Profetisch (s)preken in de gemeente…

27 Er kwam een man Gods tot Eli en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE:(…)
30 Daarom, luidt het woord van de Here, de God van Israël, Ik heb duidelijk gezegd: uw huis en uw familie zullen voor altijd voor mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het woord des Heren: dit zij verre van Mij!
(1) Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden. (Uit 1 Samuel 2)

(…)
“Wie Mij eren, zal ik eren”.
De kinderjaren van Samuël kennen wij niet. Maar één ding is ons wel bekend: hij had een bijzondere band met zijn ouders, want ieder jaar bracht zijn moeder hem een kleine mantel. Ieder jaar beleefde Samuël, met zijn vader en moeder verenigd een bijzondere plechtigheid: dan zegende de hogepriester zijn ouders!
En hij mocht als kind reeds zien, dat die zegen kracht bezat. Vanzelfsprekend wist Samuël, dat hijzelf van de HEERE was afgebeden. Dat zijn moeder eerst geen kinderen kreeg. En nu mag hij zien, dat zijn moeder nog meer kinderen krijgt. Terwijl de heilige schrijver met geen woord meer over Peninna spreekt, deelt hij ons wel mee dat Elkana en Hanna de HEERE eren met hun jaarlijks offer en met hun jaarlijkse bevestiging van het afstaan van hun afgebeden kind.
En dan lezen wij, dat Samuël opgroeide bij de HEERE. Dat zal wel iets meer betekenen dan een plaatsaanduiding, want in vers 26 staat, “dat hij toenam in aanzien en gunst, zowel bij de HEERE als bij de mensen”. Staat dat er ook niet van onze Heer Jezus Christus in Lucas 2:52, als een bewijs van verbondszegen?
“Wie mij eren, zal ik eren”. Dat laat de HEERE niet alleen maar zeggen, tot Eli, maar dat laat de HEERE ook zien aan Eli en zijn zonen en aan alle mensen die naar Silo kwamen, bijzonder die in Rama de vader en moeder van dit jongetje kenden.
Let u op het wonder daarin!
Uitgerekend daar, waar tussen die afvallige priesters en levieten dag in dag uit het heilige van de bediening der verzoening door de modder werd gehaald – dáár groeide een eenzaam kind op, dat geleerd had de HEERE te eren.
(…)
Hoort u dat, vaders en moeders? Jongens en meisjes? Wat wordt er niet gedaan om met onze kinderen, in aanzien te komen bij de mensen?! Jawel – het geloof en het godsdienstige leven heten wel belangrijk; maar dat is toch wel een hoofdstuk apart, nietwaar?! Maar dat is niet zo voor degenen, die de HEERE vrezen en naar Zijn Woord willen leven!. Die weten: ”zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u bovendien geschonken worden”. Hier staat het voluit: Wie mij eren, zal Ik eren!
Zie Hanna en Samuël.
(…)
“… maar wie Mij versmaden zullen gering geacht worden”
Zo komt de prediking van die profeet uit de mond van die onbekende man Gods door de eeuwen heen op ons af. Op ons allen, die leven in de kring van het Verbond der genade. Of wij nu ambtsdragers zijn in de kerk of in het publieke leven van ons land, of wij man of vrouw zijn, allen, die de zalving van de Heilige hebben, staan onder de dreiging: wie Mij versmaden zullen gering geacht worden! En dat betekent, dat over ons kan komen het oordeel der verharding, zodat wij ons niet meer kúnnen bekeren. Zo nauw luistert het in de kerk! (2)
En wij moeten ons er niet over verbazen, dat men doof is voor een prediking, die ten enenmale mist de profetische ernst en de heilige geladenheid tegen verbondsverlating. Als er geen profetie is, wordt een volk ontbloot, zegt de spreukendichter. Daar ontstaat verwildering. Wij zien het vandaag gebeuren!
Daarom moet men ophouden in de kerken “de nazireeër wij te drinken te geven” en de profeten te verbieden te profeteren en te doen of wij eigenlijk geen prediking meer nodig hebben. Oververzadigd als wij zijn. Ook in onze kringen begint de ellende, dat men gaat tornen aan de gewone kerkdiensten. Om maar niet te spreken van een verachten van de middagdiensten. Daarachter zit het gebrek aan ernstig nemen van het Woord van God. Dat Woord, dat zegt, dat de dood van Hofni en Pinehas teken zal zijn van de profetie: wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden!
Jawel, maar daarnaast blijft staan: wie Mij eren, zal Ik eren!
Hanna en Samuël zijn de bewijzen van de genade en trouw van de HEERE onze God, Die werkte aan de reformatie van Zijn kerkvolk en zo de weg openhield naar de komende Christus.
Vraag: eert u Hem of versmaadt u Hem?
Hij is en blijft dezelfde!
Amen.

Bron: Preek over 1 Samuel 2 (31-aug-1970, ds. J.W. Verheij)
(1)  Gods beloften zijn geen voorspellingen. Iedere belofte heeft bij de Here een keerzijde van dreiging, van straf en van oordeel over de man, die Gods verbond zou verachten door zijn ongerechtigheid (ds. J.W. Verheij geciteerd).
(2) Lees bijvoorbeeld de waarschuwende woorden van Jezus over de onverwacht gesloten deur in Lukas 13
Opgemerkt door AJ:
Heel belangrijk voor de omgang met de jeugd is dat we geen onderscheid maken in het spreken van God tot ons en de leeftijd waarop dat gebeurd: Of het Woord van God nu gesproken wordt door de ouders of door een kleuterjuf (a) die het Woord voorlezen of vertellen, of dat het wordt voorgehouden door een predikant in de verkondiging of door een oudste tijdens een huisbezoek, of dat het wordt gesproken door iemand die leiding geeft aan een jeugdvereniging of dat we zelf Gods Woord lezen of dat het God zelf is die tot ons spreekt, dat maakt in wezen geen verschil. Het is de Heilige Geest die ons hart opent (opmerkzaam maakt) voor het tot ons gesproken Woord van God. Maar, helaas, wij kunnen altijd (op welke leeftijd dan ook) dat Woord weerspreken en het werk van de Heilige Geest weerstaan en hoe ouder/volwassener we worden, hoe meer we dat kunnen en zelfs ook wel heel bewust willen doen. Het is een grote genade van God, dat kleine kinderen als regel nog maar zo weinig weerstand bieden aan het Woord van God en het werk van Gods Geest aan hun hart! Wij moeten dat “kinderlijk geloven” dus  beslist geen werk van ouders gaan noemen en menen dat ze pas werkelijk gaan geloven als ze een bepaalde mate van zelfstandigheid/volwassenheid hebben bereikt!
Des te zelfstandiger en volwassener wij worden, hoe meer wij mensen het werk van Gods Geest kunnen en zelfs ook willen weerstaan. Let bijvoorbeeld op Kaïn en Bileam of Jona die het rechtstreeks door God tot hen gesproken Woord in de wind sloegen. En zo zijn er natuurlijk nog meer voorbeelden te geven. De Here Jezus, die toch God zelf is, sprak zijn Woord zo tot de schare, dat ze beseften, dat dit Woord met een heel ander gezag gesproken werd en tot hen kwam, dan dat zij gewend waren van hun (kerk)leiders en zij “ontzetten” zich over Zijn leer en Zijn gezag. Maar de Farizeeën en Schriftgeleerden durfden Hem openlijk te weerstaan en Zijn gezag en macht durfden ze zelfs aan demonen toe te schrijven…
(a)  Zie bijv. het mooie boekje “Met dank aan de juf” van Johan Frinsel (vroegere directeur van Stichting tot Heil des Volks)

Bidden met en ook voor onze (ongeboren) kinderen: 
9 Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 11 Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

De gelijkenis van de verloren zoon overdacht…

De gelijkenis van Jezus over “de verloren zoon” (Lukas 15 : 11-32)

1 Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. 2 Maar zowel de farizeeën als de Schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’  (4)

Opgemerkt en overdacht door AJ

Wanneer we letten op de context van deze gelijkenis, dan zien we dat de Here Jezus dit verhaal speciaal vertelt met het oog op de Farizeeën en andere mensen van Gods volk, die er moeite mee hadden, dat hij (de mens) Jezus omging en at met zondaars en tollenaars.
We zien dat de Here Jezus in de gelijkenissen, die Hij daarom gaat vertellen, heel ver gaat om de ergernis, die hij heeft opgeroepen en oproept, weg te nemen, door alleen te spreken over de Liefde van de Vader voor wat verloren is (2,5,6).

De eerste twee gelijkenissen in Lukas 15 worden hier verder buiten beschouwing gelaten, om alleen te letten op de situatie zoals die in de gelijkenis van de verloren zoon, door Jezus getekend en uitgewerkt wordt.

De verhouding van de vader tot zijn zonen, tekent Hij met dit verhaal als de verhouding zoals die voor de mens in de paradijs-situatie was. De Vader leeft in liefdevolle relatie met zijn kinderen, die samen met hem en in opdracht van hem hun werk mogen en kunnen doen. De jongste zoon verstoort het liefdevolle samenleven en samenwerken door “zijn deel” op te eisen om een eigen leven te kunnen gaan leiden buiten “het gebied/rijk” van zijn vader.

Dat de werkelijke situatie, waarin het volk van God (toenmalige Israël en dus ook de Farizeeën en Schriftgeleerden) eigenlijk heel anders getekend moet worden, laat Jezus in deze gelijkenis helemaal buiten beschouwing. Want de werkelijke situatie is natuurlijk, dat de zoon al weggelopen is en dat hij door zijn nieuwe eigenaar zelfs wordt tegengehouden om nog terug te keren naar zijn vader. Dat de verloren zoon – gehersenspoeld als hij is door zijn nieuwe eigenaar – zelfs geen enkele verwachting en initatief tot terugkeer meer heeft. De zoon heeft zich verkocht aan deze nieuwe eigenaar en deze kan zwaaien met dit schuld- en eigendomsbewijs en de Vader moet zijn eigen kind(eren) terugkopen uit de handen van deze beul. Dat heeft Hij direct ook willen doen en daarvoor heeft Hij zelfs de hoogste prijs willen betalen. Daarvoor zond Hij zijn Zoon (de echte “oudste zoon”) naar deze wereld om het verlorene te zoeken (!) en om te betalen, wat met geen aardse offers kon en kan worden betaald (2,5,6).

Dat is alleen maar genade, maar in deze genade is geen oneerlijkheid (zoals de oudste zoon dacht en zoals zelfs ook een predikant onlangs verkondigde), maar hier wordt recht gedaan aan Gods Liefde en aan zijn Rechtvaardigheid. Daarin is niets oneerlijk, tenzij we onze zondeval (waarin ook de oudste broer van de gelijkenis deelt) maar liever buiten beschouwing willen laten.

Dat de oudste zoon een plaats gegeven wordt en aandacht krijgt in dit verhaal, heeft alles te maken met (de plaats en houding van) het volk Israël en met de Farizeeën en Schriftgeleerden(!). Met het oog op hen en hun houding wordt deze gelijkenis dus verteld (3).
God plaatste deze “oudste zoon” in zijn wijngaard in deze verloren wereld en deze zoon werd door hem verheven in een relatie, die leek op die van de relatie tussen God en zijn kinderen in het paradijs, maar die was vanwege de zonde in de wereld toch heel anders. Maar deze onverdiende genade maakte dat deze “oudste zoon”, (het volk Israël), zich verheven ging voelen boven de andere volken en zelfs ook boven zondaars in eigen volk. In plaats van besef van dienstbaarheid aan volksgenoten en aan alle volken (Matteüs 20:26-28, Lukas 22:26), kwam er hoogmoed en heerszucht bij deze oudste broer.

Jezus plaatst zichzelf in deze gelijkenis dus helemaal buiten beeld om Gods volk en m.n. de Farizeeën en Schriftgeleerden de grote liefde van de Vader duidelijk te maken. De Liefde van de Vader die uitgaat naar wat verloren is geraakt. Hij (Jezus) neemt de ergernis van zijn zoekende aanwezigheid en noodzakelijke loskoping (2,5,6) weg en bepaald hen hier bij de onverdiende Vaderliefde, die er ook is voor de verongelijkte en ondankbare “oudste zoon” uit de gelijkenis.

Wij als gemeente van Jezus Christus moeten heel voorzichtig zijn met en zuinig zijn op het gebruik van deze gelijkenis in de prediking ervan aan de gemeente. Want wij hebben Jezus Christus leren kennen en zijn in Hem onderwezen en wij kunnen en behoren Hem niet meer weg te denken, zelfs ook niet in/bij (het lezen en de verkondiging van) deze gelijkenis van de verloren zoon (1)! Deze gelijkenis en de uitleg daarvan behoren wij te stellen in het licht van het onderwijs van “heel de Schrift”.

Ons hart is van nature zo arglistig, dat wij deze gelijkenis eerder gebruiken als aanleiding voor het toegeven en vasthouden aan onze verkeerde verlangens, dan dat we het in ons leven, door de hier voorgestelde Liefde van de Vader, laten komen tot een volledige overgave aan die Liefde van deze Vader en aan de volledige inzet van ons in het werkzaam zijn voor “het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid” (8). Bijvoorbeeld wanneer we na een preek over deze gelijkenis het lied met de regel “Hij wacht alleen nog maar totdat je komt” (7) laten zingen, worden we met deze gelijkenis als gemeente van Jezus Christus helemaal de verkeerde kant opgestuurd. En we kunnen natuurlijk door wat eerder in de preek (niet) gezegd werd ook al flink “op het verkeerde been” zijn gezet. Wanneer dat gebeurd(e), dan is de verkondiging van deze gelijkenis ons niet tot zegen…

(1) Wij hebben als gedoopte gemeente van onze Heer Jezus Christus allen (jong en oud – net als de Joden uit Jezus tijd) de verheven positie van de “oudste zoon”.  Wij zullen elkaar, onze jeugd, maar net zo goed de volwassenen in de gemeente, voorhouden dat we (terug)gekocht en betaald zijn (5) en dat we tot de genodigden behoren (7), zoals die eerder genoemd worden in de gelijkenis van de verontschuldigingen (Lukas 14 : 15-22) en dat we bij het zoeken van verontschuldigingen voor onze “hang naar de wereld”, onze onverschilligheid en liefdeloosheid en ongeloof het risico lopen van het in de gelijkenis uitgesproken oordeel “niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven” en dat we vallen zullen onder de oordelen die de gemeente worden voorgehouden in de Hebreeën brief (o.a. Hebr. 6 : 1-12).  Deze ernstige woorden (vermaningen) mogen we elkaar in de gemeente niet onthouden, ook niet bij de gelijkenis over de verloren zoon. Maar ieder die ontdekt dat hij een verkeerde weg gegaan is en oprecht berouw heeft en zich bekeerd en ook mensen die wanhopig menen dat bekering niet meer mogelijk is, die mogen en behoren we altijd weer voor te houden, dat bij God alle dingen mogelijk zijn en hem of haar wijzen op en vertroosten met de woorden zoals we die (bijvoorbeeld) vinden in Jesaja 55.
(2) Je kunt zeggen dat Jezus de ergernis van het kruis (verzoening (5,6)) in deze gelijkenis heeft willen weglaten. Zo ver wilde Hij zich vernederen en zozeer wilde Hij de Farizeeën en Schriftgeleerden helpen om hen tot nadenken te brengen over zichzelf, hun eigen positie en hun verhouding tot God. De Here Jezus kon met recht na deze gelijkenis aan de Farizeeën vragen: Zijn jullie leraars van Gods volk en verstaan jullie deze gelijkenis niet? Want de farizeeën en Schriftgeleerden konden heel goed weten, dat het verwijt van de oudste broer aan de vader volkomen onterecht was. Zo mooi als de oudste zoon zijn bijdrage aan het bedrijf van zijn vader voorstelt, daar klopt natuurlijk niets van. De farizeeën en Schriftgeleerden wisten ook heel goed, dat Abraham niet God, maar dat God Abraham heeft opgezocht en dat het volk Israël met zijn leiders zich keer op keer van de Heere hebben afgewend en het “bedrijf van hun vader” misbruikt en verwaarloosd. Ook zij konden zichzelf (bijv. uit Psalm 119 – o.a. laatste vers 176) “verloren schapen” weten die “gered” moeten worden (zie ook (6)).
(3) Dat de verloren zoon niet model staat voor de zondaars en tollenaars en dat niet de nadruk op hen valt in deze gelijkenis en dat we bij deze weglopende zoon moeten denken aan de zondeval in het paradijs en aan de gevallen mens, kan duidelijk worden wanneer we letten op de volgende punten:
1. De jongste zoon kiest vanuit een hoge positie en vanuit een liefdevolle vader-zoon-/familie-relatie er voor om “zijn deel” van het bezit van zijn vader  te willen ontvangen. Hij wil “als de vader zijn” en eigen bezit hebben waar hij volledig heer en meester over is. Dat de vader zijn bezit nooit als zijn eigen bezit heeft willen zien en gebruiken, maar zijn zonen daarin heeft willen laten delen en daarin verantwoordelijkheid geven, binnen een liefdevolle vader-zoon-relatie en familie-relatie, daar heeft deze zoon geen oog (meer) voor. Hij wil “als god” (naar zijn voorstelling dan) leven en volkomen onafhankelijk zijn en met zijn geld doen wat zijn hart en zinnen hem ingeven. Daarmee is de zondeval van de mens getekend. De mens heeft ook de liefdes- en vertrouwensrelatie met God willen doorbreken om “als God” te kunnen zijn.
2. Jezus heeft met deze gelijkenis de zondaars en tollenaars niet eerst en vooral op het oog. Velen van hen (zondaars en tollenaars) hadden al bij de prediking van Johannes de Doper zich de vraag gesteld: Zou God werkelijk naar zijn volk komen omzien en moeten en zullen wij ons bekeren? Moeten en kunnen en mogen wij verlost worden van onze zondige levensstijl en verslavingen?! In eigen kracht kunnen wij het niet. Er moet iemand komen die sterker en machtiger is dan Johannes. En velen hebben daarom uit willen zien en uitgezien naar een verlosser die hen op het oog had. Zij wilden en durfden zich de vraag stellen, toen Jezus door het land trok en het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigde: Zou deze man onze Verlosser, onze Messias zijn. Onder hen was er besef van “gered moeten worden” en van zich bekeren moeten. Jezus zocht hen niet alleen op, maar velen kwamen ook verwachtingsvol en met verlangen naar hem toe. Dat waren de farizeeën en Schriftgeleerden helemaal kwijt. Naar hun opvattingen hadden zij zich op aarde voor God veel ontzegd en zoveel uitgesloofd dat God zou komen om hen te verheffen boven zondaren en boven mensen, die hun hoge positie niet beseften of wilden erkennen of zelfs bedreigden. Zij verwachten een heel andere verlosser dan die zij en het volk werkelijk nodig hadden.
3. Deze gelijkenis wil – net als heel Gods Woord – niet de mens en zijn overwegingen en de bijzonderheid van zijn bekering centraal stellen, maar de liefde van God duidelijk maken. Die liefde wordt hier centraal gesteld door de manier waarop de liefde van de Vader voor beide zonen in de gelijkenis aan de orde wordt gesteld.  Maar niet minder blijkt hier de liefde van de Here Jezus, die om de farizeeën en Schriftgeleerden te bereiken en tot inkeer te brengen, zijn eigen centrale rol (als oudste broer!) in de liefde, die van de Vader én van de Zoon uitgaat, helemaal buiten beschouwing laat. Je zou kunnen zeggen: Jezus heeft alle drempels (ergernis) willen wegnemen om de Schriftgeleerden zicht te geven op hun Vader in de Hemel en daarmee zicht op henzelf en hun eigen hoogmoed, die hen de weg tot de Vader versperde. Van die hoogmoed moesten zij verlost worden en dat konden ze niet in eigen kracht. Met deze gelijkenis moest duidelijk worden dat zij zich moesten leren identificeren met de oudste, maar beslist ook met de jongste zoon, van deze gelijkenis. Daar moest en daar wilde Jezus – juist ook met deze gelijkenis – de harten en ogen voor openen. Dan kon hen ook duidelijk worden/zijn dat Jezus hier op aarde en later in de hemel de belichaming was en is van de zoekende en omarmende Vaderliefde (zie Johannes 5 en 6). Maar natuurlijk niet alleen de farizeeën en Schriftgeleerden hebben hier moeten leren (zien), als het goed is, willen wij allen hier goed luisteren en leren om steeds beter begrijpen wat Jezus met deze gelijkenis ook ons te zeggen had en heeft. Zie bijvoorbeeld “Wij mensen niets dan zonde en dood?“.
(4) Lukas heeft blijkbaar reden om verschil te willen zien tussen tollenaars en zondaars. Een tollenaar was niet per definitie een man, die op oneerlijke wijze de vijand te vriend hield en zijn volksgenoten afperste.  Oorzaak voor hun kunnen en durven samenwerken met “de bezetter” kon juist gelegen zijn in een veel “Bijbelser” Messiasverwachting. Lees hierover meer op pagina “Zacheüs de hoofdtollenaar“.
(5) (…) 14 Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen. 15 Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd  (zie Kolossenzen 2).
(6) Het “zoon-offer” van Abraham, waarbij gezegd wordt “dat God zelf in een lam ten brandoffer zal voorzien” en heel de verzoeningsdienst (“schaduw” van de eigenlijke verzoeningsdienst! zie o.a. Hebr. 10:1-18), die nodig was voor het kunnen “naderen tot God de Vader”, wordt hier (in de serie gelijkenissen in Lukas 15) geheel buiten beschouwing gelaten. De farizeeën en Schriftgeleerden moeten dit zeker hebben gemist en toch horen we hen later daarover geen vragen stellen of er kritiek op geven. Dat is niet toevallig. Ze zullen zeker vernomen en dus geweten hebben, dat Jezus door Johannes de Doper was aangewezen als “het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt” (zie Johannes 1:19-34 en Joh. 5!). Ze begrepen daarom heel goed, dat ze Jezus alleen maar “in de kaart zouden spelen” door dit onderwerp aan te snijden, en dat wilden ze – uiteindelijk zelfs met alle geweld – voorkomen. Dat mag/moet (ons wel!) tot goed nadenken stemmen: Zijn onze eigen inzichten (bijv. gebaseerd op wetenschappelijk denken en onderzoek) en ónze doelstellingen en belangen en wat ons voor ogen staat en wat wij bereiken willen (juist ook in onze christelijke kerken/gemeenten) misschien ook voor ons zo belangrijk en heilig geweest of geworden, dat wij niet werkelijk meer bereikbaar waren of (willen) zijn voor wat God zelf ons te zeggen heeft en voorhoudt in en door Zijn Woord?!  Kan of moet dan misschien zelfs ook van veel van ons werk en van ons bezig zijn in het christelijke/kerkelijke leven – in heden en verleden – misschien gezegd worden: “U verzet u altijd tegen de Heilige Geest, net als uw voorouders deden”? (Stefanus woorden tegen de Joodse (kerk)leiders in Handelingen 7 : 51).
(7) Goedkope genade is een rechtvaardiging van de zonde en niet van de zondaar. Goedkope genade is prediking van de vergeving zonder boete te doen, doop zonder tucht van de gemeente, avondmaal zonder belijdenis van zonden, vrijspraak zonder biecht. Goedkope genade is genade zonder navolging, genade zonder kruis, genade zonder de levende, mensgeworden Jezus Christus. (Citaat uit werk van Dietrich Bonhoeffer).

(8) Zie ook webpagina’s:
– Worden als de vader?! (1) en Worden als de Vader?! (2)
– Groeien in zelfvergeving, zelfacceptatie en zelfvertrouwen…

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wet en Genade

‘Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden’ (Johannes 1:17, weergave DB 1545).

Moet dan de eeuwige Zoon van God het doen en sterven? Ik dacht toch dat God een heilige wet had gegeven, en: wie deze houdt, moet zalig worden. Johannes zegt hier [hetzelfde als Paulus]: ‘De wet van Mozes kan het niet volbrengen, deze werkt alleen toorn’ (vgl. Romeinen 4:15). Zal een mens rechtvaardig zijn en iets goeds doen, dan is dat alleen door de genade van Christus. In de wet is geen genade en waarheid, maar door de wet bedriegen wij ons en vinden slechts toorn.

De wet is als de Rijn, een machtige, stromende rivier, die kan je niet tegenhouden – er komt altijd nieuw water aan. Als iemand zijn kracht wil bedwingen en een grote dam wil bouwen om hem tot stilstand te brengen, dan helpt dat niet. Zelfs al kon hij hem een dag of drie indammen, dan moest hij het toch weer opgeven. Tenslotte verwoest de rivier de dam en doet nog meer schade aan wijngaarden, akkers en weiden dan anders.

Zo is het ook gesteld met de menselijke natuur, zij is verraderlijk en kan niets goeds doen. God wil haar tegenhouden met de dam van de wet. De natuur zegt echter: ‘Ik kan alleen mijzelf liefhebben omwille van mijzelf.’ De dam heet ‘u zult de Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand’ (vgl. o.a. Lukas 10:27; Deuteronomium 6:5). Daar staat de dam en houdt mij tegen.

Maar omdat de natuur niet anders kan dan zichzelf liefhebben, daarom draait en woelt zij net zolang, totdat zij God en Zijn wet omstoot. Op deze manier begint de natuur een vijand van God te worden – Gods wet kan immers toch niets anders dan slaan en dreigen. Dan breekt de natuur door en veracht God. ‘De wet is vanwege de overtreding gegeven’ (vgl. Galaten 3:19). Mijn hart wordt niet vromer door de wet. Uitwendig vroom zijn en inwendig in het hart de wet tegenstaan, helpt niet.

Wil je nu geholpen worden, dan moet dat gebeuren door de genade en waarheid van deze Jezus Christus. Dit ambt en deze roem komt alleen Christus toe. Want als ik ervaar dat God mij genadig is om Christus’ wil, dan moet ik belijden dat dit de ware godsdienst is. Want dáár alleen vind ik rust voor mijn geweten. Door de werken der wet krijgt men geen goed geweten voor God (vgl. o.a. Titus 1:15). Dan volgt ‘waarheid’, dat is een in de grond goed, oprecht en vrolijk hart hebben, zodat wij alleen God in alle dingen vertrouwen en geloven – God kan niet liegen! – want de rechtvaardige zal door zijn geloof leven (vgl. o.a. Habakuk 2:4; Romeinen 1:17).

Maarten Luther: Viel fast nützlicher Punkt, 1537, vgl. WA 45, 415, 18 – 416, 13 (verkort)

Bron: Luther-citaten (www.maartenluther.com)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Veroordeel mij niet…

Tegen God zal ik zeggen: “Veroordeel mij niet, laat me weten waarom u mij bestrijdt. (Job 10: 2)

Beproevingen, strijd, zorgen, misschien doet God dit om uw gaven te ontwikkelen. Er zijn gaven die je, als je niet beproefd zou worden, nooit zou ontdekken.
Neem nu de Liefde, je zou haar kunnen vergelijken met een glimworm. Van zichzelf geeft zo een worm weinig licht, maar juist in het donker, midden in de duisternis, is hij goed zichtbaar! De Hoop kun je vergelijken met een ster, die niet gezien wordt als de zon in je leven volop schijnt, in tijden dat alles op rolletjes loopt. De ster ontdek je pas ’s nachts, als het donker wordt in je leven. In tijden van beproeving.
Heb je misschien kortgeleden gezegd of gebeden: “God, ik ben bang dat ik weinig geloof heb, mag ik hierin groeien?” Was dit misschien, onbewust, vragen om beproeving? Want hoe kun je weten of je geloof hebt als je geloof niet geoefend wordt? Vertrouw daarom hierop: God beproeft ons, zodat onze talenten en gaven aan het licht komen en wij er zeker van worden dat ze er zijn. Het is niet alleen een ontdekking, maar een wezenlijke groei in genade als het gevolg van deze beproevingen. God kan ons onze luxe, gezondheid, onze voorrechten ontnemen om ons sterkere christenen te maken. Hij traint zijn soldaten niet in luxe omstandigheden, maar op het open veld en laat ze wennen aan lange marsen en zwaar werk. Hij laat ze rivieren overzwemmen, bergen beklimmen en kilometers lopen met een zware last vol verdriet op hun schouders.
Als je het momenteel zelf moeilijk hebt, maakt dit je verdriet niet anders?
Is God misschien bezig om je gaven te laten groeien en ze zichtbaarder te maken? Is dit een reden van je strijd, je beproeving?

Vrij vertaald uit het Engels n.a.v. C.H. Spurgeon, Morning Devotionais, 18 februari

Bron: Ecclesia nr. 13 — juni 2015

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Wedergeboren léven!

Uw wil geschiede

[Onze Vader], onze wil vergeleken bij Uw wil, is nooit goed, maar altijd verkeerd. Uw wil is altijd de beste en meer dan alles lief te hebben en naar te verlangen. Ontferm U over ons, o lieve Vader, en laat niets gebeuren naar onze wil. Geef en leer ons echt en werkelijk geduld te hebben wanneer onze wil gebroken of verhinderd wordt. Help wanneer iemand iets spreekt, zwijgt, doet of laat wat tegen onze wil is, dat wij daarom niet kwaad en boos worden, niet vloeken, niet klagen, niet schreeuwen, niet oordelen, niet veroordelen of schelden. Geef dat wij ootmoedig buigen onder degenen die ons in onze wil stuiten of die verhinderen, en onze wil niet doen. Dat wij hen prijzen en het goede wensen en weldoen, als degenen die Uw Goddelijke goede wil, tegen onze wil in, doen geschieden. [Amen.]

Maarten Luther: Eine kurze Form des Vaterunsers, 1520, Verg. WA. 7,224, 4-15
Bron: “Gebeden” (Maarten Luther) – Samenstelling en vertaling H.C. van Woerden

Wat wordt hier van ons gevraagd? Hebben wij voor de naaste die ons tegenstreeft en die ons misschien zelfs vernedert en verdrukt te buigen, misschien te bukken zelfs en behoren we hem of haar zoveel toe te geven dat we hem of haar (gaan) prijzen en het goede toewensen?!
Nee, wij worden hier eerst en vooral gevraagd om te buigen voor God en om ons te vernederen onder Zijn Hand. Er wordt ons dus eerst en vooral gevraagd in praktijk brengen wat we uit Gods Woord (hebben leren) belijden als “Christus-gelovigen”, namelijk dat God almachtig is en dat alle dingen ons daarom niet buiten Zijn wil, maar “uit zijn Vaderlijke hand toekomen” en dat “alle dingen” ons “moeten meewerken ten goede”.
De naaste die het ons moeilijk maakt prijzen en het goede wensen, dat doen wij dus eerst en vooral voor het aangezicht van God, de Vader van onze Heer Jezus Christus en (daarom) ook Vader van ons. Dat doen we dus eerst en vooral in onze gebeden en in onze gedachten voor Gods aangezicht. Want we hebben uit het leven van Jezus Christus geleerd, dat Hij zich zo heeft opgesteld, toen Hij hier op aarde was en moest lijden onder wat wij mensen/mensheid Hem hebben aangedaan en nog ook nog steeds doen. Dat Hij dit door ons veroorzaakte lijden aanvaard en op zich genomen heeft en daarbij steeds alleen ons Heil en onze Redding op het oog heeft gehad.  En wij mogen en willen Hem daarin navolgen!
Natuurlijk hebben wij tegenover de naaste een andere positie dan onze Heer Jezus Christus. Toch zullen wij in al ons handelen en spreken ook steeds het Heil en de Redding van de naaste op het oog behoren te hebben. Wanneer dat onze wens is, dan beseffen we dat onze Liefde én onze Wijsheid tekort schieten om dat goed – naar Gods wil – in praktijk te kunnen én te willen brengen. Wanneer we wat ons hier opgedragen is en wordt werkelijk willen doen of gaan doen, dan gaan we des te meer beseffen waarom we het dagelijks eerbiedig lezen van Gods Woord (de Bijbel dus) en innig gebed onmogelijk kunnen missen. Dat het “brood-nodig” is dat wij ons hiermee dagelijks toewenden naar onze drie-enige God en dat we ons helemaal aan Hem geven en ons en ons leven aan Hem toewijden. Dat we Hem eerbiedig belijden dat wij in Liefde en Wijsheid tekort schieten en dat we de Hulp en Bijstand van zijn Woord en Geest nodig hebben.

De moeiten die de naaste ons aandoet brengen ons dus bij God, althans dat behoort zo te zijn. En dát (alleen al) geeft ons dus alle reden om hem of haar – zijn of haar aanwezigheid in ons leven en onze confrontatie met hem of haar – daarom te prijzen en al het goede voor hem of haar te zoeken. Maar, omdat we dat laatste op het oog hebben, betekent dat zeker niet dat we nu alleen maar “lief” (moeten) doen tegen onze naaste en dat we hem of haar niet/nooit onder (onze) kritiek mogen en durven stellen. Maar onze intentie en houding zijn en worden wel volledig door Gods Liefde en zijn voorschriften bepaald (door het onderwijs van de Here Jezus, m.n. in “de Bergrede”).

De grootste moeite en het meeste kwaad wordt ons berokkend door degenen die ons het meest nabij zijn (1). Door degenen met wie wij samenleven in huwelijk en gezin en in de gemeente van onze Heer Jezus Christus! Zij hebben de kennis en macht om ons diep te vernederen en maken het ons eerder moeilijk om te blijven geloven in de genadige Liefde van onze God en om in vertrouwen de weg te gaan die ons gewezen wordt, dan anderen, die verder van ons afstaan in ons samenleven en samen leven in deze wereld. Maar wanneer we gaan beseffen dat juist die grootste moeiten, die ons juist door onze “meest-naasten” aangedaan wordt, er aan moeten meewerken dat zij ons dichter bij God brengen, dan komen deze naasten én onze moeiten (met hen) in een ander Licht te staan. Dan gaan we deze beiden in een ander Licht zien en leren we ze dankbaar aanvaarden, dan kiezen we niet voor de rol van slachtoffer (bijvoorbeeld die van de “beledigde onschuld”), die op de één of andere manier eerst en vooral “genoegdoening” (2) eist van de ander, want er is en er komt – dat is ons beloofd – door Gods genade en kracht steeds weer ruimte voor een weg van Liefde voor en met “de ander” in ons leven. En de wijsheid om die weg te vinden en de kracht om die (smalle) weg te gaan, die wordt ons ook vast en zeker geschonken op ons gebed. Dat geloof en vertrouwen mogen we en behoren we te hebben. Dan gaat heel ons doen en laten “gekleurd” worden door de genadige Liefde van onze drie-enige God, die ook ons – evengoed zondige en van zichzelf verloren mensen – elke dag weer in Liefde en Genade aanneemt door ons onze schulden te vergeven, doordat Hij ons op onze bede ons dagelijks “Brood” – dat onze Levenskracht is – elke dag weer schenkt! Amen.

Opgemerkt:
(1)
Zo zijn de Joden het meest vernederd, verdrukt en vervolgd in de landen met hun broeders, de christen-volken.
(2) Denk hierbij aan de gelijkenis die Jezus vertelt (in Matteüs 18) over de slaaf aan wie een onbetaalbare schuld was kwijtgescholden, maar die later zelf een mede-slaaf bij de keel grijpt en in de gevangenis werpt om hem te dwingen een (kleinere) schuld aan hem af te betalen. Wat de begunstigde slaaf deed, is heus zo vreemd niet en eerder dagelijkse praktijk in het gewone mensenleven. Wat is namelijk de situatie in deze gelijkenis? De slaaf was zijn schuld wel kwijt, maar hij moet wel verder leven. De nood is hoog en hij moet ook weer voor zijn vrouw en kinderen zorgen. Daar had hij geen middelen (meer) voor, dus moest hij weer aan de nodige middelen zien te komen en – gelukkig genoeg – hij heeft nog een schuldenaar… Maar, zijn heer neemt het deze slaaf zeer kwalijk – gezien de straf die hij de slaaf oplegt – dat hij in deze nood niet bedacht heeft, dat hij weer naar zijn genadige heer had kunnen gaan en zeggen: Ach heer, u hebt wel mijn schuld kwijt gescholden, maar nu moet ik weer verder, ik heb echter niets meer, en nu u mij zoveel kwijt hebt gescholden, kan ik mijn broeder, die mij zoveel minder schuldig is, toch niet lastig vallen om die nog uitstaande schuld?! U die zo genadig, rijk en machtig bent, wilt u mij niet ook voorzien van alles wat vandaag nodig is voor mijn levensonderhoud en dat van mijn gezin? Het antwoord van zijn heer, laat zich hier raden…
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Wedergeboorte?!

Want de liefde is uit God

3 Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5 In wie zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde ten volle werkelijkheid geworden; hierdoor weten we dat we in hem zijn. 6 Wie zegt in hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden. 7 Geliefde broeders en zusters, ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor maar een oud, dat u vanaf het begin bekend is. Dat oude gebod is de boodschap die u gehoord hebt. 8 Toch is het ook een nieuw gebod, omdat de duisternis wijkt en het ware licht al schijnt, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven. 9 Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis. 10 Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, 11 maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.
12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13 Ik schrijf u, ouderen: u kent hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14 Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.
15 Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid. (Uit 1 Johannes 2, NBV)

Heere almachtige God, U bent de Liefde. Wie in de Liefde is, die is in U, en U in hem door Jezus Christus. Wij roepen nu tot U, en bidden in gebrek en onvolkomenheid, dat U de zuivere en ware christelijke liefde door de Heilige Geest uitgieten wilt in onze harten, waardoor we ook elkander echt liefhebben, niet alleen met woorden maar ook met daden. Waarmee we ons geloof bewijzen als degenen die van boven, uit de hemel geboren zijn, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijke zaad, door het Woord van de levende God. Sta ons bij, o Heere God, en geef ons zoveel licht, dat we alle gehuichelde liefde die op onszelf gericht en alle uiterlijke vertoning, die niet uit een rein hart komt, mogen doorzien, opdat we niet onder de schijn van liefde en onder de naam van liefde, tegen het geloof en Uw Goddelijke Waarheid handelen. We bidden dit alleen door onze Heere Jezus Christus. Amen.

Maarten Luther: Betbüchlein, 1522, Verg. WA. 10.2, 478,16 – 31
Bron: “Gebeden” (Maarten Luther) – Samenstelling en vertaling H.C. van Woerden
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Gaan voor (het) Brood?!

32 Jezus zeide dan tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; 33 want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Here, geef ons altijd dit brood. (Uit Johannes 6, NBG)

Willen we tegenwoordig niet liefst de gemeente en onszelf al tijdens de dienst “koffiebroodjes” voorzetten? Misschien wel omdat we het koffie-drinken voor of na de (ochtend!)dienst eigenlijk wel net zo belangrijk vinden als de (ochtend!)dienst zelf?!
En menen we daarbij niet ook nog dat we die “koffie-broodjes” zelf zo aantrekkelijk en lekker mogelijk moeten maken en gebruiken we daarom niet allerlei “kunstmatige toevoegingen”, zoals geur-, kleur- en smaakstoffen en conserveermiddelen (lees inzet van veel toegevoegde extra’s in de dienst in muziek en zang, prediking en gebeden)?! We doen dat natuurlijk, omdat we (=kerkenraad en gemeente) menen tegemoet te moeten komen aan al die verschillende wensen en smaken die er bestaan bij de leden van de gemeente en haar bezoekers. Wanneer ieder genoegen zou nemen met gewoon vers brood, dan zouden “koffie-broodjes” met extra opmaak en toevoegingen natuurlijk niet nodig vinden, maar wie kunnen en wie durven we nog zomaar ” gewoon brood” voor te zetten?!
Maar, moeten we die vrees voor het serveren van “gewoon brood” tijdens de dienst toch niet (weer) heel vreemd (gaan) vinden? Want we weten toch allemaal eigenlijk best wel dat al die “extra opmaak” en “kunstmatige toevoegingen” op de lange termijn juist helemaal niet gezond zijn voor “het lichaam”?! Waarom reiken we de gemeente dan toch niet (liever) gewoon “gewoon brood” uit in de samenkomsten van onze gemeente(n)?!
Wanneer je let op het verrassende effect van “koffiebroodjes” – natuurlijk vooral op te merken bij nieuwkomers (bijv. bezoekers uit andere kerken/gemeenten) – dan zou je kunnen menen de gemeente en haar bezoekers vooral niets anders te moeten aanbieden. Toch moeten we zeggen dat deze opvatting van weinig werkelijkheidszin getuigt, want langzaam maar zeker, zeker op de lange duur, weet je en merk je dat er vrijwel bij iedereen – en zeker en vooral ook bij de jeugd – gewenning op gaat treden en dat je kunt weten, dat steeds weer wat (zogenaamd) “bijzonders” op de lange termijn helemaal niet zo’n goede uitwerking heeft. Dat er beslist gewenning optreedt en ook het “verrassende” gewoon wordt. Dat er genoeg volwassenen en jeugdigen zijn, die er hun bed niet meer voor uit willen en zullen komen, want ze kunnen op een gegeven moment best zelf al voorspellen hoe al dat “gebak van de eigen bakker(ij)” er uit ziet en smaakt… En bij mensen die het allemaal wel erg lang mooi en lekker blijven vinden, merk je dan toch ook iets van vormen van “(geestelijke) obesitas”… En dat laatste leidt op den duur zeker (ook) tot klachten en dan gaat men noodgedwongen of op eigen initiatief op dieet. En wat veel erger is, het leidt ook tot “(geestelijke) anorexia”. Geeft het uitreiken van “koffie-broodjes” ons niet ook een verklaring voor het feit dat velen tegenwoordig genoeg hebben aan één (ochtend!)dienst en het gevoel hebben met deze ene dienst  genoeg “binnen” te hebben gekregen (sommigen menen zelfs genoeg voor de hele week…)?!
Alhoewel we uit de praktijk weten, dat dagelijks en op geregelde tijden gewoon goed brood eten je leven-lang niet verveelt en je niet gaat tegenstaan, durven en willen velen de gemeente toch niet meer alleen “gewoon brood” aanbieden in de samenkomsten. Maar is dat eigenlijk niet heel verwonderlijk, zeker wanneer we bedenken hoe wonderlijk het is dat je gewoon brood – normaal gesproken – iedere dag weer (graag!) kunt en wilt eten en dat in de regel zelfs ook nog eens meer dan één keer per dag?  Moeten we dáár niet veel meer mee rekenen en vanuit gaan?! Want dat is vast niet toevallig, toch?! Daar heeft onze Schepper toch (vast) zelf voor gezorgd dat dat zo is?! En het is toch eigenlijk wel voor ieder duidelijk, dat mensen die geen “gewoon brood” meer kunnen en weten te waarderen en verdragen als dagelijkse voedsel, dat daarvan zeker gezegd kan en moet worden, dat er met die mensen flink wat aan de hand en mis moet zijn…
Natuurlijk is het ook wel degelijk van veel belang dat er in onze diensten “kwaliteits-brood” wordt geleverd en voorgezet aan de gemeente. Dus dat er “brood op tafel” komt, dat gebakken is door een bakker die zijn vak verstaat en die ook op tijd kan en weet te variëren met brood. En als het er goed voorstaat met de kerkenraad en de gemeente, dan weten velen daar ook aan te geven wat “kwaliteits-brood” genoemd mag worden en wat niet. En dan wordt natuurlijk variatie van het broodmenu zeker ook van belang geacht en op prijs gesteld en gewaardeerd. Bij die variatie kunnen we dan bijvoorbeeld denken aan de afwisseling van gewoon bruinbrood met soms ook grof volkoren of voor de “kleintjes en kleinen” in de gemeente witbrood dat zo gebakken is dat zelfs de korstjes niet hoeven te blijven liggen… En “de bakker” kan natuurlijk ook variëren door een mix van granen te gebruiken en/of door toevoeging van bepaalde natuurlijke grondstoffen en natuurlijk ook door het brood of de broodjes wel eens te laten verschillende van vorm… Als het maar duidelijk is dat het toch ons “gewone brood” is dat we dagelijks nodig hebben en waarvan we niet hoeven te vrezen dat het allerlei onnodige toevoegingen bevat en dat het ons (daarom) zal gaan “tegenstaan”, en dat wanneer we het gewone brood niet meer waarderen kunnen, bereid zijn – zo nodig met hulp van anderen – te schrikken van onszelf en tot besef te komen, dat er inmiddels iets flink mis moet zijn (geraakt) – niet met het brood – maar met onszelf…

12 Want het woord Gods (in al haar vormen in dankzegging. lofprijzing, gebed en in prediking en liederen – AJ) is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; 13 en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen. (uit Hebreeën 4)
14 Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, 15 en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. 16 Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust. (Paulus aan Timoteüs in 2 Tim. 3)
1 Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: 2 verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. 3 Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4 dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. 5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle. (Paulus aan Timoteüs in 2 Tim. 4)

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Basis en kwaliteit van onze relaties

Ik zeg u: ieder die kwaad wordt op zijn broer, moet verschijnen voor het gerecht.
(Matteüs 5, 21-26)

Sociaal bewustzijn, vorming tot sociaal bewustzijn heeft in onze tijd een grote plaats in het onderwijs en in allerlei cursussen en trainingen. Daarbij ligt een sterk accent op de persoonlijke bewustwording. Het lijkt gewenst dat de mens in de eerste plaats zichzelf leert zien in zijn relaties tot anderen. Deze nadruk op de relaties kan, merkwaardig genoeg, opeens ook tot gevolg hebben dat de naaste snel uit het beeld verdwijnt. Eigenlijk ging het ook al niet meer over die naaste, maar over mijn relatie tot hem of haar. Wanneer de kwaliteit van die relatie te wensen overlaat of wanneer er misschien zelfs helemaal geen relatie kan worden opgebouwd, kan het gebeuren dat men in naam van de kwaliteit van het leven allerlei mensen laat vallen.
(…)

Beschermde medemens
De medemens is niet veilig bij ons sociaal bewustzijn. God heeft onze naaste dan ook niet aan ons overgelaten. Hij heeft die naaste onder de bescherming van zijn wet geplaatst. In de tien geboden horen we ook dit woord: „U mag niet doodslaan”. Mensen kunnen bepaalde diersoorten tot beschermd wild verklaren, maar de mens zelf wordt door niemand minder dan God uitgeroepen tot ‘beschermde schepping’. God gaat voor onze naaste staan, ziet ons aan en gebiedt ons onze handen thuis te houden. Het zesde gebod verbiedt niet de rechtspraak en de doodstraf: het werkwoord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt heeft betrekking op moord en doodslag. Dát wordt verboden: de primitieve bloedwraak en de drift.
(…)
Volmaakte mensen hoeft het niet verboden te worden elkaar dood te slaan. Voor ons is zo’n gebod blijkbaar wel nodig. Kaïn bewijst het reeds. Bij hem blijkt ook meteen dat de kwade aard van de mens het meest bedreigend is voor wie het dichtst in zijn buurt komt. Binnen de broederschap van het volk Israël wordt het gebod gegeven. En Jezus waarschuwt voor het kwaad worden op eigen broer. Zij die ons het naast zijn, horen soms de hardste woorden. Juist die naaste wordt als broer of buurman of collega nu beschermd door God: Hij zelf beschermt hen tegen wie wij het gemakkelijkst uitvallen.

Geliefde zwakkeren
In de bergrede spitst Jezus deze bescherming van de naaste nog toe. Uit het Oude Testament wist men al dat iedereen die doodslag pleegt, moet terechtstaan. Jezus gaat nu nog verder in zijn onderwijs. Hij zegt dat zelfs iedereen die kwaad wordt op zijn broer moet terechtstaan. Dat dit niet maar bij wijze van spreken wordt gezegd, blijkt uit de twee voorbeelden die Jezus er aan toevoegt. Wie tegen zijn broer in toorn „Raka” (Leeghoofd) zegt, moet terechtstaan voor de Hoge Raad. Voor Joden moet dit een extreme uitspraak zijn geweest. Het Sanhedrin, hoogste gerechtshof in Israël, kon moordzaken overlaten aan de kleinere regionale rechtbanken. Hoe absurd lijkt het dan dat men voor een kleiner vergrijp (een scheldwoord) bij het hoogste hof in Jeruzalem zou belanden! En even vreemd is het tweede voorbeeld. Wie tegen zijn broer zegt „Domkop”, verdient het hellevuur. Moordenaars in Israël verdienden de aardse dood door steniging. Moet men voor een minder vergrijp (een scheldwoord) dan een nog verder reikende straf ontvangen, namelijk de eeuwige dood? Door deze schokkende uitspraken laat Jezus aan de mensen voelen hoe zwaar God tilt aan liefdeloos gedrag tegen de naaste. Mensen vinden het niet zo erg als je een ander een beetje beschadigt: dat is tenslotte nog lang geen doodslag. Jezus leert het ons andersom. Het is niet de vraag of wij onze naaste het ergste besparen, maar of wij hem het beste gunnen! Het gebod om niet dood te slaan blijkt positief bedoeld te zijn: u bent verplicht uw naaste alleen maar goed te doen. God zelf vraagt zo’n positieve houding!
Het is opvallend dat de twee voorbeelden bij de algemene regel van vers 22a betrekking hebben op mensen die minder sterk of verstandig zijn dan wij zelf. Dwazen en leeghoofden. Tegen minderen zet de mens zich het makkelijkst af. Dan blijkt hoe er diep in ons hart hoogmoed en trots wonen. Die trots doortrekt de volken die elkaar ‘onderontwikkeld’ noemen en de personen die elkaar ‘een lagere opleiding’, ‘een minder sociaal niveau’ of ‘een beperkt voorstellingsvermogen’ toeschrijven. Dit soms ongemerkt iets neerdrukken van de naaste is een diepe bron van veel leed, frictie en strijd. Jezus leert ons een andere houding. Schelden doet zeer! Hij leert ons liefde en respect voor onze naaste, ook voor de dwaas en de minder bedeelde. Echte liefde is niet neerbuigend, maar staat naast de ander. Zo is Jezus zelf temidden van zondaren gaan leven. Hij schold niet. En Hij die sterk was, werd zwak om ons. Met minder dan deze liefde mogen wij onze naaste niet onder ogen komen.

Verzoening
Jezus weet dat wij zondigen tegen deze liefde. Het kan ons te binnen schieten (vers 23) dat onze naaste terecht iets op ons tegen heeft. Gods gebod vereist dan schuldbesef en verzoening. Als mensen onderling, die elkaar veel te verwijten hebben, is men vaak tevreden met de formule ‘zand erover’. Maar wanneer wij met God krijgen te maken, is toch werkelijke verzoening vereist. Er is niet alleen een beschermde naaste gekwetst, maar ook de beschermende God is door ons gedrag verdriet gedaan.
(…)
Het is belangrijk dit te leren. Ons omgaan met elkaar speelt zich namelijk toch al af in het openbaar: onze naaste die door ons wordt geminacht schrijft in feite onze dagvaarding voor het laatste gericht. Laten wij op tijd, zolang wij hier op aarde nog met elkaar op weg zijn, ons met elkaar verzoenen en vriendelijk zijn in plaats van te schelden. Anders wordt onze medemens onze aanklager. En de rechter waaraan hij of zij ons overlevert is de wetgever van het zesde gebod. Hij houdt op de jongste dag de hand aan het gebod om lief te hebben. De vraag of wij ons zullen handhaven in onze samenleving met de medemensen wordt uiteindelijk pas beslissend beantwoord door God in het gericht. Daarom is verzoening van levensbelang.

Voorbereiding op het hemelrijk
De manier waarop Jezus het zesde gebod aanscherpt in vers 22-26 laat zien dat Hij het gebod dat tot de ouden gesproken is handhaaft, maar dat Hij gelijktijdig een nog indringender woord heeft voor de mensen die bij de berg naar Hem luisteren. Zijn gezag spreekt door, aansluitend bij de wet van de Sinaï.
Deze ernstige aandrang heeft alles te maken met het komend hemelrijk. De tijd van de volmaakte liefde staat voor de deur. Wie het gelooft, moet alvast gaan oefenen. Wie nu niet om Jezus’ wil het schelden afleert en de vriendelijkheid aanleert, loopt steeds meer achter. Wie gelooft dat de hemel dichtbij is, leert anders omgaan met zijn naaste. Om dat geloof is het Jezus te doen. Het komt onze naaste ten goede en redt ons eigen leven.

Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)

Het onderwijs van de Here Jezus in de Bergrede is zo indringend en zo grondleggend voor het christelijke leven, dat het steeds weer om een gezamenlijke overdenking en bespreking van deze leer vraagt en hoe deze moet worden uitgewerkt en toegepast in de praktijk van ons huidige leven en in de samenleving(en) van vandaag.
Het boekje van dr. Van Bruggen is een aanrader voor persoonlijke Bijbelstudie, maar verdient meer nog gezamenlijke bestudering en bespreking op een Bijbelkring of met een catechese-groep. Het kan heel goed gelezen worden als voorbereiding op of naast het werkje “Navolging” van Dietrich Bonhoeffer. Dit laatst genoemde boekwerkje is wat moeilijker toegankelijk en vergt meer van de lezer(s) dan het boekje van dr. Van Bruggen.
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Ons Dikke IK – onderwijs uit de Bergrede

Doe eerst de balk weg uit uw eigen oog. (Matteüs 7 : 1-12)

Eerst ik
De tijd waarin wij leven kent een toenemende ik-cultuur. Het humanistisch geloof in de mens moet wel uitkomen bij het individualisme van de enkele persoon. De mensheid die God verdringt, heeft geen verweer overgehouden tegen de tyrannie van iedere mens: iedere IK eist zijn eigen ruimte en vrijheid op.
De keerzijde daarvan is een grote tolerantie. Wie ben ik dat ik zou durven ingrijpen in het leven van een ander: is hij of zij niet even vrij als ikzelf? Verdraagzaamheid voor iedereen is het spiegelbeeld van de voorrang voor mijzelf. Mensen laten elkaar vrij om te doen en te laten wat zij willen in een pluriforme samenleving, om ook zelf vrij te zijn voor eigen keuzen.
Er staat in de bergrede een woord dat koren op de molen lijkt van deze moderne verdraagzaamheid. Het is even kort als krachtig: „Oordeelt niet!” Deze uitspraak van Jezus is meer dan eens gretig gebruikt om in de kerk een blaam te leggen op elk ijveren voor binding aan de leer en zuiverhouding van de gemeente. Een predikant kan vreemde ideeën hebben, maar men mag hem daarom toch niet veroordelen? Ook op het terrein van de levensstijl dekt men zich soms in tegen aanwijzingen of vermaningen van anderen: we mogen elkaar toch niet oordelen?
In werkelijkheid is dit gebruik van een woord uit de bergrede misplaatst. Jezus richt zich immers niet tegen onze naaste om hem te verbieden zich met ons te bemoeien. Hij richt zich juist tegen onszelf. En Hij doet dit niet omdat Hij op dit moment opkomt voor de vrijheid van onze naaste, maar omdat Hij bezorgd is voor onze eigen toekomst. De reden voor het gebod ligt in zijn vrees dat wij zelf wel eens het slachtoffer van ons eigen oordeel zouden kunnen worden. Vers 1 luidt immers voluit als volgt: „Oordeelt niet, opdat u(zelf!) niet onder het oordeel valt”. En daarbij denkt Jezus aan het gericht van God. Er is dus wel degelijk een gericht en er gaat werkelijk wel een oordeel over ons doen en laten. Juist omdat wij door God zelf beoordeeld worden, moet ieder allereerst op zichzelf letten. Niet om eigen vrijheid te beleven en te waarborgen voor anderen, maar om allereerst eigen veroordeling voor God te ontgaan.
Bij de uitwerking in de verzen 2-4 blijkt opnieuw dat niet de menselijke vrijheid maar het oordeel van God de achtergrond vormt van Jezus’ spreken. Er komt een gericht: „Met het oordeel dat u velt, zult u zelf gevonnist worden, en u wordt zelf onderworpen aan de maat die u anderen voorhoudt”. Er zijn maten en gerichtsnormen: het leven is niet waardenvrij en niet naar keuze in te vullen. Jezus wil ons niet van het veroordelen afhouden omdat er niets te veroordelen valt, maar omdat wij bij onszelf moeten beginnen: „Ziet u wel de splinter in het oog van uw broer, en geeft u geen aandacht aan de balk in uw eigen oog?” Splinters moeten wel degelijk uit het leven van mijn naaste verwijderd: zijn leven moet aan Gods wet onderworpen zijn. Maar eerst ben ik zelf aan de beurt: laat ik eerst aandacht gaan geven aan mijn eigen misbruik van vrijheden voordat ik loop te kijken naar de tekorten van de ander. Wij kunnen ons bij God nooit rechtvaardigen doordat wij een ander veroordelen. De kerk wordt niet in genade aangenomen omdat zij kritiek kan hebben op de wereld. En een mens kan het hemelrijk niet binnengaan onder verwijzing naar de zonden van zijn naaste.
Jezus leert ons de goede volgorde: „Toneelspeler, doe eerst de balk uit uw eigen oog weg en daarna kunt u nauwkeurig kijken om de splinter weg te doen uit het oog van uw broer”. Eerst ik. Niet in de zin van: eerst mijn cultuur. Maar in de zin van: eerst mijn bekering. Pas daarna ben ik nederig genoeg geworden om de ander niet te veroordelen maar te helpen. Bij de ik-cultuur verdwijnt de ander in de mist van interesseloosheid. Bij de bekering om in te gaan, doemt de naaste juist op uit die mist en wordt hij het voorwerp van onze broederlijke bijstand. Wie eerst zelf van genade leerde leven, kan genadig zijn in het omgaan met de gebreken van de ander.

Mijn maten
In Jezus’ onderwijs volgt nu een woord dat hierbij aansluit. Ook daarin wordt gewaarschuwd voor onnadenkend gedrag dat zich tegen onszelf keert: „Geeft het heilige niet aan de honden en gooit uw parels niet voor de varkens, opdat ze u niet met hun poten vertrappen en zich tegen u keren om uzelf te verscheuren”. Wanneer wij dit raadselachtige woord uit het verband lichten, wordt het heel moeilijk uit te leggen. De geschiedenis van de exegese bewijst dat het dan van alles zou kunnen betekenen. Wij moeten het echter uitleggen in samenhang met de voorgaande verzen. Met andere beelden gaat het opnieuw over het gevaar dat wij anderen (andere dieren) iets willen voorhouden en dat wij daarbij juist zelf te gronde worden gericht.
De bijzondere kracht van de gebruikte beelden moet de eerste luisteraars direct zijn opgevallen. Voor hen moeten Jezus’ woorden wel extreem en absurd hebben geklonken. Het heilige is immers voor de priesters. Alles wat de Israëlieten aan de HERE opdragen en wat niet verbrand wordt op het altaar, is voor hen bestemd. Alleen zij mogen dit heilige eten op een heilige plaats. Het is voor niemand anders. Nu waren er natuurlijk wel grensgevallen en men gaf zich veel moeite om zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen wanneer iemand nog wel of niet meer tot het gezin van een priester kon worden gerekend. Het zou echter bij niemand opkomen om het heilige voedsel, eerstelingengave voor de HERE, achteloos met ander afval buiten de deur te gooien op de vuilnisbelt voor de straathonden. Zelfs het idee kwam niet in hun hoofden op. Waarom niet? Omdat juist het heilige voedsel voor de priesters zelf is: het is hun voorrecht. Ook het tweede voorbeeld voert tot het absurde. Varkens werden niet gehouden in Israël en ze werden zeker niet gevoerd met kostbaar eten. Laat staan dat een vrouw haar parels (in die tijd échte parels!) in de trog zou gooien. Juist het dure sieraad is bestemd om zelf te dragen. Zo hebben beide beelden dezelfde keerzijde: het spreekt geheel vanzelf dat men het heilige als priester voor zichzelf houdt en dat men als vrouw de parels zelf draagt.
Nu spreekt Jezus dit woord in samenhang met zijn aandrang om Gods normen en openbaring allereerst op eigen leven toe te passen. Daarbij passen de gebruikte beelden. Gods openbaring is het heilige woord dat ons gegeven is om er zelf uit te leven. En Gods wijsheid voor het hele leven wordt in het boek Spreuken meer dan eens vergeleken met een halssieraad dat men zelf moet dragen. Wanneer wij onszelf tooien met geloof en goede werken, komt het heilige tot zijn recht.
In Israël hielden velen de wet aan anderen voor zonder er zelf onder te buigen. Men sprak over „de schare die de wet niet kent” en over „heidenen die van geen wet weten”. Israël hield het handvat van de spiegel vast en liet anderen er in kijken. Veroordelend en zichzelf rechtvaardigend. Als een Farizeeër die dankt dat hij niet is als die veroordelenswaardige tollenaar. Tegen dit misbruik van Gods woord keert Jezus zich. Het zal immers leiden tot eigen ondergang. God heeft Israël tenslotte door de heidense Romeinen onder de voet laten lopen. En een christelijke kerk die tekort schoot in heiliging is meer dan eens slachtoffer geworden van de Mohammedanen aan wie men het evangelie trots had voorgehouden. De bijbel geeft geen dekking, maar is gegeven tot bedekking.
De mens die zichzelf wil cultiveren vindt de beste tooi in Gods geboden. Die sieren een mens. Zij doen hem weer tot zijn recht komen als schepsel van God. De echte ik-cultuur vindt zijn maten bij God.

Mijn Vader
In de verzen 7-11 spreekt Jezus over het gebed. Daarover ging het ook al in hoofdstuk 6. Toch is hier geen matte herhaling. Jezus brengt het gebed nu ter sprake in samenhang met zijn aandrang om allereerst zelf naar Gods geboden te leven en eerst de balk uit eigen oog weg te doen. Wanneer we daaraan beginnen blijkt het moeilijk. Van onszelf zijn wij er niet aan toe om ‘goede dingen’ te doen en vast te houden. Wij kunnen ons leven veel sneller optuigen met zelfzucht en egoïsme dan met eerbied voor God en naastenliefde. We zijn vlugger toe aan het veroordelen van wat verkeerd is bij de broeder dan aan het laten zien van wat goed is in ons eigen leven. Hier blijkt hoe goed het is dat Jezus zulke mensen als wij vandaag zijn, voorzichtig maakt met het veroordelen. Wanneer we dat goed doen, komen we immers bij onszelf uit!
Hier is maar één uitweg: het gebed tot onze hemelse Vader. Hij zal het goede (letterlijk: de goede dingen) geven aan hen die Hem daarom bidden (vers 11). Geen balk verdwijnt uit ons oog zonder gebed tot God. Geboden worden niet tot parels om onze hals zonder hulp van onze hemelse Vader.
Daarom leert Jezus ons bij het letten op onszelf, te gaan tot God: „Vraagt en Hij zal u geven. Zoekt en u zult vinden. Klopt en Hij zal u opendoen”. Aardse vaders, die zondaren zijn, weten reeds voor hun kinderen te zorgen. Wanneer die om brood of vis vragen, is niet gezegd dat zij altijd op hun wenken worden bediend, maar het staat wel vast dat een vader dan geen stenen of een slang zal geven. Daarop vertrouwt het kind. Hoeveel te meer mogen wij bij onze heilige en hemelse Vader erop vertrouwen dat Hij ons nooit kwaad voor goed geeft. Misschien geeft Hij wel eens anders dan wij vragen of op een andere tijd, maar dan is het altijd beter en niet slechter voor ons.
Het is niet voor niets dat Jezus het gebed hier uitwerkt in de richting van het zoeken en kloppen. Het gaat om het aankomen bij en binnenkomen in het hemelrijk. Gods woord en zijn geboden zijn gegeven voor onderweg. Wij moeten er zelf uit leren leven als een middel om door dat geloof nu in te gaan in Gods rijk. De bijbel wijst de deur, maar het gebed reikt de sleutel aan. Wie de schat van het evangelie wil bewaren moet de hulp van zijn Vader inroepen. Zoals de ex-Farizeeër Paulus het heeft geleerd: „Als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig. Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit dit doodslichaam? God zij dank door Jezus Christus, onze Here!” (Romeinen 7, 21-26).

Mijn medemensen
Het is nu duidelijk waarom vers 12 een slotsom kan zijn: „Alles dus wat u wilt dat de mensen u doen, doet ook u hun zo: dat is de wet en de profeten”. God die ons eens zal oordelen, is ons nu genadig en Hij heeft geduld opdat we nog de tijd hebben om te zoeken, te kloppen en te vinden. Zo moeten ook wij onze medemensen met alle geduld en liefde terecht helpen. Niet veroordelend, maar zorgend. Niet als rechters maar als broers. Zoals ook onze Rechter onze Vader wil zijn.
De hele bijbel (wet en profeten) is hier in een notedop. Wet en profeten zijn ons niet gegeven om bij voorbaat hard op te treden tegen elkaar, maar om zelf de weg naar Gods genade te vinden en onze naaste op die weg te helpen. Gods bijbel wil behouden voordat het oordeel komt. Zo zijn wij als mensen geroepen om niet langer onze belangen te beschermen tegen de naaste, maar zijn belang te behartigen als ons eigen belang. Gods ik-cultuur schept een menselijke gemeenschap waarin de liefde genadig de zelfzucht uitbant.

Extra: De visuele mens

De lamp van het lichaam is het oog. Als dus uw oog zuiver is, zal heel uw lichaam verlicht zijn (Matteüs 6 : 19-24)

Volgens velen is de mens in de twintigste eeuw veel meer dan vroeger een visueel ingestelde mens. De kerk zou zich daarbij moeten aanpassen. De tijd voor een preekkerk met luisterdiensten is voorbij. Zelfs moet men zich niet teveel meer voorstellen van een traditionele leesbijbel. De toekomst is aan het zien en aan de audiovisuele communicatie. Nu is het de vraag of de mens niet altijd een visueel ingesteld wezen is geweest. Het zou wel eens kunnen zijn dat er niet iets is veranderd met onze oren die minder zouden kunnen bevatten, maar dat er iets veranderd is met onze ogen en ons kijken. De moderne mens kijkt veel, maar ziet weinig. De ogen zijn blind geworden. De mens weigert oog te hebben voor de hemel, voor God de schepper, voor engelen en duivelen, voor een leven na de dood en een wereldgericht. En nu het oog verkeerd is doordat het niet verder wil kijken dan de zichtbare horizon, wordt het leven verduisterd.
In deze tijd is het goed om te leren dat de lamp van ons lichaam het oog is. Het is van grote betekenis hoe we zien en waarnaar we kijken. Wanneer ons oog zuiver is, kijken we met vreugde naar alles wat goed is en lof verdient: het kijken naar goede voorbeelden leert ons volgen. En we zien met tegenzin naar wat niet deugt en speculeert op verkeerde eigenschappen of gevoelens: we leren een afkeer krijgen van het kwade. Het zuivere kijken houdt ons leven fris en houdt het uitzicht op de hemelse schat vrij.

In deze visueel ingestelde tijd moeten we leren dat het oog niet een neutraal ontvangstation is, maar een lamp voor ons lichaam. Deze lamp moet schijnen. Doordat het oog op God, de enige Meester, is gericht. Boven de boekenkast en de televisie kunnen we een oorspronkelijke wandtekst hangen: „De lamp van het lichaam is het oog. Als dus uw oog zuiver is, zal heel uw lichaam verlicht zijn.” (1)

Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad. (Psalm 119 : 105)

(1) We moeten bij dit beeld wel voor ogen houden, dat het oog nooit zelf lichtbron is. Alleen wanneer het oog zich richt op het licht (hier Gods Woord!), wordt het oog voor het lichaam een lamp, waardoor het lichaam niet meer in de duisternis verkeert en zich kan voortbewegen zonder zich aan van alles te stoten of over van alles te struikelen en wordt (ernstige) verwonding van het lichaam voorkomen.

Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)

Het onderwijs van de Here Jezus in de Bergrede is zo indringend en zo grondleggend voor het christelijke leven, dat het steeds weer om een gezamenlijke overdenking en bespreking van deze leer vraagt en hoe deze moet worden uitgewerkt en toegepast in de praktijk van ons huidige leven en in de samenleving(en) van vandaag.
Het boekje van dr. Van Bruggen is een aanrader voor persoonlijke Bijbelstudie, maar verdient meer nog gezamenlijke bestudering en bespreking op een Bijbelkring of met een catechese-groep. Het kan heel goed gelezen worden als voorbereiding op of naast het werkje “Navolging” van Dietrich Bonhoeffer. Dit laatst genoemde boekwerkje is wat moeilijker toegankelijk en vergt meer van de lezer(s) dan het boekje van dr. Van Bruggen.

Uit Psalm 119 – NBV

9 Hoe kan wie jong is zuiver leven?
Door zich te houden aan uw Woord.

11 Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen,
zo zal ik niet tegen u zondigen.

15 Uw regels wil ik overdenken,
het oog op uw paden gericht.

18 Neem de sluier van mijn ogen – dan zal ik zien
hoe wonderlijk mooi uw wet is.

37 Houd mijn ogen af van wat leeg is,
laat mij uw wegen gaan, en leven.

41 Laat mij, HEER, uw trouw ervaren,
red mij, zoals u hebt beloofd.

65 U bent goed geweest voor uw dienaar,
HEER, zoals u hebt beloofd.

73 Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd,
schenk mij inzicht, dan leer ik uw geboden.

82 Mijn ogen smachten naar uw belofte,
wanneer zult u mij troosten?

96 Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar uw gebod is grenzeloos ruim.

105 Uw woord is een lamp voor mijn voet,
een licht op mijn pad.

123 Mijn ogen smachten naar de redding die u brengt,
naar de gerechtigheid die u hebt beloofd.

130 Als uw woorden opengaan, is er licht
en inzicht voor de eenvoudigen.

141 Al ben ik maar klein en niet in tel,
ik ben uw regels niet vergeten.

142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor eeuwig,
en uw wet is waarheid.

162 Ik verblijd mij over uw woord
als iemand die rijke buit vindt.

164 Zevenmaal daags loof ik U
om uw rechtvaardige verordeningen.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Uitleg gelijkenis van de Zaaier

18 Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier.
19 Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide. 20 De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt; 21 maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val. 22 De in de dorens gezaaide is hij, die het woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij/zij wordt onvruchtbaar. 23 De in goede aarde gezaaide is hij/zij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.

16 Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! 17 Want ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.

Persoonlijke notities – AJ:
1.
Let er op dat blijkbaar bij ieder die het Woord hoort het zaad (het Woord) tot in het hart komt. Dat is de macht van Gods Woord onder het werk van de Heilige Geest. Maar, geven wij het Woord en de Geest ook de gelegenheid om (blijvend) werkzaam te zijn in ons hart en leven?! Dat is onze verantwoordelijkheid! Wij moeten de Geest niet bedroeven en weerstaan of zelfs blussen en uitdoven door onze (onverschillige) luisterhouding en levenspraktijk.
2. Wanneer we de Geest blijven weerstaan en ons daarvan niet bekeren, dan kan ons het oordelende Woord – dat ook in Matteüs 13 te horen is – treffen, namelijk dat we “horende niet (meer) zullen/mogen verstaan en ziende niet meer zullen/mogen opmerken en genezing/redding vinden”.
3. De zalig-(gelukkig-)prijzing van Jezus geldt voor heel de Nieuw Testamentische gemeente die het Woord mag en wil horen. Daar kunnen we God nooit voldoende naar waarde voor danken en loven met onze woorden en daden. Maar laten we dat natuurlijk wel zoveel mogelijk doen in onze samenkomsten – vooral na de verkondiging – en in en met ons (samen)leven in gezin en samenleving.

Lees ook: Verlangen naar meer van de Geest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie