Israël: zout der aarde?!

U bent het zout van de aarde;

(…) Paulus omschrijft het als volgt (1):
“U weet zich een leidsman van blinden, een licht voor hen die in duisternis zijn, een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, omdat u in de wet de belichaming hebt van kennis en waarheid” (Romeinen 2, 17-21).

(…) In de bergrede benadrukt en beaamt Jezus de bijzondere positie van Israël. Hij richt zich tot de scharen uit Israël en zegt dan onvoorwaardelijk: „U bent het zout van de aarde; u bent het licht van de wereld” (Matteüs 5 : 13-14). Deze woorden betreffen niet alleen de leerlingen van Jezus. Zij gaan immers vergezeld van een dreiging en een aansporing. De gehele bergrede is onderwijs voor de schare en Jezus zou, evenals in vers 11, zeker meer voorwaardelijk hebben gesproken wanneer Hij zijn woorden wilde beperken tot mensen die zijn leerlingen waren geworden. Bij zijn komst op aarde begint ook Jezus bij Israël. Daar heeft God een stad op een berg gebouwd: Jeruzalem, dat als Sion het baken is voor de wereld. En daar heeft God in zijn wet het licht ontstoken dat nu op de kandelaar, op de menora Israël, schijnt voor de volken overal waar maar synagogen zijn. Gods zoon begint bij het volk waarop God zich in deze geschiedenis was gaan terugtrekken om van daaruit de volken terug te winnen.

Het licht voor de wereld

In zijn woorden aan Israël laat Jezus voelen hoe God bij die volken wil uitkomen. De benaming „zout der aarde” is geen erenaam. Zout wordt niet op zichzelf gewaardeerd en gegeten: het wordt op prijs gesteld wanneer het andere voedsel daardoor smakelijk wordt. En licht is er niet om zichzelf: licht wordt niet zuinig opgeborgen onder de korenmaat die altijd wel ergens in het oosterse huisje rondslingert. Licht wordt gewaardeerd omdat we nu elkaar kunnen zien: in de éénkamerwoning die het oosterse huis vaak is, ziet iedereen elke andere aanwezige dankzij het licht. Zout en licht zijn er voor de omgeving. Zo is Israël buiten gebruik voor de wereld opeens niet meer interessant en niets bijzonders.

Deze uitspraken van Jezus liggen in het verlengde van allerlei woorden van profeten in het Oude Testament. Het bijzondere is echter dat Hij ze nu verbindt aan de zaligsprekingen die er onmiddellijk aan voorafgingen. De verzen 13-16 vormen een soort nawoord bij die zaligsprekingen en deze worden daardoor bij het volk aangescherpt. Na de verzen 3-12 is het niet onduidelijk hoe de smaak van het zout moet zijn: het moet naar Jezus smaken. En het is ook duidelijk welke kleur het licht moet hebben: het moet de glans van Christus verspreiden. De oproep om zachtmoedig te zijn en terwille van Jezus zelfs vervolgd te willen worden, landt nu in het volk dat tot op heden een vuurtorenfunctie in de wereld had. Dit volk moet zijn functie vervullen door de zoon van God, tot Israël gezonden, bekend te maken en te belijden in de wereld. De genezingen en wonderen die stralend zijn verricht onder het volk, juist onder dit volk, activeren het opnieuw om in deze tijd wereldzout en volkerenlicht te wezen.
De goede werken die Israël aan de wereld moet tonen, zijn de goede werken van de zaligsprekingen, de werken van het geloof in de gekomen en gezaghebbende Messias. Hij is het Licht van de wereld. En Hij is opgegaan in Israël. Laat het volk op dit moment opnieuw zijn roeping voor de mensheid verstaan!

Deze oproep is niet vrijblijvend. Jezus verbindt er een bedekte waarschuwing aan: smakeloos zout is nutteloos, het wordt buiten de deur gegooid, zoals zoveel afval in het Oosten op straat belandt, en de mensen lopen het plat. Jezus gebruikt een opvallende uitdrukking. Hij spreekt over zout dat ‘dwaas wordt’. Zo voelen we dat het niet over echt zout gaat, maar over mensen. Een volk kan dwaas worden door Jezus te verwerpen. Wanneer dat volk zout voor de wereld is, wordt het daarmee ook smakeloos. Het wordt onder de voet gelopen. Dit is gebeurd: in het jaar 70 valt de stad die op een berg was gebouwd onder de stormloop van de Romeinen en het Joodse volk heeft, voor zover het onchristelijk bleef, daarna geen betekenis meer gehad voor de volken om hen te leiden naar Gods rijk. In de plaats van Gods rijk kwam het volk als natie centraal te staan. Maar wat is zout zonder smaak? En welke betekenis heeft een kandelaar, een menora, wanneer het Licht voor de wereld, Jezus Christus, daaraan ontbreekt? Jezus heeft Israël tijdig willen bewaren voor nationale betekenisloosheid en daarom spoort Hij het volk in de bergrede aan: ontvang en weerkaats Gods licht in de duisternis!
(…)

(1) Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)

37 Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild! 38 Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten. 39 Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt: Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere!
(Uit Matteüs 23 – HSV)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

De mens: twijfelaar of bedelaar?

Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet.
(Spreuken 3 : 5)

Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
(Mattheus 5 : 3)

Zie ook: Wat te doen als je nog twijfelt?

Wanneer we twijfelen (en bedoeld is dan een op een bepaalde manier twijfelen aan Gods openbaring in en door het Woord en aan Gods goede bestuur), dan menen wij iets te hebben, waarmee wij ons als mens(en) groot kunnen houden of groot kunnen maken tegenover God. Dan menen wij te kunnen en mogen opmerken, dat Hij ons op een bepaalde manier tekort doet en dat Hij tegenover ons tekort geschoten is of tekortschiet om te laten blijken wie Hij (werkelijk) is en waarom er op Hem en Zijn doen en laten niets aan te merken zou zijn. Op basis van ons zien en horen, denken en redeneren, menen wij vaak (goede) gronden te hebben om aan zijn almacht en aan Zijn goedheid en vriendelijkheid jegens ons te kunnen en mogen twijfelen (1). Sommigen gaan daarbij zelfs zo ver, dat ze menen dat er (genoeg) redenen zijn om ook aan Gods bestaan te mogen en kunnen twijfelen en sommigen willen hierbij zelfs van een “moeten” spreken. We zoeken de schuld van de moeite en ellende van de mens(heid) en Schepping niet (meer) bij de mens zelf en we aanvaarden niet (meer) wat ons daarover geopenbaard is, maar we leven dan (deels) bij door onszelf verworven inzichten en opvattingen en die houden we dan (liever) onszelf en/of anderen en ook aan God voor. Ook zijn er mensen, die er wel enigszins prat op lijken te gaan, dat ze ondanks huns inziens “gerechtvaardigde” twijfels, toch zeggen willen en kunnen (2) dat ze in God (van de Bijbel!) blijven geloven…

Wanneer we echter uit Gods Woord hebben leren verstaan (begrijpen) en aanvaarden – en velen hebben dat toch van jongs af gehoord en geleerd – dat wij in deze wereld niets goeds en geen goed van onszelf bezitten en meebrengen en kunnen inbrengen, omdat wij op deze aarde (sinds de zondeval) als “straatarme” bedelaars geboren worden en daarom als bedelaars hebben te leven. Alles wat wij hier op aarde bezitten, aan gezondheid en andere gaven, is ons uit genade geschonken en kan daarom niet als ons eigendom worden beschouwd. Dat geldt voor de aan ons geschonken gaven om te horen en zien, om te geloven en aanvaarden, om te denken en te redeneren, als ook voor de gaven die ons in materiële zin geschonken zijn en worden. Als bedelaar in deze wereld leven betekent dan ook steeds weer bereid zijn om uit Gods Woord te vernemen en leren hoe wij dat bedelaarsbestaan – het leven met en van alle geschonken gaven – in praktijk hebben te brengen. Dat te willen leren begint steeds weer met ons klein te maken voor God om gehoorzaam te kunnen luisteren naar wat Hij ons vanaf het begin van deze wereld al geopenbaard heeft en ook in onze tijd door zijn Woord en Geest nog aan ons openbaren wil. En met dat klein worden en buigen voor Hem om te luisteren naar Hem, heft Hij ons harten en  hoofden omhoog, namelijk door het Woord dat Hij tot ons spreekt, omdat Hij ons daarin doet horen Wie Hij is, waarom Hij al onze verwachting waard is en waarom wij ook onder alles en altijd weer alles van Hem mogen verwachten. En waarom ons bedelaars bestaan beslist geen armoedig bestaan is wanneer we al onze verwachting op Hem stellen.

Sinds de schepping wordt de goddelijke herkomst ervan en eeuwige kracht daarin met het verstand doorzien  en sedert de komst van de Here Jezus hier op aarde heeft God zich volledig tot ons mensen uitgesproken in en door zijn Zoon. Van Gods kant is ons mensen dus volkomen duidelijkheid gegeven. Zijn Heilige Geest, die ons daarvoor de ogen openen moet, wordt ons geschonken op het gebed. Om de aanwezigheid en bijstand  van de Geest van Christus vragen wij dagelijks in het Onze vader gebed, namelijk in de bede om ons dagelijks brood. Uit Jezus op aarde gesproken woorden mogen wij ook zeker weten, dat de Heilige Geest ons geschonken wordt aan allen die God daarom eerbiedig vragen (o.a. Lukas 11 : 13). Wij moeten ons twijfelen daarom beslist ook leren zien als  een weerstaan van de Heilige Geest en ons door Hem laten ontwapenen van onze twijfels en laten wapenen tegen onze twijfels (3 – 2 Kor. 10). Een sterk wapen dat Hij ons hiervoor in handen geeft is de lofprijzing, die ons door Gods Woord in woorden en lofzangen – m.n. in de Psalmen – op de lippen gelegd wordt. Uiteindelijk behoort heel ons leven – dus al ons doen en laten – een dankoffer te zijn aan God. Dat lukt ons niet in eigen kracht en zal hier ook niet de volmaaktheid bereiken. En toch wordt er in de Bijbel gesproken van dertig, zestig en honderdvoudig vrucht dragen van zaad dat eerst (zelf) gestorven is…

Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. (Romeinen 1 : 20)

Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon… (Hebr. 1 : 1-2)

Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn? (Genesis 18 : 14)

Ik weet dat niets buiten uw macht ligt en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is. (Job 42 : 2)

Zie, Ik, de HERE, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn? (Jeremia 32 : 27)

Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 11 Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ (Lukas 13 : 9 -13)

En over de rechtvaardigheid die op grond van geloof geschonken wordt staat geschreven: ‘Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel?’ – en dat betekent: wie zal Christus naar beneden brengen? 7 Of: ‘Wie zal afdalen naar de onderwereld?’ – en dat betekent: Christus bij de doden vandaan naar boven brengen. 8 Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dicht bij u. 9 Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. 10 Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered. 11 Want de Schrift zegt: ‘Wie in hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’  (Romeinen 10 : 6-12)

(1) Wij christenen moeten bijvoorbeeld leren zien en erkennen, dat allerlei ellende in de wereld, bijvoorbeeld de grote vluchtelingenstroom, gevolg is van zondeschuld van de mensheid en gebrek aan (invloed van het) Evangelie in deze wereld. Deze zondeschuld is er dus beslist niet in de laatste plaats vanwege ons christenen, want wij hebben ons veel te weinig en vaak ook veel te laat ingespannen om het Evangelie aan alle volken te verkondigen. Wanneer we de inspanningen voor verbreiding van het Evangelie na WO II eens vergelijken met de inspanningen en offers die gebracht zijn om ons in WO II te bevrijden van het Duitse juk, dan dringt misschien tot ons door hoezeer wij met onze inspanningen (inzet van mensen en middelen) voor de verbreiding van het Evangelie en het in praktijk brengen ervan tekort geschoten zijn en nog steeds tekort schieten…
(2) Bedoeld wordt dat het zo gebracht wordt, dat het lijkt alsof ze dit uit eigen (denk)kracht kunnen en willen presteren.
(3) Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, 4 want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, 5 zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, 6 en gereed staan, zodra uw gehoorzaamheid volkomen is, alle ongehoorzaamheid te straffen. (2 Korintiërs 10 : 3-6)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Reformatieherdenking: Goede sier met Luther?!

Maar wie roemt, roeme in de Here (2 Korintiërs 10 : 27)

Was het “om ons” dat Luther zich tegen de Joden keerde?

Wanneer we letten op grote Bijbel-heiligen als Mozes, David, Elia en Paulus, dan begrijpen we waarschijnlijk wel waarom juist ook uit hun levens blijkens moest, dat zij mensen van gelijke bewegingen waren als wij. Ook hun levensgeschiedenissen getuigen van boze daden en donkere perioden en het waren mensen die evengoed als wij van genade moesten (leren!) leven en die tot het eind van hun leven strijd hadden te voeren tegen hun oude mens, de wereld en de boze.

Wanneer Luther nu eens niet dat gewraakte boekje had geschreven. Dan was er misschien reden geweest om hem bij de komende Reformatieherdenking te willen en kunnen presenteren aan de kerken en aan de wereld als een “voorbeeldige heilige”. Van jongsaf worstelde hij immers met zijn zonden en al jong wijdde hij zichzelf aan de kerk en hij was bereid om zijn leven te verliezen in dienst aan het Evangelie  (bijvoorbeeld door te gaan naar de Rijksdag te Worms, 1521). Hoe heeft hij het Evangelie van Gods liefde en genade voor zondaars mogen verkondigen en wat wilde hij een tijd lang ook de Joden liefdevol tegemoet treden. Maar toch schrijft Luther op latere leeftijd “dat boekje” waarvan de inhoud zo indruist tegen wat het Evangelie ons leert. Daar wordt bijna iedereen, juist ook degenen die Luther ook nu nog op zijn hoogst als Reformator willen en weten te waarderen, verlegen mee en stil van. Want heeft juist Luther in zijn leven niet zelf zo bijzonder mogen zien en ervaren de waarheid van Paulus gevangenschapswoorden “maar Gods Woord is niet geboeid”. Door de kerk werd Luther in de ban gedaan, zijn boeken werden verbrand, zijn volgelingen gemarteld en gedood, maar het door hem opnieuw ontdekte “Evangelie van genade en geloof alleen” ging ondanks al dit (kerkelijk!) geweld toch heel Europa door en werd door velen hartelijk aanvaard en openlijk beleden.

Luther heeft al wel zijn volgelingen en ons voor zoiets (zo’n “misser” als dat boekje van hem) willen en kunnen en mogen waarschuwen. Een voorbeeld daarvan is wat hij schreef over “De Goede Herder”. Dit soort waarschuwingen kwamen voort uit zijn opmerkzaam luisteren naar Gods Woord. Vanwege dat goed willen en goed kunnen luisteren naar Gods Woord, valt er ook voor mensen van onze tijd nog steeds erg veel van Maarten Luther te leren. Uit de werken die Luther ons heeft nagelaten wordt ook in Nederland nog regelmatig gepubliceerd! Zie bijvoorbeeld de publicaties op www.maartenluther.com.

  • Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? (Rom. 7 : 24)
  • 5 Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom. 7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. 8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk. 9 Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij. (Uit 1 Korintiërs 3)
  • 21 Laat daarom niemand roemen in mensen, want alles is van u: 22 hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij tegenwoordige dingen, hetzij toekomstige dingen, alles is van u.
    23 U echter bent van Christus en Christus is van God. 
    (Uit 1 Korintiërs 3)
  • Mijn genade is u genoeg (2 Korintiers 12 : 9)
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de ernst van de Doop

Woorden van Maarten Luther:

Dit zeg ik, omdat ik [Luther] dagelijks zie en hoor, met hoeveel laksheid en weinig ernst, om niet te zeg­gen lichtvaardigheid, men het hoogheilige, troostrijke sacrament van de doop bedient aan kinderen. Eén van de oorzaken daarvan is, meen ik, dat de mensen die er omheen staan, niets begrijpen van wat er gezegd en gedaan wordt.

Ik vraag echter vanwege de christelijke trouw, dat allen die dopen, die kinderen ten doop houden en die er omheen staan, het voortreffelijke werk en de grote ernst, die hierin gelegen is, ter harte te nemen. Want in de woorden van deze gebeden hoort u met hoeveel zorg en ernst de christelijke kerk het kindje tot de doop brengt en met zo onweerlegbare, ontwijfelbare woorden voor God belijdt, dat het in de macht van de duivel is en een kind is van zonde en onge­nade. U hoort hoe ijverig de kerk door de doop om hulp en genade vraagt, opdat het een kind van God mag worden (beter: Ook echt als gedoopt kind van God zal leven en Gods Geest niet weerstaan, maar bij het groeien naar zelfstandigheid en volwassenheid zal toenemen in genade bij God en mensen (=wedergeboren léven) – zie ook (1),(2), (3) en (5!) onderaan deze pagina – AJ).

Daarom moet u bedenken dat het beslist geen grap is, tegen de duivel in te gaan, en die niet alleen van het kindje weg te jagen, maar ook het kindje deze machtige vijand zijn leven lang op de nek te schuiven. Het is dus hard nodig het arme kindje met het hele hart en met een sterk geloof bij te staan, en om zeer aandachtig te vragen of God het, zoals deze gebeden zeggen, niet alleen uit de macht van de duivel verlost, maar het ook zo sterk maakt dat het tegenover hem als een ridder standhoudt in leven en sterven. En ik maak me er zorgen over dat het ook daarom met de meesten na hun doop zo slecht gaat, omdat men zo koel en nalatig met hen is omgegaan, en bij de doop zo totaal  zonder ernst voor hen heeft gebeden (2)

Let erop dat u in het ware geloof staat, naar Gods Woord luistert en ernstig meebidt. Want als de dienaar zegt: ‘laten wij bidden’, dan vermaant hij u steeds om met hem mee te bidden. Ook zullen alle doopouders en degenen die er omheen staan, mét hem de woorden van zijn gebed tot God in hun hart spre­ken. Daarom zal de dienaar deze gebeden heel duidelijk en langzaam spreken, zodat de ouders het kunnen horen en verstaan en de ouders ook eensgezind in hun hart met de dienaar meebidden (2). Zij zullen de nood van het kindje in alle ernst voor God neerleggen, en ook zelf met al hun vermogen vóór het kind tegen de duivel strijden. Zodat het duidelijk blijkt dat het ernst bij hen is en dat de duivel geen bedenksel is.

Das Taufbüchlein verdeutschet, 1523, vgl. WA 12, 47, 24 – 48, 3 (verkort)
(1) Hierbij opgemerkt dat een mensenkind van nature “aan de toorn van God onderworpen is”, maar dat kinderen van gelovige, biddende ouders geboren worden en leven onder al Gods beloften in Christus toegezegd (Zijn genadige toezeggingen (2) én Zijn toornige bedreigingen) aan zijn volk/gemeente. De gelovige ouders mogen dit voor de ogen van de hele gemeente ook aan hun nieuw geboren kindje door de Doop laten bevestigen en de hele gemeente spreekt in het dankgebed na de Doop hierop haar amen uit. Zie ook: Dankzegging na de doop (klassiek doopformulier)
(
2) Zie de belofte om de Heilige Geest te schenken op het gebed in Lukas 11: 9 Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 11 Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12 Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13 Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’
(3) Ons burgerrecht ligt vast in de hemel, niet in onszelf, bijvoorbeeld in Fillipenzen 3: 20 Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21 Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.

(5) Tenslotte: Voor we nu gaan menen, dat bij de Doop toch vooral onze ijver en onze ernst bij het smeken tot onze drie-enige God voor de dopeling van het meeste belang zijn, moeten we (leren) beseffen, dat waar de Heilige Doop in het midden van de gemeente in de Naam van en onder de aanroeping van onze drie-enige God is bediend, alles bepalend is, dat onze drie-enige God zich hier met een eed aan deze dopeling verbonden heeft. Hoe anderen ook met zijn Doop zijn omgegaan of wat anderen later ook van deze Doop mogen zeggen, de dopeling mag zich er altijd op beroepen bij onze drie-enige God en dan zal Hij gehoor vinden. Dat is hem bij de Doop vast en zeker beloofd door onze drie-enige God in wiens spreken tot ons en handelen met ons geen sprankje leugen en duisternis is. Ook niet bij de bediening van onze Doop. Juist bij de Doop betekenen wij mensen niets en laat onze drie-enige God de gemeente zien en belijden, dat Hij in het midden van zijn gemeente is en zal zijn “alles in allen”. Want wij delen niet alleen in Jezus dood, maar hebben ook deel aan zijn opstanding (1 Korintiërs 15).

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Paulus op de Areopagus

o Was Paulus meer geschikt om in Athene het Evangelie te verkondigen dan de andere Apostelen?
o Kon hij door achtergrond en opleiding de boodschap beter afstemmen en aannemelijk maken?
o Wist Paulus hoe hij zijn prediking “naadloos” moest laten aansluiten bij de heersende cultuur?
o Waarom in Athene slechts “enige” bekeerlingen en in een stad als Korinthe “veel”? 
18 De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. 19 Er staat namelijk geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’ 20 Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? 21 Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. 22 De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. 24 Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, 25 want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen. (Uit 1 Kor. 1)
27 Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; 28 wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. 29 Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. (Uit 1 Kor. 1)
1 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. 2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. 3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; 4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, 5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God. (Uit 1 Kor. 2)
19 Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ 20 En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’ 21 Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; 22 of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van u. 23 Maar u bent van Christus en Christus is van God. (uit 1 Kor. 3)
13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. (Uit 1 Kor. 3)
20 Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht. (Uit 1 Kor. 4)
7 Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God. (Uit 2 Kor. 4)
3 We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. 4 De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer 5 en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen 6 en zullen op het moment dat u hem volledig gehoorzaam bent geworden, paraat staan om anderen voor hun ongehoorzaamheid te straffen. (Uit 2 Kor. 10)
12 We zijn niet zo overmoedig ons te vergelijken met degenen die zichzelf zo aanprijzen, laat staan ons aan hen gelijk te stellen. Zij tonen hoe dom ze zijn door zichzelf als maatstaf en norm te nemen. (Uit 2 Kor. 10)
18 Wanneer er zo velen zijn die zich op hun afkomst laten voorstaan, zal ik dat ook maar doen. 19 U, die zo verstandig bent, verdraagt dwazen toch met het grootste gemak. 20 Tenslotte verdraagt u het ook dat men u tiranniseert, uitzuigt, onderwerpt, zich boven u verheft en u beledigt. 21 Nu, ik moet u tot mijn schande bekennen dat wij daarvoor te zwak zijn geweest. Als anderen over zichzelf durven op te scheppen, durf ik het ook. Ik ben toch maar een dwaas.22 Zijn zij Hebreeën? Dat ben ik ook. Zijn zij Israëlieten? Dat ben ik ook. Zijn zij nakomelingen van Abraham? Dat ben ik ook. 23 Zijn zij dienaren van Christus? Ik ben zo gek dat ik durf te zeggen: ik nog meer. Ik heb harder gezwoegd, heb vaker gevangengezeten, heb veel meer lijfstraffen ondergaan, ben vaker in doodsgevaar geweest. (Uit 2 Kor. 11)
Wij apostelen zijn net als Christus zwak, maar u zult merken dat wij net als hij leven door Gods kracht. (Uit 2 Kor. 13)
7 Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. 8 Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen… (Uit Filippenzen 3)
11 Ik verzeker u, broeders en zusters, dat het evangelie dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht 12 – ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd – maar dat Jezus Christus mij is geopenbaard. (Uit Gal. 1)
16 Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, raakte hij hevig verontwaardigd bij het zien van de vele godenbeelden in de stad. (Uit Hand. 17)
30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; 31 omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken. 32 Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen. 33 Aldus vertrok Paulus uit hun midden. 34 Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen.  (Uit Hand. 17 – Areopagus rede)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Worden als de Vader?! (2)

Dat kan niet anders dan in navolging van Jezus…

Het volgen van Jezus

25 Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei: 26 ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. 27 Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.
28 Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? 29 Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen 30 en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.” 31 En welke koning die eropuit trekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? 32 Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen. 33 Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn. 34 Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? 35 Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’

Vraag 43 HC:  Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis?
Antwoord:  Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven, opdat de slechte begeerten van het vlees (lichaam) in ons niet meer regeren, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid.

De vraag luidt: Wat is voor ons nog meer de waarde?
Ja, want over de vergéving van onze zonden hebben we al meer dan eens gesproken. Maar we moeten ook nog spreken over het nalaten van onze zonden. Daartoe worden we in staat gesteld door Christus’ Geest. Die Geest heeft gezorgd voor de Bijbel, Gods Woord. Dit woord moet ons van jongsaf worden gepredikt: in het ouderlijk huis, op de christelijke school en door de ambtelijke prediking op de christelijke rustdag. Daardoor worden we dan al inniger tot een rank van Christus, de Wijnstok (Johannes 15). Paulus noemt dit vaak “in Christus zijn”. Bijvoorbeeld in Romeinen 6. Denk eens aan uw Doop. Kunnen zulke mensen nog gewoon doorgaan met een zondig leven? Natuurlijk niet. ”
3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. 5 Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens mede gekruisigd is, opdat aan het lichaam van de zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn. (Romeinen 6 : 6-2).
Hetzelfde onderwijs heeft Petrus gegeven aan de christenen in Klein Azië (1 Petrus 1-4).
Het doden van onze oude natuur, van onze oude mens, van onze leden die op de aarde zijn, van ons lichaam van de zonde, van ons vlees, van de zonde die nog in ons woont (allemaal Bijbelse uitdrukkingen voor één en dezelfde zaak) is te danken aan het kruislijden van de Here Jezus. Omdat de Geest ons door het geloof met Hem verenigd heeft. Daarom zegt Paulus: “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, (gebleken in het zenden en in de dood van Christus) dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en God welgevallig offer” (Romeinen 12 : 1).

Bron: De Heidelbergse Catechismus – Bijbels leerboek over de enige troost (ds. C. Vonk)

Zie ook: Groeien in zelfvergeving, zelfacceptatie en zelfvertrouwen…

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Groeien in zelfvergeving, zelfacceptatie en zelfvertrouwen…

… of groeien in Godsvertrouwen?!

Uit de Genesis Voorlezing, 1535-1545 (3)

‘En [hij] sprak tot zijn broeders: ik ben Jozef’ (Genesis 45:3, weergave DB 1545)

(Vervolg van 3-8-2015) Precies op deze manier is het ook met de gedachten, de opstand en de achterdocht van de godzaligen als zij hun eigen denkbeelden over God vormen. Want wat zij over God denken zijn allemaal enkel verkeerde en verzonnen dingen. Wij kunnen immers niet begrijpen wat God in werkelijkheid met Zijn raad en voorzienigheid bedoelt. ‘Wat Ik doe, dat weet u nu niet’, zegt Christus tegen Petrus (vgl. Johannes 13:7), ‘hierna zult u het echter verstaan. Nu zal Ik uw voeten wassen. Wat echter dat wassen betekent en wat Ik daarmee bedoel, begrijpt u nu nog niet.’

Zo begrijpen wij ook Gods raad en wil niet in een tijd van lijden en droefheid. Daarom ontzetten zij zich zo verschrikkelijk die bedroefd en gestraft worden, en hebben zij te strijden met ongeloof, opstand en ongeduld tegen God; en bovendien nog met wanhoop. Wanneer zij echter door Gods hulp zich aan het geloof en de hoop houden, zodat zij de moed niet geheel verliezen, dan komen zij alles te boven. Want God rekent hen het klagen en morren niet toe als zonde. Daarna echter komt Hij en zegt: ‘Ik ben de Heere, uw Heiland.’

‘Dat wist ik niet’, zegt het verstand. ‘Ik kon niet anders denken dan dat ik aan het woeden en de macht van de duivel was overgegeven.’ Want onze oude natuur kan niet geduldig verdragen dat zij afsterft en ondergaat. Zij begrijpt ook niet dat de verzoeking slechts een loutering is: daarom schrikt zij ervoor en wordt ongeduldig en opstandig. Zodoende is het noodzakelijk dat het geloof in het Woord erbij komt, opdat we de hand des Heeren kunnen dulden en verdragen, en weten waaraan wij ons zullen houden en waarin wij zullen berusten.

Maarten Luther: Vorlesung über 1. Mose von 1535-45, vgl. WA 44, 585, 1-17

Bron: www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Worden als de Vader?! (1)

43 U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben
en uw vijand moet u haten.
44 Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken;
doe goed aan hen die u haten;
en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;
45 zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is,
want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
46 Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan?
Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
47 En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen?
Doen ook de tollenaars niet zo?
48 Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.
—

Jezus in de Bergrede – Matteüs 5

Wanneer we de tekst uit de Bergrede “Gij dan zult volmaakt zijn, zoals uw Vader in de hemelen volmaakt is” in praktijk willen brengen in het licht van wat de Schrift ons leert over de Vader en de Zoon en over onszelf, dan weten we dat dit tevens moet inhouden dat we een volmaakte afkeer van het kwaad krijgen en daarom ook een afkeer van onszelf, zoals wij mensen van nature zijn. Dan weten we – in het licht van heel de Schrift – dat dit een onmogelijke opdracht is, tenzij Christus in ons mag en gaat volbrengen wat wij zelf niet kunnen (1). Alleen zó leren we het “Onze Vader” gebed goed bidden, namelijk dat onze Vader én Christus door de leiding van de Heilige Geest in ons leven zullen volbrengen, wat wijzelf op geen enkele manier kunnen, namelijk: Zijn Naam heiligen; de komst van Zijn koninkrijk bevorderen; Zijn wil doen; Dat wij om de aanwezigheid en kracht van Christus vragen, omdat we die niet missen kunnen (Hij is ons dagelijks Brood). Dat wij in en door Hem (Christus) vergeving van eigen zonden en kracht om anderen te vergeven ontvangen moeten. Dat wij dagelijks verlossing van de boze en van zijn verzoekingen nodig hebben. Dat niet wij onszelf en anderen iets te vergeven te hebben(2), maar dat we weten dat Christus in ons leeft en dat Hij ons vergeving schenkt en dat alleen Hij het is die ons de liefde, wijsheid en kracht kan geven en geeft om ook anderen te vergeven (6). Dan komt er allereerst verootmoediging én bekering van een levensstijl en van zonden die wij niet mogen handhaven (3). Dan worden we maar niet “kwistig” met de kostbare genade van een Ander (onze drie-enige God), waardoor de genade toch weer goedkoop(4) wordt, maar dan bepalen Zij in ons leven met het onderwijs van de Schrift dat wij weten of wijzelf vergeving ontvangen hebben en ook of en hoe wij anderen behoren te vergeven. Dan leggen wij waar nodig de wraak over het kwaad, dat anderen ons en/of onze medemensen hebben aangedaan in de handen van onze drie-enige God (5). Alleen zo voorkomen we, dat we onszelf en anderen lasten opleggen, die wij mensen niet dragen kunnen.

Zie verder: Worden als de Vader?! (2)

(1)
– 20 Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. (uit Galaten 2)
– 19 …mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft; (uit Galaten 4)
– 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. (uit 1 Korintiërs 1)
(2) Hoe zouden moordenaars als David en Paulus bij zichzelf de kracht gevonden hebben (a) om ” zichzelf te vergeven” als zij niet geweten hadden (in het geloof aanvaard!) de vergeving van hun zonde(n) alleen en steeds weer van God zelf (in en door Jezus Christus!)  te (hebben) ontvangen (5).
(a) “Een mens, bezwaard door bloedschuld, zal vluchten tot de groeve toe; men weerhoude hem niet. (Spreuken 28:17)
(3) 23 Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. (Uit Matteus 5).
9 Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. (Uit 1 Johannes 1)
(4) “Goedkope genade is de doodsvijand van onze kerk. (…) Genade als onuitputtelijke voorraadkamer van de kerk, waaruit met volle handen zonder aarzeling en onbegrensd wordt uitgedeeld: genade, die niets kost. Goedkope genade is genade als leer, als principe, als systeem; vergeving van zonden als een algemene waarheid, liefde van God als christelijk godsbeeld: Wie er “ja” op zegt, is al zeker van vergeving(…)
Goedkope genade is een rechtvaardiging van de zonde en niet van de zondaar. Goedkope genade is prediking van de vergeving zonder boete te doen, doop zonder tucht van de gemeente, avondmaal zonder belijdenis van zonden, vrijspraak zonder biecht. Goedkope genade is genade zonder navolging, genade zonder kruis, genade zonder de levende, mensgeworden Jezus Christus… (citaten uit werk van Dietrich Bonhoeffer, lees meer/verder bij Genade)
(5) “Wreekt u zelf niet geliefden, maar laat plaats voor de toorn…” – Romeinen 12 : 19
(6)
We moeten geen “kopieën” van Jezus worden, maar Jezus Christus Zelf moet woning maken in onze harten en gestalte krijgen in ons leven. Voor ons betekent dat een “luisterend leven”, vragen om een opmerkzaam hart, dat steeds weer bereid is om in gehoorzaamheid en dankbaarheid te leven, zoals ook Jezus dat in zijn mens-zijn gedaan heeft en ons daarmee tot voorbeeld is geweest. Dan wordt ons leven een “God welgevallig dankoffer”.

Zie verder ook:
– De gelijkenis van Jezus over de verloren zoon
– Groeien in zelfvergeving, zelfacceptatie en zelfvertrouwen…

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Keert God zich soms tegen mij?

Uit de Genesis Voorlezing, 1535-1545 (2)

‘En [hij] sprak tot zijn broeders: ik ben Jozef’ (Genesis 45:3, weergave DB 1545)

(…) Daarom moeten wij geplaagd en vernederd worden. Gebeurt het niet door lichamelijk lijden, bloedvergieten en gevangenschap, zoals ook het lijden van de heilige martelaren is geweest, dan moet het toch gebeuren door geestelijke aanvechtingen, door de droefheid, pijn en angst, die wij inwendig in het hart met ons meedragen. Want anders zouden wij vanwege ons vlees, dat verdorven, vergiftigd en melaats is, in onze zonden omkomen. Wij hebben een Arts nodig, Die het onreine vlees moet genezen door kruis, lijden, droefheid, schande en smaad, dat is het goede medicijn waarmee het zondevuil uitgezuiverd wordt.

Van deze voorbeelden is de Heilige Schrift vol, namelijk dat de heiligen allerlei kruis en lijden kunnen verwachten. Want zonder de aanvechting vergeten zij de geestelijke oefeningen: gebed en geloof. Zij worden dan slordig en nalatig om God te loven en te prijzen. Daarentegen in ellende en droefheid roepen, zuchten en klagen zij zonder ophouden tot God, en worden daardoor in het Woord geoefend en onderwezen, want alleen de aanvechting leert ons om op het Woord te letten.

Tenslotte echter, als de aanvechting een einde neemt, dan laat de liefste en genadigste Vader en Heiland van onze zielen Zich zien, en zegt: ‘Ik ben de HEERE uw God’, Ik ben het Die u gestraft en geslagen heb. Net zoals Jozef het hier ook met luide stem uitroept: ‘Ik ben Jozef’, ik heb u zozeer benauwd en verzocht. Dat heb ik niet gedaan omdat ik uw vijand ben of omdat ik uw ondergang zocht, maar alleen om u tot boete te bewegen en omdat ik de vergeving van uw zonden zocht – zodat u rechtvaardig en heilig zou worden. Daarom moet u niet bang voor mij zijn, want ik ben de persoon niet voor wie u mij houdt en die u zich hebt ingebeeld, namelijk een gruwelijke Egyptische heerser. Nee, daarin hebt u zich helemaal vergist.

Maarten Luther: Vorlesung über 1. Mose von 1535-45, vgl. WA 44, 584, 25-42
Bron: www.maartenluther.com
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Geef mij uw hart…

35 En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken:
36 Meester, wat is het grote gebod in de wet?
37 Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.
38 Dit is het eerste en het grote gebod.
39 En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.
40 Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.
(uit Matteüs 22, HSV)

Hieronder een gedeelte uit een preek over 2 Kronieken 24 : 15-27:
(…)
Daarom is het zo nodig, dat er altijd weer wordt aangedrongen op de volle overgave aan de HEERE. Om Hem lief te hebben met geheel het hart en geheel de ziel en geheel het verstand.
Ouders en kinderen moeten niet blijven staan bij de buitenkant. Het gaat in het Verbond niet om een uiterlijke toestemming en instemming. Het geloof en het dienen van de HEERE is geen zaak van alleen maar traditie, of alleen maar gevoel of alleen maar verstandelijk beamen. Als het de kern van ons leven niet raakt dan kan er zomaar een verschrikkelijke omkeer komen, van de HEERE af naar de wereld van ongeloof en eigenwilligheid en verdwaasdheid in sport en spel en  erger.

2. En dan gaat het meestal als bij koning Joas: Van kwaad tot erger.
Hij snelt in zijn afval naar een dieptepunt, ondanks de roepstemmen van de HEERE. Blijkbaar begon er al iets van ramp en tegenspoed zichtbaar te worden. In vers 18 lezen we over de toorn van Jahweh. Maar daar wordt weinig op gelet.
Daarom zond de HEERE profeten(vers 15) die op Gods hand wezen en op Zijn dreiging. Zij riepen Joas en de vorsten en het volk, dat zich liet meeslepen terug tot de ware dienst van hun God: het leven in het Verbond.
“Zij luisterden niet!” – staat er.
Dat betekent,dat de verbondsverlating al brutaler werd. De zonde al openlijker bedreven. De HEERE al zwaarder getergd.
En dan komt het dieptepunt: als de Geest des HEEREN de priester Zacharia, de zoon van Jojada, aangrijpt om met het vuur van Elia te gaan staan tegenover het afvallige volk, dat blijkbaar op de grote feesten toch nog wel de tempel bezoekt en als deze de vloek van het Verbond verkondigt : “omdat gij de HEERE verlaten hebt, heeft Hij u verlaten” — dan grijpen zij die trouwe godsgezant en met verlof, neen, op bevel van koning Joas stenigen zij hem bij het altaar. In de voorhof! Daar, waar de bediening der verzoening smeekt: “Laat u met God verzoenen” – dáár wordt zijn stem gesmoord in zijn bloed!
Daar staat Joas achter!
En zo veracht hij de gedachtenis van de rechtvaardige Jojada; en hij veracht de genadige redding van zijn leven, door deze godsman, uit de klauw van het beest, Athalia. Hij vergeet en veracht de plechtige verbondssluiting met de HEERE toen hij als jongen van zeven jaar gezalfd en gekroond werd. Hij vergeet en veracht de gunst des HEEREN, die gedacht aan Zijn verbond met het huis van David. Hij besmeurt zijn hart en zijn handen met profetenbloed.
Zover is het gekomen.
De eens veelbelovende nakomeling van David, gunsteling van Jahweh, die eens veel goeds mocht doen voor het huis van zijn God, wordt een bondgenoot van Kaïn, die zijn broer Abel vermoordde. En waarom? Omdat zijn werken boos waren en die van Abel rechtvaardig. Dáárom, zegt de apostel Johannes. Omdat zijn hart niet recht was voor God. Omdat volgens de Heilige Geest in Hebr. 11 Abel door het geloof een uitnemender offer bracht dan Kaïn. Daarom.

Is die parallel Joas-Kaïn niet wat gezocht?
Neen, gemeente, de Heer Jezus zelf zet Abel en deze Zacharia naast elkaar. Omdat Genesis het eerste boek van de bijbel was in die tijd en Kronieken het laatste.
Die twee doden markeren de hele geschiedenis van het Oude Verbond. Tussen die twee staan alle profetenmoorden van het Oude Testament. Maar dan zet Jezus de orthodoxe en wetsgetrouwe Joden van Zijn dagen, op êén lijn met al die profetendoders en Hij spreekt dan over een geslacht. Dat geslacht is niet uitgestorven. Het leeft nog in die mensen, die getrouwe godsgezanten, die niet capituleren voor de zin en mening der ongehoorzame mensen, het zwijgen opleggen.  Dat geslacht leeft nog, zolang er Verbondskinderen zijn, die het Woord van God, desnoods met geweld,het zwijgen opleggen.
Zo leert Jezus ons naar de boodschap van deze bladzijde te luisteren. Laten jongen en ouden in de kerk het toch goed ter harte nemen, dat het zover kan komen, als wij niet luisteren naar de roep van God: geef Mij uw hart!
Kort gezegd: dat kan beginnen met het luisteren naar je vrienden en eindigen met: daar is de deur, als Gods knechten ons tot bekering roepen! Zover kan het komen, ja!

(… Zie voor het vervolg van deze preek, preek nummer 6 van prekenserie over 2 Kronieken van ds. J.W. Verheij)
Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie