Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons vanwege Zijn grote barmhartigheid wedergeboren heeft tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, tot een onvergankelijke en onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die weggelegd is in de hemel, voor u, die door Gods macht, door het geloof bewaard wordt tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd, waarin u zich zult verblijden – u, die nu een korte tijd, indien het nodig is, bedroefd bent door menigerlei aanvechtingen’ (1 Petrus 1:3 vv, weergave DB 1545).
Daarmee wil hij zeggen: als u een christen bent en de erfenis, dat is de zaligheid, verwacht, dan moet u zich alleen hieraan houden en al het andere op aarde verachten. Namelijk u moet belijden dat alle wijsheid, verstand en heiligheid van deze wereld niets is. Dat zal de wereld niet kunnen verdragen. Daarom kunt u verwachten dat men u zal veroordelen en vervolgen. Op deze manier vat de apostel Petrus het geloof, de hoop en het heilige kruis tezamen, want het ene volgt op het andere. Maar hij laat het daarbij niet blijven. Hij geeft ons ook troost voor het geval dat het nodig is dat we lijden en vervolgd worden: ‘Uw droefheid zal slechts een korte tijd duren, daarna zult u zich verblijden, want de zaligheid is reeds voor u bereid, daarom, wees geduldig in uw lijden.’
Dit is ook de goede christelijke troost, zoals apostelen gewoon zijn te troosten, niet zoals de wereld troost, die niets anders zoekt dan bevrijding van uitwendig ongeluk. ‘Ik spreek niet over zichtbare troost’ – zegt hij – ‘want het zal u geen schade doen dat u uitwendig ongeluk moet dragen. Heb goede moed, en houd u aan deze eeuwige troost.
Denk ook niet dat u hier op aarde van het ongeluk bevrijd zult worden. Zó moet u denken: mijn erfenis is al bereid en nabij. Het is slechts om een korte tijd te doen, want dit lijden moet spoedig ophouden.’ Op deze manier moet u de tijdelijke troost vergeten, namelijk door die te vergelijken met de eeuwige troost, die we in God hebben.
Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, erste Bearbeitung 1523, vgl. WA 12, 271, 33 – 272, 15
Bron: Artikel van professor dr. A. de Reuver in het Reformatorisch Dagblad van 25 november 2014.
(hier slechts gedeeltelijk overgenomen!)
Er zijn auteurs van wie de naam garant staat voor een goed product. De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906- 1945) is een van hen. Hij leefde wat hij schreef.
Wie met zijn biografie bekend is, zal dat beamen. Hij was een diepgelovige, fijnbesnaarde en hoogbegaafde theoloog, met een onvoorwaardelijke overgave aan zijn roeping en een grote afkeer van het kwaad. Bonhoeffer bekocht zijn verzet tegen de demonie van de Gestapo met zijn leven. Enkele dagen voor het eind van de Tweede Wereldoorlog werd hij omgebracht. Hij liet een indrukwekkend oeuvre na, waaronder twee juweeltjes die onlangs opnieuw in Nederlandse vertaling op de markt zijn gebracht: ”Gemeenschapsleven” en ”Gebedenboek van de Bijbel. Een inleiding in de Psalmen”. Dat beide geschriften in één band met de titel ”Verborgen omgang” zijn samengebracht, onderstreept hun innerlijke samenhang.
Genadegift
Het eerste wat Bonhoeffer onder de aandacht brengt, is dat het een bijzonder geschenk van Boven is als een christenmens de gemeenschap met medechristenen ten deel valt. „Het wordt gemakkelijk vergeten dat de gemeenschap met de broeders een genadegift is uit het Rijk van God, een geschenk dat ons elke dag ontnomen kan worden. Misschien duurt het nog maar een korte tijd voordat wij eenzaam zullen zijn.” Men proeft de dreiging van de terreur. Bonhoeffer heeft doordacht en vooral doorleefd hoe rijk het is als broeders elkaar vanuit de gemeenschap aan Christus herkennen en inspireren.
Praktisch en pastoraal beschrijft hij hoe een dag in het leven van de broederschap verloopt. De ochtend zet de toon. Het gloren van het licht herinnert aan de verrijzenis. We roepen ons die morgen voor de geest waarop Christus duivel, dood en zonde overwon, aan nacht en duisternis voorbij. „Wat weten wij, mensen van vandaag, die de angst en het ontzag voor de nacht niet meer kennen, nog af van de grote blijdschap van onze voorvaderen en van de oude christenheid over de terugkeer van het licht in de morgen?” Iedere ochtend noopt ons tot verwondering. De eerste gedachte en het eerste woord van elke nieuwe dag behoren dan ook aan God toe. Wij zoeken Hem in de dageraad, zoals de psalm ons leert. Het begin van de dag moet niet in beslag genomen worden door de zorgen over het dagelijks werk. De nieuwe dag staat veeleer in het teken van „het Woord van de Schrift, het lied van de kerk en het gebed van de gemeenschap.”
Kloostertraditie
Speciaal het psalmgebed neemt hier een voorname plaats in. Het psalter is vanouds de school van het gebed. Wie de psalmen bidt, is in goed gezelschap. Niet alleen van de psalmisten, maar vooral van Christus, Die de psalmen bad tot op het kruis. In het spoor van een eeuwenoude kloostertraditie en in de geest van Luther is dit psalmgebed voor
Bonhoeffer verstrengeld met Schriftlezing en overdenking. Hij pleit ervoor om niet te volstaan met een enkele dagtekst, hoe waardevol die ook kan zijn, maar om „tamelijk lange gedeelten uit het Oude en het Nieuwe Testament” te lezen. De actualiteit en vitaliteit van de Heilige Schrift lijden voor hem geen twijfel. Wie mag verstaan wat erin geschreven staat, wordt uit zijn eigen bestaan getild en geplaatst midden in de geschiedenis van God op aarde, zoals de Bijbel ons die verhaalt. „Daar heeft God aan ons gewerkt en daar werkt Hij nog aan ons, aan onze noden en zonden, door toorn en genade.”
Bonhoeffer vertolkt hier de kostbare gedachte dat echte Schriftlezing ons gelijktijdig maakt met het verre verleden dat daarin beschreven wordt. De afstand van ruimte en tijd wordt door Woord en Geest overbrugd. Wat zich daar en toen voltrok, gaat mij hier en heden aan. Ons heil ligt werkelijk buiten onszelf. Het ligt niet in onze eigen levensgeschiedenis, maar in de geschiedenis die God schreef en die in Christus tot vervulling kwam.
Boekgegevens ”Verborgen omgang. Over leven in gemeenschap”, Dietrich Bonhoeffer (vert., annot. en inl. dr. L. W. Lagendijk); uitg. Kok, Utrecht, 2014; ISBN 978 90 4352 352 3; 157 blz.; € 14,99.
Dankbaarheid en verbondenheid – het kenmerk van een Christen(-leven)…
Mijn dank aan de drie-enige God, dat is dankbaarheid in verbondenheid met alle voorgeslachten, mijn familie en Gods gemeente in de hemel en hier op aarde* en betreft zijn liefde en trouw, die Hij getoond heeft in het geven en vervullen van zijn Belofte(n) aan ons mensen door het zenden van zijn Zoon in deze wereld als onze Redder en het laten verkondigen van dit Evangelie aan alle mensengeslachten en ook aan mijn/ons voorgeslacht waardoor zijn Evangelie nu ook aan mij/ons is (door)gegeven!
Onze voorouders en mijn ouders lieten al hun kinderen dopen en ook onze zes kinderen zijn gedoopt!
Bij de doop worden de woorden van verlossing en eigendom, woorden die God zijn volk/gemeente in de mond legt, aan de dopeling bevestigd door onderdompeling in of door besprenging met water en het dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Jesaja 51
16 ik leg je mijn woorden in de mond **
en bescherm je met de schaduw van mijn hand,
ik die de hemel geplant heb
en de aarde gegrondvest,
die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’
* Het lichaam waartoe ik behoor en waar Jezus Christus het Hoofd van is.
** Zie ook onder Diversen/Dopen: Te lezen in Gods Woord…
Gezang 95 (Liedboek van de kerken 1973)
1 Nu bidden wij met ootmoed en ontzag
de Vader aan, wiens naam aan elk geslacht
in hemel en op aarde aanzijn gaf,
dat, naar zijn heerlijk wezen,
Hij ons de kracht des Heil’gen Geestes geve
en de Messias bij ons intrek neme.
Zijn liefde is de grondslag van ons leven,
de oorsprong van ons hart.
2 Dan zullen wij met alle heil’gen saam
in ’t morgenlicht op hoge tinnen staan
en hoogte en diepte, lengte en breedte van
Gods heil doormeten mogen.
Dan kennen wij de liefde uit den hoge,
al gaat zij verre het verstand te boven.
Wij zullen tot de volle wasdom komen
in Gods verheven naam.
3 Hem nu die in ons werkt en ons geleidt,
die verder gaat dan al ons bidden reikt
en meer is dan ons diepste denken peilt,
zij heerlijkheid en glorie
in de gemeente die Hij heeft verkoren,
in elk geslacht dat van zijn naam zal horen,
door Jezus Christus, nu gelijk tevoren
en tot in eeuwigheid.
Wanneer je het Bijbelgedeelte gelezen hebt, dan heb je vernomen dat Mozes zichzelf steeds onbekwaam weet en verklaard en ook vernomen dat de Heere hem daarin geen ongelijk geeft en niet boos wordt, maar in zijn antwoorden hem steeds gerust stelt, door te zeggen: IK heb gezien, IK stuur jou Mozes, IK zal met je zijn, IK zal er zijn, IK zal het doen, IK geef jou wondertekenen, IK zal je de woorden geven. Valt het niet op dat Mozes blijkbaar het juiste besef van zichzelf heeft en de juiste houding tegenover de taak die hem wordt opgelegd? Van zichzelf is hij hiervoor volkomen onbekwaam en hij beseft dat. God neemt Mozes zijn antwoorden niet kwalijk, ook zegt hij niet, kom op, kop op Mozes, Ik heb je niet voor niets inmiddels 80 jaar levenservaring gegeven, waarvan 40 jaar tussen de schapen en geiten, inmiddels heb je wel kwaliteiten waardoor je geschikt en bruikbaar voor me bent. Helemaal niets daarvan! Helemaal op het eind, slechts éénmaal neemt God Mozes wel iets kwalijk en wordt Hij zelfs kwaad op hem. Dat is wanneer Mozes ondanks dat God alles voor hem wil en zal doen, hij ongehoorzaam is en dat hij ondanks al Gods toezeggingen weigert om zichzelf te geven en te gaan. Dat God toch maar een ander moet kiezen en sturen…
(Later zal ook Paulus zich volledig onbekwaam weten voor zijn taak en al zijn vroegere kennis(wetenschap) en ervaring voor “schade en drek”(vuilnis) achten. Hij leeft en werkt met het besef dat zijn kennis en ervaring alleen van nut zijn als hij het gebruikt in overeenstemming met het Evangelie dat hij verkondigd en zelfs dan nog alleen als God zelf er iets mee wil doen en het inzetbaar wil maken voor Zijn werk. Zonder deze gehoorzaamheid aan God en zonder de zegen van God brengt ook hij – ondanks alles wat hij heeft – niets terecht van het werk voor het koninkrijk van God*).
De hulp die Mozes van zijn broer mag krijgen bij zijn werk maakt Mozes zelfs nog meer ongeschikt om aan het hof van de Farao en voor Gods volk te werken en door hen geaccepteerd te worden. Hij komt terug als schapenhoeder, hij kent de etiquette van het hof vast niet goed meer, spreekt niet meer de taal van het huidige Egypte en de taal/het dialect van zijn vroegere omgeving zal vast hoorbaar doorgeklonken hebben in zijn spreken van het Egyptisch. Hij moet zijn broer (vooraf) de woorden voorzeggen en/of (onderhand) influisteren en staat met zijn hoge spreken “namens God” in de schaduw van zijn broer. Voor hof en volksgenoten een schampere vertoning. Later zal Aäron zelfs zijn grootste tegenstander blijken en in samenwerking met het volk oorzaak worden dat God niet met zijn volk verder wil. Mozes wil zich nog opwerpen als middelaar en verlosser, maar bij het antwoord dat God geeft waarom Hij toch verder gaat met zijn volk blijft duister welke gronden Hij hiervoor heeft. De openbaring van Christus blijft nog wachten. Ook gaat Mozes later nog in de fout (ondanks het vele geduld dat hij geleerd zou hebben tijdens 40 jaar kuddes weiden) en geeft niet rustig de woorden van God door aan het volk, maar uit zijn woede door met zijn stok op de rots te slaan. Dat eigenmachtig optreden heeft dan ernstige gevolgen voor Mozes, de zachtmoedige(! Numeri 12 : 3).
Bij dit werk in/voor Gods koninkrijk komt de eer niet toe aan mensen. Mensen mogen in liefde tot en in gehoorzaamheid aan God wel een tijd lang Gods instrumenten zijn op de plek waar God hen plaatst in het leven. Mozes mag veel doen en betekenen bij de verlossing van Gods volk, maar zal het volk toch niet het beloofde land in kunnen leiden. Die bevoegdheid en bekwaamheid krijgt hij niet…
*… Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God. Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here” (1 Kor. 1:18-31).
Binnen de Nederlandse christenheid wordt het uitspreken van een “Verlangen naar meer van de Geest” positief gewaardeerd en het is een uitdrukking geworden, die in het kerkelijk/gemeentelijk leven algemeen aanvaard en in gebruik is geraakt en waarvan inhoud en strekking misschien nog wel het best verwoord worden in het lied “Heer, Uw licht en Uw liefde schijnen” (Opw. 334). Een opwekkingslied dat men in veel kerken en gemeenten graag laat zingen en graag gezongen wordt en dat ons o.m. herhaald laat zingen:
Kom, Jezus kom, vul dit land met Uw heerlijkheid,
kom, Heil’ge Geest, stort op ons Uw vuur.
Zend Uw rivier, laat Uw heil heel de aard’ vervullen.
Maar wanneer we nog eens goed gaan nadenken over wat we uitspreken met dit verlangen en met de woorden van dit lied, dat toch een gebed is, en nagaan en bepalen wat we er mee uitspreken voor Gods aangezicht en ons op deze woorden ernstig gaan bezinnen, dan komt er schrik en schaamte. Althans, zo is het mij vergaan.
Wanneer we dit in ons land, Nederland dus, zingen, dan zijn deze woorden iedere keer weer een “in gebreke stellen” van God en van de Here Jezus en van de Heilige Geest. Want God heeft zich aan ons land en volk reeds lang genadig getoond en heeft met het Evangelie van Jezus Christus reeds eeuwen her ons land met zijn heerlijkheid vervult en met het lezen van en door de verkondiging en uitlegging en toepassing van Gods Woord wordt de brandstof van het vuur van de Geest iedere keer weer op ons uitgestort. De rivier Gods staat vol water (Psalm 65 : 10) en maakt het land vruchtbaar overal waar het Woord van God geopend wordt om uit te lezen en er naar te horen. De rivier is er dus al in ons land en er is genoeg water om ons leven vruchtbaar te maken (Psalm 65 : 10-14) en er is zelfs genoeg om dit water naar alle volken van heel de aarde te dragen (door ons!).
Naar zijn belofte is God met zijn Heilige Geest van het begin af aan aanwezig in de samenkomsten van zijn volk en is Hij het die zijn volk tot zich roept en om zich heen vergaderd om te zitten aan de voeten van de Here Jezus. Om daar luisterend naar wat de Geest ons (mee)geven wil en bruikbaar maken wil te ontvangen. En die overvloed die iedere keer weer over ons uitgestort wordt, is zo groot dat we er waarschijnlijk meer dan de helft nog niet van kunnen of willen mee nemen.
Hoe staat het dan met onze inzet en inbreng om die gaven die God ons geschonken heeft en schenkt in ontvangst te nemen. Hoe ontvangen wij Gods Woord en hoe doen wij ons best om de schatten die de Heilige Geest aan de kerken (de Kerk) in ons land geschonken heeft en waarmee hij aankomt in ontvangst te nemen, zodat het ook werkelijk vrucht kan dragen in ons leven? Wie wil er bijvoorbeeld nog in een tweede dienst op zondag de schatten komen ophalen, die de Heilige Geest de Kerk geschonken heeft in de Heidelbergse Catechismus? Wie wil er door gebruik van dit geschenk nog opgeleid en toegerust worden als discipel van de Here Jezus. We spreken ons verlangen wel uit in de ochtendsamenkomst (bijvoorbeeld met genoemd lied 334), maar het lijkt wel of we dat al mooi genoeg vinden. Handen klappend sluiten we niet dankend maar biddend de ochtenddienst af en we menen door het tonen van onze goede wil en door het blij met elkaar zingen van dit gezang al heel wat te betekenen voor de Nederlandse samenleving en de wereld. Tevreden gaan we naar huis. Laten God en Jezus nu maar komen om te doen wat we gevraagd hebben…?
Het is eigenlijk niet redelijk om aan te nemen dat er nog een ander land in de wereld is, dat zo met Gods schatten gezegend en gevuld is en wordt als ons land: Gewetens vrijheid, vrijheid om de Bijbel aan te schaffen en te lezen, de vrijheid om de samenkomsten van een gemeente te bezoeken, de vrijheid om het Evangelie te verkondigen en aan te horen, een grote diversiteit aan kerken en gemeenten over het hele land verspreid en vrijwel overal goed bereikbaar, talloze goede boeken over de Bijbel en over de geschiedenis van Gods Kerk voor vrijwel iedere beurs en dat niet alleen in de christelijke boekhandels. Verder hebben we christelijke omroepen, christelijke dagbladen, christelijke gezondheidszorg en onderwijs. Het kan niet op. En toch dat lied maar blijven zingen…?
En de andere regels en verzen dan van dit opwekkingslied 334? Zie de leestip…
Leestip:Leven in het verbond… (Psalm 50 + overdenking) Luistertip (TWR):
(Bron: CD “Het werk van God is niet te keren…” van Trans World Radio)
Bijbels leerboek over de enige troost.
De Heidelberger Catechismus, 450 jaar oud, werd eeuwenlang in de gereformeerde kerken gebruikt om in de avonddienst Gods Woord uit te leggen.
Ds. C. Vonk deed dat 40 jaar lang, tot 1973. In 1950 begon hij de serie De Voorzeide Leer met een verklaring van de catechismus. Na zijn emeritaat schreef hij een herziene en verkorte uitgave. Deze wordt nu voor het eerst beschikbaar gesteld.
Tips:
Het boek is te gebruiken als dagboek bij het Bijbellezen.
Er is al langere tijd een Engelstalige versie met titel “Living and Dying in Joy” te koop en die kan ook als digitale versie besteld (gedownload) worden om te lezen op smartphone, tablet of computer.