Kerst: Ons periodiek verlangen naar “het Licht”?

God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered. (Uit Psalm 80)

Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen, … (Uit Jesaja 64)

Wat is het antwoord van God op deze roep en klacht van profeet en volk in deze Psalm en het betreffende gedeelte van Jesaja en ook in andere gedeelten van het Oude Testament? Is Zijn antwoord dan: Ja, wat een mooi verlangen en wat is dat terecht van jullie en weten jullie wel hoe blij Ik ben hoe blij Ik wordt van jullie verlangen naar mijn verschijning? Te lang al heb Ik Mij verborgen gehouden, maar jullie roepen heeft Mij wakker geschud. Wachten jullie nu maar rustig en geduldig af. Nee, God komt eerst met een ernstig verwijt aan zijn eigen volk. De duisternis is blijkbaar aan het volk zelf te wijten. Dat het nu nodig geworden is, dat God die duisternis komt opheffen, doet daar niets aan af…

Laten we Gods antwoord lezen in Jesaja 65 en Malechi 4 bijvoorbeeld:

Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zei tot een volk dat mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. 2 De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; 
Ik heb u liefgehad, zegt de Here. En dan zegt gij: Waarin hebt Gij ons uw liefde betoond? (…)
Want zie, de dag
(van Gods verschijning) komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken – zegt de Here der heerscharen – welke hun wortel noch tak zal overlaten. 

Maar hoe is dat dan in onze tijd en met het verlangen naar “het Licht”, waar wij rondom kerst zo graag over spreken en druk mee (willen) zijn? Is dit verlangen naar “het Licht”, waar wij ook anderen (weer) in proberen mee te krijgen, ook voor ons christenen, inmiddels niet één en al toneelspel geworden. Iets dat bij de donkere winterse periode van het jaar hoort, maar wat uiteindelijk werkelijk geen enkele verandering in onze levensopvatting en in onze levensstijl teweeg brengt. Moeten we werkelijk aannemen, dat God Zijn volk aan het eind van het jaar liefst in deze stemming wil brengen en hebben om zo Zijn (kerk)volk te helpen de boodschap van “het Licht”, in mooi versierde kerken en diensten, aan elkaar en aan de wereld te verkondigen? Zijn onze kerkgebouwen in die periode, de door God aangewezen plaats, waar Hij ons graag (een tijd lang) druk bezig wil zien met allerlei aan Hem gewijde en mooi opgesierde dienst aan Hem? Vind Hij werkelijk vreugde in al onze godsdienstige drukte voor Hem tot het nieuwe jaar en het nieuwe seizoen van de wintersport en de voorjaarsvakanties weer aanbreekt?

Laten we dan nog (weer) eens aandachtig naar de woorden, die de Heer de profeet Jesaja liet uitspreken (in Jesaja 64-66) naar mensen, die in Jesaja’s tijd huiverden vanwege de tijd waarin ze leefden, maar ook naar de mensen, die meenden, dat zij het waren die God nog aanzien bezorgden en daarom God heel welgevallig waren met hun dienst in de tempel, met de vele offers en de vrolijke lofzangen (1), die daar – vooral dankzij hen (meenden ze) – nog steeds te horen waren. Dit ondanks alle bedreigingen die God hen bij monde van de profeet Jesaja eerder al had laten horen:

De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten. Waar zou dan het huis zijn dat u voor Mij zou willen bouwen en waar de plaats van Mijn rust? 2 Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt, en daardoor bestaan al die dingen, spreekt de HEERE. Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
Luister naar de woorden van de HEER, jullie die voor zijn woorden huiveren. Er wordt gezegd door jullie volksgenoten, die jullie haten en verstoten: ‘Dankzij ons staat de HEER in aanzien. (2) Toon ons dan eens hoe blij jullie bent.’  Maar zij zullen zelf te schande staan. 6 Er klinkt tumult in de stad, een luide stem uit de tempel: het is de stem van de HEER, …
(1) Zie bijvoorbeeld Gods woorden tot Zijn volk in Psalm 50 en de offerdienst van Salomo bij de wijding van de tempel en later bij het bezoek van de koningin van Scheba. Bij de tempelwijding in grote ootmoed en God welgevallig en bij het bezoek van de koningin van Scheba, vooral vertoond om indruk te maken met de grootsheid van de godsdienst van Israël. Dan is die indrukwekkende offerdienst van Israël God zeer beslist onwelgevallig.
(2) Denk hierbij ook eens aan ons huidige denken en oordelen over het verleden van onze kerken, de verzuiling en bijvoorbeeld het vroegere EO-kader. De kerken zouden vooral naar binnen gericht zijn geweest, en binnen de verzuiling en de EO klonk toen slechts het preken voor “eigen parochie”.  De dienst aan God zou daar vooral een “naar binnen gekeerd” effect hebben gehad. Of hadden wij christenen, die naar binnen gekeerde bediening misschien toch eerst en vooral zelf nodig? En nog? Wij menen nu wel dat we eindelijk zover zijn, dat we inzien en beginnen te begrijpen hoe we werkelijk “naar buiten gericht” bezig behoren en kunnen zijn… Maar, getuigt dat van werkelijkheidszin wanneer we om ons heen zien in de kerken en gemeenten en letten op wat voor “drukte” wij maken? Ziet het er misschien toch meer naar uit, dat we de weg en het licht nog meer kwijt zijn geraakt dan toen? Laten we ons eerlijk bezinnen op dit soort vragen met gebruik van het Licht van heel Gods Woord…
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Voor verstandigen verborgen, maar aan kinderkens geopenbaard…

Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, 2 en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opgroeien (1) tot zaligheid (uw redding en eeuwig geluk), 3 indien gij geproefd (ondervonden) hebt, dat de Here goedertieren is. 4 En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. (1 Petrus 2 : 1 – 5)
Geloven is de kunst (1) om vast te houden aan de dingen die je met je verstand hebt geaccepteerd, ondanks je wisselende stemmingen. (C.S. Lewis, 1898-1963)

Geloven is steeds weer gaan naar en drinken uit de Bron. Drinken is het enige dat je een baby niet hoeft te leren, het is – naast het schreeuwen om z’n vader en moeder (2) en “vieze luiers maken” (3) – gegeven met de geboorte. Maar, dan wél drinken als je aangelegd wordt (2) – dat is: met lichaam en ziel, in al “onze bewegingen en ons bewogen zijn” – verlangen en grijpen naar en gegrepen zijn door Gods Woord, het Evangelie…
Drinken uit de bron, dat is voortdurend nodig en dat doe je natuurlijk dagelijks voor je zelf of met elkaar in gezin en/of familie én dat doe je met elkaar in de samenkomsten van de gemeente van Jezus Christus…

Zie ook “Wedergeboorte – ons steeds weer gaan naar en putten uit de bron“

(1) Geloven en opgroeien daarin is een kracht en werk van de Heilige Geest (waarom we steeds weer vragen in de bede “geef ons heden ons dagelijks Brood“) en beslist geen kunst (kunde) of werk van mensen en/of een macht van het mensenverstand… Het wordt trouwens op geen enkele plaats in de Bijbel op die manier omschreven, integendeel!
(2) Denk hierbij aan onze drie-enige God als Vader en aan de Kerk (gemeente) als moeder…
(3) Het is nodig van geboorte af aan je te laten wassen en verschonen: Doop en Avondmaal.
1 O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2 Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. 3 Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel leve; (uit Jesaja 55)
37 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. 38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) (uit Johannes 8)
25 In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, maar aan kinderkens geopenbaard. 26 Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen. (…) 28 Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. 29 Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel;  (uit Matteüs 11)

Hoe goed is het te zingen voor onze God,
hoe heerlijk hem onze lof te brengen.
2 De bouwer van Jeruzalem, dat is de HEER,
hij brengt de ballingen van Israël bijeen.
3 Hij geneest wie gebroken zijn
en verzorgt hun diepe wonden.

4 Hij bepaalt het getal van de sterren,
hij roept ze alle bij hun naam.
5 Groot is onze Heer en oppermachtig,
zijn inzicht is niet te meten.
6 De HEER richt de vernederden op
en drukt de goddelozen neer.

7 Hef voor de HEER een hymne aan,
zing voor onze God een lied bij de lier,
8 voor hem die de hemel met wolken bedekt,
die de aarde met regen doordrenkt,
die het gras op de bergen laat groeien,
9 die voedsel geeft aan de dieren,
aan de roepende jongen van de raaf.

10 Niet de kracht van paarden verheugt hem,
niet de sterkte van soldaten geeft hem vreugde,
11 vreugde vindt de HEER in wie hem eren
en in wie hopen op zijn liefde en trouw.
(…)

Uit Psalm 147

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Onze solidariteit met IS-strijders…

Wanneer we solidariteit niet nemen in de gangbare betekenis van een gedeeld besef van saamhorigheid en gedrag dat er aan beantwoordt, maar teruggaan tot wat hiervoor ligt: namelijk een gemeenschappelijk aansprakelijk gesteld worden, en daarmee een gemeenschap stichtende factor, dan gaan we terug naar de juridische grondbetekenis van het woord. Deze is de eerste betekenis die we in het Woordenboek der Nederlandsche taal vinden:

Solidariteit: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor het geheel der schulden of hoofdelijke gerechtigheid tot kwijting der vorderingen van al degenen die een bepaalde verbintenis hebben aangegaan. ||(…)  a. Solidariteit of hoofdelijkheid der verbintenis, ASSER, Ned. Burg. Recht 31, 56. Actieve of passieve solidariteit (of hoofdelijkheid) 31, 57.

Solidariteit is (zodanig) primair verbonden met de Goddelijke Openbaring (namelijk over onze zondeschuld en verlossing daarvan) die ons – christen en niet-christen gezamenlijk – onder kritiek stelt. De Openbaring stelt ons aansprakelijk voor de keuze tussen dood of leven en sticht daarmee solidariteit.

Bron: Lezing van prof. S. Griffioen op Mekkes-symposium aan Erasmus Universiteit in Rotterdam (20 november 2015) waarin bovenstaande woorden van prof. J.P.A. Mekkes over solidariteit geciteerd werden.

Wanneer we letten op het eerste deel van de betekenis van het woord solidariteit, namelijk “hoofdelijke aansprakelijkheid voor het geheel der schulden”, dan worden wij bepaald bij ons aandeel in de schuld en vloek die er door onze zonden nog altijd op deze wereld rust. En dat besef, dat moet ons (christenen) brengen tot ootmoed, berouw en bekering. Wij kunnen dat leren van Gods boodschap aan het volk van God ten tijde van het Oude Testament. Niet de gewelddadigheid van de volken rondom Israël waren een gevaar voor Israëls vrede en veiligheid, maar het gebrek aan vertrouwen op God en een daarmee overeenstemmend leven met God in de dagelijkse praktijk van de Israëlieten. Dat maakte dat deze volken een daadwerkelijke bedreiging werden en het land konden binnen vallen. Van God viel er geen bijstand en redding meer te verwachten, omdat de Israëlieten – ondanks alle vrome Israëlische godsdienstigheid en tempeldienst, die er vaak heus nog wel was – God niet meer dienden met heel hun hart en met heel hun leven, maar daarvan ver afgeweken waren in de dagelijkse praktijk van hun leven (1)
Dan riepen de profeten op tot verootmoediging en bekering, tot terugkeer naar de levende God, opdat Hij het volk (en op het laatst zeiden ze erbij “wie weet”) weer verlossen zou van hun vijanden en de vrede en rust in het land herstellen…

Hoe is het in onze tijd? Hoe vergaat het ons, dus wij mensen, die toch leven in een “verlicht werelddeel”, maar waarin toch niet zo lang geleden nog, begonnen werd aan de gerichte afslachting van bepaalde groepen “minderwaardige mensen”. Een werelddeel waar wereldoorlogen begonnen en massa-slachtingen van mensen veroorzaakt werden en nodig waren om mensen, die dankzij “de Verlichting” meenden wereldwijs geworden te zijn, weer tot rede en vrede te brengen?!  Verootmoedigen wij christenen ons over de levensstijl die wij ontwikkeld hebben na WO II.  Verootmoedigen wij ons onder het gebrek aan Evangelie in de wereld. Hebben wij ons na WO II niet veel meer ingespannen voor ons dagelijks brood, onze welvaart en onze luxe, en daarmee (verhoudingsgewijs) minder voor het Evangelie, dan welke christelijke generatie ooit.

Heeft de bedreiging die er in onze tijd van IS uitgaat en de ellende die zij veroorzaken en kunnen veroorzaken niet veeleer te maken met de goddeloze leefstijl van de westerse wereld en het westerse christendom, dan met het nog onderontwikkeld en inferieur zijn van deze mensen en de godsdienst die ze aanhangen?

Is er ruimte bij ons voor het zien van onze gezamenlijke zondeschuld? En dan niet zondeschuld in z’n algemeenheid, maar voor het zien van concrete zonden in eigen leven en dat van de mensen om ons heen en in de levensstijl die wij er op na houden? Is er (daarom) ruimte voor verootmoediging, berouw en bekering waardoor er ook weer ruimte kan komen voor onze opdracht “zoek eerst het koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid”?

Als die ruimte er is, laten wij God dan bidden om geopende ogen, wat meer is: om geopende oren en geopende harten, waardoor we ons met heel ons leven, met hart en ziel en “handen en voeten” gewonnen geven aan onze drie-enige God en aan een leven met en voor Hem.

Onze Vader die in de hemel woont
Uw Naam worde geheiligd (in mijn en ons aller leven)
Uw Koninkrijk kome (ook door mijn liefde en inzet daarvoor)
Uw wil geschiede (dus leer mij mijn verkeerde wil geen voorrang te geven)
Geef ons heden ons dagelijks Brood (… de kracht en bijstand van uw Heilige Geest)
En vergeef ons onze schulden (want wij voegen er dagelijks aan toe)
gelijk ook wij vergeven hen die ons iet schuldig zijn (wat ons in eigen kracht niet lukt)
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze (want zijn verleidingen en macht gaat onze krachten ver te boven)
Want van u is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid (vertrouwen en lofprijzing)
Amen 

 (1) God vraag niet om onze godsdienstigheid maar om ons hart en leven…
Uit Micha 6
6 Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7 Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel?
8 Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is
en wat de HEERE van u vraagt:
niets anders dan recht te doen,
goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
Geplaatst in Diversen, Geschiedenis | Plaats een reactie

Ooit een mooi Mens ontmoet? En? Beviel Hij ons? En u?

Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen…
En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt…
Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
Ga uit van mij, Heer, want ik ben een zondig mens…
Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard…
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.
Want Johannes is gekomen, hij at niet en hij dronk niet, en ze zeggen: Hij heeft een demon…
Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee…
“De farizeeën gingen weg en beraadslaagden tegen Hem, hoe zij Hem om zouden kunnen brengen.”
 Maar zij schreeuwden: Weg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem! 

(…)

Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens…
Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij…
Want wie maakt onderscheid tussen u? En wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? En als u het ook ontvangen hebt, waarom roemt u alsof u het niet ontvangen had?
Want ik denk dat God ons, de laatste apostelen, heeft tentoongesteld als mensen die ter dood veroordeeld zijn. Wij zijn immers een schouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen. Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar u bent wijs in Christus, wij zwak, maar u sterk, u geëerd, maar wij veracht…
Want wij durven ons niet te rekenen onder, of te vergelijken met sommigen die zichzelf aanbevelen; maar door zichzelf af te meten aan zichzelf, en zichzelf te vergelijken met zichzelf, zijn zij bepaald niet verstandig…
Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Vernedert u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u…
Slaven, weest uw aardse meesters gehoorzaam met eerbied en in eenvoud des harten, als gold uw onderdanigheid Christus zelf, niet als ogendienaars om mensen te behagen, maar als knechten van Christus, die Gods wil van harte volbrengen.
Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen…
Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken.
Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan…

 

 

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

De “drie stukken” – geen tijd- of heilsvolgorde…

Vanwege de misvattingen en misstanden in de kerk waarin Luther opgroeide en zijn opleiding ontving, lijkt het alsof Luther het verloop van zijn leven nu ook bepalend wil laten zijn voor de tijdvolgorde en/of heilsvolgorde in zijn “theologie” en catechismus en in het leven elk gelovig kind van God. Maar dat is beslist niet het geval en ook zeker niet zijn bedoeling geweest! Maar de drie stukken (“ellende, verlossing, liefde/dankbaarheid”) behoren wel tot de heilsorde van Gods Woord! En als het goed is gaat de confrontatie met en de groei van kennis en ervaring op het gebied van deze “drie stukken” min of meer gelijk op in ons leven. En dan geldt daarbij – heel “natuurlijk” (beter: geestelijk) – dat hoe meer wij van het werkelijke Licht “gezien” en ervaren hebben, hoe donkerder en schrikbarender het duister in ons leven en de wereld voor ons wordt.

We zien dat geïllustreerd in het leven van David. Wanneer dichtte hij Psalm 51 en wanneer kon en wilde hij van harte belijden “Zie, ik ben in zonde ontvangen en geboren”? Was dat nadat God hem aan alle kanten rust geschonken had en gezegend in zijn koningschap en gezin? God verwijt David dat hij toen, door de zonde met Batseba “al Zijn geboden met voeten getreden heeft” en Gods vijanden gelegenheid gegeven om “zijn Naam te lasteren”. En dan beseft David (weer) zijn totale afhankelijkheid van Gods genade en van Gods scheppingswerk (wedergeboorte!) door de Heilige Geest  in zijn leven…

[Hieronder behandelde tekst: Lukas 2:10-12]

Hoe moeten wij de geboorte van Christus goed en nuttig gebruiken? Dat wij geloven dat Hij voor ons geboren is, dat Zijn geboorte mijn geboorte is, zoals u uit de profeet Jesaja (1) gehoord hebt (vgl. Jesaja 9:5). Onze geboorte is een geboorte waarin alleen zonde is. David zegt: ‘Zie, ik ben in zonde ontvangen en mijn moeder heeft mij in ongerechtigheid gebaard’ (vgl. Psalm 51:7). Het is alsof David wil zeggen: er is niets dan zonde, zowel in mijn ontvangenis als in mijn geboorte. Wat ik van het lichaam van mijn moeder meebreng, is allemaal verdoemd en hoort bij de dood, de duivel en de hel. Omdat nu onze geboorte door en door zondig is – wat kan er dan nog voor goeds uit voortkomen? Onze naam is ‘Zondaar’, die komt bij Adam vandaan, daarop kunnen wij ons verheffen als wij willen. Verder hebben wij helemaal niets. Ieder kind dat geboren wordt, is volkomen in de macht van zonde, dood, duivel en hel, ja, aan de eeuwige verdoemenis onderworpen. Daarom is de geboorte uit Adam op zich al ellendig en droevig genoeg, zelfs zonder wat er achteraankomt aan ellende en benauwdheid in deze wereld. Om ons van deze onreine en zondige geboorte te zuiveren en te verlossen heeft God een andere geboorte gezonden, die rein en zuiver moest zijn – dat is de geboorte van onze Heere Jezus Christus. Christus is om deze reden zonder man uit een maagd geboren (vgl. Jesaja 7:14 en Mattheüs 1:23). Hij heeft niets in Hem laten overblijven van het vlees, zoals wij belijden: ‘Die ontvangen is door de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.’ Alleen het verdriet en de nood die uit vlees en bloed voortkomt, is in Hem overgebleven, zoals honger, dorst, ongeluk en de dood, uitgenomen de zonde. Zoals ook de brief aan de Hebreeën zegt: ‘Christus is in alle dingen verzocht geweest, zoals wij, maar zonder zonde’ (vgl. Hebreeën 4:15). Dit is het grote werk dat de Heere God voor ons gedaan heeft, waar niemand nut of voordeel van heeft, dan alleen hij die gelooft.

Maarten Luther: Festpostille 1527, vgl. WA 17.2,304,15-305,5 (verkort)
(1). Zie hiervoor de preek over Jesaja 9 (WA 19,149,4 ff).
Bron:  “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus“ – Zondag 14 – Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Zie verder ook: Inleiding: Ellende, verlossing, dankbaarheid

Teksten waarnaar verwezen werd:

Uit Psalm 51
6 Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
en rein bent wanneer U oordeelt.
7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
8 Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
(…)
12 Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
13 Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
(Jesaja 7 : 14) 14 Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.
(Jesaja 9 : 5) 5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
(Matteüs 1 : 23) 23 Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons.
(Hebreeën 4 : 15) 15 Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde.
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Kopie?… of in de voetsporen van Jezus?

* Vernedert u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u verhoogt te zijner tijd… *

Uit 1 Johannes 2 (NBV)

3 Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4 Wie zegt: ‘Ik ken hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5 In wie zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde ten volle werkelijkheid geworden; hierdoor weten we dat we in hem zijn. 6 Wie zegt in hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden. 7 Geliefde broeders en zusters, ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor maar een oud, dat u vanaf het begin bekend is. Dat oude gebod is de boodschap die u gehoord hebt. 8 Toch is het ook een nieuw gebod, omdat de duisternis wijkt en het ware licht al schijnt, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven. 9 Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat (1), bevindt zich nog altijd in de duisternis. 10 Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, 11 maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.
12 Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13 Ik schrijf u, ouderen: u kent hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14 Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.
15 Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16 want alles wat in de wereld is – zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17 De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

(1) Haten is hier: God en/of de naaste niet die plaats geven in je leven, dus in je doen en laten, die God of de naaste naar Gods Wil en Woord toekomt: namelijk God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf. (“Wij zijn van nature geneigd om God en de naaste te haten”: We doen het zomaar, het ligt voor ons voor de hand, we doen het “voor we er erg in hebben”).
Filipenzen 2 : 5-11
5 Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, 6 Die, hoewel Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. 8 En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood. 9 Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, 10 opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, 11 en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Onze drie-enige God kennen in Geest en in Waarheid…

‘Zonder twijfel houden velen het ervoor, dat zij alles al ontvangen hebben als ze hun ellende kennen – ja, als het alleen over het verstand ging: ik weet dat ik een kind van de duivel ben. Maar daar hoort nog veel meer bij, want u ziet hoe zij afvallig worden die veel spreken en schrijven over hun zonde. Ons leven lang hebben wij nodig (al!) deze stukken te leren, want een christen is die mens, die in de eerste plaats zichzelf kent [door het gebod] (ellende), in de tweede plaats zich aan Christus houdt [door het geloof] (verlossing), en in de derde plaats goede werken doet [door de liefde] (dankbaarheid). Welke werken dat zijn, leren de Tien Geboden. Wat daartoe nodig is te bidden, leert het Onze Vader. Dat zijn de drie stukken die een mens tot christen maken.’ 
De volgorde (1) die Luther hier noemt, komt dus geheel overeen met de hoofdlijn van de Heidelbergse Catechismus: Gebod, Geloof, Gebod en Gebed. Opmerkelijk is hier dat Luther hier de Tien Geboden (gebod) en het Onze Vader (gebed), net als de Heidelberger Catechismus, samenvoegt.

(1) Zie: De “drie stukken” – geen tijd- of heilsvolgorde!
Maarten Luther geciteerd in “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus“

Zondag 33 – vraag 91: Maar wat zijn goede werken?

[Behandelde tekst: Lukas 11:14-23, over de genezing van een doofstomme]

(…) Het derde stuk gaat over de goede werken. Wanneer nu de natuur én de persoon goed is, dan volgt het derde, namelijk dat men ook goed moet doen. Wanneer de satan uitgeworpen is, neemt de verstomming een einde en begint de stomme te spreken. Dan wordt hij pas echt iemand die hoort, spreekt, dankt en onderwijst – iets wat hij tevoren niet kon. Dat zijn dan ook de voornaamste werken van een christen, dat hij spreekt en anderen leert, zijn gezin onderwijst, de gelovigen troost en vermaant. Dan spreekt hij pas werkelijk, dan kan hij bidden, dan doet hij ook met zijn handen zoveel goeds als maar kan. Dat zijn de goede werken! Daarom kan een christen geen goede werken doen vóór de twee eerste stukken, namelijk vóór hij zich leert kennen als een kind van de duivel en vóór Christus hem door Zijn genade verlost. Als dat gebeurd is, dan weet hij pas wat hij met zijn goede werken op het oog moet hebben. Zeker niet om daardoor naar de hemel te gaan! – want Christus gééft u dit alles, omdat u uzelf als een ellendig mens en Christus als uw Zaligmaker kent. God kan u niets geven dat meer is dan Christus! Hij wordt aan u gegeven zonder enig werk, maar slechts door de kennis dat wij niets zijn én door de kennis van Zijn barmhartigheid.

Zonder twijfel houden velen het ervoor dat zij alles al ontvangen hebben als ze hun ellende kennen – ja, als het alleen over het verstand ging: ik weet dat ik een kind van de duivel ben. Maar daar hoort nog veel meer bij, want u ziet hoe zij afvallig worden die veel spreken en schrijven over hun zonde. Ons leven lang hebben wij nodig deze stukken te leren, want een christen is die mens die in de eerste plaats zichzelf kent [door het gebod], in de tweede plaats zich aan Christus houdt [door het geloof], en in de derde plaats goede werken doet [door de liefde]. Welke werken dat zijn, leren de Tien Geboden, wat daartoe nodig is te bidden, leert het Onze Vader. Dat zijn de drie stukken die een mens tot christen maken.

Predigten des Jahres 1530, vgl. WA 32, Seite 19-20, weergave: Dr. Georg Buchwald, Martin Luther Predigten I, S. 663-664, Gütersloh 1926
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Het nieuwe Verbond of Testament in Zijn bloed…

Hoe wordt u in Het Heilig Avondmaal vermaand (onderwezen) en verzekerd dat u aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt? (Zondag 28. Vraag 75)
‘Hij heeft degenen die Hem vrezen spijs (voedsel) gegeven – Hij gedenkt in eeuwigheid aan Zijn verbond’ (Psalm 111:5).

(…) Men houdt in dit sacrament ook de gedachtenis van Zijn verbond, namelijk de gedachtenis die Christus daarin ingesteld heeft, daarom zegt de tekst dat Hij het dóét, dat Hij Zelf aan Zijn verbond gedenkt. Het sacrament is immers niet onze instelling of ons werk, maar alleen van Hem – en Hij doet het door en in ons. Want de dichter spreekt niet over gedachten die wij in ons hart zouden hebben, maar over de openbare, gesproken gedachtenis, waarvan Christus zegt: ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis’ (o.a. Lukas 22:19). Dat gebeurt door de prediking en het Woord van God, dat is Zijn gedachtenis die Hij heeft ingesteld, die ook tot aan het einde van de wereld zal blijven. Op deze manier is het sacrament niet alleen spijze [brood en wijn], maar ook Gods Woord.

‘Zijn verbond’ noemt de dichter hier niet meer de Tien Geboden of de oude wet, maar het Nieuwe Testament, het Evangelie. Zoals Christus Zelf ook spreekt: ‘Dit is de drinkbeker van het Nieuwe Testament in Mijn bloed’ (vgl. o.a. Lukas 22:20). Want testament en verbond is in het Hebreeuws één zaak. Namelijk, waarin God Zich met ons zó verbindt, dat wie in Hem gelooft, zalig zal worden door Zijn bloed en lijden dat Hij ons door het Evangelie aanbiedt (1). Het is niet anders dan wat de vorige twee verzen zeggen: ‘Een gedachtenis van Zijn wonderen’ (vgl. Psalm 111:4) die Hij aan ons bewezen heeft. Dat is het verbond dat de hele wereld bestrijdt en verdoemt als de grootste ketterij, want zij kunnen het niet verdragen dat wij zonder werken of verdiensten, alleen door het geloof in Christus zalig worden. Dit [verbond of testament in het avondmaal en in het Evangelie] zou ook allang zijn ondergegaan en vergeten, als Christus het niet krachtig in stand hield en ons niet aan Hem liet gedenken. Hij wil en kan het niet vergeten, maar denkt eraan. Hij laat het Evangelie ondanks ons en te midden van ketterij, dwaling, mensenleer, onderdrukkers en duivels op aarde blijven.

(1) Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Christus ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons. 21 En Hij Die ons met u bevestigt in Christus en ons gezalfd heeft, is God, 22 Die ons ook verzegeld heeft en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven heeft. (2 Korintiërs 1 : 20-22)
Maarten Luther: Der 111. Psalm ausgelegt, 1530,vgl. WA31.1,417,13-35

Lezen: Psalm 111 – Het Evangelie in een notedop…

Bron: Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelberger Catechismus

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

Bidden om de Heilige Geest…

Geef ons heden ons dagelijks Brood

… zeg niet: Wat zullen wij eten? of: Wat zullen wij drinken? … Want al deze dingen zoeken de heidenen. Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt.
… u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen.  Slechts één ding is nodig…
Stel dat iemand van u een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: Vriend, leen mij drie broden…
… dan zou hij toch om zijn onbeschaamdheid opstaan en hem er zoveel geven als hij nodig heeft. (1)
Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven…
… hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?
(Uit Matteüs 6 en Lukas 10 en 11)

Zijn er niet veel christenen in ons land, die wel met hun kinderen willen en durven bidden om het dagelijks brood en hun kinderen ook willen en durven te vertellen van een God, Die in de hemel woont, Die gezorgd heeft voor het brood dat op hun bordje ligt, en die daarom Hem voor dat aan hen geschonken brood ook graag willen danken aan het eind van de maaltijd… Maar, die er een grote vraag van maken of diezelfde God hun bidden om de Heilige Geest (voor henzelf en/of voor hun kinderen) wel verhoren wil, laat staan, dat ze Hem ervoor danken (willen/durven)…

En wanneer we het bidden en danken in onze kerken en gemeenten beluisteren, horen we dan in de gebeden niet haast als regel een nogal wankelmoedig gebed, waar het de Heilige Geest en Zijn gaven en werk betreft, en ontbreekt aan het eind van de samenkomst niet te vaak een (door ieder) uit volle borst mee te zingen dank- en loflied?

Stel dat u iemand aan de deur krijgt, die u vol verlangen en zeer dringend om één brood vraagt, en u stopt daarom deze persoon drie broden in handen en zegt dat hij altijd mag terugkomen wanneer het hem weer aan brood ontbreekt, dan zou u toch (stom)verwonderd zijn, wanneer deze persoon bij het weggaan, u niet begint te bedanken, maar de broden in zijn fietstas wegstopt om daarna, in plaats van de broden mee te nemen en waar mogelijk er van uit te delen, naar u terug loopt en een soort van vraaglied/klaaglied aanheft, waarin hij zijn verlangen naar (meer) brood uitzingt…

En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God genadig geschonken zijn.
Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart…
… In Hem bent ook u, nadat u het Woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid, gehoord hebt; in Hem bent u ook, toen u tot geloof kwam, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte,
14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verlossing die ons ten deel viel, tot lof van Zijn heerlijkheid.
Christus het hoofd van de gemeente.
16 Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en lofzangen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. (a) 17 Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

(1) Wij ontvangen op het gebed, persoonlijk en als gemeente, al de gaven van de Heilige Geest, die wij nodig hebben op de dag en de tijd waarin wij leven (2)! Dat is en geeft een grote verantwoordelijkheid. Al ons klagen over gebrek aan (bijzondere) gaven van de Geest (in persoonlijk leven en/of in de huidige kerken/gemeenten) doet tekort aan Zijn trouw en macht en werk en/of komt voort uit klein geloof of ongeloof en gebrek aan tevredenheid met en (wil tot) het werken met de ons (wel) geschonken gaven.

(2) De Israëlieten nu deden zo en verzamelden het, de een meer en de ander minder. Toen zij het in een gomer maten, had hij die meer verzameld had, niet te veel en hij die minder verzameld had, kwam niet te kort (3). Ieder had naar zijn behoefte verzameld. (Uit Exodus 16)

(3) Wanneer dit voor het manna gold, hoeveel temeer moet dit dan gelden (in de gemeente van Jezus Christus) voor het het ware Brood uit de hemel…

En Jezus zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. Maar Ik heb u gezegd dat u Mij wel gezien hebt, en toch gelooft u niet… (Uit Johannes 6)

Lees ook: De hongerige ziel…

(a) 13 Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. 14 Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen. 15 Alles wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij het uit het Mijne zal nemen en het u zal verkondigen. (Uit Johannes 16)
Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Leven en geloven een (toneel)spel?

Ons geloven en werken, ons theologiseren en filosoferen is ook “doorbreken van
en breken met het (toneel)spel van de wereld”!

 (…) Wees op uw hoede voor het zuurdeeg van de Farizeeën, dat is de huichelarij (1).
(Uit Lukas 12)
(1) toneelspel!

In het spel vergeet men de werkelijkheid, want men dringt er de waarheid ten onder. Is het spel een wereldbeschouwing, een speltheorie, dan kan het zijn, dat men al spelende de theorie maakt. Soms wordt de theorie ontworpen door een geleerde op zijn stille studeerkamer, en de tijd komt dat de mensen het gaan spelen. Dan is de geleerde een profeet, en is hij een vals profeet, dan is hij een van degenen, door wie de ergernissen komen.

Wie de zin van het spel zal verstaan, moet het breken. Een mens kan dat niet. Maar wie gelooft, dat Jezus is de Christus, die heeft de wereld overwonnen: die heeft het spel gebroken. En het wordt funest, wanneer men het christelijk geloof wil verbinden met een spel; dan krijgt men de synthese tussen de zuurdesem van het Koninkrijk van God en dat van de Farizeeën of Sadduceeën — er zijn vele combinaties geprobeerd. De Roomse kerk heeft de zuurdesem van het Koninkrijk der hemelen willen verbinden met die van Aristoteles. Vele reformatoren zijn er gebrekkig in geslaagd, de Roomse zuurdesem uit te zuiveren. En wel zeer jammerlijk is de synthese, waarin geleerd wordt dat het Evangelie van het Koninkrijk niet een zuurdesem is: dan geeft men den strijd reeds bij voorbaat op.

Reformatorisch werk wordt daardoor gekenmerkt, dat het poogt de vreemde zuurdesem uit te zuiveren. Daarom komt het op den duur steeds met een leer, een wereldbeschouwing. De spelers begrijpen gewoonlijk zeer goed, dat deze naar consequentie staande Christus-gelovigen hoogst gevaarlijk zijn voor het spel. Men tracht hen dan ook met alle denkbare middelen te weren. Een van die middelen is, star te ontkennen, dat een christelijke levens- en wereldbeschouwing mogelijk is.

Wie het spel meespeelt, kan een geoefend speler worden. Hij kan wijs en verstandig worden in het spel. Zijn menselijke ontwikkeling ontvouwt zich in dat spelen. Hij kan een ernstig werker zijn. Zijn arbeid en de resultaten zijn niet onzinnig. Integendeel, hij vergadert schatten; maar God geeft hem de macht niet om daarvan te eten. Wie het spel leerde breken, verstaat het. Hij is een onbedrevene in het spel geworden, maar hij verstaat het, hij kan scherp zien omdat hij de balk en de splinter uit eigen oog heeft weggedaan. Dit schijnt onbereikbaar, maar wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God. Want de Christus-gelovige concurreert niet met de spelers; hij is van het spel verlost. Hij zoekt echter geen heil in mijding: ook dat is een spel. Hij mijdt het spel niet, integendeel, hij neemt er met intense belangstelling kennis van. Want een belangrijk deel van de historie wordt door dat spel ingenomen, en wil de Christen zijn tijd en zijn vijanden verstaan, dan moet hij het spel grondig bestuderen.

Bron: “Eerst de Jood maar ook de Griek” van prof. dr. K.J. Popma

Zie ook:
– Jezus waarschuwingen tegen toneelspel…
– Het leven een (toneel)spel? (2)

Geplaatst in Diversen, Gemeente | Plaats een reactie