Leid ons niet in verzoeking (Meditatie van Maarten Luther – 1519)

Zesde bede: En leid ons niet in verzoeking

Als het woordje verzoeking niet zo algemeen en bekend was had ik liever het woordje ‘aanvechting’ gebruikt. Want het is duidelijker uitgedrukt als we zeggen: ‘En leid ons niet in aanvechtingen.’ In dit gebed leren wij hoe ellendig dit aardse leven is. Dit leven is puur en alleen één lange aanvechting. Het is niet verstandig om te denken dat hier beneden vrede en rust te vinden is. Niemand zal het zover brengen. Het is alles vergeefs, hoezeer wij ook allen naar rust en vrede verlangen. Het leven is en blijft vol aanvechtingen.

Daarom bidden we niet: ‘Neem de aanvechtingen van ons,’ maar we bidden: ‘Leid ons niet ín aanvechtingen.’ Als iemand die zegt: ‘Wij zijn van alle kanten omgeven en omringd met aanvechtingen en kunnen ons er onmogelijk van verlossen, maar, o Vader, help ons toch dat wij er niet in toestemmen en door overwonnen en overheerst worden.’ Want wie er in toestemt, die zondigt niet alleen, maar wordt ook een gevangene van de zonde.

Je kunt je echter wel verdedigen en raad krijgen door in gebed God om hulp te bidden. In het boek over het leven van de [woestijn]vaders lees ik dat een jonge broeder begeert om van zijn zondige gedachten verlost te worden. Toen sprak de oude vader: ‘Lieve broeder, dat de vogels in de lucht je over het hoofd vliegen, kan je niet helpen; waar je wél voor moet bidden is, dat ze in je haren geen nest bouwen.’ Net zoals Augustinus zegt: dat wij ons in verzoeking en aanvechting niet zelf kunnen verweren, maar, om er toch niet door overwonnen te worden, kan je met bidden en roepen tot God deze wel weerstaan (1).

Maarten Luther: Auslegung des Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. WA 2, 122, 33 – 123, 12; 124, 24 – 32
(1) Er is – meen ik (AJ) – geen beter middel om “ervaringsbewijs” te ontvangen dat God ons nabij is en ons op deze (en vergelijkbare) bede(n) daadwerkelijk te hulp komt, maar we ervaren bij verleidingen en aanvechtingen juist vaak een geweldige weerstand en strijd met onszelf  (zelfs moeite om hier om hulp te willen bidden), die strijd in de eerste plaats en in de tweede plaats strijd vanwege de macht en invloed van de boze en van de wereld, omdat we van nature liever toegeven aan onze eigen wil en begeerten, dan dat we ons door God laten helpen om daar vanaf te zien.
9 Arglistig is het hart, boven alles, ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik, de HEERE, doorgrond het hart, beproef de nieren, en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen, overeenkomstig de vrucht van zijn daden. (Uit Jeremia 17)
20 Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. 21 Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, 22 dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, 23 dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, 24 en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. (Uit Efeziërs 4)
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Voorbeelden van vrije gebeden

(1) [9] De volgende gelijkenis vertelde Hij met het oog op mensen die overtuigd zijn van hun eigen rechtvaardigheid en neerzien op alle anderen: [10] ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër*, de ander een tollenaar. [11] De farizeeër ging daar staan en sprak in zijn gebed over zichzelf: “God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen, hebzuchtig, onrechtvaardig en overspelig, of zoals die tollenaar daar! [12] Ik vast tweemaal per week en geef een tiende weg van al mijn inkomsten.” [13] De tollenaar daarentegen, die op een afstand bleef staan, durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan. Hij sloeg zich vol berouw op de borst en zei: “O God, genade voor een arme zondaar!” [14] Ik verzeker jullie dat deze man gerechtvaardigd naar huis ging, en de ander niet. Want ieder die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’ (Uit Lucas 18)

Maak ons trouw in bidden en belijden…

Christus onze Heere heeft ons door de dure prijs van Zijn bloed gekocht. Daarvan hebben wij een brief: de eeuwige, onwankelbare belofte van het Evangelie, en het zegel: we zijn gedoopt en ontvangen naar Christus bevel, wanneer we onze zwakheid en nood voelen, Zijn lichaam en bloed in het Avondmaal. O God, geef nu genade en hulp! Dat we de brief goed bewaren, dat de duivel ze ons niet uit de hand scheurt. Dat is, dat we in welvaart niet zelfverzekerd en in tegenspoed niet neerslachtig en moedeloos zijn. Maar steeds in godsvrucht leven, vast en onveranderlijk in het geloof en in de belijdenis van Jezus Christus blijven en het ‘heilige Onze Vader’ steeds met mond en hart uitspreken, en bidden dat God om Zijn lieve Zoon, ons en onze kinderen bij de zalige leer van het Evangelie wil bewaren. [Amen.]

Maarten Luther: Bibel- und Bucheinzeichnungen, Verg. W.A. 48, 227,10-22

Ik hef mijn ogen op tot U

Heere, U weet dat ik toch niet van mijzelf of uit eigen vrijpostigheid, noch vanwege mijn waardigheid voor Uw aangezicht kom (1 – zie tekst aan het begin). Want als ik dat wilde aanzien, dan durfde ik de ogen niet tot U op te heffen en wist ik niet waar ik beginnen moest met bidden. Maar daarom kom ik, omdat U het Zelf geboden hebt en het ook nu echt gebiedt, dat wij U zullen aanroepen, en ook beloften gedaan hebt aan hen die tot U bidden. Bovendien hebt U Uw eigen Zoon gezonden, Die ons geleerd heeft wat wij bidden moeten, en ons de woorden voorgesproken heeft. Daarom weet ik dat het gebed U lief is, en hoewel mijn vrijpostigheid, dat ik mij durf beroemen een kind van God te zijn, zo groot mag schijnen als het wil, toch moet ik U gehoorzaam zijn, omdat U het zo hebben wilt. Ik maak U niet tot leugenaar door boven andere zonden nog zwaarder tegen U te zondigen, door het verachten van Uw gebod als wel door ongeloof aan Uw beloften. [Amen.]

Maarten Luther: Auslegung, Joh. 16, Verg. Erl. Ausg. 50,112

Zalig die Uw Woord horen

Heere God, U spreekt door Uw lieve Zoon hen zalig die Uw Woord horen. Veel redelijker zou het zijn, dat wij U, o eeuwige barmhartige Vader, zonder ophouden, zaligheid zouden toeroepen, en met vrolijke harten zouden prijzen en lofzangen toezingen. Dat wij U zouden loven en danken, dat U Zich zo vriendelijk en vol liefde aan ons arme, nietige wormpjes bekend maakt, en met ons van de grootste en de belangrijkste zaak, namelijk van het eeuwige leven en de zaligheid spreekt. U houdt immers niet op ons vriendelijk te nodigen door Uw Zoon om Uw Woord te horen. U spreekt alsof U ons luisteren niet missen kan, maar wij die maar aarde en as zijn, hebben vele duizenden malen meer Uw zalig Woord nodig.
O, onuitsprekelijk groot en wonderlijk is Uw goedheid en geduld. Maar andersom, ach en wee over de ondankbaarheid en de blindheid van hen die Uw Woord niet alleen niet willen horen, maar die het ook moedwillig verachten en lasteren. [Amen.]

Maarten Luther: Bibel- und Bucheinzeichnungen, Verg. IVA. 48,127, 2 – 15

Christus ons dagelijks Brood

14 Broeders en zusters, wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden? 15 Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekortkomt, 16 en een van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften (a) – wat heeft dat voor zin? (Uit Jakobus 2)

[Lieve Vader], bewaar allen die zwak zijn in het geloof, dat zij zich niet stoten aan het verkeerde voorbeeld van die hun voorgangers moesten zijn. Behoed ons voor dwalende en afvallige leraars. Laat ons in één dagelijks Brood, in één eendrachtelijke leer, in het Woord van Christus verenigd blijven. Leer ons door Uw genade Christus’ lijden recht aanschouwen en overdenken, met ons hele hart ontvangen, en als ware christenen leven en U verheerlijken. Laat ons van het Heilig Avondmaal van Christus bij ons levenseinde niet beroofd worden. (b) Geef dat alle herders en leraars het Heilig Sacrament waardig en godvruchtig tot betering van de hele christenheid bedienen en gebruiken. Geef dat wij en alle christenen het Heilig Sacrament te zijner tijd met genade, gelukkig ontvangen. In één woord: Geef ons heden ons dagelijks Brood, dat is: Geef ons Christus! (a) Dat Hij in ons en wij in Hem eeuwig blijven. Geef dat wij de naam dat wij Christenen zijn waardig dragen. [Amen.]

 Maarten Luther: Eine kurze Form des Vaterunsers, 1520, Verg. W.A. 7, 226,3-14
(a) Met welke redenen en recht worden er in kerken en gemeenten gedoopte volwassenen en kinderen de toegang tot het Avondmaal ontzegd?! Dopelingen worden (verder) onderwezen in wat hun rechtens toekomt, niet in wat hen mogelijk nog eens zal toevallen. We kunnen en mogen in Christus gemeente met volle vreugde leerling zijn om alles wat ons reeds in Christus geschonken is en we zijn daar geen leerlingen die leren om mogelijk ook eens vreugde en deel te zullen hebben aan Zijn schatten. (…en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. Matteüs 28 : 19). Ook het vieren van het Avondmaal is ons door Christus bevolen.
(b) Dit ziet op de gewoonte om bij het levenseinde het Sacrament van het H.A. aan de stervenden nog eenmaal uit te reiken.

Bron: Gebeden – van Maarten Luther (maartenluther.com)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Hoe overwinnen wij onze twijfel(s)?

Kon ik het maar geloven

Dankzij U, o mijn God, heb ik geleerd, dat ik mijn zonde niet moet bestrijden met het zelf doen van boete, of het geloof beginnen door eerst met eigen goede werken voor mijn zonden te betalen. Voor de mensen zou dat wel kunnen, voor de wereld en de rechter mijn straf dragen en zo voldoen zou wel mogelijk zijn. Maar bij U, o God, is de eeuwige toorn, dáár kan ik onmogelijk voor bestaan, dáár moet ik (om) wanhopen. Daarom dank ik U, dat een Ander in mijn plaats mijn zonden op Zich genomen heeft, die gedragen en daarvoor betaald en boete gedaan heeft. Dát wil ik graag geloven en in mijn gedachten is het ook heerlijk en goed, heilig en vol troost, maar ik kan het voor mijzelf niet aannemen, het gaat mijn kracht te boven, ik weet niet hoe dat zou moeten gebeuren. Heere, wek mij op, help mij en geef mij de kracht en de gave van de Heilige Geest dat ik óók geloven mag. [Amen.]

Maarten Luther: Auslegung, Joh. 6, Verg. IVA. 33,285,15- 38
Psalm 32
Gelukkig de mens van wie de ontrouw wordt vergeven,
van wie de zonden worden bedekt.
2 Gelukkig als de HEER zijn schuld niet telt,
als in zijn geest geen spoor van bedrog is.
3 Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg,
kreunend leed ik, de hele dag.
4 Zwaar drukte uw hand op mij, dag en nacht,
mijn kracht smolt weg als in de zomerhitte. sela
5 Toen beleed ik u mijn zonde,
ik dekte mijn schuld niet toe,
ik zei: ‘Ik beken de HEER mijn ontrouw’ –
en u vergaf mij mijn zonde, mijn schuld. sela
6 Laten uw getrouwen dus tot u bidden
als zij in zichzelf een zonde vinden.
Stormt dan een vloed van water aan,
die zal hen niet bereiken.
7 Bij u ben ik veilig, u behoedt mij in de nood
en omringt mij met gejuich van bevrijding. sela
8 ‘Ik geef inzicht en wijs de weg die je moet gaan.
Ik geef raad, op jou rust mijn oog.
9 Wees niet redeloos als paarden of ezels
die met bit en toom worden bedwongen,
dan zal geen kwaad je treffen.’
10 Een slecht mens heeft veel leed te verduren,
maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd.
11 Verheug u in de HEER, rechtvaardigen, en juich,
zing het uit, allen die oprecht zijn van hart.

Opgemerkt:
Wanneer wij een ander mens willen leren kennen, dan moeten we (eerst) naar die ander (leren) luisteren. Dan moeten we niet onze eigen gedachten en vermoedens en vooronderstellingen over die persoon op de voorgrond stellen, maar ons richten op de ander, wat die ons te vertellen heeft over wie hij of zij is en wat hij of zij belangrijk vindt en wat hem of haar bezig houdt. Zelfs vragen stellen kunnen we – zeker aan het begin –  maar beter eerst nog uitstellen, want dan zitten we misschien al direct op een verkeerd spoor. Luisteren naar de ander en die het (levens)verhaal laten vertellen, dat is onder mensen al de goede gewoonte en de te gebruiken manier om een ander te leren kennen…

Hoeveel te meer geldt dat als wij dé Ander willen leren kennen, namelijk God, die zich aan ons bekend gemaakt heeft en zich ook steeds weer bekend maken wil als onze Vader in onze Heer Jezus Christus. Hij is(!) onze Vader, want wij zijn (toch) geboren en gedoopt in Christus gemeente?! En zo niet, dan mogen wij leren uit het Evangelie en steeds weer horen dat God onze Vader in Christus wil zijn. Wij moeten dus eerst stil worden voor God. Wij moeten onze vragen en gedachten, onze vooronderstellingen en onbegrip tot zwijgen brengen en gaan luisteren. Eerst luisteren! Naar Gods Woord! De Bijbel. Want daarin heeft God zich geopenbaard en daarin komt Hij aan het Woord (1).

Dat luisteren naar Gods Woord, dat lezen in de Bijbel, dat mogen en dat kunnen we zelf doen. We dragen daarin verantwoordelijkheid. We dragen zelfs de verantwoordelijkheid om dat dagelijks te doen én om dat niet na te laten (2). Dat luisteren naar God, dat doen we ook iedere zondag met elkaar in de samenkomsten van de gemeente. Zo heeft God er zelf voor gezorgd, dat we kunnen luisteren naar zijn stem, naar wat Hij ons te vertellen heeft. En dat luisteren naar zijn Woord, alleen of gezamenlijk, dat doen we naar Gods belofte altijd met hulp van Zijn Heilige Geest hier op aarde en samen met Jezus Christus, onze voorspraak in de hemel. En wanneer we dan eerst naar God geluisterd hebben, dan zullen en mogen en behoren we ook tot Hem te bidden, dan mogen we spreken met God en mogen we weten dat Hij ook naar ons luistert.

Wat zullen we dan bidden? Het Onze Vader gebed (maar) eerst. Dan beginnen we met woorden die belijden wie onze God is, met en door te zeggen wat we zelf van Jezus gehoord en geleerd hebben hebben en dat zijn woorden die we van Hem mogen overnemen en die Hij met ons bidden wil. We zeggen dan als eerste eerbiedig “Ónze Vader” tegen onze drie-enige God. We hebben een Vader in de hemel die luistert. Liefdevol luistert.  En dat doet Hij (oneindig) veel beter nog dan aardse vaders luisteren naar hun kinderen (Lukas 11, 3).
We erkennen met het uitspreken van dit gebed ook eerbiedig dat Hij onze Gód is, door te zeggen en toe te stemmen: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Wil geschiede, Uw Koninkrijk kome“. Zo maakt dit gebed ons met woord en daad eerst klein voor God en wordt God groot gemaakt door ons.
We gaan dan ook beseffen, dat we deze woorden niet bidden en toestemmen kunnen zonder hulp van de Heilige Geest. We krijgen hier door Gods Woord en door het werk van de Heilige Geest zicht op wat ons (werkelijke) probleem hier in dit leven op aarde is. Ons ontbreekt eenvoudig-weg de kracht om wat wij in dit gebed God (toe)zeggen en God toestemmen in praktijk te brengen in ons leven.  Dan komt dus direct al aan de orde wat de werkelijke nood van ons leven met God is. Dat is niet onze twijfel aan God, maar onze zonde-schuld tegenover God: Onze schuld tegenover zijn heilige Naam, tegenover zijn heilige wil en tegenover zijn Schepping en de komst van zijn Koninkrijk daarin… Ons ontbreekt de kracht en de wil om te volbrengen wat we met deze beden God toezeggen te willen en te zullen doen. God zelf zal het in ons leven moeten (gaan) volbrengen, anders komt er niet van terecht…

Zo is en wordt in dit gebed toegewerkt naar de centrale bede van dit gebed: “Geef ons heden ons dagelijks brood.”
Door het onderwijs van de Here Jezus weten wij dat we hier vragen om Christus zelf. Hij is het ware brood. We moeten daarom niet zeggen dat Jezus Christus zich het brood noemt, maar Hij is het (ware) brood hier op aarde. Het gewone brood dat wij eten is naar Hem genoemd. God heeft zijn eeuwige kracht, het Goddelijk Woord, Christus, door wie wij leven, verborgen in het aardse brood, dat wij hier eten. En God heeft dat gedaan om ons mensen een eigen taak en verantwoordelijkheid te geven in zijn Schepping. Maar voor ons leven is dat aardse brood niet werkelijk nodig. God kan ons ook “onmiddelijk” (echter niet zonder Middelaar!) doen voortleven zonder gebruik van het aardse brood. Wij kunnen niet leven zonder het Woord van God, zonder het Hemelse Brood, dat is Christus. Christus is het Goddelijk Woord, de kracht waardoor heel deze Schepping geworden is en nog voort bestaat. En sinds onze zondeval is Hij door God aangewezen als onze Middelaar.

Nu gaan we ook begrijpen, waarom pas na “de Brood-bede” de bede volgt “En vergeef ons onze schulden“. Dat kunnen en behoren wij pas te vragen na het eerbiedig vragen om het “Brood uit de Hemel” opdat het ons geschonken wordt en en opdat het (Hij!) zal neerdalen in ons bestaan om bij ons te wonen en ons de nodige (geloofs)kracht te geven.

En, omdat we met deze laatste bede onze schuld vergeven mogen weten, en we mogen dát zeker weten(!), mogen en kunnen en behoren we daarna ook te zeggen én te doen: “gelijk ook wij vergeven hen die ons iets schuldig zijn“.

Zo helpt en brengt dit gebed ons onder de leiding van de Heilige Geest naar het gelovig en eerbiedig spreken met onze drie-enige God, naar het eerbiedig erkennen van Hem als Heer over heel ons bestaan en als broodnodige Redder en Verlosser van heel ons bestaan. Met dit gebed zijn we begonnen aan en bezig met het doen van Gods wil, het leert ons de juiste woorden te spreken en de juiste houding aan te nemen tegenover God. Bij het eerbiedig bidden van dit gebed mogen we uit Gods Woord en door het geloof zeker weten dat God ons hoort en ons genadig is en onze schuld om Christus wil vergeeft.

Met dit gebed leren en erkennen we ook, dat er niets in ons leven gebeurd buiten Gods genadige en almachtige (om Christus-)wil om, maar dat God alles in dit leven ons uit zijn Vaderhand doet toekomen (Bijvoorbeeld ook bevestigd door de inhoud van Psalm 139, beleden en gezongen door een kind van God. Maar ook uitgesproken door onze Heer Jezus Christus zelf in Lukas 12 : 22-31).  Er is niets dat ons groter vreugde kan geven dan dit laatste beseffen, aanvaarden en God er om liefhebben. Dat laatste doen we door God als onze eigen Vader in Christus ten alle tijden en onder alles te loven en te danken.

Zo leren we dan tot slot uit de beden van dit gebed, met de bede “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze” dat “de boze” en “het kwaad” in deze wereld ons geen schade zullen kunnen en mogen toebrengen, zonder de wil van onze hemelse Vader en dat we steeds weer bij Hem moeten zijn om ons door Hem te laten verlossen van en uit deze machten – die we door onze zondeval en dagelijkse zonden macht over ons gegeven hebben en geven. En we belijden met deze bede ook, dat Hij het niet alleen kán doen, maar dat Hij het ook zeker wil en zal doen!

Zo leert en laat heel dit gebed, door het werk van de Heilige Geest in ons hart, ons beseffen en belijden, dat niets in deze schepping ons kan scheiden van de liefde van God, die hij ons geschonken heeft in Jezus Christus zijn Zoon, die ook mijn Redder en mijn God is! Amen.

31 Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32 Zal hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met hem niet alles schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. 35 Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? 36 Er staat geschreven: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37 Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad. 38 Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39 hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.
(
Uit Romeinen 8)

(1) Het is wel een goede gewoonte om voor te beginnen aan het lezen van Gods Woord, God eerst eerbiedig te danken voor zijn aan ons gegeven Woord.
(2) Tot de grootste zonden behoren juist ook die dingen die we nalaten, maar deze zonden beseffen we vaak het minst!

(3) 11 Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ (Uit Lukas 11)

Lees ook:
— Vasthouden aan het Woord het één en het al
— Voorbeelden van vrije gebeden

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Vasthouden aan Gods Woord het één en het al

25 Mijn ziel kleeft aan het stof, maak mij levend naar uw woord.
26 Mijn wegen heb ik verhaald en Gij hebt mij geantwoord, leer mij uw inzettingen.
27 Doe mij de weg uwer bevelen verstaan, opdat ik uw wonderen overdenke.
(Uit Psalm 119, NBG)

Meditatie

“Doe wel aan uw knecht, dan zal ik leven en uw woord onderhouden.” Ik vraag om leven, zoals de knecht aan zijn heer vraagt. Leven is een weldaad van God. Leven is niet het middel om het doel te bereiken, maar het is vervulling in zichzelf. God heeft ons geschapen opdat wij zouden leven. Hij verzoende en verloste ons opdat wij zouden leven. Hij wil geen ideeën laten triomferen over een veld dat bezaaid is met lijken. De ideeën zijn er omwille van het leven, niet het leven omwille van de ideeën. Als het leven zelf tot een idee wordt gemaakt, dan wordt het werkelijk geschapen en verloste leven eerder en meer vernietigd dan door een of ander idee. Het leven is Gods doel met ons. Wordt het een middel om het doel te bereiken, dan ontstaat er in het leven een tegenspraak, die het leven uiteindelijk tot een kwelling maakt. Dan wordt het doel, het goede in het hiernamaals gezocht, dat alleen maar gekocht kan worden door het leven (op aarde) te ontkennen. Dat is de situatie waarin wij ons bevinden, voordat wij het leven in God ontvangen en ons wordt geleerd deze situatie goed te noemen. Dan worden wij haters en verachters van het leven, en liefhebbers en aanbidders van ideeën.

Ik vraag God om de weldaad van het leven. Alleen het leven dat híj geeft is weldaad. Al het andere leven is kwelling. Alleen het leven uit God is doel en vervulling, is overwinning van de tegenspraak tussen ‘hoe het is’ en ‘hoe het zou moeten’. Leven is tijd van genade, dood is gericht. Daarom is het leven een goddelijke weldaad, omdat mij tijd gegeven is voor de genade van God. Zulk een tijd is voorhanden zolang het Woord van God bij mij is. Het vasthouden aan dit woord is het beamen van het leven van God. Gods Woord ligt niet in het hiernamaals, het vernedert het leven niet tot middel dat het doel dient, maar het beschermt het leven tegen het verval van de tegenspraak, de heerschappij der ideeën. Gods Woord is vervulling van het leven; er is geen ander doel. Daarom vraag ik God om de weldaad van het leven, dat mij is overkomen, zoals het leven van de knecht er is dankzij de heer. Vasthouden aan het Woord is het één en het al.

“Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe.” Ik moet de ogen van mijn zinnen sluiten als ik wil zien wat God mij toont. God maakt mij blind als hij mij zijn Woord wil laten zien. Blinden maakt hij ziende. Nu zie ik wat ik anders nooit zou hebben geweten, namelijk dat Gods wet vol wonderen is. Hoe zou ik de lange weg door deze Psalm mee kunnen gaan en er steeds opnieuw mee kunnen beginnen, hoe zou ik niet moe worden van deze onophoudelijke herhalingen, als God mij niet te kennen had gegeven, dat ieder van zijn woorden vol verborgen en ondoorgrondelijke wonderen is? Hoe zou ik dag in dag uit Gods Woord bewaren zonder mijn ogen open te houden om de heerlijkheid en diepgang van dit woord te zien? Gods wet moet voor mijn ogen zoiets zijn als een noodzakelijke en snel geleerde en begrepen levensregel, waarover niet al te veel meer te denken, te spreken of te verwonderen valt. Zolang ik met zulke ogen kijk, heb ik geen verlangen naar geopende ogen. Ben ik dan echter blind geworden, en heeft God mij in een donkere nacht geleid, zit ik in een duistere nood en schuld gevangen, zodat mijn natuurlijke ogen niet meer in staat zijn te kennen en te begrijpen; dán roep ik om Licht voor mijn ogen. Alleen de blinde roept om geopende ogen. Maar is dan degene die bidt in onze Psalm, die Gods Woord zo prijst, een blinde? Juist hij die een blik heeft geslagen op de wonderlijke wereld van de wet van God, weet hoe blind hij nog is en hoezeer hij geopende ogen nodig heeft om niet opnieuw in de duisternis terecht te komen. Het is een dagelijks gebed, als wij ’s morgens onze ogen opendoen en als wij ze s nachts weer sluiten, dat God verlichte ogen van het hart wil geven, die open staan als de dag onze natuurlijke ogen wil bedriegen en als de nacht ons boze dromen brengt. Geopende, verlichte ogen, die door de wonderen van de wet van God steeds vervuld zijn.

Wij moeten het net als de blinde Bartimeüs doen. Als hij hoort dat Jezus in Jericho hem voorbijgaat, laat hij zich door niets en niemand tot zwijgen brengen, maar schreeuwt hij net zo lang om hulp, totdat Jezus hem hoort. Op de vraag van Jezus: wat wilt gij dat ile u doen zal, antwoordt hij: rabboeni, dat ik ziende worde! (Marcus 10:51). Zó ontvangt hij genezing. Zoals de blinde van Betsaida (Marcus 8:22.) slechts geleidelijk en stap voor stap tot kennis en zien kwam, zo zullen ook onze ogen slechts langzaam geopend worden en steeds meer kennis verkrijgen.
Wie echter meent te zien, terwijl hij blind is, kan niet meer geholpen worden, maar hij zal in zijn blindheid omkomen (Johannes 9:40.). Het is een geschenk van de genade de eigen blindheid voor Gods Woord te erkennen en om geopende ogen te kunnen bidden.
Wie God de ogen voor zijn Woord geopend heeft, die ziet een wondere wereld. Wat mij tot nog toe dood scheen, is vol van leven. Alle tegenstrijdigheden lossen zich in een hoge eenheid op, de harde eis wordt een· genadig gebod.

Midden in het mensenwoord hoor ik Gods eeuwige Woord. In het vergankelijke leven leer ik de levende God kennen en zijn werken dienen mij tot heil. Gods barmhartige troost wordt mij tot een nieuwe claim, de ondraaglijke last een zacht juk. Het grote wonder in de wet van God is de openbaring van de Here Jezus Christus. Door hem ontvangt het woord leven, de tegenstrijdigheid eenheid, de openbaring enorme diepgang. Heer, open mij de ogen.

‘Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij.’ Toen Gods woord mij voor de eerste keer trof, maakte hij mij tot een vreemdeling op deze aarde. Hij plaatste mij in de lange rij van vaderen van het geloof, die als vreemdelingen in het land van belofte woonden (Hebreeën 11:9). Abraham gelooft in zijn roeping, die hem uit het vaderland naar het land van belofte leidt, en na de dood van Sara verwerft hij op hoge leeftijd ‘als vreemdeling en bijwoner’ in dit land een eigen grafstede (Genesis 23:4). Jakob belijdt voor het aangezicht van Farao dat zijn hele leven een pelgrimage is geweest, korter en kwader dan de pelgrimage van zijn vaderen Izaäk en Abraham (Genesis 47:9). Als het land Kanaan in bezit is gekomen van de kinderen van Israël, mogen zij toch niet vergeten dat ook zij vreemdelingen zijn geweest en nog zijn. Ze waren vreemdelingen in Egypte (Exodus 22:20) en zijn tot op deze dag Vreemdelingen en bijwoners’ in het land dat niet aan hen, maar aan God toebehoort (Leviticus 25:23). Op het hoogtepunt van zijn macht schaart David zich onder de vaderen: ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (1 Kronieken 29:15).

Ik ben een vreemdeling op aarde – daarmee belijd ik dat ik hier niet kan blijven, dat mijn tijd begrensd is… (Zie meer in “Vreemdeling en bijwoner op aarde“).

Bron: “Mijn ziel keert zich stil tot God – meditaties bij de Psalmen” (Dietrich Bonhoeffer)

Zie ook: Hoe hebben wij Gods Woord te ontvangen?

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wacht u voor teleurstellingen en ongeduld…

… ze zijn een bron van kwaad en een machtig middel in de hand van satan om ons doof te maken voor Gods Woord en om ons verlangen naar zegen te willen inwisselen voor voorspoed en succes in dit leven (zie als eerste voorbeeld Kaïn’s levensgang in Genesis 4).

Uit de geschiedenis leren we dat zelfs “de groten” in het werk voor het Koninkrijk van God (1) hierdoor “in de fout gingen”, hoeveel te meer zullen wij “eenvoudigen” in ons eigen leven (m.n. ouders in huwelijk en gezin) en dat van de gemeente (m.n. “kerk-leiders!“) er voor moeten waken, dat we het spoor  dat Gods Woord (“dé Weg”) ons wijst  niet verlaten om te kiezen voor het gaan op “de vele wegen naar – direct – voorspoed en succes” die “de wereld” ons kan aanprijzen (vaak met indrukwekkende aantoonbare resultaten, dat wel! – zie Psalm 37 en Psalm 73 bijvoorbeeld*) en die ook best begaanbaar lijken voor (de leden van) Christus’ gemeente op aarde .

* Deze Psalmen kunnen we echter ook alleen maar in en door het geloof goed lezen, begrijpen en toepassen – dat laatste is nog het moeilijkst!

Laat het volgende gebed voortdurend in onze geest en op onze lippen gebeden zijn (Psalm 25, OB): “Heere maak mij uwe wegen, door uw Woord én Geest bekend“

Hieronder een morgentoespraak van Dietrich Bonhoeffer gehouden op op 28 augustus 1934 tijdens de Oecumenische Conferentie in  Fanö (Denemarken) 

Bron: “Mijn ziel keert zich stil tot God – meditaties bij de Psalmen” (Dietrich Bonhoeffer)
Inleiding
Het jaar 1933 was een gevaarlijk jaar voor Bonhoeffer. Een paar dagen nadat Hitler aan de macht was gekomen, waarschuwde hij openlijk voor het ‘leiderschapsprincipe’ dat zo centraal stond in de nazi- doctrine. Kort hierop liet hij een document circuleren over ‘Het joodse probleem’ waarin hij de wijze waarop de Nazi’s in hun campagne tegen de joden gebruikmaakten van de denkbeelden van Maarten Luther, heftig kritiseerde. In hetzelfde jaar hielp hij mee een geloofsverklaring samen te stellen voor de Belijdende Kerk, waarin een scherpe aanval op de behandeling van de joden door de nazi’s te lezen stond. Later zou deze paragraaf niet geaccepteerd worden in de uiteindelijke versie van de Verklaring van Barmen. Bonhoeffer raakte daardoor teleurgesteld in de Belijdende Kerk.
Bonhoeffer was in Engeland toen de eerste synode van de Belijdende Kerk in het Duitse Barmen werd gehouden, aan het einde van mei 1934. Hij volgde deze synode nauwgezet en wist ook de bisschop van Chichester te interesseren voor het belang van deze synode voor het Britse volk, The House of Lords en The Times.
In augustus woonde hij in Denemarken een bijeenkomst van de Wereldbond bij. Hij was uitgenodigd te spreken. Als thema voor zijn lezing koos hij voor: ‘De Kerk en de wereld der volkeren.’ Hij sprak in het Engels en baseerde zijn boodschap op Psalm 85, met name vers 9: ‘Ik wil horen wat God, de Here, spreekt; want Hij zal van vrede spreken tot zijn volk en tot zijn gunstgenoten.’

Uit Psalm 85 
9 Ik wil horen wat God, de HERE, spreekt: want Hij zal van vrede spreken
tot zijn volk en tot zijn gunstgenoten; maar laten zij niet terugkeren tot dwaasheid (2).

Preek
Tussen de twee klippen van het nationalisme en het internationalisme roept de oecumenische christenheid haar Heer aan en vraagt hem om leiding. Nationalisme en internationalisme zijn vragen van politieke noodzakelijkheden en mogelijkheden. De oecumenische kerk houdt zich niet bezig met deze dingen, echter wel met de geboden van God. En wat de consequenties ook zijn, zij betrekt deze geboden op de wereld.
Onze theologische taak bestaat dan ook hierin deze geboden als bindend te accepteren, en niet als een open vraag om over te discussiëren. ‘Vrede op aarde’ is geen probleem, maar een gebod, dat met Christus’ geboorte is gegeven. Er zijn twee manieren om te reageren op dit gebod van God: met de onvoorwaardelijke, blinde gehoorzaamheid, of met de schijnheilige vraag van de slang: ‘God heeft zeker wel gezegd…’(Genesis 3:1). Deze vraag is de dodelijke vijand van gehoorzaamheid, en daarom de dodelijke vijand van iedere echte vrede. Heeft God de menselijke natuur niet goed genoeg begrepen om te weten dat oorlogen nu eenmaal plaatsvinden in deze wereld, zoals de wetten der natuur? Bedoelde God soms dat wij over vrede zouden spreken, maar dat dit niet betekent dat er letterlijk daden aan verbonden zijn? Heeft God soms echt gezegd dat we moeten werken voor de vrede, maar tegelijkertijd tanks en gifgas moeten fabriceren voor onze veiligheid? En dan misschien wel de ernstigste vraag: heeft God soms gezegd dat wij ons eigen volk niet mogen beschermen? Heeft God gezegd dat je een prooi voor de vijand moet zijn? Nee, God
heeft dat níet gezegd. Wat hij wél heeft gezegd is dat er vrede onder elkaar moet zijn, dat wij hem moeten gehoorzamen zonder vragen te stellen. Dat is wat hij bedoelt, Hij die het gebod van God in twijfel trekt vóór het te hebben gehoorzaamd, heeft hem al ontkend.
Er zal vrede zijn vanwege de kerk van Christus, waardoor de wereld nog bestaat. En deze kerk van Christus leeft te allen tijde in alle volken, en overstijgt alle grenzen, zowel nationaal als politiek, sociaal of raciaal. En de broeders van deze kerk zijn door het gebod van de Heer Christus, waarnaar zij horen, sterker verbonden met elkaar dan alle banden van de geschiedenis, het bloed, de klasse of de taal. Al deze bindingen, die een deel zijn van onze wereld, zijn geldige bindingen, beslist niet onbelangrijk. Maar in de tegenwoordigheid van Christus zijn ze ook niet definitief. Voor de leden van de oecumenische kerk, voor zover ze vasthouden aan Christus!, is zijn Woord, zijn gebod van vrede heiliger, onverbrekelijker dan de meest heilige woorden en werken van de natuurlijke wereld. Want zij weten dat wie niet haat zijn vader en moeder om zijnentwil, hem niet waardig is, en liegt als hij zichzelf christen noemt.
Deze broeders in Christus gehoorzamen zijn Woord; zij betwijfelen het niet, maar houden zich aan zijn gebod van vrede. Zij schamen zich er niet voor zelfs te spreken van een eeuwige vrede, wat de wereld er ook van denkt. Ze kunnen de wapens niet opnemen tegen Christus zelf – en toch doen ze dat als ze de wapens opnemen tegen elkaar! Zelfs in de angst en de benauwdheid van het geweten is er geen uitvlucht voor het gebod van Christus dat er vréde zal zijn.
Hoe komt die vrede er? Door een systeem van politieke verdragen? Door investeringen van internationaal kapitaal in verschillende landen? Door grote banken, door geld? Of door een universele, vreedzame herbewapening die vrede garandeert? Door geen van alle, om de eenvoudige reden dat in alle opties vrede wordt verward met veiligheid. Vrede zal nooit bereikt worden als alles draait om veiligheid. Want vrede moet gewáágd worden. Het is een groot waagstuk. Het kan nooit veilig gemaakt worden. Vrede is het tegenovergestelde van veiligheid. Garanties geven is hetzelfde als wantrouwen, en dit wantrouwen brengt oorlog voort. Het eisen van garanties is hetzelfde als jezelf beschermen. Vrede betekent jezelf overgeven aan de wet van God, dat je geen veiligheid wilt, maar dat je in geloof en gehoorzaamheid het lot van de naties in de handen van de almachtige God legt, en niet egoïstisch over ze wilt beschikken. Oorlogen zijn gewonnen, niet met wapens, maar met Gód. Zij zijn gewonnen omdat de weg leidde naar het kruis. Wie van ons kan zeggen wat het zou kunnen betekenen voor de wereld als één natie de agressor tegemoet treedt, niet met wapens in de hand, maar biddend, weerloos en juist daarom beschermd door ‘een wal die ’t kwaad zal keren’?  (3)
Nog een keer: hoe komt er vrede? Wie roept ons op tot vrede zodat de wereld zal horen, zal móeten horen, opdat alle volkeren zullen jubelen? De individuele christen kan dat niet. Als iedereen zijn mond houdt, kan hij natuurlijk best zijn stem verheffen en getuigen, maar de machten van deze wereld walsen over hem heen, zonder een woord te zeggen. De afzonderlijke kerk kan eveneens getuigen en lijden – ach, als ze dat eens zou doen! – maar ook zij wordt verstikt  door de machten van de haat. Alleen het grote oecumenische concilie van de heilige Kerk van Christus over de hele wereld kan zo spreken zodat de wereld, tandenknarsend, zal luisteren, zodat de volken zullen jubelen omdat de Kerk van
Christus de wapens, in de naam van Christus, uit de handen van haar zonen heeft genomen, en hun de oorlog heeft verboden en de vrede van Christus heeft uitgeroepen over een op drift geraakte wereld.
Waarom zijn we bang voor de razernij van de wereldmachten? Waarom nemen we de macht niet van hen over en geven die terug aan Christus? We kunnen het vandaag nog steeds doen. We zijn toch bij elkaar op deze oecumenische conferentie? We kunnen naar al onze gelovigen een radicale oproep van vrede doen uitgaan (4). De naties wachten hierop in het Oosten en in het Westen. Moeten we ons te schande maken bij niet-christenen in het Oosten? Zullen we van die mensen deserteren, die hun levens op het spel zetten voor deze boodschap? Het is twee voor twaalf. De wereld stikt van de wapens, en de wanhoop in de ogen van alle mensen is vreselijk om te zien. De trompetten van de oorlog kunnen morgen al blazen. Waar wachten we nog op? Willen we zelf medeschuldig worden als nooit tevoren? Claudius zei:

Wat zou mij helpen
kroon en land en goud en eer
die ik niet begeer.
Het is oorlog, helaas,
daaraan niet schuldig te zijn
is wat ik verlang! (5)

Wij willen de wereld een heel woord geven, niet een half – een moedig woord, een christelijk woord. En we bidden dat dit woord vandaag aan ons mag worden gegeven. Want wie zal het zeggen of we elkaar volgend jaar nog wel zullen zien?

Persoonlijke notitie(s) – AJ
Wat hebben wij christenen in de jaren voor WO II in Dietrich Bonhoeffer een groot Bijbelleraar en Profeet gehad, die de christenen nog heeft mogen onderwijzen uit Gods Woord, zoals de Kerk dat heeft leren belijden, m.n. ook in de tijd van de Reformatie. Hij heeft ernstig mogen en kunnen en willen waarschuwen voor wat er zich aan het ontwikkelen was in Hitler Duitsland en in de toenmalige wereld. Toch zijn zijn woorden en het Woord dat hij verkondigde niet werkelijk tot de christenheid van die dagen doorgedrongen. De “doofheid” voor het Woord bij de meesten van zijn eigen christen-broeders en later ook het enorme succes van Hitler door zijn overwinning op Frankrijk en de geallieerden, hebben in het leven en werk van Dietrich Bonhoeffer tot een crisis geleid. Het leidde bij hem tot de opvatting, dat de “oude weg” en de “oude taal” van het Woord en het “oude belijden” van de Kerk verlaten moesten worden en dat er nieuwe wegen gevonden moesten worden om het kwaad van de “huidige wereld” (m.n. in het Duitsland van die tijd) nog te keren en dat de “huidige/toekomstige mensheid” alleen nog bereikt kon worden door daden-stellende christenen, die zich bezig wilden gaan houden met het ontwikkelen, aanleren en spreken van “een nieuwe taal” die de mensheid weer begrijpen kon. Deze gedachten heeft hij in de oorlogsjaren in een eerste aanzet proberen uit te werken in de concept-hoofdstukken van/voor zijn “Ethik” en in correspondentie met zijn zwager.
Maar zijn leven en denken krijgt een wending door zijn gevangenschap en vooral doordat hij daar gaat inzien, dat hij misschien wel geen verhoring zal krijgen op zijn wens en gebed om in een bevrijd Duitsland te mogen leven en werken aan een nieuwe toekomst voor de christenen en kerken in Duitsland en de wereld…
Niet grote theologen zoals bijvoorbeeld een Bonhoeffer of een Barth krijgen in de jaren na WO II, waarin veel mensen de gevolgen van de oorlog nog letterlijk “aan den lijve” ondervinden en velen oorlogstrauma’s  moeten verwerken, wereldwijd een rol van betekenis om de mensen het Woord van God te brengen met woorden en daden. Wel mag Corrie ten Boom wereldwijd gaan werken en mensen  “het oude Evangelie van het kruis en schuldvergeving” tot in de oren brengen en via haar inzet wil God het bij velen ook tot in het hart brengen…
Dat kunnen we toch niet als toeval beschouwen?! Corrie ten Boom, een “eenvoudige vrouw”, die het “op haar levensweg a.h.w. opgelegd krijgt” – vanwege haar familie en voorgeslacht en geschikte woonruimte – om voor en in Wereldoorlog II  – zonder geweldpleging (!) – veel bij te mogen en kunnen dragen aan het redden van Joden en het ondergaan van hetzelfde lijden als de Joden in gevangenis en concentratiekampen. Een vrouw uit een familie die bereid was om daar eigen leven voor te riskeren, en die, na het omkomen van haar vader in de gevangenis en bij het ondergaan van het lijden in het concentratie-kamp, met steun van haar zus(!), de goede belijdenis niet heeft willen opgeven, maar is blijven vertrouwen op het Woord, dat haar via haar voorgeslacht was aangereikt en dat haar in en door het belijden van de Kerk én in de kerk was en werd verkondigd en daar óók nog met en door daden en woorden van haar (christen-)broeders en zusters was en werd voorgehouden.

(1) Zie bijvoorbeeld Luther’s verwerking van teleurstellingen en “Vrijzinnigheid” van Bonhoeffer? (Concept)
(2) Wat is God West-Europa en de christenen genadig geweest door een bevrijding te bewerkstelligen, die we met recht een Gods-wonder mogen noemen. Maar zijn we hier in West Europa – de kerken en wij christenen incluis – inmiddels niet toch wéér “terug gekeerd tot dwaasheid” (Psalm 85)?!
(3) Verwijzing naar Gezang 401:1 ‘Een vaste burcht is onze God’ (Luther).
(4) Ondanks zijn profetische blik op wat er in Duitsland en de wereld – ook onder christenen en dus in de kerken – zich aan het ontwikkelen was, wilde hij toch ook nog (te) hoge verwachtingen hebben van wat nog bereikt kon worden via de oecumene van christenen en kerken in de wereld (toentertijd “de Wereldbond”, na de oorlog “de Wereldraad van Kerken). Maar wat via de oecumenische beweging te bereiken viel bleek ook teleurstellend. We horen in zijn woorden hier vooral oproep tot actie en geen oproep tot in de eerste plaats verootmoediging, schuld belijden en bekering zoals we die bij de Bijbelse profeten wel steeds vinden. We vinden dat laatste later wel meer in zijn meditaties en preken (bijvoorbeeld in zijn meditatie over Psalm 58 in 1937)
(5) Matthias Claudius (1740-1815) was theoloog en jurist en werd later een gevierd schrijver en dichter. Gezang 391 is van hem. Het bovengenoemde gedicht is te vinden in: J. Henkys, Bonhoeffers Gefängnisgedichte. Beiträge zu ihrer Interpretation, München 1986, p. 15.
Geplaatst in Diversen, Geschiedenis | Plaats een reactie

The Passion: Spektakel rond een kruis

… niet alleen het oordelend woord is de discipel verboden, maar ook het verkondigende heilswoord van de vergeving aan de ander heeft zijn grens. De discipel van Jezus heeft geen macht en recht dit een ieder te allen tijde op te dringen. Al het dringen, nalopen, proselieten maken, elke poging met eigen macht iets aan de ander te doen, is vergeefs en gevaarlijk. Vergeefs – want de zwijnen hebben geen begrip voor de parels die men hun voor gooit; gevaarlijk – want zo wordt niet alleen het woord van de vergeving ontheiligd, niet alleen wordt hier de ander, die ik wil dienen, tot een die zich vergrijpt aan het heiligdom gemaakt, maar ook de predikende discipelen komen in het gevaar zonder noodzaak en zonder nut schade te lijden door de blinde woede van de verstokten en verblinden. Het te grabbel gooien van de goedkope genade verveelt de wereld. Zo keert ze zich ten slotte met geweld tegen degenen die haar willen opdrin­gen wat ze niet begeert. Dat betekent voor de discipelen een ernstige beperking van hun werkzaamheid, die overeenkomt met de op­dracht van Mattheüs 10, om het stof van de voeten te schudden, waar het woord van de vrede niet wordt gehoord. De jagende onrust van de discipelschaar, die geen grenzen van haar werkzaamheid wil ken­nen, de ijver die de weerstand niet acht, verwisselt het woord van het evangelie met een zegevierende idee. De idee eist fanatici die geen weerstand kennen en achten. De idee is sterk. Het woord van God is echter zo zwak, dat het zich door mensen laat verachten en verwer­pen. Voor het woord bestaan verstokte harten en gesloten deuren, en het woord erkent de weerstand waarop het stoot, en duldt die. Het is een hard inzicht: voor de idee bestaat er niets onmogelijks, maar voor het evangelie zijn er onmogelijkheden. Het woord is zwakker dan de idee. Zo zijn ook de getuigen van het woord met dat woord zwakker dan de propagandisten van een idee. Maar in deze zwakheid zijn ze vrij van de zieke onrust van de fanatici, ze lijden immers met het woord. De discipelen kunnen ook wijken, kunnen ook vluchten, wanneer ze maar met het woord wijken en vluchten, wanneer maar hun zwakheid de zwakheid van het woord zelf is, wanneer ze maar het woord niet in de steek laten op hun vlucht. Ze zijn immers niets dan dienaren en werktuigen van het woord en willen niet sterk zijn, waar het woord zwak wil zijn. Zouden ze onder alle omstandigheden en met alle middelen de wereld het woord willen opdwingen, dan zouden zij uit het levende woord van God een idee maken en de wereld zal zich terecht te weer stellen tegen een idee die haar niet kan helpen. Maar juist als de zwakke getuigen horen ze tot degenen die niet wijken, maar blijven – weliswaar alleen daar waar het Woord is. De discipelen, die van deze zwakheid van het woord niets weten, zouden het geheim van de kleinheid van God niet hebben ingezien. Dit zwakke woord, dat de tegenspraak van de zondaren duldt, is alleen het sterke, barmhartige woord, dat zondaren bekeert vanaf de grond van hun hart. Zijn kracht is verborgen in zwakheid; zou het woord in ongehulde kracht komen, dan was de dag des oordeels aangebroken. Het is een grote taak die de discipelen gesteld is, om de grenzen van hun opdracht te kennen. Het misbruikte woord zal zich echter tegen hen keren.

Wat moeten de discipelen doen ten aanzien van de gesloten harten? Daar waar de toegang tot de ander niet lukt? Zij moeten inzien, dat ze op geen manier recht of macht over de anderen bezitten, dat ze ook geen directe toegang tot hen hebben, zodat hun alleen de weg blijft tot Hem, in wiens hand zij zelf zijn, zoals ook die anderen. Daarvan spreekt het volgende. De discipelen worden tot het gebed gebracht. Er wordt hun gezegd, dat geen andere weg tot de naaste leidt dan het gebed tot God. Oordeel en vergeving blijven in Gods hand. Hij sluit en ontsluit. De discipelen moeten echter bidden, zoeken, aankloppen, dan zal Hij hen verhoren. Dat moeten de discipelen weten, dat hun zorg en onrust om de anderen hen tot het gebed moet brengen. De belofte die hun gebed geschonken is, is de grootste macht die ze hebben.

Bron: Navolging van Dietrich Bonhoeffer

Persoonlijke opmerkingen -AJ:
God liet en laat zich niet verkondigen met en door spektakel, hoe godsdienstig of zelfs bijbels dit alles zich ook mag voordoen. Niet het spektakel van de kruisiging, niet de verschijningen en verschijnselen en geruchten bij en na de opstanding, en ook niet de vuurvlammen op de hoofden van de apostelen, maar op de verkondiging van Gods Woord, door o.a. Petrus, waarbij hij de mensen opriep tot bekering en durfde zeggen “laat u behouden uit dit verkeerd geslacht”, werden er mensen in hun hart getroffen en kwamen er velen in Jeruzalem tot bekering.

Bij al het spektakel en gebeuren rondom het kruis van The Passion zou je haast gaan denken: Was Mozes bij het spektakel rondom het gouden kalf maar (rustig) de Tien Woorden gaan voorlezen voor het volk in plaats van ter plekke de tafels aan stukken te gooien… Dan waren er vast veel bewonderaars van het gouden kalf best bereid geweest om te komen luisteren… Het ging tenslotte toch allemaal om de God, die Israel uit Egypte bevrijd had… Dan had het samen vrolijk feestvieren ook gewoon door kunnen gaan… Dan had het op die dag ook nog eens de dood van zo’n drieduizend volksgenoten gescheeld…

Overigens, de gewone verkondiging van Gods Woord in de kerken en gemeenten (ook rondom Pasen, wat we wél kunnen en behoren te blijven doen) is voor ons geen garantie voor resultaat en de zegen of het succes ervan is niet meetbaar te maken. Maar het geloof aanvaard wel dat dit toch De Weg is… Jezus zag de mensen in grote getale Hem de rug toe keren na zijn woordverkondiging (Johanes 6).  Zouden wij Hem (en Mozes) met onze huidige kennis van marketing en communicatie een andere aanpak en andere woorden kunnen en durven aanraden…?

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Wanneer het er op aan komt in het leven…

Dan moeten we goed luisteren…

Wanneer je met kinderen in een gevaarlijke situatie terecht komt en je beseft dat zij niet goed weten en beseffen welke gevaren hen bedreigen en hoe ze zich onder de gegeven of snel wijzigende omstandigheden moeten gedragen, dan wil je natuurlijk dat ze goed naar je luisteren.
Dan geef je ze instructies en dan wil je dat ze allemaal goed opletten en dat geen van hen voor zich uit gaat zitten staren en fantaseren hoe hij zichzelf wel zal redden als het er op aan komt. Want als er één zich aan het luisteren onttrekt, dan brengt hij allen in gevaar. En je zegt ook voor je weer verder gaat: we gaan nu verder, maar jullie moeten ook onderweg steeds heel goed luisteren naar wat ik zeg en de aanwijzingen die ik geef precies opvolgen, dan zullen we er met z’n allen doorheen komen en missen we straks niemand.

Zo was het ook met Gods volk in de woestijn. Wilde het volk in het beloofde land komen en wilde het als volk blijven voortgaan en voortbestaan in de woestijn én in het beloofde land, dan zouden ze heel goed moeten luisteren. En God communiceert met mensen door te spreken. God wil menselijk gekend worden. Niet Goddelijk! Wij dragen menselijke verantwoordelijkheid en geen goddelijke verantwoordelijkheid.  Wij kennen God de Vader door Christus, die mens geworden is (Joh. 1 : 18).
Maar wij mensen – ook Gods volk, dus ook in de kerken – gaan daarmee steeds de fout in. We willen niet goed luisteren, maar zelf bedenken en fantaseren over wie God is en hoe Hij zou moeten zijn en hoe het beste bij ons anderen overkomt. En dat beeld dat we onszelf van God maken en toestaan in ons leven, dat willen we vereren en zo’n God willen we wel een rol geven in ons leven en anderen aanbevelen (Zie bijv. Exodus 32 en Jeremia 23).

God wil in deze tijd dat we naar Hem luisteren door iedere dag eerbiedig in zijn Woord te lezen en daarna eerbiedig te bidden om de leiding van zijn Heilige Geest om dat Woord ook te mogen verstaan en om het te begrijpen. Om te weten hoe we die betreffende dag zullen liefhebben, de ander recht doen en vergeven én strijden tegen het kwaad in ons leven. Zo’n gebed begint dan ook als regel met het “Onze Vader”, waarbij we heel eerbiedig elke bede uitspreken om te overdenken en beseffen wat deze bede te betekenen heeft voor de praktijk van die betreffende dag van ons leven. Wanneer we bidden om ons dagelijks brood, dan bidden we daarmee toch elke dag in de eerste plaats om Jezus Christus, die het ware hemelse Brood is. En in dat dagelijks gebed bidden we dan ook om onze verlossing van de boze. Dan bidden we dit ook voor onze kinderen en kleinkinderen, voor onze broeders en zusters en voor verlossing van iedereen. Wat een zegen zal het voor kinderen en hun ouders en familie en voor heel de samenleving zijn als ook deze bede weer algemeen wordt in ons land. Maar hoeveel mensen  bidden dit gebed en/of deze bedes nog dagelijks met voldoende tijd en eerbied en besef van wat hiermee gebeden wordt?!

Het “Onze Vader” gebed

Onze Vader, die in de hemelen zijt;
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want van u is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Amen.

God vraagt voor de dagelijks praktijk van ons leven geen diepzinnige kennis van zijn Woord of het werken met grootschalige of kleinschalige visies op wat hij gezegd heeft of welke plannen Hij heeft met ons of met de kerken of gemeenten, met Israël of met de wereld, maar Hij wil dat we in ons dagelijks leven in de omgang met Hem – dat is dus gewoon dagelijks eerbiedig de Bijbel (door)lezen en de tijd nemen voor gebed –  Hem zullen vertrouwen. Vertrouwen dat Hij ons die dag leiden zal en wijsheid geven voor de keuzes en beslissingen van die dag. Dat gewone leven met die “gewone omgang” met Hem en het vertrouwen op Hem, dat mogen en behoren we te noemen “Gods verborgen omgang” die gevonden wordt door “zielen(=mensenkinderen) waar zijn vrees in woont” (Psalm 25 berijmd). (Zie ook: preekcitaat van Maarten Luther: Leven als pelgrims…)

Psalm 25 – Bede om vergiffenis en verlossing

1 Van David.

Naar u, HEER, gaat mijn verlangen uit,
2 mijn God, op u vertrouw ik, maak mij niet te schande,
laat mijn vijanden niet triomferen.
3 Zij die op u hopen worden niet beschaamd,
beschaamd worden zij die u achteloos verraden.

4 Maak mij, HEER, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.
5 Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want u bent de God die mij redt,
op u blijf ik hopen, elke dag weer.

6 Denk aan uw barmhartigheid, HEER,
aan uw liefde door de eeuwen heen.
7 Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd,
maar denk met liefde aan mij
en laat uw goedheid spreken, HEER.

8 Goed en rechtvaardig is de HEER:
hij wijst zondaars de weg,
9 wie nederig zijn leidt hij in het rechte spoor,
hij leert hun zijn paden te gaan.
10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER
voor wie de wetten van zijn verbond onderhouden.

11 Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld,
omwille van uw naam.

12 Aan wie in ontzag voor hem leven,
leert de HEER de rechte weg te kiezen.
13 Hun leven verloopt in voorspoed
en hun kinderen zullen het land bezitten.
14 De HEER is een vriend van wie hem vrezen,
hij maakt hen vertrouwd met zijn verbond.

15 Ik houd mijn oog gericht op de HEER,
hij bevrijdt mijn voeten uit het net.
16 Keer u tot mij en wees mij genadig,
ik ben alleen en ellendig.
17 Mijn hart is vol van angst,
bevrijd mij uit mijn benauwenis.

18 Zie mij in mijn nood, in mijn ellende,
vergeef mij al mijn zonden.
19 Zie met hoe velen mijn vijanden zijn,
hoe ze mij dodelijk haten.

20 Behoed mij en bevrijd mij,
maak mij niet te schande, want ik schuil bij u.
21 Onschuld en oprechtheid mogen mij bewaren,
op u is mijn hoop gevestigd.

22 God, verlos Israël,
verlos het van al zijn angsten.

Uit: NBG-vertaling 1951
© 1951 Nederlands Bijbelgenootschap
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Wie is eigenaar van de kinderen in Christus gemeente? De Waarheid of de leugen(aar)?

” 14 Dit schrijf ik u, hoewel ik vrij spoedig tot u hoop te komen. 15 Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid“ ( 1 Tim. 3 : 14-15)

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus!

Wat was dàt een prachtig begin van onze Catechismus, van ons zondagavond leerboek, waar we verleden week over spraken, nietwaar? Over der Christenen enige tróóst. We zagen: die bestond, en bestààt, hierin, dat ze niet van zichzelf zijn, maar dat ze van Iemand anders zijn. Dat Jezus Christus Zijn hand op hen gelegd heeft, en Z’n stempel op hun voorhoofd gezet, en daarmee gezegd heeft: “Van Míj! Dit mensenkind behoort Míj!”. We kunnen het ons indenken hoe zúlke taal onze arme vervolgde voorouders uit het jaar 1563 en daarna zal hebben toegesproken! ’t Kwam erop ààn! ’t Leven was angstig, de brandstapels róókten! Toen verscheen er juist een boekje dat begon met de vraag: “Wat is uw enige troost in leven en in sterven…?”, en dat verder ging met het antwoord: “Dat ik, hélemaal, met lichaam en ziel, àltijd, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus’ eigen, eigendom ben”. Iedereen, die tóén bij de Schrift leefde, herkende er onmiddellijk de stem in van Paulus, van Petrus, en van de andere apostelen; die hadden zo óók al gesproken! Ik heb u daar verleden week een paar staaltjes van laten zien. Om er nog even één te herhalen, waar vooral vraag en antwoord 1 op rust: uit Romeinen 14, weet u nog? “… Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here” Paulus bedoelt daar: het is voor de Here Jezus, het is voor de Héér, Jezus “… en als we sterven: het is voor de Héér, onze Eigenaar, onze Kúrios, de Heer. Hetzij we dan leven, hetzij we sterven, we zijn van de Here. Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden Hij heeft het verdiend! opdat Hij èn over doden, èn over levenden héérschappij zou voeren, Kúrios zou zijn.

Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder…?” Ja, want weet u het nog? ’t Was eigenlijk een heel practische aangelegenheid toen! De apostel had de Christenen te Rome tevoren immers gewaarschuwd om niet hun handen aan mekaar te branden: bij ’t ruzie maken! Want dàt zat er eigenlijk achter! Dàt is de historische achtergrond van dat mooie stuk! Want Chrístenen waren gekóchten! Waren bezíttingen! Waren slàven van Christus! Dus: handen àf van eigendommen van Menéér Christus, van de Héér, de Kurios, de Eigenaar Christus! Van mensen die vallen onder Zíjn jurisdictie, over wie Híj, Híj alle rechten heeft. Alle rechten, zelfs over hun kinderen, net als vroeger jaren op de plantages: slaven waren van de eigenaar, en de kinderen die ze kregen, óók! Zó, dàt is de achtergrond van Romeinen 14. Ook op de kínderen van Z’n gekochten heeft de Koning, de Kurios, de Eigenaar, Jezus, Z’n hand gelegd en gezegd: “Die zijn van Mij! Apart! Voor Míj! Geheiligd! Heilig gemaakt! Voor Míj!!”. (1 Korinte 7:14).

Zo begón ze, die belijdenis voor oud en jong. Ja, ook voor jóng! En we hebben toen ook gezien op welke manier onze voorouders zichzelf, èn hun kinderen, ín dat geloof, ín die belijdenis hebben zoeken te bevestigen. Eenvoudig: door middel van onderwijs, onderwíjzing, dóór onderwijzing! Ook weer zo echt schriftuurlijk! Want hoe vaak staat dat nou ook niet in de bijbel: dat het ons maar niet ààn komt waaien, maar dat een mens moet beginnen te onderwijzen de liefsten die je hebt in de wereld, en dat zijn: je kínderen! Dat ouders hun kinderen die vreze des Heren moeten léren! Hoort u Mózes daarover alreeds in Deuteronomium 6: “…Wat ik u heden gebied zal op de tàfel van uw hart geschreven zijn…”; “hart” is in de Bijbel vaak een woord voor “geheugen”, “memorie” ; “…zal bij uzèlf, de ouderen, in het memorieboek geschreven zijn…”. Maar dan gaat Mozes zó verder: “Ge zult het uw kinderen inprenten en erover spreken…” en dan moet u denken aan een Palestijnse woning, waar je overdag en ’s nachts altijd bij elkaar bent; ze slapen met de voeten naar elkaar toe, oud en jong “… en daarover spreken wanneer ge in uw huis zit, en wanneer ge onderweg zijt, en wanneer u neerligt…”. Met elkaar: vader en moeder en de kinderen “… en wanneer u opstaat…”: over de Hére praten! Over Jahweh, de God van Israël, de Bezítter! Daar begon Mózes al mee!

Nu, díé wenk, om te onderwijzen, die hebben onze voorouders ter harte genomen, doordat ze hun mooie troostrijke leerboekje zó hebben ingericht: na de inleiding hebben ze laten volgen drie hoofdstukken, naar de oude regel: “qui bene distinguit bene docet”: wie goed onderscheidt, distincties weet te maken, die geeft goed les. Hèlder zijn, da’s een eerste vereiste van lesgeven! Nu, toen kwamen de drie hoofd¬stukken. Uit het eerste hoofd-stuk was te leren hoe groot de zonde en de ellende waren van die Christenen over wie het ging in vraag en antwoord 1: de zonde en ellende. Het tweede hoofd¬stuk, daar was uit te leren hoe ze van al hun zonden en ellende verlost werden, en uit het derde hoofd-stuk was te leren hoe ze, die Christenen van vraag en antwoord 1, hoe ze, van zulke ellende verlost, God de dank ervoor zouden brengen.

(…)

Uit een preek van ds. C. Vonk (ƚ 1993) over Zondag 2 van de Heidelbergse Catechismus.
Lees de hele preek: Ds Cvonk HC Zondag 02
Ds. C. Vonk preekte over de Heidelbergse Catechismus 40 jaar lang, tot 1973. In 1950 begon hij de serie De Voorzeide Leer met een verklaring van de catechismus. Na zijn emeritaat schreef hij een herziene en verkorte uitgave. Deze wordt nu voor het eerst beschikbaar gesteld en is als nieuwe uitgave te bestellen bij Uitgeverij Buijten en Schipperheijn.
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Iets over de actualiteit van Maarten Luther voor hedendaagse Christenen…

“Echte feestdagen zijn Gods werken doen: Het Woord horen, bidden en de naaste weldoen.” (Maarten Luther)
Citaten uit “Luther en de Reformatie: Antwoord op een geestelijke strijd [3] – Het schijnproces in Worms” (bron: Protestants Nederland, 81e jaargang, no. 1, januari 2015)

Eerste dag in Worms… (AJ):

Hij (Maarten Luther – AJ)was zichtbaar overrompeld toen de prelaat Johann von der Ecken, die namens de keizer het woord voerde, alleen vroeg of de op de tafel liggende werken van hem stamden, en, zo ja, deze zonder omhaal te herroepen.

Luther erkende de eerste vraag maar beschouwde zich niet in staat om de andere vraag direct te beantwoorden. Het betrof immers Gods Woord, “het allerhoogste in hemel en op aarde”, en hij wilde niet in gevaar komen om in het oordeel van Christus te vallen, Die Zich immers zal schamen in de hemel die zich voor Hem schaamt op aarde.

Tweede dag in Worms…(AJ):

Luther zei dat hij alle consequenties van zijn leer overwogen heeft, de crises, gevaren, harstochten en onenigheden, maar zei Jezus niet dat Hij niet op de aarde gekomen was om vrede te brengen, maar het zwaard? Von der Ecken verklaarde dat er geen discussie mogelijk was over leerstukken die sinds lang door de concilies waren vastgelegd en die Luther maar had te geloven.
Nogmaals stelde hij de vraag: “Antwoord eerlijk en oprecht zonder uitvluchten: wilt u uw boeken en alle dwalingen die ze bevatten herroepen, ja of neen?” Luther reageerde dat hij noch de paus noch de concilies geloofde omdat zij aantoonbaar gedwaald en in tegenspraak met zichzelf geweest waren. Alleen door het getuigenis van de Schrift en op duidelijke gronden zou hij zich laten overtuigen.
In een eenzame beslissingsstrijd had hij een laatste zekerheid gevonden, aldus Schilling. Zo lang zijn geweten door het Woord van God gevangen is, kon en wilde hij niets herroepen, omdat het de zaligheid van de mens bedreigt wanneer hij tegen het geweten handelt. “Gott helf mir! Amen”, waren zijn befaamde woorden aan het eind van zijn rede.

(…)

Elke christen stond in een directe verhouding tot God, was niet aan een kerkelijke hiërarchie verantwoording schuldig, maar aan zijn eigen geweten. Terwijl het geestelijk onzekere volk zich tevreden moest houden met een ‘lege sacrale routine’ of in ‘irrationale praktijken’ van een ‘volksreligie’ vluchtte, verleende Luther de religie nieuwe legitimiteit en ervaarbaarheid door de radicale wending naar de persoonlijke God (“De Levende God, die dagelijks tot ons spreekt in en door zijn Woord, de Bijbel”- AJ) , Die iedereen zonder middelaar (kerkelijke middelaar – AJ) en zonder rituele praktijken door Zijn genade nabij is. “God werd weer realiteit- in de zielen van de mensen en in hun alledaagse handelen in de wereld.”

(…)

Luther dacht en handelde als een “mens tussen God en duivel”, een typering van Heiko Oberman. Luther wilde door terugkeer naar de oorspronkelijke evangelische waarheid een nieuwe tijd voor het geloof tevoorschijn roepen

Al staat Luthers Godsbeeld en geloofsleven haaks op dat van de moderne protestant, dat neemt niet weg dat hij de Westerse cultuur in belangrijke mate heeft gestempeld. We zien hoe Luther ongelooflijk actueel is in het brede palet van de kerkgeschiedenis. Persoonlijk geraakt door een hevige religieuze crisis was hij de vertolker van een genadeleer die water op de dorstigen was in zijn tijd. Zijn theologie heeft door de eeuwen heen aangevochten en geknechte zielen aangesproken.
Zijn proces onthult een schrijnend gebrek aan invoelingsvermogen en begrip bij zijn tegenstanders. We hopen dat Schillings werk in rooms-katholieke kringen mag bijdragen aan een rehabilitatie van Luther. Want het proces tegen hem moet feitelijk nog worden gevoerd.

Mede n.a.v. Heinz Schilling, Martin Luther. Rebell in einer Zeit des Umbruchs; Verlag C. H. Beck, München 2012; 720 blz.; € 30,80.
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Zingt een nieuw lied!

Hoe te zingen met elkaar in de (huis)gemeente van God?

Zingt een nieuw lied voor God de Heer,
want Hij heeft wonderen gedaan…

Bron en Audio: Zie onderaan.

Bij het Psalmgebed en bij het Bijbellezen komt het gemeenschappelijk lied en daarin de prijzende, dankende, biddende stem van de kerk.
‘Zingt de Heer een nieuw lied’, roept het Boek van de Psalmen ons steeds weer toe. Het is het elke morgen nieuwe lied van Christus, dat de huisgemeente in de vroegte aanheft. Het nieuwe lied, dat door de gehele gemeente van God, op aarde en in de hemel, gezongen wordt en tot welk lied wij geroepen zijn mee te zingen. (God heeft zich in eeuwigheid één groot loflied bereid en wie tot de gemeente van God toetreedt, zingt dit lied mee. Het is het
juichen en jubelen van de morgensterren en al de zonen Gods (Job 38:7). Het is het overwinningslied van Israël na de doortocht door de Rode Zee (Ex. 15:1-21), het Magnificat van Maria na de aankondiging van Christus’ geboorte (Luk. 1:46-55), het loflied in de nacht van Paulus en Silas in de gevangenis (Hand. 16:25), het lied van de zangers aan de glazen zee na hun redding, het ‘lied van Mozes en het Lam’ (Openb. 15:3) – het is het nieuwe lied van de hemelse gemeente. Op de morgen van elke dag zingt de gemeente op aarde dit lied mee en ’s avonds besluit zij de dag met dit lied. Het is de drie-enige God en zijn werk, waarvan hier de lof wordt gezongen. Dit lied klinkt anders op aarde dan in de hemel. Op aarde is het een lied van de gelovigen en in de hemel is het een lied van hen, die aanschouwen. Op aarde is het een lied in arme mensenwoorden, maar in de hemel zijn het onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken’ (2 Kor. 12:4). Daar is het een ‘nieuw gezang, dat niemand leren kan dan de 144.000’ (Openb. 14:3), waarbij ‘de citers Gods’ (Openb. 15:2) bespeeld worden. Wat weten wij van dat nieuwe lied en van de citers van God? Ons nieuwe lied is een aards lied, een lied van pelgrims en bedevaartgangers, voor wie het Woord van God is opgegaan en straalt op hun weg. Ons aardse lied is gebonden aan Gods openbaringswoord in Jezus Christus. Het is het eenvoudige lied van de kinderen van deze aarde, die geroepen zijn kinderen van God te zijn, niet extatisch, niet los van de wereld, maar nuchter, dankbaar en eerbiedig gericht op het Woord van God.

‘Zingt en jubelt de Here van harte’ (Efez. 5:19). Het nieuwe lied wordt allereerst in ons hart gezongen. Anders kan het helemaal niet gezongen worden. Het hart zingt, omdat het van (Christus vervuld is. Daarom is elk zingen in de gemeente een geestelijke zaak. Overgave aan het Woord, deel hebben aan de gemeenschap, veel ootmoed en de nodige innerlijke discipline zijn de vooronderstellingen voor elk gemeenschappelijk zingen. Waar het hart niet meezingt, daar is alleen de afschuwelijke disharmonie van mensen die hun eigen eer zoeken. Waar niet tot verheerlijking van de Heer gezongen wordt, daar zingt men ter ere van zichzelf of van de muziek. En dan wordt het nieuwe lied tot een lied voor een afgod. ‘Spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ (Ef. 5:19). Ons lied op aarde is een spreken. Het is het gezongen Woord.
Waarom zingen christenen als zij bij elkaar komen? Allereerst heel eenvoudig, omdat het hun in het gemeenschappelijk zingen mogelijk is, hetzelfde woord tegelijkertijd te zeggen en te bidden. Om de eenheid in het Woord dus. Alle wijding en alle devotie geldt het Woord, dat in het lied tot uitdrukking komt. Dat wij het niet gezamenlijk uitspreken, maar zingen, is een bewijs voor het feit, dat onze gesproken woorden niet voldoende zijn om uit te drukken wat wij willen zeggen en dat het onderwerp van ons lied ver uitgaat boven alle menselijke woorden. Toch lallen wij niet, maar wij zingen woorden tot verheerlijking van God, woorden van dank, belijdenis en gebed. Zo staat het muzikale geheel in dienst van het Woord. Het verduidelijkt het Woord in zijn onbegrijpelijkheid.
Omdat het geheel aan het Woord gebonden is, is het lied dat in de samenkomst van de gemeente gezongen wordt, vooral ook het lied in de ‘huisgemeente’, naar zijn karakter een éénstemmig lied. Woord en klank verbinden zich hier op een heel bijzondere manier. De zich vrij bewegende melodie van het eenstemmig lied heeft zijn enig en wezenlijk houvast aan het Woord, dat gezongen wordt en heeft daarom geen muzikale ondersteuning van meerdere stemmen nodig.

Laat ons zingen met één mond,
in eendracht, uit des harten grond,

zongen de Moravische broeders. ‘…Opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken’ (Rom. 15:6). De zuiverheid van het eenstemmig zingen, niet bedorven door vreemde motieven van muzikale overmatigheid; de helderheid, niet vertroebeld door het donkere verlangen om aan het muzikale een eigen
recht te geven naast het Woord; de eenvoud en nuchterheid, de menselijkheid en warmte van dit zingen – bepalen geheel het karakter van het aardse lied van de gemeente. Wel is het waar, dat ons oor, gewend als het is geraakt om anders – op een verkeerde manier – te luisteren, slechts langzaam en door geduldige oefening voor deze dingen opengaat. Het zal daarvan afhangen of men de dingen geestelijk zuiver weet te onderscheiden, of een gemeenschap tot het juiste eenstemmige zingen komt. Maar hier wordt van harte gezongen, hier wordt voor de Heer gezongen, het Woord wordt gezongen en er wordt gezongen in eensgezindheid.

(…en dan volgen nog tal van praktische adviezen over het samen zingen en gaat Bonhoeffer daarna – dus ná gesproken te hebben over Bijbellezen en samenzang – spreken over het bidden in de (huis)gemeente!)

Bron: “Verborgen omgang” van Dietrich Bonhoeffer.

Zingt een nieuw lied voor God de Heer – Cantilena Staphorst (Bewerking Psalm 98)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie