De liefde is de vervulling der wet

´Wees niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben, want die de ander liefheeft die heeft de wet vervuld´ (Romeinen 13:8, weergave DB 1545). (1)

(…) Het gebod der liefde nu is een kort gebod en een lang gebod, één gebod en veel geboden, geen gebod en alle geboden. Het is op zich kort en één, en voor het verstand makkelijk te begrijpen. In de praktijk echter is het lang en véél en niet te doorgronden, want alle geboden zijn erin besloten en worden erdoor geregeerd. Het is helemaal geen gebod als je naar de werken kijkt, want het heeft geen bijzonder werk dat met name genoemd wordt.

Toch zijn het alle geboden, omdat de liefde het werk van alle geboden is en moet zijn. Op deze manier heft het alle geboden op en geeft het alle geboden. En wel om deze reden: wij moeten weten en leren om geen gebod, geen werk verder te houden of te achten dan alleen in zoverre de liefde dat vereist.

Omdat wij nu op aarde niet zonder werken kunnen of mogen zijn, moeten er ook veel verschillende geboden zijn, waarin de werken omschreven worden. Maar toch zó dat de liefde moet regeren en keizerin is over alle wetgevers die gebieden de werken te laten en te doen. Want alles moet de liefde dienen en zonder dat mag geen werk blijven of voortgang hebben.

Bron: Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2, 95, 17-30

Geloof en liefde moeten boven alle wetten staan en die alle regeren. Want aangezien alle wetten tot geloof en liefde aanzetten, moet geen wet meer van kracht zijn of ook wet blijven, ingeval deze tegen het geloof en de liefde ingaat. Want ook Christus zegt dat men de sabbat mag breken en een koe die in een put gevallen is, er weer mag uittrekken – wat toch op zich maar een tijdelijke nood en schade is. Veelmeer moet men allerlei wetten breken als de lichamelijke [of geestelijke] nood [van een mens] dat vereist, zodat er in zo’n geval niets mag gebeuren wat tegen het geloof en de liefde is. Zoals Christus zegt dat David dit heeft gedaan toen hij [en die met hem waren] van de heilige broden hebben gegeten (2).

Bron: Maarten Luther: Vorrede auf das Alte Testament, 1523 (1545), vgl. WADB 5, 6, 8-31 (verkort)
(1) Zie ook Galaten 5:14; 1 Timotheüs 1:5
(2) Zie Markus 2:23-28; 3:1-6

Zie verder ook de volgende webpagina’s:

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Richtlijnen voor het samen zingen – Dietrich Bonhoeffer

18 (…) maar word vervuld met de Geest, 19 en spreek onder elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zing voor de Heere en loof Hem in uw hart, 20 en dank altijd voor alle dingen God en de Vader in de Naam van onze Heere Jezus Christus. 21 Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods. (Uit Efeziërs 5)

‘Zingt en jubelt de Here van harte’ (Efez. 5:19). Het nieuwe lied wordt allereerst in ons hart gezongen. Anders kan het helemaal niet gezongen worden. Het hart zingt, omdat het van Christus vervuld is. Daarom is elk zingen in de gemeente een geestelijke zaak. Overgave aan het Woord, deel hebben aan de gemeenschap, veel ootmoed en de nodige innerlijke discipline zijn de vooronderstellingen voor elk gemeenschappelijk zingen. Waar het hart niet meezingt, daar is alleen de afschuwelijke disharmonie van mensen die hun eigen eer zoeken. Waar niet tot verheerlijking van de Heer gezongen wordt, daar zingt men ter ere van zichzelf of van de muziek. En dan wordt het nieuwe lied tot een lied voor een afgod. ‘Spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’ (Ef. 5:19). Ons lied op aarde is een spreken. Het is het gezongen Woord.
Waarom zingen christenen als zij bij elkaar komen? Allereerst heel eenvoudig, omdat het hun in het gemeenschappelijk zingen mogelijk is, hetzelfde woord tegelijkertijd te zeggen en te bidden. Om de eenheid in het Woord dus. Alle wijding en alle devotie geldt het Woord, dat in het lied tot uitdrukking komt. Dat wij het niet gezamenlijk uitspreken, maar zingen, is een bewijs voor het feit, dat onze gesproken woorden niet voldoende zijn om uit te drukken wat wij willen zeggen en dat het onderwerp van ons lied ver uitgaat boven alle menselijke woorden. Toch lallen wij niet, maar wij zingen woorden tot verheerlijking van God, woorden van dank, belijdenis en gebed. Zo staat het muzikale geheel in dienst van het Woord. Het verduidelijkt het Woord in zijn onbegrijpelijkheid.
Omdat het geheel aan het Woord gebonden is, is het lied dat in de samenkomst van de gemeente gezongen wordt, vooral ook het lied in de ‘huisgemeente’, naar zijn karakter een éénstemmig lied. Woord en klank verbinden zich hier op een heel bijzondere manier. De zich vrij bewegende melodie van het eenstemmig lied heeft zijn enig en wezenlijk houvast aan het Woord, dat gezongen wordt en heeft daarom geen muzikale ondersteuning van meerdere stemmen nodig.

Laat ons zingen met één mond,
in eendracht, uit des harten grond,

zongen de Moravische broeders. ‘…Opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken’ (Rom. 15:6). De zuiverheid van het eenstemmig zingen, niet bedorven door vreemde motieven van muzikale overmatigheid; de helderheid, niet vertroebeld door het donkere verlangen om aan het muzikale een eigen
recht te geven naast het Woord; de eenvoud en nuchterheid, de menselijkheid en warmte van dit zingen – bepalen geheel het karakter van het aardse lied van de gemeente. Wel is het waar, dat ons oor, gewend als het is geraakt om anders – op een verkeerde manier – te luisteren, slechts langzaam en door geduldige oefening voor deze dingen opengaat. Het zal daarvan afhangen of men de dingen geestelijk zuiver weet te onderscheiden, of een gemeenschap tot het juiste eenstemmige zingen komt. Maar hier wordt van harte gezongen, hier wordt voor de Heer gezongen, het Woord wordt gezongen en er wordt gezongen in eensgezindheid.

(…en dan volgen nog tal van praktische adviezen over het samen zingen en gaat Bonhoeffer daarna – dus ná gesproken te hebben over Bijbellezen en samenzang – spreken over het bidden in de (huis)gemeente!)

Bron: “Verborgen omgang” van Dietrich Bonhoeffer.

 

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Samenkomst gemeente: Onze dienst aan God of Gods dienst aan ons?

41 Jezus antwoordde en zei tegen haar: Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen. 42 Slechts één ding is nodig. Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden afgenomen. (Uit Lucas 10)

Er is alle reden om de zondagse samenkomsten van de gemeente (weer) te (leren) zien en aanvaarden als een tijd en plaats van en voor “Gods Liefde-dienst aan ons” en niet als een tijd en plaats voor ons om God te dienen met onze gaven en krachten. Natuurlijk is het daar aanwezig en het op bepaalde manieren actief zijn van ons (in verkondigen en luisteren en ook in bidden en lofprijzing) ook een bepaalde vorm van onze Liefde-dienst, maar op toch op een andere manier dan velen momenteel menen dat daaraan inhoud kan of moet worden gegeven.

Buiten onze samenkomsten en in de werkweek, daar krijgen we alle tijd en gelegenheid om onze gaven en krachten (bijv. op gebied van retoriek, zang en muziek, kunst en wetenschap) overal en op allerlei manier in dienst te stellen van onze drie-enige God (3). En hoe meer we dat in al ons bezig zijn willen doen en daadwerkelijk doen, hoe meer we zullen ontdekken, dat we de dienst van God aan ons, zoals die tot ons komt in en door persoonlijke Bijbelstudie (lezen en overdenken) en gebed en lofprijzing, ook hard nodig hebben en hoe goed het is wanneer wij dat ook samen doen in kleinere kringen, zoals die van het gezin, of van familie en/of broeders en zusters van onze gemeente.

Wanneer we de zondagse samenkomst van de gemeente aanvaarden als een plaats waar we als arme bedelaars komen en waar God ons wil dienen met Zijn Woord en Geest en dat Hij daar ook ons bidden en aanbidden en onze lofprijzing met woorden en Psalmen en gezangen helemaal wil gebruiken als Zijn dienst aan ons en zo tot heil voor ons, dan komen we weer op het juiste spoor en krijgen we weer het rechte zicht op wat er in zo’n samenkomst van belang is en wat juist ook niet. Welke vormen van verkondiging en van muziek en zang daar wel passen en gebruikt kunnen worden en welke andere bepaald niet.

Wanneer we in de samenkomsten alle ruimte willen geven aan het werk van de Heilige Geest, want door Hem wil God daar aanwezig zijn en werken, dan moet ons duidelijk zijn dat Gods Woord en het werk dat de Heilige Geest daarmee doet en doen kan, daar in alles centraal behoort te staan. Gods Woord, de Sacramenten en het werk van de Heilige Geest zijn de enige onoverwinnelijke machten die hier op aarde werkzaam zijn tot eer van God. Alle (eigen) kracht en macht van mensen en kracht en macht van de boze kunnen daar niets aan bijdragen en/of zullen of willen dat alleen maar tegenwerken en daar afbreuk aan doen. En waar het mensenwerk betreft moeten we er bij zeggen: Hoe goed bedoelt ook,  het heeft Gods zegen niet, omdat God alleen op het hoogst geëerd wordt, daar waar duidelijk is en wordt, dat Hij met Zijn Woord en Sacrament en Geest het werk in en door en voor ons verricht. (1).
Wanneer dan in zulke “eenvoudige” samenkomsten toch zwaar beproefde en bedroefde of boze harten toch (weer) tot vreugde in God en tot bidden gebracht worden en tot hartelijk meezingen van Gods lof, dan kan en mag er ook geloof en vertrouwen zijn, dat dit Gods werk is geweest en dat het niet maar onze enthousiaste inbreng en onze (professionele) inzet van middelen geweest is die een verandering van stemming hebben bewerkt en/of oorzaak zijn van nieuw of hernieuwd geloof en vertrouwen.

Daarom moeten wij elkaar in onze samenkomsten niet met en door allerlei hulpmiddelen (gebouw, bijzondere beelden en symboliek, muziek, zang en theater, maar ook niet met processies en allerlei andere mogelijke “heilige handelingen”) in een heilige, devote of juist enthousiaste stemming willen brengen (2).  We moeten er ons (daar) juist van verzekeren dat de Heilige Geest alle ruimte krijgt en alle werk mag doen om met Gods Woord, de Sacramenten en de daar vergaderde gemeente, als tegenwoordig lichaam van Jezus Christus, ons vreugde in het hart te geven en deze te laten doorwerken in heel onze ziel (lichaam/lijf) en heel ons verstand. Dáárom zingen we daar – samen, met z’n allen dus! – het liefst vooral Gods Woord met de berijmde Psalmen of met door de Kerk getoetste en beproefde gezangen. Dáárom geven we allerlei muziek (van orgel, combo, etc.) en solo- en of koorzang dáár geen belangrijke of overheersende inbreng en krijgt dit van ons niet meer dan een ondersteunende taak en zeker geen overstemmende (of zelfs opzwepende) functie. Tenminste, het zou goed zijn wanneer bovenstaande (weer) praktijk zou zijn en blijven in onze samenkomsten…

Maar het denken over de inrichting van onze samenkomsten staat momenteel zo onder invloed van “de geest van deze tijd”, dat het de vraag is of de hierboven aangevoerde Bijbels argumentatie nog voldoende duidelijk en overtuigend is om allerlei andere visies (binnen kerken en gemeenten) op de inrichting van onze samenkomsten zomaar op te geven… Maar, hopelijk biedt wat hier geschreven is de lezer toch reden om doel en inhoud van de samenkomsten van de gemeente van onze Heer Jezus Christus opnieuw te overdenken en toetsen aan Gods Woord.

(1) Het is voor onze dienst aan God veel eenvoudiger om Hem in onze samenkomsten op de zondag te dienen met bijvoorbeeld allerlei zware en sombere godsdienst of met alle soorten van lichte en vrolijke godsdienst, dan om Hem ook buiten onze samenkomsten boven alles lief te hebben en te eren met geheel ons hart en met heel onze ziel en verstand. Maar ook met alle middelen zoals gezondheid en tijd, goed en geld die Hij ons ter beschikking geeft om ook onze naasten daarmee te dienen.  Juist daarom is aandacht en zorg voor wat er in onze samenkomsten wel en niet dient te gebeuren op gebied van verkondiging, luisteren, bidden, lofprijzing van zoveel belang.
(2) 27 Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; 28 wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. 29 Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. (Uit 1 Kor. 1)
(3) 1 Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. (Uit Romeinen 12)

Zie ook de volgende webpagina’s:

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Uw wil geschiede…

Is het de Liefde of onze geldingsdrang?

1 Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak,
maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal.
2 Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette,
maar ik had de liefde niet, ik ware niets.
3 Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand,
maar had de liefde niet, het baatte mij niets. (Uit 1 Korintiërs 13)
(3a). Al ware het dat ik de gave van genezing had en veel mensen hiermee bijstand bood, maar ik had de liefde niet, dan is dat niet heilzaam voor mij .
(3b) Al ware het dat ik de gave van welsprekendheid had en dat ik mijn organisatietalent en populariteit weet in te zetten om velen weer bij het evangelie te bepalen en voor Jezus te interesseren, maar ik had de liefde niet, ik betekende niets.

Wat lijkt het heerlijk om (zelf) over verschillende van bovengenoemde geloofs- of geestesgaven te kunnen beschikken, al zouden het er maar één of twee zijn van de hierboven genoemde gaven en krachten en/of middelen… Hoeveel goeds zouden wij en anderen daar niet van kunnen genieten en er voordeel van kunnen hebben?! Zouden we zo niet al heel veel kunnen betekenen voor de mensen om ons heen, voor onze broeders en zusters, voor onze gemeente en de reputatie van onze gemeente, of voor de mensen buiten onze gemeente? Zouden  we hiermee de (meerdere) eer en glorie van onze God niet sowieso dienen en verhogen?! Wordt dan met deze eis van “de liefde”, aan ons en onze medemensen, die toch onder de indruk kunnen komen en zeker ook profijt hebben van bovengenoemde gaven en krachten en inzet van middelen, zo niet tekort gedaan? En is en wordt de eer van God werkelijk tekort gedaan, als (later) blijken zou, dat ik of een ander, al die gaven en krachten en middelen zou hebben ingezet  zonder “de liefde”?

In het hierboven aangehaalde Bijbelgedeelte gaat het niet om de liefde die wij kunnen geven, maar om de Liefde die van God komt en ons (eerst) gegeven moet worden en ons alleen gegeven wordt wanneer wij God daarom bidden en Zijn liefde alle ruimte en voorrang geven in ons doen en laten.  Want als het om dé Liefde en om de liefdevolle inzet van gaven en krachten en middelen gaat, dan komt echt alles van één kant. Van Gods kant! En daarom moeten wij Hem niet voor de voeten lopen met de eer en de liefde die wij Hem en onze naasten menen te kunnen en moeten geven. Wij moeten zeker weten dat alleen dé Liefde van onze drie-enige God onze drijfveer is, wanneer wij ons inzetten voor en met de hierboven genoemde gaven en krachten en middelen. En wanneer we ons daar niet van verzekerd hebben en steeds weer verzekeren, dan weten we niet (meer) door welke krachten we ons dan (nog) wel laten beïnvloeden en leiden. Dan is dat niet meer de Liefde van en tot God (zijn gave), maar dan zijn of worden het eigen motieven en bedenksels (en/of kwader), die ons ertoe drijven om God en onze naaste liefde te bewijzen en te eren. En dan komt niet (meer) Gods Woord en ons gebed, maar wat wij mens(en) wensen en kunnen bedenken op de voorgrond en zelfs in het middelpunt te staan. En dat laatste dat is te veel eer en te zwaar en te groot voor een mens. Daaraan gaat een mens zeker ten onder als God het niet genadig verhoedt.

Maar hoe voorkomen wij dat niet de liefde van God, maar onze eigen wensen en plannen om God en de naaste te dienen centraal staan in ons leven en in het leven van de gemeente? Dat kan alleen wanneer we net als onze Heer Jezus Christus, gehoorzaam willen zijn en gehoorzaamheid willen leren uit Gods Woord. Wanneer we in navolging van Hem ook vol overgave en met alle ernst (leren) bidden: “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”. Daarmee geven we al ons eigen wensen en streven uit handen en belijden we: Of en onder welke omstandigheden ik nu (voort)leef, of dat ik sterf, het is Uw goede liefdevolle Vaderhand die mijn leven leidt, en ik erken en belijd, dat U – altijd beter dan ikzelf – weet en doet wat goed is voor mij. En daarom is mijn komen en bidden tot U steeds weer mijn voluit erkennen en belijden van Uw liefdevolle Vaderzorg en trouw! Uw liefde en trouw, die U mij bewezen hebt en ook vandaag weer bewijst in en door Uw lieve Zoon, onze Heer Jezus Christus. In Zijn Naam en in navolging van Hem, bid ik eerbiedig “Uw wil geschiede” door de kracht van Uw Heilige Geest, Die ook mij (!) gegeven is.

Bovenstaande woorden kunnen we niet beter biddend aan onze drie-enige God voorleggen en belijden, dan door en met het uitspreken van het Onze Vader gebed. Laten we dit dan ook steeds weer doen door dagelijks persoonlijk en in alle rust, alle bedes van dit gebed (liefst hardop) eerbiedig en heel bewust uit te spreken voor het aangezicht van God.

5 Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet.
6 Ken Hem in al je wegen, dan zal Híj je paden rechtmaken.
Uit Spreuken 3

23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten.
24 Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg. 
(Uit Psalm 139)

22 Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn,
want zijn barmhartigheden houden niet op,
23 elke morgen zijn zij nieuw,
groot is uw trouw!
24 Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here,
daarom zal ik op Hem hopen.
25 Goed is de Here voor wie Hem verwachten,
voor de ziel die Hem zoekt;
26 goed is het, in stilheid te wachten
op het heil des Heren;
27 goed is het voor de man,
dat hij een juk in zijn jeugd draagt.
28 Hij zitte eenzaam en zwijge stil,
als Hij het hem heeft opgelegd.
29 Hij drukke zijn mond in het stof,
misschien is er hoop.
30 Hij biede de wang aan wie hem slaat,
hij worde verzadigd van smaad.
31 Want niet voor eeuwig verstoot
de Here.
32 Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich
naar de grootheid van zijn gunstbewijzen.
33 Immers niet van harte verdrukt
en bedroeft Hij de mensenkinderen.
(Uit Klaagliederen 3)

Zie verder ook webpagina “Zondag 9”

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Vragen kinderen hun ouders dagelijks om brood? (vernieuwd)

32 Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te geven!
33 Verkoopt uw bezittingen om aalmoezen te geven. Maakt u beurzen, die niet oud worden, een schat, die nooit opraakt, in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze schaadt. 34 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. (uit Lucas 12)

Is het niet de heerlijke zorgeloosheid van kinderen, dat zij er steeds vanuit (kunnen en mogen) gaan dat hun ouders (en/of anderen in de gemeente van Jezus Christus) er voor zorgen dat zij dagelijks te eten hebben. Is het niet een heerlijke taak en verantwoordelijkheid van  ouders en/of verzorgers om zo de basis leggen voor een gezonde ontwikkeling van kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Dat hun kinderen zich helemaal kunnen richten op hun spel en het onderricht dat ze krijgen om zich tot volwassen mensen te ontwikkelen. Mensen die verantwoordelijkheid kunnen dragen en daarmee ook weer de zorg voor anderen op zich kunnen nemen?! We vinden het niet gepast wanneer onze kinderen zich druk zouden (moeten) maken over hun dagelijks eten, maar  wanneer onze kinderen bij ons komen met vragen over het onderwijs dat ze krijgen en zorgen die te maken hebben met hun ontwikkeling tot volwassene, dan helpen we ze natuurlijk graag met raad en daad…

En de Bijbel leert ons, dat God wil dat wij allen beseffen dat wij ook in zo’n kinderlijke verhouding tot hem staan en met hem leven. Dat we het zorgen maken over en zorgen voor ons dagelijks brood aan Hem mogen en kunnen overlaten. Dat we ons zo richten op onze ontwikkeling en ons werk, dat we zeggen kunnen dat Zijn Koninkrijk en de Gerechtigheid die daar bij hoort de eerste plaats heeft in ons leven.

Wanneer we dan in deze wereld kinderen van God aantreffen die honger lijden en tekort komen in hun eerste levensbehoeften…?, waar zoeken we dan de schuld en hoe trachten we daar een oplossing voor te vinden. Raden we die mensen aan om dan toch maar eerst hun Vader om het gewone dagelijkse brood en eerste levensbehoeften te vragen? Of beseffen we dan onze verantwoordelijkheid en de zorgplicht die wij hier hebben?! Hebben we dan niet juist te laten zien, dat wij met de opdracht “zoekt eerst het Koninkrijk van God en zijn Gerechtigheid” werkelijk ernst maken?!  Doet de confrontatie met deze hongerende en lijdende kinderen van God dan niet in de eerste plaats een appèl op ons? Moeten we dan bijvoorbeeld niet liever een vakantie afzeggen of de aanschaf van een extra jas achterwege te laten om eerst die nood te lenigen? Of kunnen we ons van die problematiek afwenden en om de vragen die hier rijzen heenlopen, bijvoorbeeld met de opmerking: “Wat bereik ik met een druppel op een gloeiende plaat?”…

En Hij zei tegen hen: Stel dat iemand van u een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: Vriend, leen mij drie broden, 6 want mijn vriend is van een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten, 7 en dat die vriend van binnen uit het huis dan zou antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen zijn bij mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om ze u te geven.
8 Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en ze hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zou hij toch om zijn onbeschaamdheid opstaan en hem er zoveel geven als hij nodig heeft.
9 En Ik zeg u: Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.
10 Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en wie klopt, voor hem zal er opengedaan worden.
11 Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven, of ook als hij om een vis vraagt, hem in plaats van een vis een slang geven, 12 of als hij ook om een ei vraagt, hem een schorpioen geven?
13 Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?
(Uit Lucas 11)
6 Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden. (Uit Matteüs 5)
14 Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?
15 Als er nu een broeder of zuster zonder kleding zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel,
16 en iemand van u zou tegen hen zeggen: Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd, en u zou hun niet geven wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan? (Uit Jakobus 2)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Uw koninkrijk kome…

29 En gij, zoekt niet wat gij eten of drinken zult en weest niet verontrust, 30 want naar al deze dingen gaat het zoeken van de volken der wereld uit. Doch uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft. 31 Maar zoekt zijn Koninkrijk, en die dingen zullen u bovendien geschonken worden.
32 Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.
33 Verkoopt uw bezittingen om aalmoezen te geven. Maakt u beurzen, die niet oud worden, een schat, die nooit opraakt, in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze schaadt. 34 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. (uit Lucas 12)

Hemelzoekers

En als Hij uiţging op de weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? (Markus 10:17, SV)

Veel mensen die ‘Uw Koninkrijk kome’ bidden, willen alleen maar zalig worden en verstaan onder het Koninkrijk van God niets anders dan de vreugde en blijdschap van de hemel. Hun vleselijke verstand kan immers niets anders verzinnen. Zij zijn bang voor de hel en willen graag naar de hemel. Zij weten niet dat het Rijk van God niets anders is dan godvrezend, eerbaar, rein, mild, zachtmoedig, barmhartig, en vervuld te zijn met alle genade en goedheid, zodat God het Zijne in ons vindt en Zelf in ons woont, leeft en regeert. Dat moeten wij eerst en meest zoeken, want dat is werkelijk zalig zijn, als God in ons regeert en wijzelf Zijn Rijk zijn. De vreugde en blijdschap van de hemel behoeven wij echter niet te zoeken, te bidden of te begeren, want die komt vanzelf en volgt het Rijk van God op de voet.
Als je goede wijn drinkt – het kan niet anders – dan geeft dat vanzelf een blij en vrolijk hart. Veelmeer zullen, als genade en goedheid – het Rijk van God – in ons zijn, natuurlijk en ongedwongen, vreugde, vrede, zaligheid en blijdschap volgen. Wij moeten niet de vreugde en blijdschap ván het Koninkrijk, maar het Koninkrijk zélf zoeken. Velen zoeken het laagste eerst en het hoogste achten zij niet, of het moest omwille van het laagste zijn. Daarom krijgen zij niets! Zij willen het begin niet, daarom zullen ze ook het einde niet krijgen.

Maarten Luther: [Auslegung des Vaterunsersfiir die einfältigen Laien, 1519, vgl. WA 2,98,29 – 99,10]
Bron: Bijbels dagboek met gebedsonderwijs uit het werk van Luther
(1) 33 Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden. (Matteüs 6 : 33, HSV)
28 Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd. 29 Jezus zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, 30 of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten. (Markus 10 : 28-31)

Zie ook webpagina’s: Zondag 9 en Sabbat/Zondag

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

De “wijze raad” van Gamaliël…

5 Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet.
6 Ken Hem in al je wegen, dan zal Híj je paden rechtmaken.
Uit Spreuken 3

Gamaliël: 38 Daarom zeg ik u: houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, 39 maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou wel eens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’  (Uit Handelingen 5)

Zijn de hierboven door Gamaliël gesproken woorden wijze woorden te noemen en bevatten ze misschien zelfs wijsheid die ook nu nog bruikbaar is voor ons? Of zijn deze woorden min of meer vergelijkbaar met de “wijze raad” die Kajafas gaf (zie Bijbeltekst hieronder) toen de Raad bezig was een besluit te nemen over hoe de invloed van Jezus op het volk moest worden uitgeschakeld. Kajafas had zo zijn eigen overwegingen en meende vanuit eigen inzicht en ervaring wijs advies te kunnen geven aan de Raad en hij besefte zelf helemaal niet welke profetische inhoud en lading de woorden hadden die hij toen sprak.

49 Een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet! 50 Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man sterft voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.’  51 Dat zei hij niet uit zichzelf: als hogepriester in dat jaar sprak hij de profetie dat Jezus zou sterven voor het volk, 52 en niet alleen voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen van God bijeen te brengen.

De woorden van Gamaliël zijn woorden van een mens, die zo zijn eigen overwegingen heeft en vanuit eigen inzicht en ervaring spreekt, maar niet werkelijk wil buigen voor de Waarheid (voor Jezus en Zijn Evangelie). Natuurlijk had Gamaliël, als mens en als Schriftgeleerde, samen met de andere leden van de Raad, de waarheid van het door Jezus’ discipelen verkondigde Evangelie voluit moeten erkennen en deze mensen en hun verkondiging moeten verdedigen en beschermen in Jeruzalem. Gamaliël hanteert echter het principe van voorzichtigheid en van “eerst zien en dan geloven” en waagt het beslist niet zijn eigen positie (verder) in gevaar te brengen, door ook nog een vrijgeleide te bewerkstelligen en te voorkomen dat zijn Joodse broeders (de discipelen van Jezus) worden geïntimideerd en later ook nog gegeseld in opdracht van de Raad.

De “wijze raad” van Gamaliël is “eigen inzicht” en geen “Bijbelse wijsheid” (naar Spreuken 3 : 5-6) en daarom als zodanig niet aan te bevelen en te gebruiken bij en voor het gemeentelijk/kerkelijk samenleven van vandaag, bijvoorbeeld door met vergelijkbare woorden en vanuit eenzelfde manier van denken, ruimte te vragen voor en geven aan mensen, die een nieuwe of gewijzigde leer voorstaan of een andere geloofspraktijk willen inbrengen in de gemeente(n) van Jezus Christus. We zullen ons (steeds weer) hebben in te spannen om met Bijbelse wijsheid en onderscheidingsvermogen tot een oordeel te komen en advies te geven. Met minder mogen we het niet wagen.

 

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Het Onze Vader bidden in 2016

23 (…) Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven. (Uit Johannes 16)

Met het Onze Vader gebed leggen wij, die door het geloof Gods kinderen zijn, het leven van de betreffende dag eerst in Gods hand om deze dag daarna, door het eerbiedig bidden van dit gebed, daaruit van Hem terug te ontvangen.
Wij belijden met dit gebed, dat we beseffen dat wij niet uit onszelf in staat zijn om de betreffende dag “Gods Koninkrijk en Zijn Gerechtigheid” op het oog en op de eerste plaats te hebben in al ons doen en laten. De benodigde kracht, om wat ons gevraagd en opgedragen is en wordt, is niet in onszelf te vinden. De centrale bede in dit gebed is dan ook de vraag om ons dagelijks Brood.
Zoals wij beseffen dat we dagelijks brood nodig hebben voor onze werkkracht – en onze Vader weet dat wij dit (wél) goed beseffen en Hij wil (daarom) niet dat we Hem dáár om bidden -, zo wil God ons het besef geven, door ons dagelijks biddend te laten belijden, dat we Zijn kracht, de kracht van het hemelse Brood nodig hebben en dat geen dag, ja nog geen minuut, kunnen missen, tenminste, wanneer wij hier op aarde werkelijk wensen te leven als Zijn kinderen, door met hart en ziel en verstand – op elke plaats en in alle levensomstandigheden – werkzaam te zijn in en voor Zijn Koninkrijk.
De bede om het dagelijkse Brood, om de Kracht die ons daaruit en daarmee gegeven wordt, wordt ons geschonken door de Heilige Geest. Hij is werkzaam in ons dankzij en vanwege het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus hier op aarde en door Zijn hemelvaart en vanwege Zijn huidige hemelse heerschappij over Zijn kudde. Door de kracht van de Heilige Geest opent zich de Bijbel voor ons als het Woord van God,  dat levend en krachtig is en scherper dan een tweesnijdend zwaard en dat tot op z’n diepst doordringt in heel ons leven en menselijk bestaan
Door het werk van de Heilige Geest ontdekt Gods Woord (de Bijbel!) ons aan onze overleggingen, aan ons arglistig hart, zodat het ons in de eerste plaats nederig maakt voor God en zo geschikt en bereid tot gehoorzaam luisteren naar Hem. Maar dat Zwaard snijdt niet alleen, het werkt ook zuiverend en genezend. Het is Gods heilzaam Woord! Naast ootmoed en nederigheid brengt het ons tot dankbaarheid en (daarmee) tot een weldadige manier van leven. Een leven dat (steeds meer) weldadig is en wordt voor onszelf en onze naasten en voor heel de wereld waarin we leven. Een leven waarmee wij alle eer willen doen toekomen aan onze drie-enige God “Die ons Leven is”.  Zo’n leven is en blijft nog “stukwerk” op deze aarde en daarom is en blijft het “Onze Vader” ook in 2016 ons dagelijks te bidden gebed.

23 En op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
24 Tot nu toe hebt u niets gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal worden.
(…)
26 Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u vragen zal,
27 want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan. (1)
(…)
33 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.  (Uit Johannes 16)
—
37 En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannenbroeders?
38 En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
39 Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen als de Heere, onze God, ertoe roepen zal.
40 En met veel meer andere woorden legde hij getuigenis af en spoorde hij hen aan met de woorden: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht!
41 Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt; en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen toegevoegd.
42 En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden. (Uit Handelingen 2)
(1) Zodra wij biddend zeggen “Onze Vader”, dan spreken en bidden wij in Jezus Naam!
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Moet het geloof ons (eerst) alles zijn?

Onderstaande werd geschreven n.a.v. de volgende uitspraak en/of vraag: Ik zou wel belijdenis willen doen, maar dan moet (toch) het geloof echt alles voor je zijn(?)

Is bovenstaande vraag of uitspraak terecht of juist? Moet het eerst zo ver komen met ons, dat we zoiets van ons geloof kunnen zeggen? Legt God de lat voor ons mensen eerst zó hoog of doen wij mensen dat alleen maar zelf? Gods Woord (de Bijbel) laat ons wel horen en leert ons wel zien, dat God voor Zichzelf de lat op z’n hoogst gelegd heeft en legt. Hij openbaart zich als een almachtig God, die met wat Hij in Zijn Liefde en Almacht voor ons bewerken wil in geen enkel opzicht tekort schiet. In Zijn liefde wendde Hij Zijn Scheppers-macht aan om de rijkdom en schatten die in Hem zijn, ook in Zijn schepping en schepsels te leggen en m.n. vooral ook in Zijn schepsel de mens. De mens mocht en mag echt op z’n hoogst delen in wat God aan schatten en gaven in zich bergt en delen in de vreugde, vrede en blijdschap, die horen bij de gemeenschap van en met onze drie-enige God. De mens werd door God gekroond tot (onder)koning en rentmeester op deze aarde. In Gods schepping mocht Hij in Zijn Naam het beheer gaan voeren en de aarde bewerken en tot ontplooiing brengen tot eer van God. Toen de mens in zonde viel, door het schenden van de liefdes- en vertrouwensband met God, verloor de mens zijn koningskroon en gaf hij aan satan een machtspositie op aarde. Maar ook toen, of juist toen, liet God ons horen, dat Hij in Zijn Liefde voor ons en voor Zijn schepping, de lat werkelijk op het hoogst gelegd heeft en wil blijven leggen. Hij deed dat door Zichzelf, door Zijn Zoon, Zijn geliefde, aan ons weg te schenken. Zijn eeuwige toorn tegen het kwaad en de zonde(n) van de mens(heid), en de eeuwige straf die daar bij hoort en tegen ons mensen woedt sinds de zondeval, heeft Hij op zich genomen door voor en met ons mens te worden. En in dat mens-zijn met ons heeft Hij met een vlekkeloos leven en door Zijn sterven aan het kruis, Gods eeuwige toorn en de eeuwige straf, voor ons gedragen en van ons weggenomen. Zo heeft God onze Redding en onze Bevrijding bewerkt uit de slavernij en zijn of worden wij door het geloof in genade aangenomen (verzoende en vrije) kinderen door het offer van Zijn Zoon aan het kruis. De aanvaarding van Jezus’ offer aan het kruis is gebleken uit Zijn opstanding uit de dood en uit Zijn hemelvaart daarna en door het zenden van de beloofde Trooster (de Heilige Geest).

Maar nu, wat vraagt God nu van ons, nu wij dit Evangelie gehoord hebben en nog steeds mogen horen? Toch echt niet meer dan eenvoudig kinderlijk vertrouwen en geloven wat God ons in het Evangelie verkondigd! Wij moeten dus echt niets bij onszelf zoeken, maar alles zoeken en vinden bij onze drie-enige God. En hoe doen we dat dan? Door eerst kinderlijk eenvoudig en gelovig amen te zeggen op Zijn aan ons geopenbaarde en verkondigde Woord (1); Op het Evangelie van liefde en genade dat ons daarin en daarmee verkondigd wordt. Maar wanneer we daar dan eerbiedig en van harte amen op zeggen, dan houdt dat voor ons in, dat we naar Gods Woord en bevel, gelovig de middelen gaan (of blijven) gebruiken, die God ons gegeven heeft om ons bij dat amen (van het geloof) te bewaren. Dit Evangelie van Gods genade en de ons gegeven opdracht om dat te geloven en ernaar te leven is zo eenvoudig in haar boodschap en strekking, dat een kind het kan begrijpen en aanvaarden én er naar leven!

Laten we, vanwege wat zojuist hiervoor gezegd en gesteld (beleden!) is, nog eerst weer eens stilstaan bij en goed nadenken over de positie van de mens tegenover God. Toen God de mens geschapen had, toen plantte de Here God eerst een hof voor de mens, waarin de mens aan de slag kon gaan met de door God opgedragen taak. God moest de mens echter eerst van alles wat nodig was voorzien, want had de mens eerst moeten werken om te kunnen eten, dan was hij direct al machteloos geweest. Het was niet anders met Adam en Eva als met een pasgeboren baby. Als niet eerst vader en moeder voor een veilige omgeving en voor voeding hebben gezorgd en zorgen, komt er niets van het leven van dat kindje terecht, maar gaat het dood. En zo is het nu ook met ons mensen waar het ons geloof en ons leven voor God betreft. God heeft alles gereed gemaakt en ons van al het nodige voorzien. Dat was direct na de schepping van de mens al het geval en dat is ook nu zo. Hij heeft Zijn Woord via de mensengeslachten (via overlevering, maar ook door de geboorte van Jezus uit het geslacht van Abraham en David!) ook tot in onze oren en harten gebracht. Ja, ook tot in onze harten! Lees er de gelijkenis van de zaaier maar op na (klik hier). En nu geeft God ons ook de middelen om dat Woord dat gezaaid is te doen groeien en vrucht te laten dragen in ons leven. Die middelen zijn ons (nu) geschonken in en door middel van de gemeente van Jezus Christus op aarde: in de bediening (verkondiging) van het Woord en in de bediening van de Sacramenten: Doop en Avondmaal; maar ook ons gezamenlijk bidden, aanbidden en lofprijzen horen bij de middelen die God inzet om ons persoonlijk en als gemeente op te bouwen. In ons gewone dagelijkse leven zijn de middelen die God gebruiken wil: dagelijkse Bijbellezing en tijd nemen voor de overdenking daarvan alsook bidden, aanbidding en lofprijzing. Let wel: Dit zijn allemaal middelen waarmee God ons dienen wil en dient(!) en waarin en waarmee Hij door de leiding van Zijn Heilige Geest ons de kracht wil schenken om in ons leven óók te komen tot de dienst aan Hem. Dus, met en door de genoemde middelen dient Hij ons en door de kracht die uit die middelen naar ons toevloeit, komen wij ook in ons leven tot de dienst aan Hem. Het is van groot belang dat we hier goed (leren) onderscheiden. De dienst van God aan ons door het gebruik van de middelen en de dienst van ons aan God dankzij de kracht die wij ontvangen door gebruik (en toepassing) van de middelen!

Dat goed onderscheiden van de dienst van God aan ons (door de middelen) en wat God van ons vraagt in ons dienen van Hem met en in de praktijk van ons leven, leren we door goed te luisteren naar Gods Woord. Het is voor ons “leven uit het geloof” van levensbelang en heeft allerlei gevolg voor de keuzes die wij maken in en voor de praktijk van ons persoonlijk leven en in en voor ons samenleven en samenkomen als gemeente van Jezus Christus. Want God wil door ons beslist niet gediend worden met en door de middelen waarmee Hij ons dienen wil! Wanneer we dat wel (gaan) doen, dan komt (steeds meer) onze eigen godsdienstigheid, en wat wij mensen al niet in te brengen hebben centraal te staan: het opschroeven van onze inbreng in de samenkomsten van de gemeente, wat en hoe en waarmee wij de verkonding van het Woord met allerlei eigen bedenksels en vindingen kunnen ondersteunen, hoe wij ons bidden en onze aanbidding en lofprijzing kunnen “optuigen” voor God (a). Maar dat is beslist niet de wens en bedoeling van God. Hij wil dat wij de samenkomsten van de gemeente en ons dagelijkse Bijbellezen en bidden eenvoudig gebruiken als een dagelijkse maaltijd: als ons dagelijks Brood (wel met een hoofdletter geschreven!). Net zoals wij in en voor het dagelijks leven en alle werk wat wij daarin te doen hebben, ons dagelijks brood (maaltijden) nodig hebben, zo hebben wij voor onze dienst aan God (in het dagelijkse leven!) ons dagelijks Brood “broodnodig”. En daarom moeten wij die maaltijden dan ook gebruiken op de daarvoor ingestelde tijden en op de door Gods Woord (aan)bevolen manier. Dat wil zeggen, wij moeten ons bijwonen van de samenkomsten van de gemeente en ons beoefenen van het dagelijks Bijbellezen, bidden en lofprijzing niet verwaarlozen of overslaan. En zoals we na een maaltijd ook meestal wat rust nodig hebben, om van het maal het meeste voordeel te hebben, zo moeten we ook de rust nemen voor het overdenken van de inhoud van de samenkomsten en van ons dagelijkse Bijbellezen en bidden. Natuurlijk is daarvoor de rust van de zondag in onze samenleving een (nog steeds) een groot goed en we zullen die tijd en rust ook moeten zien te vinden (maken!) in de jacht van ons drukke door-de-weekse bestaan. Wanneer we dat doen, dan wordt ons dagelijkse leven en werk weer en steeds meer werkelijke (liefde)dienst aan God en daarmee onlosmakelijk verbonden ook (liefde)dienst aan onze naaste(n). Dan worden wij ook leesbare brieven van God op de plaats waar God ons in de samenleving gesteld heeft. Daarmee is niet zomaar gegeven, dat anderen het op prijs zullen stellen, dat wij zo’n leesbare brief van God en Zijn Evangelie zijn. Dat kan ons zelfs een hoop moeite en leed opleveren. Gods Woord laat ons zien dat dit zelfs eerder regel dan uitzondering is. Maar het werk van de Heilige Geest in onze harten, de liefde tot God en de naaste die Hij bewerkt, maakt ons dan toch tot meer dan overwinnaars. Wij overwinnen dan die moeite en dat leed in Gods kracht, omdat Hij ons doet weten én ervaren dat wij niet (meer) leven uit eigen kracht, maar uit kracht door God verleend. Zo te mogen (samen)leven vanuit de kracht, de rust en vrede die God ons schenkt, is een groot voorrecht en schenkt ons een vrede en vreugde, die alle verstand te boven gaat. Dan leven we niet met pretenties, maar in groeiende en steeds groter wordende afhankelijkheid van Hem, die ons leven is.

Wanneer we wat hierboven gezegd is erkennen en toestemmen, dan leidt dat ook tot het besef waarom het niet toevallig dat christenen in moeilijke tijden, bijvoorbeeld tijdens ziekte, vervolging en/of gevangenschap, er van getuigen kunnen dat zij juist toen Gods nabijheid en kracht zo sterk hebben mogen en kunnen ervaren. Want waar de mens de middelen ontvallen om in eigen kracht of met hulp van anderen (wat in gewone omstandigheden heus niet allemaal maar verkeerd is) te leven, daar heeft men zich weer helemaal richten op de middelen (luisteren naar Gods Woord, gebed, lofprijzing) waarmee en waardoor God ons kracht wil geven en die Hij gebruiken wil tot dankzegging aan Hem en tot lofprijzing van Zijn grote Naam. In moeilijke omstandigheden zijn wij door Gods genade ook het meest bereid om God de gelegenheid daartoe te geven en staan we ook de eer die Hem toekomt meestal minder in de weg. Dit alles moet ons in tijden dat het ons goed gaat bescheidenheid leren. Niet ons (godsdienstige) enthousiasme en onze uitbundigheid en wat wij te presteren en te presenteren hebben (verbaal en/of muzikaal) over en m.b.t. ons geloof, banen de weg voor Gods heil in deze wereld. Dat gebeurd in de geborgenheid en verborgenheid van ons persoonlijk leven en in familie- en vriendenkring en in het samenleven van de gemeente van Jezus Christus. Wanneer Jezus daar onze Koning is en het voor het zeggen heeft (met en door Zijn Woord), wanneer daar de liefde heerst, dan komt dat ook tot werkelijkheid en praktijk in onze levens in de samenleving te midden van mensen, die de blijde boodschap van het Evangelie niet kennen of niet meer erkennen. En dan mag dat onder Gods genade leiden tot nieuwsgierigheid en gelegenheid tot het geven van rekenschap van de hoop die in ons is en ons leven kleurt en bepaald. Dan kan dan mogelijk ook leiden tot het uitnodigen van mensen tot verdere kennismaking en/of tot het bijwonen van onze samenkomsten. En het is Gods werk om harten (verder) te openen voor Zijn Evangelie, dat niet “naar de mens is” (5) en ieder steeds weer aanleiding geeft tot strijd tegen de “oude mens”. Maar dat “rekenschap geven” kan ook leiden tot afkeer en vijandschap. Over beide gevolgen en voor beide situaties geldt de opdracht van Jezus om ons daarbij te verheugen in God en Hem dank te brengen “onder alles”. We verheugen ons dan over de eer, die ons te beurt valt bij het getuigenis geven van Gods goedheid, ook wanneer ons daarbij minachting en ander lijden treft om Christus’ wil. En zo mogen wij in en onder alle omstandigheden meewerken aan steeds meer lof en dank brengen aan onze God en Vader, door onze Heer Jezus Christus in de kracht van de Heilige Geest.

(1) Het “amen” van Petrus: 67 Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? 68 Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. 69 En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. (Uit Johannes 6)
(2) Jezus inzet voor ons:  31 En de Heere zei: Simon, Simon, zie, de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe. 32 Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt. En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders. (Uit Lucas 22)
(3) Petrus overschatting van zichzelf: 33 Petrus zei daarop tegen hem: ‘Misschien zal iedereen u afvallen, ik nooit!’ 34 Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.’ 35 Petrus zei: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.’ Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij. (Uit Matteüs 26)
(4) Paulus bescheidenheid: 12 Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik ook grijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet, dat ikzelf het gegrepen heb. 14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het doelwit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus”. (Uit Filippenzen 3)
(5) 11 Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens…(Uit Galaten 1)

(a) Zie verder ook  Psalm 50 en Micha 6 (gedeelte hieronder) en wedergeboorte en Voor verstandigen verborgen…:

Uit Micha 6
6 Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan
en mij buigen voor de hoge God?
Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,
met eenjarige kalveren?
7 Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,
in tienduizenden oliebeken?
Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,
de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel?
8 Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is
en wat de HEERE van u vraagt:
niets anders dan recht te doen,
goedertierenheid lief te hebben
en ootmoedig te wandelen met uw God.
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Kerst: Er is (toch) maar één Evangelie…

30 God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren (NBV: “een nieuw leven beginnen“), 31 en wel omdat Hij een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen door een Man (1) Die Hij daartoe aangesteld heeft. Daarvan heeft Hij aan allen het bewijs geleverd door Hem uit de doden te doen opstaan. (Uit Handelingen 17)

1: 9 Dit (Hij) was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht. 10 Hij was in de wereld en de wereld is door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (2); 13 die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn (2). (Uit 1 Johannes)

2: 16 De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. 17 En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden (3) om met Hem te kunnen delen in Gods luister. (4) (Uit Romeinen 8)

3: 1 Nu dan, omdat Christus tijdens zijn leven op aarde heeft geleden, moet u zich net als hij wapenen met de gedachte dat wie in zijn aardse leven geleden heeft, met de zonde afgerekend heeft. 2 Zo iemand zal zich niet meer laten leiden door menselijke verlangens, maar door Gods wil. (4) (Naar Petrus 4 :1-2)

Het Evangelie is én blijft een bewogen oproep aan iedereen (ongelovigen én gelovigen) …

1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden, geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 We willen juist laten zien dat we dienaren van God zijn, door altijd te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet ter dood veroordeeld, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles. 11 Wij zeggen u dit alles ronduit, (…), want wij hebben u in ons hart gesloten. 12 Niet wij (apostelen) schieten in onze genegenheid voor u tekort, maar u in uw genegenheid voor ons. 13 Nu dan, ik vraag u alsof u mijn eigen kinderen bent: sluit op uw beurt ons in uw hart. (Uit 2 Korintiërs 6)
4: (…)  Omdat ons deze beloften (met de verkondiging van Gods Evangelie) zijn gegeven, geliefde broeders en zusters, moeten we onszelf reinigen van alle lichamelijke en geestelijke smetten en vol ontzag voor God ons hele leven heiligen. (Uit 2 Korintiërs 7)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie