : 39-40)

Bron afbeelding: Joyful Moments in Christ

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Vrouw en ambt typisch probleem van huidige tijd’?

Het is weliswaar niet zo dat jullie door te trouwen zondigen, en ook wanneer een meisje [= jonge vrouw) trouwt, zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting (! – en biedt de vrouw geen redding door dan maar kinderen te baren) die ik jullie graag wil besparen.’ (Uit 1 Korintiërs 7 vers 28)
* Zie 1 Timoteüs 2 : 15.

Geciteerd 1: Wie de vrouw in het ambt wil, doet er goed aan zich af te vragen waar deze wens vandaan komt. Die wordt immers niet aangereikt door de Schrift of kerkelijke traditie.

Geciteerd 2: De discussie over de vrouw in het ambt is een symptoom. Daarachter schuilt de vraag naar wat voor ons normatief en gezaghebbend is. Is dat de scheppingsorde waarin mannen en vrouwen een eigen plaats innemen? Of heeft die afgedaan als iets van vroeger en vinden we het zelfs discriminatie? Dan komen we al snel bij de Bijbel, waarin juist die scheppingsorde aangevoerd wordt als reden om vrouwen te verbieden om te spreken in de kerk (1 Timotheüs 2).

Geciteerd 3: We kunnen dat ”wegverklaren” door de Bijbel anders te gaan lezen dan er staat geschreven. Maar is die ”nieuwe hermeneutiek” feitelijk niet zo oud als het paradijs, waar de duivel en Eva zich afvroegen of God het allemaal wel werkelijk zo gezegd had? Indien ja, dan was het bedoeld om ons als mensen tegen te houden. Zo begon de zondeval.

Geciteerd 4: In zowel het nieuwe als het oude verbond zijn man en vrouw gelijk wat betreft de toegang tot het heil. Maar de scheppingsorde blijft gelden bij de herschepping in Christus. En de gevolgen van de zondeval blijven tot de wederopstanding. Daarom kiest de Heere Jezus alleen mannelijke apostelen en zendelingen (Markus 3, Lukas 10). Zelfs Maria komt er niet aan te pas.

Opgemerkt 1: Het probleem dat dr. B.A. Zuiddam hier aan de orde stelt vervalt onmiddellijk wanneer we Gods Woord niet theologisch maar pastoraal willen/durven lezen. En het is voor ondergetekende zonneklaar dat God voor het op deze manier lezen en gebruiken Zijn Woord aan het Godsvolk en aan de Christelijke gemeente(n) geschonken heeft. Wanneer we Gods Woord op die manier willen/durven aanvaarden en lezen en toepassen, dan kunnen we de woorden van 1 Timoteüs 2 lezen als een ernstig vermaan aan de toenmalige gemeente(n) om zich te schikken naar wat het meest dienstig was aan het voorbestaan en de uitbouw (groei) van de gemeenten onder de bediening van Gods Woord in de tijd en cultuur waarin deze brief geschreven werd.

Opgemerkt 2: De woorden (uit 1 Timoteüs 2) ‘Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod. Ze zal worden gered doordat ze kinderen baart, als ze tenminste volhardt in het geloof, de liefde en een heilige ingetogen levenswijze‘ worden hier overduidelijk gebruikt/ingezet om de leden van de gemeente daar op het gezag van de apostel in die omstandigheden mee in te laten stemmen. Want het mag toch duidelijk zijn dat de zondeval en haar oorzaak en gevolgen – voor man en vrouw – toch ook met ander Schriftlicht wordt beschenen, dan zoals Paulus het hier doet!

Opgemerkt 3: Gods Woord reikt ons genoeg andere woorden, andersoortig onderwijs aan om deze woorden van de apostel niet maar zo overal en in alle omstandigheden en tijden van toepassing te achten. In 1 Korintiërs 7 geeft de apostel toch een heel ander beeld van het huwelijk (en haar doel) en advies waar mannen en vrouwen (bij voorkeur) naar zouden hebben te streven en aan werken om in hun leven het koninkrijk van God als eerste te zoeken en te dienen en dat om daarmee aan een snelle(re) voortgang/verbreiding van het Evangelie dienstbaar te zijn, dan door huwelijk en gezinsvorming

Opgemerkt 4: Die zogenaamde scheppingsorde zullen we als een ‘theologisch construct’ zien – en die niet gebruiken om daar van alles aan ‘op te hangen’ – waarmee we in en door de loop van de geschiedenis en de ontwikkeling van de mensheid in de praktijk van het kerkelijk samenleven steeds meer vastlopen. Juist omdat onze Heer Zich bij Zijn komst in deze wereld Zich in Zijn optreden gericht heeft naar de stand van zaken in de mensengeschiedenis heeft Hij mannelijke apostelen aangesteld om Zijn gemeente(n) hier op aarde te stichten te beginnen in Jeruzalem.

Zie ook deze blog: ‘Dat ging toen in tegen de toenmalige cultuur’?

Bron citaten: RD Opinie – ‘Vrouw en ambt typisch probleem van huidige tijd’ – door dr. B.A. Zuiddam

Dus iemand die een vrouw trouwt handelt goed, maar iemand die niet trouwt handelt beter. Een vrouw is gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij is gestorven, is ze vrij om te trouwen met wie ze wil, mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer. Maar ze is gelukkiger wanneer ze ongetrouwd blijft. Dat is althans mijn mening, en ik meen dat ook ik de Geest van God bezit.’ (Uit 1 Korintiërs 7 de verzen 38-40)

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Op het eenvoudigst de hele leer van het Evangelie…

En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet de Zoon des mensen ook verhoogd worden, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben.‘ (Uit Johannes 3:1-15, weergave DB 1545)

Geciteerd: Deze geschiedenis haalt de Heere Christus aan en past die op Zichzelf toe, namelijk dat ook Hij verhoogd moest worden [aan het kruis] net als de koperen slang in de woestijn aan een staak of hout. Wie Hem zal aanzien, dat is (zoals Christus het Zelf uitlegt): wie in Hem zal geloven, die zal niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben (Joh. 3:16). In dit Schriftdeel hebben we op het eenvoudigst de hele leer van het Evangelie.

In de eerste plaats, dat we van nature zondaren zijn en de eeuwige dood verdiend hebben. Echter alleen dáárdoor zullen we van de eeuwige dood worden verlost, als we de Mens Jezus Christus aan het Kruis zó aanschouwen: dat Hij voor onze zonden heeft betaald, de dood voor ons heeft gedood, ons met God heeft verzoend en tot het eeuwige leven heeft gebracht. Dit geloof is het dat ons tot andere mensen maakt en ons totaal nieuwe harten geeft.

Nu mogen we in het uur van de dood en in alle andere aanvechtingen zeggen: Zeker, ik kan het niet ontkennen dat de oude slang, de duivel, mij zeer kwalijk heeft gebeten en mij [door de zonde] gruwelijk heeft vergiftigd.

Daartegen echter vertroost het mij dat ik weet dat, hoewel mijn Heere Jezus Christus, wat Zijn mensheid betreft, naar het schijnt ook [door de zonde] is vergiftigd, Hij echter niet alleen geen gif in Zich heeft. Hij hangt juist daarom aan het kruis, omdat Hij mij van het gif van de duivel wil genezen en mij wil redden van zonde, dood en hel (zie 2 Korinthe 5:21).

Daarom, laat het nu gaan zoals het wil, laat de duivel mij bijten en mij allerlei ongeluk aandoen – ik zal mij met mijn Heere Christus Jezus en Zijn gerechtigheid vertroosten: Hij zal mij genezen en mij het eeuwige leven geven.

En waar nu, zoals gezegd, deze enige troost tegen dit eeuwige gif in het hart is, daar zal ook verder een barmhartig en vriendelijk gemoed uit voortkomen voor andere mensen, zodat, juist zoals wij van de Heere Christus hulp verwachten tegen de eeuwige rampzaligheid, wij ook anderen graag te hulp zullen komen, hoe en waar we kunnen.

Want een wedergeboren mens is helemaal nieuw en ziet en voelt ook de nood van zijn naaste. En hoewel andere mensen hem zelfs onrecht aandoen, dan laat dat hem niet tot drift aanzetten, maar hij heeft medelijden en helpt waar dat mogelijk is.

Hij ziet immers dat het onrecht nergens anders vandaan komt dan uit het gif dat we uit de beet van de duivel ontvangen hebben. Daarom zoekt hij middelen hoe hij ook anderen ertoe kan brengen dat zij tot dit medicijn komen en van het dodelijke gif genezen worden. Zodoende is deze leer de echte wortel en bron waar alle deugden, alle troost, alle vreugde en zekerheid uit groeien en ontspringen.

God, de almachtige en barmhartige Vader, moge omwille van Zijn lieve Zoon, Christus Jezus, ons in deze leer behouden en ons van dag tot dag daarin laten groeien en toenemen, zodat we toch het gezicht op Jezus Christus niet verliezen en zó door het ware geloof in Christus van de eeuwige dood bevrijd en verlost worden. Amen.”
[Maarten Luther: Predigten des Jahres 1535 (Hauspostille 1544), WA 52, 352ff]

Bron citaat: maartenluther-com – Meditatie van maandag 16 februari 2026 – aanmelden: info@maartenluther.com

‘Hij veracht de zwakke (ellendige) niet,
verafschuwd niet wie wordt vernederd,
Hij wendt Zijn blik niet van hem of haar af (1)

Van U komt Mijn lofzang in de kring van het Godsvolk,
Mijn geloften los ik in bij wie U vrezen.
De vernederde (ootmoedige of zachtmoedige) zullen eten en worden verzadigd,
zij die Hem zoeken, brengen lof aan de HEER.
Voor altijd mogen zij met Hem leven! (2)

(Uit Psalm 22 de verzen 25-27)

(1) Maar in Gethsemané en op Golgotha was onze Heer de zwakke en vernederde Die om hulp riep – zie hierbij o.a. 2 Korintiërs 13 : 4.
(2) Psalm 16 : 11 (zie hieronder).

> Lees ook deze meditatie: Eeuwig leven met God – Psalm 16 in de praktijk

U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan Uw zijde.’ (3)
(Uit Psalm 16 vers 11)

(3) Lees hierbij Filippenzen 2 : 2-11 met in vers 8: ‘Daarom heeft God hem hoog verheven…’

Bron afbeelding: Bible Gateway

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Adam, in geslachtslijst van onze Heer Jezus genoemd als ‘zoon van God’…

N.a.v. bespreking van de vraag of ook de kinderen van gedoopte gezinnen kunnen deelnemen aan de viering van het Avondmaal.

Het geslachtsregister van Jezus dat terugvoert naar Adam en God is te vinden in Lukas 3:23-38. Deze lijn toont Jezus als “zoon van Jozef/Eli… zoon van Seth, zoon van Adam, zoon van God” (Luk 3 vers 38).

‘Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk. Oorsprong is Hij, Eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn; in Hem heeft de volheid willen wonen en door Hem en voor Hem alles met Zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede op aarde te brengen met Zijn bloed aan het kruis. (1) Eerst waren jullie vervreemd van Hem – Die toch ook jullie Schepper is – in al het kwaad dat jullie deden waren jullie Hem (en elkaar) vijandig gezind – evenals wij eerst ook (zie Titus 3 : 3), maar nu heeft Hij jullie (en ook ons) door de dood van Zijn aardse lichaam met Zich verzoend om jullie heilig, zuiver en onberispelijk bij Zich te brengen. Maar dan moeten jullie (en wij!) wel blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest zijn in de hoop die het Evangelie brengt, het Evangelie dat jullie gehoord hebben en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is (en nog altijd wordt), en waarvan ik, Paulus – met de andere apostelen en hun medewerkers – dienaar ben geworden.’ (Uit Kolossenzen 1 uit de verzen 12-23 : 18-23)

(1) ‘Jullie (en wij) waren dood door jullie (en wij door onze) zonden en door jullie onbesneden staat, maar God heeft jullie (heidenen en ons Joden) samen met Christus levend gemaakt toen Hij ons al onze zonden kwijtschold op Golgotha. Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en vernietigd door het aan het kruis te nagelen. Hij heeft Zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.’ (Uit Kolossenzen 2 uit de verzen 6-23 : 13-15)

‘Jezus kwam op hen toe en zei: “Mij is alle macht gegeven in hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie geleerd en opgedragen heb.’ (Uit Matteüs 28 uit de verzen 16-20 : 18-20a)

‘Broeders en zusters, toen ik bij jullie kwam om ook jullie het geheimenis van God ‘Christus en Die gekruisigd’ te verkondigen, beschikte ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid. Bovendien kwam ik bij jullie in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker. De Heilsboodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, want het in jullie gewerkte geloof aan de waarheid van deze Heilsboodschap moest niet op menselijke wijsheid en kundigheid en overtuigingskracht steunen, maar op de kracht van God.’ (Uit 1 Korintiërs 2 uit de verzen van 1 Korintiërs 1 : 26 t/m 2 : 5 de verzen 1-5 van 2)

‘Maar broeders en zusters, ik kon tot jullie – toen ik jullie het Evangelie verkondigde – niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak – dat kon echt niet anders – tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus – wij hebben bij jullie ook niet eerst nog aan een ‘geloofsmeting’ of ‘geloofsijking’ onderworpen of jullie eerst een catechese traject laten doorlopen voor jullie gedoopt mochten worden (en deelnemen aan de maaltijden van de Heer), net als op het Pinksterfeest in Jeruzalem gold ook voor jullie (heidenen): Laat je dopen (met je huisgezin) en jullie zullen de Heilige Geest ontvangen -. Ik heb jullie toen melk gegeven, geen vast voedsel; daar waren jullie nog niet aan toe. En ook nu nog niet, want jullie zijn nog steeds gebonden aan de wereld. Wanneer jullie afgunstig en verdeeld zijn, dan zijn jullie nog gebonden aan de wereld (en haar menselijke maatstaven), dan leven jullie in feite nog als ieder ander. Wanneer de een zegt: “Ik ben van Paulus” (of: van Luther), en een ander: “Ik van Apollos” (of: van Zwingli), of weer een ander “Ik van Petrus” (of: van Calvijn), gedragen jullie je dan niet nog altijd als alle andere mensen?’ (Uit 1 Korintiërs 3 de verzen 1-4)

‘Nu ik toch aanwijzingen geef: ik kan jullie niet prijzen om jullie samenkomsten. Die doen meer kwaad dan goed. Om te beginnen hoor ik dat jullie bij jullie samenkomsten in de gemeente partijen vormt. Tot op zekere hoogte geloof ik dat ook. Het is onvermijdelijk dat er partijvorming onder jullie is, zodat duidelijk zal worden wie betrouwbaar (2) is.

(2) Lees over dat betrouwbaar zijn 1 Korintiërs 4 (lees het in z’n geheel!), 2 Korintiërs 2 : 17 en 6 : 1-13 en lees hoe Timoteüs een betrouwbare voorganger kan zijn in 1 Timoteüs 4 : 11-16 en verder hoe hij betrouwbare medewerkers en opvolgers moet zoeken en zien te vinden binnen de gemeente(n) – waar hij inmiddels de vaste voorganger was – in 2 Timoteüs 2 : 1-13.

Opgemerkt 1: Uit de boven geciteerde Bijbelgedeelten zal het ons toch duidelijk zijn (of worden) dat op Golgotha al de claims van de boze op de door God geschapen mensheid vernietigd zijn en dat daarom de apostelen de opdracht kregen om het Evangelie ‘Jezus en Die gekruisigd’ te verkondigen aan alle volken (alle mensen, oud en jong) en hen toe te roepen; Laat jullie (met heel jullie huis) dopen, dan zullen jullie de Heilige Geest ontvangen en kom dan naar onze samenkomsten waar wij jullie verder zullen onderwijzen in alles wat wij van onze Heer gehoord en geleerd hebben en waar wij ook altijd weer samen het brood te breken en uit de beker te drinken om ‘de dood van onze Heer te verkondigen, totdat Hij komt’ (zie 1 Korintiërs 11 : 23-26) zoals onze Heer ons geboden heeft om dat te blijven doen.

Opgemerkt 2: Dit Bijbelonderwijs moet ons er toch van overtuigen dat ook de in Christus’ gemeente geboren kinderen gedoopt behoren te worden/zijn, omdat ook zij daar onder het onderwijs van de apostelen gesteld worden (thuis en in de samenkomsten) en omdat ook hun geloof niet gebouwd wordt uit of door het geloof van hun ouders of van de voorgangers en/of leden van de gemeente, maar door het verkondigde Evangelie van ‘Christus en Die gekruisigd’ en de kracht van de Heilige Geest, Die ook aan hen vast en zeker is beloofd en geschonken is en wordt.

Opgemerkt 3: De kinderen hebben net als hun ouders alle van God geschonken middelen nodig om geestelijk te groeien en om door het werk van de Heilige Geest daarmee tot geestelijke mensen gemaakt te worden. Dus niet alleen de Doop en het onderwijs van Gods Woord, maar ook het deelnemen aan de vieringen van het Avondmaal zijn daarbij en daarvoor nodig en horen daar dus helemaal bij.

Lees hierbij ook nog (weer) deze blogs:

Bron afbeelding: Dust of the Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Zorgen voor eenstemmigheid onder de herders?

Of anders gezegd: Wie spreekt er in al die Doop-discussies het Verlossende Woord?

Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar Hem te luisteren. Maar zowel de Schriftgeleerden als de Farizeeën zeiden morrend tegen elkaar: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ (…) ‘Vervolgens zei Hij: “Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waar ik recht op heb. De vader verdeelde zijn vermogen onder hen*”‘ (Uit Lukas 15 de verzen 1-3 en 11)
* Dus blijkbaar kreeg ook de oudste zoon het deel van de erfenis waar hij recht op had toebedeeld.

Geciteerd: Juist daarom wil ik (1) iets verbindends zeggen, zodat de roep van de herders weer eenstemmig klinkt – ook van stemmen die eerder in het RD klonken: ds. A. Verschuure, ds. H. Korving, dr. C.J. Meeuse en zelfs dr. W.J. Ouweneel.

Of je de doop nu ziet als daadwerkelijke aanneming tot kinderen Gods, als geestelijke waardecheque, als teken van het zijn op „de erve des verbonds” of anders: uiteindelijk moet de doop uitmonden in het volgende.

Zolang in het leven van de gedoopte –vroeger of later– blijkt dat hij blijvend rust op Christus en Zijn gerechtigheid én, met vallen en opstaan maar telkens terugkerend, de Meester en Zijn woorden volgt, komt het hoe dan ook goed.

Welke doopuitleg daarbij tot middel was (of zelfs niet) om je bij deze twee beslissende zaken te brengen, maakt dan minder uit. Want dit staat vast: in de hel zijn geen mensen die in hun leven én op Christus en Zijn gerechtigheid hebben gebouwd én Hem tot het einde toe hebben gevolgd (Johannes 8:12 en 51). Wellicht wél mensen die alleen een doopkaart op zak hadden.

Opgemerkt 1: Bij onze Doop spreekt onze Drie-enige God – als onze Goede Herder! – eenstemmig tot de dopeling en tot de leden van een gemeente van onze Heer die daarbij aanwezig zijn als getuigen. Dát moet ons voldoende zijn om iemand als volwaardig lid van Christus’ gemeente te aanvaarden en om hem of haar altijd weer aan te spreken – onderwijzen en vermanen – vanuit Gods Woord op grond van zijn of haar Doop. De apostelen deden het niet anders!

Opgemerkt 2: Laten we de dopelingen niet opzadelen met de vraag of ze voorlopig misschien niet meer dan een ‘tijd-geloof’ of een ‘historisch-geloof’ hebben om dan af te wachten of daadwerkelijk blijkt dat ze blijvend op Christus en Zijn gerechtigheid rusten of dat het mogelijk nog over gaat. Onze Heer waarschuwt ons wel voor niet meer dan een ‘tijd-geloof’ en/of ‘historisch-geloof’ maar dat niet om ons daarmee afwachtend te maken! Wij zullen die waarschuwingen gebruiken om te meer Gods aangezicht te zoeken in de samenkomsten van Zijn gemeente en dus door te komen en te blijven onder de bediening van Gods Woord en door deel te nemen aan de vieringen van het Avondmaal en daarvan niet weg te blijven.

Opgemerkt 3: Maar laten we nog eens over de Doop nadenken in het licht van de gelijkenis van de verloren zoon.

Opgemerkt 3a: In gemeenten waar men de volwassendoop aanhangt, daar kent men geen ‘verloren zonen’. Men kent daar alleen werknemers die zich vrijwillig aanmelden bij de hemelse Werkgever om zich te laten inlijven bij de aanwezige ‘werkploeg’ op Zijn bedrijf. Na dat inlijvingsritueel mogen zij hun Werkgever voortaan Vader noemen. Het is op dat bedrijf trouwens niet zo dat de Werkgever Zelf nieuwe werknemers werft, maar dat doen de werknemers die al eerder bij de ‘werkploeg’ werden ingelijfd. Maar weggelopen werknemers opnieuw inlijven, dat bestaat niet.

Opgemerkt 3b: In die gemeenten/kerken waar men kinderen wel doopt, maar deze dan vervolgens niet op grond van hun Doop als kinderen van God willen aanvaarden, maar van ze vraagt dat ze eerst maar eens zelf tot de conclusie dienen te komen – en dat natuurlijk wel onder de supervisie en opvattingen van hun voorgangers – of zij al dan niet in het huis van hun hemelse Vader thuishoren, daar functioneren de voorgangers als oudste broers, die de andere broer(s) – die dus mogelijk zelfs helemaal geen broers zijn – met argusogen volgen en wanneer dan zo’n ‘broer’ zijn deel van de erfenis opeist bij zijn Vader, dan verklaren dat dit natuurlijk helemaal niet kan. Hoe kan een ‘niet kind’ nu ooit een deel van de erfenis opeisen? En dan nog wel om die in de wereld te gaan ‘verbrassen’? En wanneer zo’n ‘broer’ later terug zou keren, dan moet hij van de oudste broer(s) natuurlijk eerst maar eens op het bedrijf van hun Vader komen bewijzen dat het nu menens is, zodat ook zij ervan overtuigd kunnen raken dat hij mag mee eten van de tafel van hun hemelse Vader.

Opgemerkt 3c (slot): Wij zullen in Christus’ gemeente geboren kinderen, die gedoopt behoren te worden/zijn aanvaarden als kinderen van de Vader (net zoals eerder de geboren Israëlieten), geboren in het Vaderhuis en daarom geliefd door de Vader. Zij mogen mee eten aan Zijn tafel, want alles wat van de Vader is, is ook van hen! En als ze weglopen, dan heeft de Vader verdriet en staat hij op de uitkijk of en tot ze toch weer naar Hem terugkeren! In feite zijn er op deze wereld alleen maar weggelopen kinderen, want de volken zijn het Verbond van God met hen wel vergeten, maar God vergat dat niet! Abraham en Sarah mochten als eersten weer horen dat God Zijn Verbond met de volken niet vergeten was en dat toch weer zou gaan herstellen. Hij haalt de verloren zonen weer naar huis! Alle plannen van de boze worden teniet gedaan, want in Christus heeft God over zijn kwade plannen getriomfeerd – zie Kolossenzen 2 : 6-15.

(1) Jan Willem de Jongste, Tholen

Bron RD Opinie | Opgemerkt – ‘Lezersbrieven: de Bijbel leren lezen, in Christus gedoopt’ – Lezers reageren op artikelen uit het Reformatorisch Dagblad of op actuele thema’s.

Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood* en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren, maar is teruggevonden.’ (Uit Lukas 15 uit de verzen 11-32 : 31-32)
* Wie is er in staat een dode tot leven te wekken en wie zoekt wat verloren is weer op?

Bron afbeelding: A Christian Pilgrimage – WordPress-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Daarom kunnen we ons neerleggen bij ons lot’…

En Hij zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: je zult de hemel geopend zien en de engelen van God zien opstijgen en neerdalen op de Mensenzoon.’ (Uit Johannes 2 vers 51)

Geciteerd: Zo zien wij de hemel nog steeds geopend; ja, wijzelf leven in de hemel. Hoewel wij allen in zekere zin nog op deze aarde wonen, zijn onze namen in geestelijke zin opgetekend onder die van de hemelse burgers in de hemel. Daar hebben wij ons bestaan ​​voor God in gebed, in geloof en in het goddelijke Woord, evenals in de sacramenten. Daar wandelen wij in liefde jegens onze naaste; daar groeien wij in het Woord en in de kennis van Christus, en wij nemen ook toe in alles wat nodig is voor het eeuwige leven.

Dit is ons hemelse leven, hier begonnen door het geloof. Ja, de hemel staat voor ons open. Wij leven en bestaan ​​in de hemel; wij wonen daar als burgers, ook al zijn wij nog steeds op aarde volgens ons fysieke lichaam, dat getuchtigd moet worden door het kruis en door de tijdelijke dood.

Zo staat de hemel nu open. De engelen stijgen op en dalen neer, dienen de gelovigen in het koninkrijk van Christus en fungeren als trouwe dienaren, beschermers en boodschappers tussen God en ons. In Hebreeën 1:14 worden ze “dienende geesten, uitgezonden om te dienen, ten behoeve van hen die redding zullen verkrijgen” genoemd. Anders gezegd, het vergaat ons gelovige christenen zoals Christus, haar Hoofd, het ooit verging. Christenen zijn onderworpen aan veel lijden en moeten vele bekers van ellende drinken. De duivel kwelt hun harten met vele drukkende gedachten, en hun eigen vlees blijft hen belasten en plagen.

In zulke omstandigheden wil onze lieve Heer dat we onze blik omhoog richten en ons herinneren, wanneer we deze wereld te benauwd voor ons vinden, dat we niet afhankelijk zijn van aardse dingen, dat we hier slechts gasten zijn, als het ware in een herberg, en dat we elders burgerschap hebben, namelijk in de hemel. Daarom kunnen we ons neerleggen bij ons lot. We moeten echter weten dat we niet verlaten zijn; Want soms komt God ons ook te hulp en beschermt Hij Zijn christenen op fysieke wijze.

We kunnen er zeker van zijn dat de lieve engelen ons omringen en ervoor zorgen dat ons geen kwaad overkomt. Sterker nog, geen haar van ons kan worden gekrenkt, tenzij het Hem behaagt die boven ons troont, die Zijn engelen naar ons toe zendt om onze gebeden naar Hem op te dragen en naar ons terug te laten keren met de boodschap dat onze gebeden zijn verhoord. Als de engelen ons niet zouden bewaken en niet zouden opstijgen en neerdalen op het lichaam van Christus – dat wil zeggen, op ons – en niet bij ons zouden blijven, zouden onze tegenstanders ons allang levend hebben verslonden.”

[Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 46, 541 e.v. – (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, Concordia Publishing House, vol. 22, p. 204/205)]

> Zie ook deze blog met voorgaand citaat uit deze serie: ‘Wie denken wij wel dat we zijn?

Bron citaat: maartenluther-com – Engelstalig Luthercitaat van 13 februari 2026 – ‘Luther’s sermons on the gospel of st. John (44)’

Maar wij hebben ons burgerschap in de hemel, en vandaar verwachten wij onze Redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee Hij in staat is alles aan Zich te onderwerpen, zal Hij ons armzalig lichaam gelijk maken aan Zijn verheerlijkt lichaam.‘ (Uit Filippenzen 3 de verzen 20-21)

Bron afbeelding: LinkedIn (Guide Makombo)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vreugde vinden in het bezig zijn met de Schriften… (II)

‘Ook wij moeten naar ‘Galilea’’…

Geciteerd: Verlangen en vervulling strijden met elkaar om de eerste plaats binnen het christelijk geloof. Steeds schrijnt de gebrokenheid, steeds verlangen we naar heelheid en steeds koesteren we de hoop op de komst van het Koninkrijk Gods, wanneer alles anders zal zijn. Tegelijkertijd worden we opgetild door de vreugde van het evangelie: ‘in principe’ is alles al volbracht. De dood is overwonnen en niets kan ons meer scheiden van de liefde van Christus. Heeft in de veertigdagentijd het accent meer op ‘nog niet’ gelegen, Pasen is het moment om de vervulling voluit te vieren. De Matteüslezing sluit daar mooi op aan. Omdat Matteüs niet spreekt over een hemelvaart, komt alle nadruk te liggen op de aanwezigheid van Christus onder ons, nu en tot in lengte van dagen.

Omdat Psalm 23 veel klinkt in tijden van ziekte en dood, wordt ‘huis van de Heer’ al snel geassocieerd met ‘hemel’. Alsof de psalm ons erop wijst dat we na onze levensweg voor eeuwig mogen ‘wonen’ bij God. Die blikrichting wordt niet opgeheven door ‘terugkeren’ te vertalen in plaats van ‘verblijven’. De laatste woorden van het Evangelie van Matteüs scherpen echter onze blik voor de paasboodschap. Terwijl wij een weg naar God probeerden te gaan, is Christus al naar óns toegekomen. Het mag zo zijn dat wij ooit in het huis van onze Vader mogen terugkeren, belangrijker is dat Christus nu onder ons woont, dat Hij alle dagen van ons leven bij ons is. Het Paasevangelie doet zo weer andere interpretatiemogelijkheden van Psalm 23 oplichten.

Met Psalm 23 staan we onderaan de berg waar God zijn woning heeft. Er was een tijd dat de tempel in Jeruzalem gelijkstond aan het huis van God. Maar daarnaast is er steeds het besef geweest dat God niet op één plek te vinden is, maar meetrekt met mensen. Niet voor niets kon de ark zó weer worden opgepakt om met het volk mee door de woestijn te trekken. God is met ons, wisten zij, waar wij ook gaan. De opdracht die aan de leerlingen wordt gegeven, om niet in Jeruzalem te blijven maar naar Galilea te gaan, zie ik als een opdracht om verder te trekken. Waar vriendschap is en liefde, daar is God. Niet op een vaste plaats, maar waar mensen in vrede wonen. Misschien vraagt dit besef om een heroriëntatie. Christus verschijnt niet in Jeruzalem, niet op een plek waar traditioneel de ontmoeting met God gezocht wordt. De leerlingen moeten naar Galilea. Galilea wordt daarmee niet een nieuw bedevaartsoord, maar staat voor Jezus’ leven. Zoals Hij toen onder de mensen leefde, lerend, helend, zo zal Hij onder de mensen aanwezig blijven, in woorden die onderscheiden, in gebaren die helen. Ook wij moeten naar ‘Galilea’, dat wil zeggen naar de momenten dat we Christus ‘aan het werk’ zien in ons leven. De momenten dat mensen herleven, de plaatsen waar verzoening doorbreekt. Wanneer we dat helder voor de geest hebben, verschijnt Christus. Bijna terloops, in een bijzin, maar onweerstaanbaar en vreugdevol. Wanneer we zó leven, komen we telkens weer terug in ‘huis van de Heer’, tot in lengte van dagen.

> Zie ook voorgaande blog: ‘Vreugde vinden in het bezig zijn met de Schriften…(I)

Bron citaat: theologienet-nl/preekschets – ‘Preekschets Psalm 23 vers 6 – Pasen

De Farizeeën vroegen Jezus: ‘Wanneer komt het Koninkrijk van God?’ Jezus antwoordde: ‘Het koninkrijk komt niet zo dat u het kunt zien. U zult niet kunnen zeggen: “Kijk, hier is het,” of “daar is het.” Want het Koninkrijk van God is onder u.’’ (Uit Lukas 17 de verzen 20-21)

Bron afbeelding: integratedcatholiclife-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie