Vriendschap van Dietrich Bonhoeffer met Eberhard Bethge…

Nu de vriendschap tussen Dietrich Bonhoeffer en Eberhard Bethge zo onder de aandacht gebracht is als door Charles Marsh in zijn nieuwe Bonhoeffer-biografie, lijkt het gepast om in dit verband eens te wijzen op de vriendschap tussen David en Jonathan, zoals die in de Bijbel beschreven wordt.

De grote drijfveer van Bonhoeffer’s leven was om in alles van zijn leven Jezus na te volgen. Om in en door zijn leven waar te maken Jezus’ oproep en eis “zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid”. Dit is een onmiskenbaar gegeven. Vanaf jonge leeftijd doet dit verlangen zich al gelden – zie bijvoorbeeld de bijzonder indringende preken die Bonhoeffer al op jongere leeftijd schreef, zelfs ook al voor zijn ambtsaanvaarding! (1) Voor en bij het uitvoeren van deze levenstaak heeft hij naar een metgezel verlangt en gezocht en in Eberhard een vriend/levensgezel gevonden (ontvangen!), die aan dit verlangen en streven kon en wilde bijdragen en inhoud geven. We mogen bij deze vriendschap en samenwerking beslist stellen, dat we bij deze twee personen – net als bij David en Jonathan – met door de Geest gedreven mensen te maken hebben (gehad). En die mensen waren natuurlijk ook – net als ook van Jonathan en David blijkt – mensen van gelijke bewegingen als wij, met ieder ook hun eigen eigenaardigheden, tekortkomingen, zwaktes en zonden.

Echter, juist in een relatie van gelijke sexe (man-man, vrouw-vrouw) kan een gedrevenheid, puurheid en diepte zich ontwikkelen en blijven voortbestaan, die in een man-vrouw verhouding vanwege allerlei andere verlangens en zaken die daarin meespelen (m.n. verlangens op erotisch en sexueel gebied, en het verlangen naar eigen kinderen en het stichten van een gezin bijvoorbeeld), vrijwel niet tot zo’n bijzondere relatie – zoals die tussen Bonhoeffer en Betghe ontstond en zich ontwikkelde – zou hebben kunnen leiden en kunnen uitgroeien tot die diepe verbondenheid, zoals die ook is blijven voortbestaan tijdens Bonhoeffers gevangenschap en bij het zien naderen van zijn executie. Bij Bethge is die diepe verbondenheid met de persoon en het leven en werk van Bonhoeffer blijven bestaan. Ook na de dood van Bonhoeffer tot aan zijn levenseinde toe.

Dat bij zo’n bijzondere relatie en de gevoelens die daarin en daarbij meespelen (o.a. grote affectie vanwege bewondering van/voor elkaars verlangens, denkkracht, werkkracht, gedrevenheid) woorden gebruikt woorden en daden verricht worden, die ook wel “in de buurt liggen” van woorden en daden, die ook in de erotiek een rol spelen (2), moet ons hierbij niet verbazen of doen schrikken. Wel geldt bij zo’n bijzondere relatie, dat wanneer het daarbij tot werkelijk erotische en sexuele verlangens en praktijken zou komen, de puurheid en integriteit van zo’n relatie vrijwel onmiddellijk tot niet geringe (persoonlijke) averij in die relatie zal leiden. Op z’n minst zeker bij één van de partners in zo’n bijzondere relatie. Wanneer Dietrich Bonhoeffer blijk zou hebben gegeven van daadwerkelijke erotische en sexuele verlangens en pogingen ondernomen hebben om dat duidelijk te maken en tot praktijk te brengen, dan kan je er zeker van zijn dat Eberhard Bethge (vrijwel direct en zeker vroeger of later – m.n. ook vanwege zijn latere relatie en huwelijk met Renate Schleicher) meer afstand zou hebben willen en moeten nemen en dat dan ook op een gegeven moment daadwerkelijk hebben gedaan. En dat is blijkens hun levensgeschiedenis (wat daarover door hen zelf en anderen is aangegeven en verteld) niet gebeurd! Dat moet ons veel zeggen!

Dat zo’n bijzonder relatie voortdurend bedreigd (3) wordt en alleen in alle oprechtheid, reinheid en eerlijke gedrevenheid kan blijven voortbestaan in een leven met dagelijkse toewijding aan God, dat z’n kracht vind in dagelijks Bijbellezen en gebed, dat moet voor ons vast staan. Ieder voor wie het de wens en wil is om heel zijn bestaan met ongedeeld hart te wijden aan God en zich te onderwerpen aan zijn wil, die kan niet (meer) leven zonder dagelijks het Onze Vader (4) te bidden en ook niet zonder dagelijks de Psalmen te lezen, overdenken en bidden… We weten voldoende van de levens van Dietrich Bonhoeffer en Eberhard Bethge om te beseffen en moeten erkennen dat dit bij hen ook voortdurend levenspraktijk is geweest.

(1) Zie bijvoorbeeld een preek uit 1931 over Psalm 63
(2) David zegt van Jonathan: “Ik ben benauwd om jou, mijn broeder Jonathan! Je was mij zeer lief; je liefde was mij wonderlijker dan de liefde van vrouwen.” (in 2 Samuël 1 : 26)
(3) Je kunt stellen dat (de oprechtheid van) deze relatie zelfs nu nog weer aangevallen en bedreigd wordt door wat daarbij gesuggereerd en geïnsinueerd wordt in het boek van Charles Marsh.
(4) Het Onze Vader is een gebed dat zich in alles richt op “zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn Gerechtigheid”. Ook de Broodvraag daarin is beslist alleen een bede om Christus zelf en (sinds Zijn hemelvaart) een bede om de inwoning en kracht van de Heilige Geest.
Geplaatst in Diversen, Geschiedenis | Plaats een reactie

Het Joodse volk: kinderen naar “het vlees”?

Kinderen naar “het vlees” of kinderen van de Belofte?

Want in Christus Jezus heeft niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn…

Gods ware kinderen – uit de Joden en uit de heidenen – zijn altijd (- ook in de tijd van het Oude Testament – voortgekomen uit) een “schepping van de Geest!”

Hieronder een “teksten-collage” uit de brief van Paulus aan de Galaten:

11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie dat door mij verkondigd is, niet naar de mens is… (de mens maakt “het vlees” altijd weer belangrijk…)

15 Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen, 16 weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus.

15 Maar toen het God, Die mij vanaf de schoot van mijn moeder heeft afgezonderd en geroepen door Zijn genade, behaagde 16 Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, ging ik niet meteen te rade bij vlees en bloed… (de Joodse discipelen/apostelen…)

6 Maar wat betreft hen die geacht werden iets te zijn – wat zij voorheen waren, maakt voor mij geen verschil; God ziet de persoon van de mens niet aan – zij dus die in aanzien waren, hebben mij verder niets opgelegd…

27 Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed. 28 Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus.
29 En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.

3 Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?
(U Galaten, mocht – na Pinksteren in Jeruzalem – toch direct al beginnen met de Geest?! )

9 en nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen?  10 U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren. 11 Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen.

6 Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend. 7 Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

21 Zeg mij, u die onder de wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet?
22 Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, een van de slavin, en een van de vrije (en die “vrije” is een schepping van Gods Geest, want geboren uit een verstorven lichaam, dus beslist geen “normale” lichamelijke zoon van Abraham en Sarah!).
23 Maar hij die van de slavin was, is naar het vlees geboren, hij echter die van de vrije was, door de belofte.
24 Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï, dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is Hagar. 25 Want deze Hagar is de berg Sinaï in Arabië, en komt overeen met het huidige Jeruzalem, dat met haar kinderen in slavernij is. 26 Maar het Jeruzalem dat boven is (1), is vrij, en dat is de moeder van ons allen.
27 Want er staat geschreven: Wees vrolijk, onvruchtbare, die niet baart, barst los in gejuich en roep, u die geen barensnood kent, want de kinderen van de eenzame zijn
veel talrijker dan die van haar die de man heeft… (de natuurlijke man…)

28 Wij nu, broeders, zijn kinderen van de belofte, net zoals Izak…

29 Maar zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu… (de vervolging van de Kerk vind m.n. plaats binnen de kerk…)

6 In Christus Jezus heeft namelijk niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar het geloof, dat door de liefde werkzaam is.

14 Maar ik zal mij volstrekt niet beroemen op iets anders (dus ook niet op Joodse afkomst) dan op het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Wie de wereld voor mij gekruisigd is, en ik voor de wereld. 15 Want in Christus Jezus heeft niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn. 16 En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God. 17 Verder, laat niemand mij lastigvallen, want ik draag de littekens van de Heere Jezus in mijn lichaam. 18 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Uit Hebreeën 13″:
9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen
(“het vlees”): wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. 10 Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. 11 Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. 12 Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. 13 Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.

Uit Openbaring 21:
16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David (niet Abraham!), de blinkendemorgenster. 17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet.

9 (…) Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel (1), van God;

22 En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. 23 En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam.

(1) 20 Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel, en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. 21 Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam. (Uit Filippenzen 3, NBV)

Zie ook:
– Over de woordjes vlees en geest in de Romeinenbrief

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Distantiëren of (eerst) identificeren?

N.a.v. de levensgeschiedenis van Irma Grese (1923-1945)
(kampbewaakster in o.a. Ravensbrück en Auschwitz)
Distancieren of Identificeren - fotos0003

Irma Grese, die haar moeder verloor toen ze veertien jaar oud was en graag verpleegster wilde worden, maar die het niet lukte om een stageplaats te bemachtigen, vond werk  in het nationaalsocialistische Hohenlychen (1940), waar vanaf 1942 experimenten op vrouwen uit het nabije Ravensbrück werden uitgevoerd. Irma Grese was in 1940 zeventien jaar oud. In Hohenlynchen groeide ze op tot jong volwassene. Zij meldde zich aan als Helferin bij de SS, en werd in de nazomer van 1942 toegelaten tot de opleiding voor kampbewaakster in Ravensbrück. Ze heeft later nog bijna twee jaar gewerkt in Auschwitz-Berkenau en aan het einde van WO II nog in Bergen-Belsen. Daar werd ze samen met andere SS-ers gevangen genomen en gedwongen om doden te begraven. Daarna werd ze in het cellencomplex van dit kamp gevangen gezet om haar berechting af te wachten.

Bij de berechting werd Irma Grese een specifieke aanklacht ten laste gelegd, die luidde:

„Nr. 9, Grese, was een Aufseherin van verscheidene Arbeitskommandos en tijdelijk van het vrouwenkamp. Ze werd als ergste vrouw van het gehele kamp gezien. Er was geen gewelddadig incident in het vrouwenkamp waar zij niet bij betrokken was. Ze maakte regelmatig selecties voor de gaskamers. In Bergen-Belsen zette ze dit gewelddadige werk voort. Haar specialiteit was het loslaten van afgerichte honden op weerloze mensen”

Irma Grese werd in november 1945 veroordeeld tot de dood door ophanging wegens het begaan van misdaden tegen de menselijkheid in Auschwitz en Bergen-Belsen.

                             Irma
wat was je mooi toen je nog oogwit had
waarin je meisjeskamerdromen weg liet drijven:
als ik straks groot ben word ik zuster en dan,
na de oorlog, wil ik de hoofdrol in een film.

Je vindt enkel een luizenbaantje. In de hel. Thuis
schrijven ze dat je niet langer thuis mag komen.
Dan leer je snel: op hoge laarzen loop je door drek
en drilt je hond om ondermensen van je af te bijten.

Soms kijk je nog naar het gezicht waarmee je
op het witte doek moet komen. Naar hoe het was.
Want in de spiegel hangt een afgeleefde del,
de mond verzakt, met ogen van gepantserd glas.

Dan word je voor het laatst gemeten en gewogen,
je stem klinkt mat onder de witte kap, ten laatste
in je eigen dode moedertaal: doe het snel. Thuis
was je meisjesfoto toen al uit de lijst gehaald.

(Bron: Henk Knol in “Dichter op het nieuws”, Nederlands Dagblad, zaterdag 10 oktober 2015)

HERINNER  (bron: “Aloude paden – Ancient Paths” van Jip van Wijngaarden)
(…) De gruwelijkheden die zich in de jaren 1938-1945 in Europa hebben afgespeeld, overstijgen elke horrorfilm en alle ‘Nacht und Nebei-scenario’s die in het menselijk brein kunnen opdoemen.
Het drama van de Sjoa, de concentratiekampen en de poging tot uitroeiing van een heel volk, is zo onwerkelijk dat wij het bijna niet kunnen geloven.
Het gebeurt voor onze ogen en toch kunnen wij niet bevatten dat de mens, ons soort mensen, in staat is tot zoveel beestachtig kwaad. Het zou op zijn minst een onrust in ons hart moeten doen ontwaken. Een unheimisch gevoel dat niet zomaar gesust kan worden, een doorn die in ons geweten blijft haken en bij tijd en wijle een schok door onze zenuwbaan heen stuurt:
“Vergeet mij niet!”… “Doe er wat mee!”… “Herdenk!”… “Leer er wat van!”
Als wij niet leren van het verleden, als wij ons distantiëren van de gruweldaden waartoe wij, volken uit Europa, in staat bleken, zal het vergoten bloed van de miljoenen ons eens inhalen én tegen ons getuigen. Misschien niet hier in dit leven, maar dan zeker in het leven hierna.
Wie heeft het lef zijn levenspad om te buigen en opzij te kijken?
Wie heeft de moed te luisteren naar verhalen van hen die hebben overleefd? Wie neemt er tijd om zich te identificeren met de slachtoffers, de verschrikkingen en de ontberingen die zij hebben ondergaan?
Wie hoort de helden, de verzetsstrijders? Wat bracht hen ertoe om hun leven voor een ander op het spel te zetten? Hoe kwamen zij aan hun normen en waarden, die zo haaks stonden op die van de beulen?
Waar haalden de daders hun duivelse plannen vandaan? Wie of wat heeft hen geïnspireerd?
Tijd nemen om te lezen over… ons te verdiepen in… Geen antwoorden te geven maar vragen te stellen.
Vragen, die pijn doen en diep in ons hart een scheur achterlaten.
(… tot zover het citaat uit “Aloude paden – Ancient Paths”)

(…) Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren (…) De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; (Lukas 18 : 10-11).
(…) u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in – het Evangelie – de belichaming van de kennis en de Waarheid hebt… (Romeinen 2 : 19-20)

Zie verder: Onze (christelijke) hoogmoed…

Geplaatst in Diversen, Geschiedenis | Plaats een reactie

Onze christelijke hoogmoed…

Heer ik dank Ú... dat ik (geworden) ben zoals ik nu ben…
en niet zo ben als…(vul maar in)

(…) 9 Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren (…) 11 De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; (Uit Lukas 18)
(…) 9 Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? 10 Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’  (Uit Lukas 17)
(…) 10 Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus. 11 Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. (Uit Matteüs 23)
(…) 19 u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in – het Evangelie – de belichaming van de kennis en de Waarheid hebt… (Uit Romeinen 2)

Hoe gemakkelijk menen we niet dat we inmiddels een treetje hoger geklommen (1) zijn dan een ander, zodat we op een bepaalde manier op die ander(en) menen te kunnen neerzien. Dat we niet beseffen, dat we ons allemaal op aardse grond bevinden. Al kruipen we dan (misschien) niet als zovelen door de modder, we lopen toch wel met onze voeten elke dag weer door aardse modder. En daarom hebben wij het steeds weer nodig dat wij ons de voeten laten wassen (2). Ieder van ons behoort met zorg de voetstappen te zetten in het spoor (de voetstappen van Jezus Christus, die ieder van ons persoonlijk voorgaat) dat door het licht van Gods Woord ons persoonlijk maar ook gezamenlijk als gemeente van Jezus Christus gewezen wordt. Dan lopen we het minste risico op sterk vervuilde voeten, op stoten, struikelen en vallen. En voor ieder geldt op elk moment: “Wie sta (loopt!), zie toe dat hij niet valle”. Want dat laatste gebeurd voor we er erg in hebben, en dikwijls hebben we dan hulp en steun van anderen nodig om ons weer overeind te helpen en het gebeurt ook wel dat ook anderen niet (meer) bij machte blijken om ons nog overeind te helpen. Na zoiets hebben we ook een extra wasbeurt nodig, want we vervuil(d)en onszelf en waarschijnlijk ook anderen die ons helpen wilden. En misschien was de afleiding die onze struikeling en val veroorzaakte ook de oorzaak van de struikeling en val van anderen die toekeken of te hulp schoten…

(1) 6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; 7 of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.  (Uit Romeinen 10)
(2) 10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. (Uit Johannes 13)

Psalm 17 : 3 (OB)
Ik zet mijn treden in Uw spoor,
Opdat mijn voet niet uit zou glijden;
Wil mij voor struikelen bevrijden,
En ga mij met Uw heillicht voor.
Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten,
Omdat G’, o God, mij altoos redt,
Ai, luister dan naar mijn gebed,
En neig Uw oren tot mijn klachten

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Geloven is gehoorzamen

Gedeelten hieronder overgenomen uit: De Bergrede – reisgids voor christenen (van Dr. Jacob van Bruggen)
De bergrede is ons niet gegeven om er onze idealen mee op te sieren. Zij is ons geschonken om er ons hele leven aan te onder werpen. Jezus vergelijkt de man die deze woorden hoort en doet met een man die zijn huis op de rots bouwde. De bouwgrond stond niet vrij: het moest deze rotsbodem zijn. Wie daarbuiten wil bouwen, kan heus wel van plan zijn een tehuis voor medemensen te bouwen, maar omdat het op zand is gezet wordt het door de stortregen weggespoeld.
Wie aan het leven begint, een huis gaat bouwen, moet beginnen met luisteren én gehoorzamen. Het kan: Gods eigen zoon is gekomen om ons de weg te wijzen. Geloven is gehoorzamen, maar gehoorzamen is ook geloven: geloven in de goede Herder!
Zie ook pagina’s onder: Wat is een waar geloof?

Geloof als ervaring?
Er is een tijd geweest waarin geloof een duidelijke zaak was. Ieder wist dat een mens behoort te geloven. In grote lijnen stond ook vast wat men dan moest geloven en hoe men moest leven. Ongeloof leek een zaak te zijn geworden van onderontwikkelde volken. En een onchristelijk leven was een barbaars leven.
Die tijd is voorbij. Geloven mag nog steeds, maar waarom zou het geloof iets voor hebben op het ongeloof? Christelijk leven is toegestaan, maar als een privé-zaak: het publieke leven wordt geneutraliseerd, ontkerstend.
Velen gaan het geloof nu ook beleven als een vrijblijvende zaak. Binnen het christendom komt het accent steeds meer te liggen op de geloofservaring. Wanneer de ervaring die men als gelovige heeft, echt is en persoonlijk, mag men verder geloven wat men wil. In het christelijke leven verschuift de aandacht van de normen naar de persoonlijke keuze en de eigen verantwoordelijkheid. De vraag hoe men iets ziet of beleeft wordt belangrijker dan de vraag hoe het is en moet zijn.
(…) Geloven is toch vrij zijn? Geloof wordt dan vrijblijvend. De enige ketterij die overblijft is de gedachte dat men van anderen zou mogen vragen zich te onderwerpen aan een bepaalde leer of belijdenis en zich te voegen naar een omschreven levensstijl. Verbiedt de aard van het geloof niet elk gezag, of het nu gezag van een kerk, een belijdenis of een bijbel is? Bij alle onduidelijkheid en vaagheid lijkt dit het enige duidelijke dat in onze tijd is overgebleven: geloven staat vrij!

Geloof als gehoorzaamheid
In het Nieuwe Testament wordt over het geloof op een andere manier gesproken. De apostel Petrus spreekt in zijn eerste brief (1,22) over gehoorzaamheid aan de waarheid. Hij is daarin niet de enige. Paulus zegt in zijn brief aan Rome dat alle apostelen zijn uitgestuurd om bij de volken gehoorzaamheid van het geloof te bewerken (15,18; 1,5; 16,26). Het woord gehoorzaamheid geeft aan dat het geloof geen vrijblijvende zaak is: geloven betekent dat men zich onderwerpt.
Wij kunnen niet zeggen dat zich hier een latere ontwikkeling aftekent waarbij de spontane liefdesboodschap van Jezus zou zijn ingekapseld in de gestolde leer van apostelen. Zij hebben het juist van Jezus zelf geleerd dat geloven gelijkstaat met gehoorzamen, zelfs tot in de dood. Toen Jezus tijdens zijn verblijf op aarde de twaalf leerlingen voor de eerste keer uitzond, gaf Hij ze de volgende dagorder voor gelovigen mee: „Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waard. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mij, zal het vinden” (Mat. 10, 37-39). Geloven heeft meer te maken met de houding van een gezagsgetrouwe soldaat die voor zijn koning tot in de dood gaat, dan met de ervaring en de beleving van een waarnemer aan het front. De apostelen treffen de toonhoogte van de Meester wanneer zij het geloof gehoorzaamheid noemen.

Het meest bijzondere aan de bergrede ontgaat ons vaak door gewenning. De eerste luisteraars hebben het echter goed gehoord: Jezus leert met gezag en niet als de schriftgeleerden. Zij schrokken er van (Mat. 7, 29). Zij blijven er ook later over praten: „Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag!” (Marc. 1, 27). De toon van Jezus’ onderwijs viel heel erg uit de toon. De wetgeleerden beroepen zich voor elke uitspraak op de wetten van Mozes en de profeten. Alleen God de Here heeft gezag. Mensen kunnen slechts naspreken. Daarom geven de schriftgeleerden hun onderwijs in de toon van de onderworpenheid. Het is dan dubbel opvallend dat Jezus in de bergrede niet optreedt als uitlegger van de bijbel: er zijn nauwelijks verwijzingen naar het Oude Testament. Jezus spreekt alsof Hij zelf de wetgever is. Heel kenmerkend is zijn uitspraak: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”. In de bergrede is Jezus zelf aan het woord: „Ik zeg u”. Hij beveelt en het volk wordt gebonden aan zijn geboden. Alsof niet een mens uit Nazaret, maar de heilige Schepper, de HERE zelf, voor de leerlingen stond.
Deze toon hoort bij de openbaring van de bergrede. Jezus laat de menigten uit Israël merken wie Hij is. Zijn wonderen wezen al in een bepaalde richting. Nu spreekt Hij ook onomwonden op de toonhoogte van God de wetgever. Geloofservaring moet tot gehoorzaamheid worden omdat Jezus niemand minder is dan Gods eigen zoon die mens is geworden. Het geheim van het gezag is het geheim van Jezus’ persoon.
De bergrede is vol geboden omdat de spreker ervan de éne Meester is waaraan ieder sterfelijk mens is onderworpen, ook in Israël. Wanneer het geloof in de twintigste eeuw voor velen een vrijblijvende zaak is geworden, komt dit omdat men eerst in de negentiende eeuw heeft afgerekend met het geloof in de ontvangenis van Jezus uit de heilige Geest en met het geloof in de godheid van Jezus. En waarom zou de leer van een medemens uit Palestina meer gezag hebben dan andere leringen in de wereld? Omgekeerd geldt echter ook: wie Jezus erkent als de Christus, de zoon van de levende God, begrijpt dat geloof in deze Jezus niet vrijblijvend is maar onderwerping vraagt. Jezus heeft ons in de toon van de bergrede de stem van de goede Herder doen horen. De Herder heeft gezag omdat Hij de meester is en zijn leven geeft voor de schapen. Nu hebben wij maar te volgen, hoe smal de weg ook zal zijn waarop Hij ons voorgaat.

De bergrede is ons niet gegeven om er onze idealen mee op te sieren. Zij is ons geschonken om er ons hele leven aan te onder werpen. Jezus vergelijkt de man die deze woorden hoort en doet met een man die zijn huis op de rots bouwde. De bouwgrond stond niet vrij: het moest deze rotsbodem zijn. Wie daarbuiten wil bouwen, kan heus wel van plan zijn een tehuis voor medemensen te bouwen, maar omdat het op zand is gezet wordt het door de stortregen weggespoeld.
Wie aan het leven begint, een huis gaat bouwen, moet beginnen met luisteren en gehoorzamen. Het kan: Gods eigen zoon is gekomen om ons de weg te wijzen. Geloven is gehoorzamen, maar gehoorzamen is ook geloven: geloven in de goede Herder!

Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Wedergeboorte: Ons gaan naar en putten uit de Bron… (Aangevuld!)

Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus in de tempel, en hij riep: ‘Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! “Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft,” zo zegt de Schrift.’ (Uit Johannes 7, NBV)

Wedergeboorte is niet het aanwijzen (=oordelen) van iets in ons eigen leven of dat van een ander, maar het is ons steeds weer daadwerkelijk gaan naar en putten uit de Bron van Vrede en Heil en leven én vooral ook doorgeven (1) van het ons daar geschonken levende water…

Uit Zijn volheid

Maarten Luther: Auslegung des ersten und zweiten Kapitels Johannis, 1537 1538, vgl. WA 46, 652, 31 – 653, 31
‘En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade voor genade’ (Johannes 1 : 16, weergave DB 1545).

Als wij ons willen beroemen, kunnen wij ons alleen hierin beroemen dat wij uit de volheid van de Heere Christus nemen, door Hem verlicht worden, vergeving van zonden verkrijgen en kinderen van God worden. Want daar gaat het over: wie uit de macht van de duivel verlost wil worden, aan zonde en dood ontkomen, die moet uit deze Bron, Christus, scheppen, daaruit moet alle heil en zaligheid voortvloeien (vgl. Johannes 7:37 en Openbaring 22:17).

Deze Bron is onuitputtelijk, vol genade en waarheid voor God. Hij vermindert niet: wij mogen scheppen zoveel als wij willen. Zelfs al zouden wij allemaal eindeloos uit deze Bron scheppen, dan kan Hij toch niet leeggeschept worden, maar blijft een oneindige Springader van alle genade en waarheid. Hij is een grondeloos diepe Put en een eeuwig stromende Bron. Hoe meer men uit Hem schept, hoe rijker Hij stroomt.

Zo is Christus onze Heere – tot Wie wij, in alle dingen, biddende de toevlucht moeten nemen – een oneindige Bornput en Springwel van alle genade, waarheid, gerechtigheid, wijsheid en leven. En dat alles zonder maat, eindeloos en grondeloos. Zelfs al zou de hele wereld zoveel genade en waarheid uit Hem scheppen dat alle mensen louter engelen zouden worden, dan zou Hij nog niet met één enkel druppeltje verminderen. Deze Bronwel loopt altijd over van de volheid der genade Gods.

Wie nu – niemand uitgesloten – Zijn genade wil proeven en smaken, die mag tot Hem komen en drinken: niemand zal deze Bron kunnen leegdrinken. Hij zal het niet opgeven. Iedereen kan overvloedig genoeg daaruit ontvangen en toch blijft Hij een oneindige Springader van levend water. Allen, allen, zowel Joden als heidenen, als zij tot deze genade willen komen, moeten uit deze Fontein drinken.

Hier moeten zij hun lege flesje vullen: waar het altijd stroomt en overloopt. Zo moeten zij hun dorst lessen bij deze Bron van levend water, Die in het eeuwige leven ontspringt. Zijn volheid heeft geen eind of maat, daarom, schenk maar volop in, en drink met blijdschap en verheuging, want hier is overvloed en genoeg tot in het eeuwige leven, waar dan met het loven en danken van God uw dorst voor eeuwig voorbij zal zijn.

Bron: www.maartenluther.com

Blijft uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen (het gaan naar de bron) als het werken (putten en uitdragen) in u werkt. (Uit Fillipenzen 2 : 12-13, NBG)

En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid, maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God. Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. (Romeinen 6 : 13-14)

(1) Opgemerkt – AJ:
Wedergeboorte is dus niet een hoogst individueel (eenmalig) gebeuren, dat vooral en voornamelijk berust op onze eigen beleving en dat voornamelijk op ons eigen behoud gericht is, maar wedergeboorte is iets dat voluit behoort tot de levende gemeenschap met Christus én ons leven met en in de gemeente van Jezus Christus en met ieder mens die God – door Zijn hand – op onze weg brengt. Wanneer wij niet of niet meer vol vreugde uit en ook in die gemeenschap(pen) leven, maar met een gedeeld of misschien zelfs afkerig en boos hart, dan hebben wij te vluchten naar Christus en zullen wij door (dagelijkse) bekering en het (blijven) gebruiken van de door Gods Woord aangewezen middelen (Bijbellezen, gebed, bijwonen van de samenkomsten van de gemeente en het gebruik van de sacramenten) wandelen op de weg die Gods Woord ons wijst. Dan aanvaarden en nemen wij (weer) liefdevol, gehoorzaam en gewillig onze verantwoordelijkheid en stellen wij ons leven (onze “leden”, Romeinen 6 : 13) hier op aarde in de dienst van Christus. Dit is hét grote en bijzondere werk van de Heilige Geest in ons leven, dat wij – in geloof, uit liefde en dankbaarheid voor Gods genade in Christus – onze verantwoordelijkheid aanvaarden en nemen. Dat verdient veel meer onze aandacht en dankzegging en lofprijzing, dan de andere wonderen die Hij ook in of door ons verrichten kan!

Zie ook artikel 24 uit de Nederlandse-Geloofsbelijdenis

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Het “Nochtans” van Gods genade en van het geloof

Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat;
Gij zult mij leiden door Uw raad,
en daarna mij in heerlijkheid opnemen..
(Psalm 73 : , NBG)

 Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd.
…want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
(Uit 1 Petrus 5)

Dit woord ‘nochtans’ heeft een verbazingwekkende en heerlijke inhoud. Het is, tussen twee haakjes, ook het woord, dat in deze tekst het nu volgende verbindt met het voorafgaande. Het is een uiterst belangrijke verbindingsschakel. Maar dat niet alleen; het is tegelijk een keerpunt. (…)
Hebt u ooit dit ‘nochtans’ gekend, als u er ellendig aan toe was en zonder hoop; wanneer de duivel u onder druk zette en zei, dat u de vensters maar moest sluiten, de blinden er voor moest doen; en wanneer u door duisternis en wanhoop werd omgeven? Kent u dat gezegende ogenblik, waarop een lichtstraaltje ergens door een kier komt gluren, dat nieuwe hoop met zich mee brengt en uw hele houding en toestand verandert? Dat is het bevrijdende woord ‘nochtans’.

We vinden het hier in deze Psalm. Het is heel interessant om na te gaan hoe dit in zijn werk ging. De logica van deze dingen is uiterst boeiend. Hij had het punt bereikt, waarop hij zei: ‘Toen was ik onverstandig en wist niets, ik was een groot beest bij U.’ En dat maakte, dat hij het plotseling zag. Op het moment dat hij ‘bij U’ zei, zei hij ook: ‘Nochtans zal ik bestendig bij U zijn.’ Met andere woorden: ‘Ik ben nog steeds in Uw nabijheid.’ En alles werd toen anders. Het was het bevrijdende woord. Nadat hij zichzelf had veroordeeld om zijn gepruil en zijn dwaasheid in Gods tegenwoordigheid, zegt hij nu: ‘Maar ik ben nog steeds in Gods nabijheid — nochtans zal ik bestendig bij U zijn.’

Dit is inderdaad een verbazingwekkend feit en de Psalmist kon er gewoon niet over uit. Wat hem zo verwondert, was, dat hij nog steeds in Gods nabijheid verkeerde. Ziet u het? God had hem niet weggevaagd, hoewel hij zich in Zijn nabijheid als een dwaas had gedragen. Waarom deed God hem niet weg? Waarom wees God hem niet de deur en zei: ‘Nou is het uit met je, je bent onwaardig’? Dat had Hij niet gedaan. Hij was nog steeds in Gods tegenwoordigheid. Dat overviel deze man en gaf hem een schok van verrassing en verbazing. Hij kreeg niet de straf die hij zo terecht verdiende. Waaraan had hij dat allemaal te danken?

Dit brengt ons tot wat ik als de leer van deze beide verzen beschouw: de leer van de genade van God. Het is een opnieuw beleven van Gods onuitsprekelijke genade. Wat in deze Psalm uitsteekt boven al het andere, is dit, dat het beste en het mooiste in het leven alleen en uitsluitend het gevolg is van Gods genade. Als we dat niet door hebben, dan heeft de uitvoerige behandeling van deze Psalm geen enkel nut gehad. De ware boodschap van deze Psalm is: ‘Wij zijn alles slechts aan de genade verschuldigd’, helemaal, van het begin tot het einde. Ons hele bestaan is uitsluitend en alleen te danken aan de genade van God. Dat ontdekt deze man en hij zegt het zo: ‘Nochtans zal ik bestendig bij U zijn.’ Dat’, zo zegt hij in feite, ‘dat is het verbazingwekkende, dat ik nog steeds bij U ben en dat Gij me nog steeds toestaat tot U te komen.’ De verbazingwekkende genade van God! Stel u voor, dat Hij ons in die andere toestand van zelf veroordeling en wanhoop had gelaten; van het zien van de waarheid over onszelf zonder kans op redding uit die nood. Maar dat doet Hij niet.

(…)

Laten we nu zien, hoe de geschiedenis van deze man de verschillende aspecten van de leer van Gods genade illustreert. Men placht vroeger, toen de mensen nog belangstelling hadden voor de leer en niet voor de Bijbelstudie zonder meer, deze leer in een paar punten te verdelen. Bijbelstudie is van zeer weinig waarde, als deze doodloopt in zichzelf en alleen een zaak van de betekenis der woorden is. Het doel van het bestuderen van de Schriften is om tot de leer te komen. Hier nu hebben we een prachtige uiteenzetting van de leer van Gods genade. Laten we die van vroeger zo bekende onderverdeling eens volgen.
Ten eerste moet er natuurlijk Gods reddende genade zijn. Het eerste, dat deze Psalmist opmerkte, was, dat God ondanks alles hem had vergeven. Als God hem namelijk niet vergeven had, dan zou hij niet meer in Gods aanwezigheid zijn. Als God hem had behandeld, zoals hij verdiende behandeld te worden, dan zou hij verworpen zijn en had hij nooit meer in Gods nabijheid kunnen komen. Maar dat is niet het geval; hij is nog in Gods nabijheid. En dat is een absoluut bewijs, dat God hem vergeven heeft.
De Psalmen staan daar vol van. U herinnert u wel de verklaring van Psalm 103: ‘Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.’ Stelt u zich voor, dat Hij dat wel deed! Een andere Psalm zegt het zo: ‘Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, HEERE, wie zal bestaan?’ (Psalm 130:3) We zijn in Gods aanwezigheid en dat zijn we maar vanwege één feit, namelijk, dat er bij God genade is, opdat men Hem zal vrezen. We zijn in Gods aanwezigheid, omdat Gods naam Liefde is; we zijn er, ‘omdat God de wereld alzo heeft liefgehad (in zijn zonde, arrogantie, opstand en schande), dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven heeft.’

(…)

Is kortzichtigheid niet onze grootste moeilijkheid? We spreken zo vaak over onze beslissingen en over wat we gaan doen. We moeten leren op die andere manier te denken en te zien, dat het God is, Die alles heeft gedaan. U hebt niet voor Christus beslist, Hij was het, Die Zijn hand op u legde en u — om een Paulinische term te gebruiken — ‘heeft gegrepen’. Daarom besliste u. Ga eens verder dan uw beslissing. Wat maakte, dat u die nam? Ga terug naar het begin, naar Gods genade. Het is allemaal Zijn genade en als dat niet zo was, dan zou u, hoewel u voor Christus besliste, al heel gauw weer tot een ander besluit gekomen zijn. U zou weggevallen en helemaal verdwenen zijn. Maar u kunt niet aan Zijn genade ontvallen. U kunt het met uw verwarde verstand wel denken, maar in werkelijkheid kunt u het niet. Gods reddende genade! Maar naderhand moeten we weerhouden worden en als we vallen, moeten we worden hersteld. Hij doet dit alles. U moet u realiseren, dat het God is, die ‘in u werkt’. Dank God voor Zijn onuitsprekelijke genade — Zijn reddende, weerhoudende en wonderbaarlijk herstellende genade. ‘Nochtans zal ik bestendig bij U zijn.’ Het is haast ongelooflijk, maar het is waar. ‘Ik zal bij U zijn.’

Lees het hele hoofdstuk “Nochtans” of beter het hele boekje over deze Psalm!

Bron: Geloofsbeproeving: Psalm 73, het lijden van de vrome en de voorspoed van de goddeloze / door D. Martyn Lloyd-Jones (Kampen, De Groot Goudriaan)

Klik hier voor meer over en van D. Martyn Lloyd-Jones

Geplaatst in Bijbel, Diversen | Plaats een reactie

Want eng is de poort en smal is de weg…

1 Beter een goede naam dan een kostbare geur, de dag waarop je sterft is beter dan de dag waarop je wordt geboren (…) 8 Het einde van een zaak is beter dan zijn begin. (Uit Prediker 7, NBV)
17 totdat ik Gods heiligdom binnenging en op hun einde lette. (Uit Psalm 73, HSV)
7 De gedachtenis van de rechtvaardigen zal tot zegen zijn (Uit Spreuken 10, HSV)

Het belang van het einde is iets, dat voortdurend in de Bijbel wordt onderstreept.

Onze Heere heeft het voor eens en altijd gezegd in de Bergrede: ‘Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan: want eng is de poort en nauw de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden.’ Wat Hij zegt is: Kijk eens naar de brede weg, hoe prachtig die schijnt. U kunt er met de menigte naar binnen gaan en doen, wat iedereen doet en iedereen glimlacht er en maakt grappen. Wijd en breed zijn de poort en de weg. Het schijnt allemaal zo schitterend. En die andere ziet er zo naargeestig uit — ‘eng is de poort.’ Eén tegelijk, het vergt een persoonlijke beslissing, de strijd tegen het eigen ik, het kruis opnemen. ‘Eng is de poort, en nauw de weg.’ En juist omdat ze naar het begin kijken, gaan zo velen de brede weg op. Wat mankeert er aan hen? Ze kijken niet naar het einde. ‘Wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt… Eng is de poort en nauw de weg…’ maar — en dat is het einde, — deze weg ‘leidt ten leven.’

Het einde van de ene is het verderf, van de andere léven. De moeilijkheid in het hedendaagse leven is, dat de mensen alleen maar naar het begin kijken. Hun kijk op het leven is, wat wij de levensbeschouwing van de bioscoop of van de filmster zouden kunnen noemen. Dit trekt altijd aan en allen, die dit leven leiden, hebben blijkbaar een verrukkelijke tijd. Helaas worden vele jonge mensen grootgebracht met de gedachte, dat dat het leven is en dat om zo’n leven altijd te kunnen leiden het toppunt van geluk moet zijn. Maar kijk eens naar het eind van deze mensen. Kijk eens, hoe het ene scheidingsproces op het andere volgt, daar ze van het huwelijk een toegestane prostitutie maken, onwaardig kinderen te krijgen vanwege hun zelfzuchtigheid en omdat ze niet weten, hoe ze die moeten opvoeden. Maar de mensen worden door de schijn aangetrokken. Ze kijken alleen naar de oppervlakte, alleen naar het begin. Ze kijken niet naar het einde van dit soort leven; ze denken in het geheel niet aan wat er tenslotte van terechtkomt. Toch is het nu even waar als altijd en de Bijbel heeft altijd al gezegd, dat het eind van deze dingen ‘verderf’ is.
Er is tenslotte niets zo hopeloos in de wereld, als het bankroet van de niet-Christelijke levensbeschouwing. Wist u, dat Charles Darwin, de schrijver van ‘The Origin of Species’ aan het eind van zijn leven bekende, dat als gevolg van zijn concentratie op slechts één aspect van het leven hij het vermogen had verloren om te genieten van poëzie en muziek en in groter verband zelfs het vermogen om de natuur zelf te waarderen? Arme Charles Darwin. Terwijl hij als jonge man van poëzie placht te genieten, vond hij er op zijn oude dag geen genoegen meer in en muziek betekende tenslotte niets meer voor hem. Hij had zich zo geconcentreerd op de bijzonderheden van één levensterrein, dat hij willens en wetens zijn gezichtsveld had af gegrensd in plaats van het mogelijk te maken, dat het heerlijke panorama van het geheel hem aansprak. Het einde van H.G. Wells roept dezelfde gevoelens op. Hij, die zoveel van het verstand en het menselijk begrip had blootgelegd en die het Christendom met zijn leer over zonde en redding belachelijk had gemaakt, bekende aan het eind van zijn leven, dat hij volkomen verbijsterd en het spoor kwijt was geraakt. De titel van zijn laatste boek, “Het verstand is uitgepraat” is al een welsprekend getuigenis van wat de Bijbel leert over de tragedie van het eind van de goddeloze. Of neem eens een zin uit de autobiografie van een rationalist als Dr. Marret, die aan het hoofd van een college in Oxford stond. Hij schrijft dit: ‘De oorlog bracht echter voor mij het plotselinge einde van de lange zomer van mijn leven. Van nu af aan heb ik niets anders in het vooruitzicht dan een kille herfst en een nog killere winter en toch moet ik op de een of andere manier proberen de moed niet te verliezen. De dood van de goddeloze is een verschrikkelijk ding. Lees hun levensbeschrijvingen maar. Hun schitterende dagen zijn voorbij. Wat hebben zij nu? Zij hebben niets om naar uit te zien en als wijlen Lord Simon proberen ze zichzelf te troosten met het opnieuw tot leven, brengen van hun vroegere successen en triomfen. Dat is het eind van de goddelozen.

Zet daar nu eens als tegenstelling het godvruchtige leven tegenover, dat oppervlakkig gezien eerst zo bekrompen en ellendig lijkt. Zelfs een huurling-profeet als Bileam, hoewel hij een slecht mens was, begreep daar iets van. ‘Sterve ik zelf den dood der oprechten en zij mijn einde daaraan gelijk!’ zei hij. Met andere woorden: ‘Ik moet dit zeggen, dat deze godvruchtige mensen weten hoe te sterven; ik wou, dat ik dat kon als zij.’ In het boek Spreuken lezen wij, dat de ‘weg der goddelozen is als donkerheid,’ maar dat ‘het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe’. (Spreuken 4 : 19a en 18) Wat een heerlijkheid!
Laat ons nog eens teruggaan naar Psalm 37: ‘Let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van die man zal vrede zijn.’ En luister eens naar de apostel Paulus. Ondanks alle zorgen en vervolgingen, zijn processen en teleurstellingen moet u eens naar hem luisteren als hij het eind onder ogen ziet: ‘Want ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de krans der rechtvaardigheid, welken mij de Heere, de rechtvaardige rechter, in die dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.’ (2 Timoteüs 4 : 6-8) Een van de meest trotse beweringen van John Wesley over de eerste Methodisten was: ‘Onze mensen sterven goed.’

De Bijbel dringt er overal op aan ons einde onder het oog te zien. Ga niet alleen maar naar de kerk om op uw huidige vooruitzichten te letten; let op uw uiterste einde. Hèt einde, hoe heerlijk zou het voor ons allen zijn als we daarop ons oog konden richten en als de apostel Paulus konden zeggen: ‘Voorts is mij weggelegd de krans der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige rechter, in die dag zal geven.’ Om dat te kunnen zeggen en er zeker van te zijn dat u die krans zult ontvangen, moet u eerst beide mogelijkheden geheel onder ogen zien en daarna onmiddellijk tot God gaan en Hem uw blindheid, vooroordeel, dwaasheid in vertrouwen op eigen verstand belijden en Hem dan vragen u te ontvangen. Zeg Hem, dat u Zijn boodschap over Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, die in de wereld kwam om voor uw zonden te sterven en u te bevrijden, aanvaardt. Geef uzelf aan Hem over en vertrouw op Hem en Zijn macht. Geef u onvoorwaardelijk aan Hem in Christus over en u zult het leven zien met een volledigheid en een rijkdom als u nooit te voren hebt gezien. En het eind zal heerlijk zijn. Uw pad zal zijn als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt, hoe zwart de wereld ook mag worden en zelfs in de schaduw van de dood zal het steeds meer stralen tot de volle dag. ‘Toen merkte ik op hun einde.’ (Psalm 73 : 17)

Bron: Geloofsbeproeving: Psalm 73, het lijden van de vrome en de voorspoed van de goddeloze / door D. Martyn Lloyd-Jones (Kampen, De Groot Goudriaan)

Klik hier voor meer over en van D. Martyn Lloyd-Jones

Geplaatst in Bijbel, Diversen | Plaats een reactie

Gelijke liefde voor ongelijke mensen…

15 (…) Wij zijn mensen, net als u. Onze boodschap is nu juist dat u geen afgoden moet vereren, maar de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. 16 Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan, 17 maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.’ (Paulus in Lystra, Handelingen 14, NBG)
30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren, 31 en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan. (Paulus in Athene, Handelingen 17, HSV)

(…) Paulus wijst de heidenen in Lystra en Athene daarop. Hoewel zij in de voorbije eeuwen de afgoden dienden heeft God zich niet onbetuigd gelaten „door wél te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken” (Handelingen 14,17). Deze liefde mogen christenen navolgen. Niet omdat alle mensen gelijk zijn of omdat alle mensen dezelfde rechten hebben. Nadrukkelijk spreekt Jezus juist over slechte en goede mensen, rechtvaardigen en onrechtvaardiger! Er is veel verschil. De één verdient hulp en de ander helemaal niet. De grond voor Gods liefde ligt niet in mensenrechten maar in zijn geduld. Hij gebruikt zijn majesteit niet om slechte mensen van zonlicht en voedsel uit te sluiten. Hij omsluit ook hen met zijn zorg omdat Hij hen nog tot bekering wil leiden. Heel de wereldgeschiedenis is een periode van genadig sparen in onbegrensd geduld. Eens komt daaraan een eind. In het gericht. Nu is het echter de tijd voor berouw en terugkeer. En Gods liefde nodigt allen daartoe. Gods kinderen moeten dat beeld navolgen. Ook als ze vervolgd worden. God zelf wordt gevloekt en gehaat door velen: toch laat Hij die vijanden in het zonlicht over straat wandelen. Zo mogen christenen goed doen aan wie hen haten. Opdat de wereld in de houding van hun liefde het beeld van hun Vader opvangt. Wanneer God zijn zon laat schijnen over het Rode Plein, mogen wij bidden voor de atheïstische regenten in het Kremlin.

Onder mensen is liefde altijd begrensd. Daarom zegt Jezus: „Wanneer u liefhebt die u liefhebben, wat voor verdienste heeft dat: doen de tollenaars niet hetzelfde? En als u alleen uw broeders groet, wat voor bijzonders is daarin: doen ook de heidenen (of: de tollenaars) niet hetzelfde?” (vers 46-47). De wetsgetrouwe Israëlieten sloten zich al voor de tollenaars en deze hadden op hun beurt ook hun eigen vriendenkring. Mensen trekken grenzen rond zichzelf: wie daarbuiten vallen, laat men vallen. Dat is vandaag niet anders. Wie niet buigt voor een moderne visie op gelijkheid, hoeft niet meer te rekenen op gelijke behandeling. Hij wordt actief gediscrimineerd en ongelijk behandeld. Christenen die nog willen blijven spreken over goed en kwaad, worden niet welkom geheten. Het discrimineren houdt niet op bij hen die het woord ‘discriminatie’ als een smaadwoord hanteren.
Jezus leert ons echter een werkelijk gelijke behandeling van alle mensen. Niet een gelijke behandeling die hun mensenrechten ontziet, maar een gelijke behandeling die Gods liefde doorgeeft aan allen, goeden en slechten: „U zult dan volmaakt zijn (namelijk in de liefde) zoals uw hemelse Vader volmaakt is” (vers 48). De bijbel verbiedt ons enig onderscheid te maken tussen man en vrouw, blank en zwart, in het betonen van liefde en in het doen van goede daden.
Echte liefde stemt echter af op de behoeften van de ander. De liefde kwetst niemands gevoel. De liefde scheept de naaste niet af met vrijheden die hij in eenzaamheid moet zien te vullen. Zij vraagt zich af wat past en wat zal helpen, wat nuttig is en opbouwend. God geeft zon en regen en daarin hanteert Hij heel andere maten in de tropische landen dan in Nederland. Hij maakt onderscheid in klimaat tussen de kust en het binnenland. Er is op het eerste gezicht eigenlijk grote ongelijkheid van behandeling. Maar wanneer die ongelijkheid opkomt uit liefde en goede zorg en wanneer het de juiste behandeling is, herademt ieder land en komt iedere streek tot zijn eigen recht. Iedereen gelijke behandeling geven is niet moeilijk: in feite maken wij ons dan van allen af. Iedereen door de liefde de goede behandeling geven, dat is moeilijk: toch trekken wij ons dan allen aan met een gelijke liefde. Dit is de werkelijk gelijke behandeling die als enige toekomst heeft, want zij spiegelt de liefde van God.

Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Eenvoudig Gods Woord (be)preken? Waarom en voor wie?

Voor “oud en jong” ! Voor “grijs(wijs?) en groen”!
Voor iedereen!

21 Op dat moment begon hij vervuld van de heilige Geest te juichen en zei: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen (kinderkens – NBG) hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. (Uit Lukas 10, NBV)
38 Op hun reis ging Hij een dorp in. Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. 39 Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. [40] Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ 41 De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, 42 maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’ (Uit Lukas 10 , NBV)
1 Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. 2 Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. 3 Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u; 4 mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, 5 opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God. (Uit 1 Korintiërs 2, NBV)
9 Laat u niet misleiden door allerlei vreemdsoortige leerstellingen; we doen er goed aan ons te laten sterken door genade, niet door spijzen waar de aanhangers van die stellingen in het geheel geen baat bij hadden. (Uit Hebreeën 13, NBV)

Wanneer men zich in de prediking houdt aan het eenvoudig  volgen en uitleggen van het gekozen Bijbelgedeelte (ook kinderen/jongeren moeten veel ervan kunnen volgen en begrijpen!), dan zal duidelijk worden wat God hiermee aan zijn volk/gemeente leren wilde (in de tijd waarin het Bijbelgedeelte speelde) en zal duidelijk gemaakt kunnen worden (dat is een zaak van eerbiedig gebed en studie!) wat Gods Woord ons daarmee ook nu nog leren wil. De gemeente zal aan deze eenvoudige manier van volgen, naspreken, uitleggen en toepassen van Gods Woord niets tekort komen (1, 2, 3). Daarnaast kan/zal er vooral thematisch gepreekt (dienen te) worden aan de hand van de vragen en antwoorden Heidelbergse Catechismus. Dit leerboek is een geschenk van de Heilige Geest geweest aan de kerken van de Reformatie en heeft al vele generaties geleerd welke (goede!) vragen Gods Woord ons laat/leert stellen en welke antwoorden daarop te vinden zijn in Gods Woord (antwoorden voorzien van en onderbouwd met veel tekstverwijzingen). Zo leren we ons geloof te belijden in verbondenheid met (het belijden van) vorige generaties.

(1) 10 Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, 11 alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. (Uit Jesaja 55, NBV)
(2) 12 Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart. (Uit Hebreeën 4)

(3) Aanvullend opgemerkt:
Onze zondagse samenkomsten dienen gevuld te zijn met het Woord. Zowel in bidden en danken, in Psalmen en gezangen als ook in de preek. Het behoren diensten van het Woord (=Christus) te zijn. We hebben elkaar op te roepen om daar aan de voeten van de Here Jezus te willen zitten om te luisteren naar Hem (4).  Wij moeten daar allerlei eigen aanpak en inbreng maar zoveel mogelijk achterwege laten. Jezus komt ons daar dienen en ons de “voeten wassen” en zo zullen we (weer) geheel rein zijn, want we hebben ons toch (al) laten wassen door het Woord in onze Doop?! (5). Wanneer we ons daar klein maken voor Hem, dan zullen we geschikt worden voor allerlei gelovige “eigen aanpak en inbreng” in de komende werkweek – in gezin en/of familie, in de eigen gemeente en in de samenleving – die (op ons) wacht…

(4) Christus komt tot ons in het gewaad van het Woord (Maarten Luther)
(5) 7 Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ 8 ‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ 9 antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ 11 Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren.
12 Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. 13 ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. 14 Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. 15 Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16 Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. 17 Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. (Uit Johannes 13, HSV)

Tenslotte:
Zulke eenvoudige bediening van het Woord in onze samenkomsten, kunnen en behoren we niet aan te prijzen als een oplossing voor de leegloop van de kerken of als de “beste manier” om volwassenen en jongeren nog voor Gods Woord en Zijn gemeente te interesseren. We volgen hiermee eenvoudig de opdracht zoals we die (als Gereformeerde kerken/gemeenten) uit Gods Woord hebben leren verstaan… (6)

(6) 1 Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: 2 verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. 3 Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4 dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. 5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle. (Uit 2 Timoteüs 4)
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie