Liefde maakt blind…

Weet dat de laatste dagen zwaar zullen zijn. 2 De mensen zullen egoïstisch zijn (liefhebbers van zichzelf, HSV), geldzuchtig, zelfingenomen en arrogant. Ze zullen God lasteren, geen ontzag tonen voor hun ouders, ondankbaar zijn en niets heilig achten. 3 Ze zullen harteloos zijn, onverzoenlijk, lasterziek, onbeheerst en wreed. Ze zullen het goede haten 4 en onbetrouwbaar, roekeloos en verblind zijn. Het genot zullen ze meer liefhebben dan God, 5 ze zullen de schijn van vroomheid ophouden, maar de kracht ervan miskennen. Keer je af van zulke mensen.
(Uit 2 Timoteüs 3, NBV)

Kaïn was al zo iemand die zichzelf meer lief had dan God en daarom steeds weer zijn eigen gedachten en handelen boven die van God plaatste. De liefde-woorden van vergevingsgezindheid en bescherming die God tot hem sprak wilde hij niet aanvaarden en proberen te begrijpen met en door een leven voor Gods aangezicht en met Zijn hulp (onderwijs) daarbij (1).

13 En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.  14 Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde gaan; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden. 15 Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal al wie Kaïn doodt zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE merkte Kaïn met een teken, zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doden. 16 Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden. (Uit Genesis 4, HSV) (1)

Maar voor wie God liefhebben geldt zeker ook: “Liefde maakt blind”!

(…) Wie bidt, echt bidt, zal, om met de Catechismus te spreken, zijn vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op God alléén stellen. De tegenstelling is hier absoluut. Men kan wel z’n ambassadeurs hebben bij verschillende aardse presidenten, en relaties onderhouden allerlei andere machthebbers en rijken, maar het is niet mogelijk, terzelfder tijd het hof van Egypte én het hof der hoven van God te betreden. Hier moeten we kiezen of delen. Het is het één óf het ander. Vertrouwen op mensen kan niet samengaan met vertrouwen op God. Het oog kan niet tegelijk naar beneden en naar boven gericht zijn. Wie in zulke omstandigheden toch nog het „gebed” aanhoudt, doet maar „alsof”. Het kan de naam van bidden niet dragen. Want bidden is absolute en onvoorwaardelijke overgave aan God. Bidden is de ogen sluiten. Dat ogensluiten is meer dan een vorm. De bidder spreekt er mee uit: ik zie niets meer, ik zie geen mens, ik zie alleen de Onzienlijke, en geef mij in blind vertrouwen aan Hem alleen over. (…)

Bron: “De zoon van Beëri – over het boek Hosea” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)
Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. 2 Om hun geloof werden de mensen uit vroeger tijden geprezen. 3 Door geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God geordend is, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare.
4 Door zijn geloof had het offer dat Abel aan God bracht meer waarde dan dat van Kaïn. Over Abel wordt dan ook lovend gesproken als over een rechtvaardige – God zelf liet zich prijzend uit over zijn gaven –, en door zijn geloof klinkt zijn stem nog steeds, ook al is hij gestorven.  (Uit Hebreeën 11, NBV)
(1) Kaïn heeft (krijgt echter van God nog wel degelijk) een taak!
Wij christenen kunnen vaak en gemakkelijk en hard spreken over “de wereld, die in het boze ligt” en dan vergeten wij zo maar de grote taak van deze “wereld” voor de ontwikkeling van de mensheid en voor het overwinnen van veel ellende van dit leven (op en in deze door onze zonden geschonden wereld).
Maar God ontzag en beveiligde Kaïn en zou hem zevenvoudig wreken.
Want Kaïn had in en door zijn geslacht (zijn nakomelingen, zowel lichamelijk als geestelijk) een taak te vervullen.
God zou de mensheid leiden door een weg van ontwikkeling – van evolutie – opdat de gaven, die Hij in deze schepping gelegd heeft tot openbaring (ontplooiing) zouden komen (2).
(Bron:  Naar een stukje uit Kerkblad van Breda van de hand van mijn grootvader A. Janse)
(2) Deze ontwikkeling zal echter zowel ten goede als ten kwade aangewend worden. Het kwaad zal op deze manier ook ten volle tot ontplooiing (openbaring) komen en daardoor zal ook blijken dat de mens in eigen kracht niets anders dan tot het kwade in staat is, zodat ieder bij de wederkomst en het oordeel van God de knieën zal willen en hebben te buigen voor onze drie-enige God, Die alleen de bron van en kracht tot alle goeds is…
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Natuurliefhebber Eli Heimans als meester-verteller…

Een stukje verhaal uit “In het bosch” (1891) waaruit iets blijkt van de vertelkunst van Heimans… (niet omgezet naar moderner Nederlands)

(…) Spreeuwen op ’t rieten dak, dol zingend met trillend neerhangende vlerken en hoog opgezette keelveeren; en kinderen met roodgeruite boezelaars spelen in ’t zand met een lammetje, dat malle sprongen doet en telkens weer terug komt, om de melk te likken uit het kopje in den schoot van ’t kleinste meisje.
De oude moeder van den tolgaarder schenkt ons wat citroenwater, en praat van ’t mooie weer en van den langen winter, die Goddank achter den rug is, en wij vullen onze flesschen aan de spattende pomp en wasschen ons eens flink. Dan vlug op marsch.
Een half uur verder op den weg staat weer een huisje, met een bloemtuin er voor; een boomgaard links, en rechts een moestuin en een schuur. Het heele lange lage huis ligt daar in ’t schakeerend lentegroen zoo innig mooi, dat het niet mogelijk is, zoo maar voorbij te gaan. Het rieten dak, met mos begroeid, geel, groen en bruin getint; de luiken, groen, daarbinnenin een rood paneel, met witte bies omlijst; het gebloemde neteldoek wit achter donkere ruiten; wat blinkende roodkoperen emmers op zijde tegen den gevel ; dat alles in een lichte schaduw met hier en daar een groote zonneplek, en veel kleine glimlichtjes, die verspringen en bewegen met iedere trilling van het beukenloof omhoog.
In den tuin alleen wat witte bloemen: dichtersnarcis en lelietjes van dalen; de rest nog blad. En op de oude donkergroene houten bank aan de boomgaardzijde van het huis een jonge vrouw, in licht katoenenjak en geplooide witte muts met banden; donker van gelaat en oog; heel mooi van vorm, te mooi haast voor ’t boerenwerk en toch weer niet, want ’t mooi kwam ook van het gezonde rood der wangen. Het kindje op haar schoot, van een jaar of twee, ligt met het gezichtje tegen haar aan, zij drukt ’t dichter aan zich met schokjes, dan lacht zij het telkens toe.
Wij groeten. Zij geeft ons vriendelijk onzen groet terug, de mond en oogen nog lachend van ’t stoeiend liefkoozen van haar kind. Dat kijkt even om en lacht, in het geheel niet bang of bloo als boerenkinders meestal zijn, maar bergt toch gauw weer het hoofdje tegen moeder, om voort te stoeien en niet één oogenblik te verliezen van troetelend liefkoozen. Mooi ook is het kind; zoo mooi, dat de moeder verbazing in onze oogen leest, en gelukkig lachend ons toeknikt en het kindje dichter aan zich drukt. Vooral die oogen, die groote, lachende, zachte blauwe oogen onder de donkere lange krullen zijn rillingwekkend mooi, zoo mooi en diep, als ik nooit andere kinderoogen zag.
Net slaat een vogel vlak boven moeder en kind de vleugels tegen een kersentak, en wat witte bloesemblaadjes dalen zachtjes neder op de groep.
Het kindje strekt de beide bloote armen uit en vangt kraaiend van plezier de witte blaadjes op. (…)

Bron: In het bosch (1891), door Eli Heimans en Jac. P. Thijsse. Het is het zesde en laatste deeltje van de reeks Van Vlinders, bloemen en vogels. In In het bosch is het eerste deel geschreven door Heimans. Het was gebruikelijk dat zij ieder een helft schreven.
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het is volbracht…

Letter en Geest

Op 19 september 1535 hield Luther een preek over 2 Korinthe 3:4-11. In het volgende citaat wordt een en ander gezegd over het tekstgedeelte: ‘Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (vers 6).

(…) “De ‘letter’ is hier de wet van God, zoals: u zult geen andere goden hebben, de Naam van God niet lasteren, de sabbat heiligen, en verder wat de geboden nog meer gebieden [of verbieden]. Dit heet ‘letter’ – de allerbeste, hoogste wetten van Mozes noemt Paulus letters! De mond spreekt ze uit of de pen schrijft ze op – het blijft op papier en het komt niet in het hart (vgl. 2 Korinthe 3:3 vv). Het wordt niet gehouden, hoewel het wordt bevolen – als het wordt bevolen en niet wordt gehouden, is het alleen ‘letter’.

Wanneer een burgemeester een gebod uitschrijft en er is niemand die het doet, dan is het alleen ‘papier en letter’ – het is op papier geschreven, maar er wordt niets gedaan. Op dezelfde manier maakt God de Tien Geboden bekend – wat gebeurt er? Alleen is er de letter: ik moet God liefhebben en Zijn Naam eren, de sabbat heiligen – het zijn wetten, letters en woorden. Wat komt er van terecht? Niets! Wat blijft er dan over? Letters! Daarom is Gods gebod en wet alleen een ‘letter’ die niet wordt gehouden. Want elke wet die niet wordt gehouden, is een stuk papier, een geschrift, of een preek waar niemand zich aan stoort.

Wat is de wet zonder genade anders dan een letter zonder Geest? Want de natuur is niet bij machte om de wet te houden. Daarom, wanneer er geen genade van God is, dan doen wij het niet. Uitwendig kan je de wet houden – maar niet voor God! Wij zijn geen letterknechten die alleen zeggen wat jullie moeten doen. Er is een hogere prediking nodig, een prediking van de Kracht, zodat je de prediking vervult en doet. Dat is de prediking van de Geest. Johannes zegt dat ook: ‘De wet is door Mozes gegeven – maar genade en waarheid is door Jezus Christus volbracht’ (vgl. Johannes 1:17). De wet geven en de wet houden zijn twee verschillende dingen. De wet geven is gauw gedaan, maar de wet houden, doet alleen Christus, door Wie genade en waarheid is volbracht (1).

Daarom zegt Johannes: ‘Door Hem nemen wij allen uit Zijn volheid’ (vgl. Johannes 1:16). Wat? Een volkomen en hartelijke liefde tot God, de heiliging van Zijn Naam en de echte heiligheid. Wij moeten ontvangen en scheppen uit Zijn volheid – en niet uit onze volheid – genade voor genade. Dat is: opdat wij hulp en troost krijgen en beginnen de Tien Geboden te vervullen. Dat gebeurt door Zijn genade – Hij giet van Zijn volheid in onze lege harten. Dit preken wij, en dit is een prediking van de Geest, die de ‘dode letter’ levend maakt. Deze prediking zegt niet alleen: dat moet je doen! – maar: zó is het gedaan! Mozes zegt: ‘Doe dat!’ Maar het is onmogelijk – wij kunnen en willen het niet doen. Nu komt deze prediking en zegt: ‘Omdat je het niet kunt doen, heeft Christus het gedaan. Denk er aan, dat je uit Zijn volheid alles mag nemen – dat is geloof: dat Hij alles voor jou heeft gedaan.’”

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1535, vgl. WA 41, 424, 16 – 425, 28, Johann Aurifabers deutsche Bearbeitung, EA(2) 19, S. 214 vv (verkort)
(1) Volbracht: zowel in de DB 1534 als in de DB 1545 gebruikt Luther bij deze tekst (Joh. 1:17) het woordje geworden (worden). In ons citaat wordt geschied (geschehen) gebruikt. Luther sprak zijn preken uit in vrije voordracht, dat leidde weleens tot verrassende tekstverklaringen. Waarschijnlijk heeft Luther in deze preek geworden (Joh. 1:17) nader willen toelichten met volbracht. (Grimm: geschehen auch: gethan, ausgeführt, vollbracht, erfüllt werden)

Bron: www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Over bidden en vloeken gesproken…

Zij roepen niet tot Mij met hun hart, wanneer zij tot Mij klagen op hun plaatsen van gebed.  (naar Hosea 7 : 14a)
Roep Mij aan ten dage der benauwdheid,  Ik zal u redden en gij zult Mij eren.
(Psalm 50 : 15)

De allereerste voorwaarde voor een gebed dat God graag hoort en door Hem verhoord wordt, is, dat wij Hem… van harte aanroepen! God vind alleen vreugde in de waarheid. Een gebed met de mond gesproken, maar dat niet uit het hart komt, is zonder ziel, is dood en niet meer dan lucht en leugen. (…).

Nu we horen en beseffen dat elk gebed dat niet uit het hart komt een Godslastering is, en de Here als een leugen en dus als een vloek in de oren klinkt, kunnen we ons afvragen waar het meest gevloekt wordt, buiten of binnen de kerk? In elk geval wordt er ook door “Gods volk” ontzettend veel gevloekt. Vroom gevloekt. Hoeveel “plaatsen van gebed” over het hele land verspreid, waarvan God zeggen moest (moet?): doe het geluid van uw gezangen en uw muziek weg van Mij, Ik wil er niet naar luisteren…

Ik zal u redden: dit is de verhoring der gebeden.
De Here staat gereed om te verlossen en te helpen, maar het is Hem vaak onmogelijk, want er wordt niet gebeden, omdat ons bidden en smeken de naam van gebed niet dragen kan. Er kunnen geen verhoorde gebeden zijn, zegt de profeet Hosea tot Gods volk, om de eenvoudige reden, dat er geen gebeden zijn. Er is niets om te verhoren. Zodra er maar één waar gebed om verlossing en hulp in de hemel zou doordringen, zouden we ervaren, dat de Here zeer spoedig is tot het geven van hulp en redding.
Hier ligt — voor een deel — de oplossing van het „raadsel” van de „onverhoorde gebeden”.
Wij klagen soms, dat er geen verhoring is.
God klaagt, dat er geen gebeden zijn.

Wij zoeken (we zijn er slecht genoeg voor!) de schuld bij God. De Here wijst de schuld aan bij óns. De fout schuilt niet bij de Hoorder van de gebeden, maar bij de sprekers van gebeden. Wat er veranderen moet, is niet, dat God beter horen en verhoren moet, maar dat wij beter bidden moeten. “Gij bidt wel maar ontvangt niet, omdat ge verkeerd bidt” (Jacobus 4 : 3).
God wacht op ons bidden met het hart!

Wat er over het algemeen genomen aan ons bidden ontbreekt, is niet, dat het niet opgetuigd genoeg is (wat kunnen wij toch ons bidden op allerlei manieren optuigen!), en ook niet, dat we te weinig bidden in ons leven en in de kerken en gemeenten, maar dat ons bidden niet diep genoeg weg komt. … uit het hart.
Dit bidden uit de diepte, dat stijgt het hoogst, dat bidden  bereikt de hemel en de oren van de Here Sebaoth.
Daarom laat iedereen zich bekeren… in zijn bidden!

Uit de diepte roep ik tot u, HEER,
2 Heer, hoor mijn stem,
wees aandachtig, luister
naar mijn roep om genade.

3 Als u de zonden blijft gedenken, HEER,
Heer, wie houdt dan stand?
4 Maar bij u is vergeving,
daarom eert men u met ontzag.

5 Ik zie uit naar de HEER,
mijn ziel ziet uit naar hem
en verlangt naar zijn woord,
6 mijn ziel verlangt naar de Heer,
meer dan wachters naar de morgen,
meer dan wachters uitzien naar de morgen.

7 Israël, hoop op de HEER!
Bij de HEER is genade, bij hem
is bevrijding, altijd weer.
8 Hij zal Israël bevrijden
uit al zijn zonden.

Psalm 130 (NBV)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De zegen op verootmoediging en bekering…

15 Want zo zegt de Here Here, de Heilige Israëls: Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, – maar gij hebt niet gewild…
(Uit Jesaja 30)

In de tijd van Daniël…

Terwijl ik nog sprak en bad, mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël beleed, en mijn smeekbede omwille van de heilige berg van mijn God richtte tot de HEER, mijn God, 21 terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, vloog de man Gabriël, die ik eerder in het visioen had gezien, snel naar mij toe. Het was de tijd van het avondoffer. 22 Hij begon mij uitleg te geven. Hij zei: ‘Daniël, ik ben nu gekomen om je een helder inzicht te geven. 22 Er is een woord uitgegaan toen je je smeekbede begon en ik ben gekomen om het over te brengen, want je bent zeer geliefd.
(Uit Daniël 9)

Is het niet bijzonder dat Daniël, na het lezen van de profetische beloften over de terugkeer van zijn volk, niet aan de slag is gegaan met het oproepen van zijn volksgenoten om deze terugkeer alvast heimelijk te gaan voorbereiden. Hij zal daar zeer zeker de mogelijkheden en contacten voor hebben gehad vanwege zijn functie in het rijk. Had hij niet veel volksgenoten op zijn hand kunnen krijgen, wanneer hij hen had opgeroepen om de terugkeer te gaan voorbereiden en om daarvoor ook wapens te verzamelen om mogelijk de vervulling van de beloften van God ook met de inzet van opstand en wapens te ondersteunen of om op z’n minst het terugkerende volk ook gewapenderhand te kunnen beschermen?
We lezen echter alleen van een Daniël, die zich nog meer verootmoedigd voor God en onder de situatie waarin hij en het volk verkeren, dan hij al eerder in zijn leven voortdurend had moeten en willen doen en ook steeds daadwerkelijk heeft gedaan…

In de tijd van de Reformatie…

Lijdt u, mijn onderzaten die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten, al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven, bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven, dat ik u helpen mag.
(Vierde couplet van ons volkslied “het Wilhelmus“)

Wat heeft Willem van Oranje bij het opkomen voor de rechten van de in zijn tijd verdrukte en vervolgde christenheid veel moeite ondervonden vanwege de “beeldenstormers” onder deze mensen. Hij heeft zelfs zijn leven in de waagschaal moeten en willen stellen om hen zo mogelijk tot bedaren te brengen (in Antwerpen bijvoorbeeld) en wat hebben deze christenen door hun optreden veel bedorven door niet lijdzaam te zijn en de overheden als Oranje en andere “lagere magistraten”, die voor hun rechten opkwamen, onder alleen hun voorbede het nodige werk te laten doen… 

De Bijbelse opdracht om in vertrouwen Gods bestel te eerbiedigen en om het “zegent en vervloekt niet” in praktijk te (blijven!) brengen, dat had de zegen van God in te wachten, maar woede uitleven en vooruit grijpen naar vrijheid en recht heeft mee tot gevolg gehad, dat Philips en zijn “ministers” konden menen en voorwenden een zeker recht te hebben om de rechten en bezittingen van de RK-kerk en van de RK-bevolking veilig te stellen door een zeer streng en gewelddadig ingrijpen…

Het optreden van de beeldenstormers zal bij het nog RK-volksdeel zeker ook tot (nog meer) afkeuring en afkeer hebben geleid en hen daardoor minder of niet gevoelig gemaakt voor de reformatorische herontdekking van het Evangelie: “Wat kan je toch voor goeds verwachten van mensen die vanwege hun nieuwe leer tot zoveel heiligschennis bereid en in staat blijken te zijn”  zullen vast velen van hen hebben gedacht…

In de tijd van WO II…

En scheurt uw hart en niet uw kleren en bekeert u tot de Heere, uw God, want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en berouw hebbende over het kwade, wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten… (Joël 2 : 13,14) – (1)

In de jaren voor en tijdens WO II is er geen sprake geweest van een “algemene geest van verootmoediging en bekering” die door de kerken waaide. In de jaren 40-45 laaide er in de Gereformeerde kerken zelfs een kerk-twist op, die aan het einde van WO II tot een hoogtepunt kwam en leidde tot een breuk in deze kerken…

“Wie weet” was er vanwege (veel) meer verootmoediging en bekering in de kerken een eerdere overwinning “afgeroepen” voor de troepen van de geallieerden, die in 1944 door een zeer strenge winter en onverwacht sterke tegenstand lange tijd werden gehinderd in de Ardennen en eerder werd een sterke troepenmacht teruggeslagen bij Arnhem, waardoor het doorstoten van geallieerde leger verder Duitsland en Nederland in maandenlang werd vertraagd. In Nederland leidde dat in de hongerwinter tot verzwakking van de gezondheid van veel mensen (soms met levenslange gevolgen) en er vielen veel doden en hoeveel duizenden (misschien zelfs wel meer dan een miljoen?!) Joden hadden nog kunnen worden gered uit de concentratie-kampen, wanneer deze maanden eerder al waren bereikt. En hoeveel minder ver hadden de Russen hun macht kunnen uitbreiden met alle kwalijke gevolgen voor veel mensenlevens van dien…
En wanneer we die (mogelijke/denkbare aantallen) nu eens afzetten tegen het aantal levens die door het optreden van het verzet zijn gered… (2)

(1) (…) “Wie weet…“, wat een opmerkelijke zinswending, aldus ds. De Jong. Hij ging zoeken in de Schrift en vond nog andere plaatsen in de Bijbel waar je een dergelijk woordgebruik tegenkomt en waar het is of Gods genade onder een voorbehoud geplaatst wordt: wie weet… of ook: misschien. Ze staan alleen in het Oude Testament: Exodus 32 : 30, Klaagliederen 3 : 29, Amos 5 : 15, Joël 2 : 14 en Zefanja 2:3. Ook in het boekje Jona komt genoemd woordgebruik tweemaal voor maar dan in de mond van de heidenen. Die waren gewend aan de willekeur van hun goden. Ds. De Jong schrijft: “Ik vind het nogal wat dat de Bijbel bij zijn aansporing om de Here te zoeken in gebed en verootmoediging niet royaal zegt dat de Here God zich dan onder alle omstandigheden laat vinden, maar dat hij situaties kent waarin het zuinig klinkt: wie weet… of: misschien”. (…)
(Bron: Digibron met een artikel van ds. J. Maasland, maart 2004 waarin ds. H. de Jong wordt geciteerd)
(2) Natuurlijk wordt de vergelijking hier niet gemaakt om het (goede) verzet in WO II in diskrediet te brengen.

 En in de huidige tijd?

Nog in te vullen door ons…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het is goed dat wij hier zijn… (I)

Over de verkondiging in onze samenkomsten…

Schilderwerk of beeldhouwwerk?

Er hangt een tragisch misverstand tussen God en Efraïm!
Efraïm méént, dat God óm hem verlegen is,
en God verklaart,  dat Hij mét hem verlegen is.

Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer,
in kennis van God en niet in brandoffers. (Hosea 6 : 6)

De gedachte, dat God óm Zijn volk verlegen was, lag onuitgesproken in de grote hoeveelheid offeranden: men was van mening, dat de Here van die offers leven moest en er gunstig door werd gestemd; het moest voor God toch wel aangenaam wezen, dat er in Palestina tussen de vele heidenen óók een volk woonde, dat Hém met z’n altaren bedacht!…. Here, het is goed, dat wij hier zijn!
Het is nu de profeet Hosea, die deze gewaande verlegenheid-Gods-om-offeraars verwaand noemt, en afwijst met het ontdekkende: „Want in liefde heb Ik behagen en niet in offers”, en er bij zegt, dat de zaak eigenlijk precies andersom staat, namelijk dat de Here hopeloos mét dit volk verlegen zit, en niet goed weet wat Hij er mee doen zal… „Wat zal Ik u aandoen, o Efraïm?” De grondtoon van deze vraag is niet zozeer verontwaardiging, dan wel verlegenheid. God is ten einde raad.  (…)
Met graniet en marmer is meer te bereiken. God schreef gemakkelijker Zijn wetten in tafels van steen, dan in het hart van Efraïm. Het antwoord op de vraag: wat kan Ik van u maken, Efraïm, zou moeten luiden: Er is niets van u te maken!

Toch zijn er pogingen genoeg aangewend, om van Israël nog iets te maken. Hosea brengt in herinnering de moeizame arbeid, aan hen ten koste gelegd, de eeuwen door: „Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden van Mijn mond” (Hosea 6 : 5).

God had de profeten dus gezonden om het volk te behouwen… beeldhouwwerk, dát is de taak van profeten, niets meer en niets minder.
Niets meer — zij moesten er maar niet doldriest op inhakken en houwen, om de boel kort en klein te slaan. De profeten waren geen slopers, maar bouwers, geen houthakkers, maar kunstenaars…. er is behalve beitel en hamer nog iets meer nodig om uit ’n brok marmer een beeld te voorschijn te brengen. Vooral veel liefde!
Niets minder — want profetenwoorden waren hamer en beitel gelijk! Geen klanken, geen mooie beelden, geen literaire ontboezemingen of dogmatische beschouwingen. Ze wisten het, de profeten, dat ze niet tot „beschouwen”, maar tot „behouwen” geroepen waren. Daarom spaarden ze niets en niemand. Ze aarzelden niet, om hard te slaan, zó, dat de stukken er af vlogen. Niet uit vernielzucht, maar om van Israël iets te maken… Gods beeld!
(…)
Bezit de mens de liefde waar God naar zoekt, dan vertoont hij wel de heerlijkste trek van Gods beeld, want God is liefde. Daarom noemde Paulus de liefde de meeste (1). Want het geloof doet de mens zich in Gods armen werpen; de hoop doet hem naar God uitzien, maar de liefde doet hem op God gelijken. Het is dus geen wonder, dat de Here, Die van Efraïm iets wilde maken, en hen daartoe door profeten liet behouwen, boven alles uitzag of Hij déze trek van Zijn beeld ook kon ontdekken: de liefde.
Helaas, ook die werd niet gevonden! Wat God wél vond, was het offer!
Overal vlamden en brandden de altaren, maar op de altaren legde Israël beesten, en niet… z’n brandende hart vol liefde. Zulke offers zijn waardeloos. De Here verklaart, er geen vreugde in te hebben.
(…)
God zoekt het allerdiepste van uw leven op!
En een onbarmhartig oordeel gaat over een volk, waarvan moet worden gezegd: dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
Die liefde was bij Efraïm — zegt Hosea — als een morgenwolk, die bij het opgaan van de zon al weer verdwenen is, en als de dauw, die in de vroege morgen al weer is verdampt.
Alles even vluchtig en voorbijgaand en oppervlakkig.
Veel geschreeuw en weinig wol. De trekken van Gods beeld waren er niet in gegraveerd en gehouwen, maar er hoogstens buiten op… geschilderd (2). Het is overduidelijk, dat Gods oordelen dit volk zullen verteren, dat weigerde om zich op het verkondigde Woord te bekeren…(3)

(1) De Liefde waarover Paulus in 1 Korinthiërs 13 spreekt., daarmee beschrijft hij niet een begrip, maar daarmee tekent hij een Persoon, Jezus de Christus. Jezus, die mens werd met en voor ons. Jezus Die hier als mens op aarde volledig in de wil van de Vader was en Die ons de Vader heeft doen kennen. Jezus de Christus, die onze Redder en God is. Jezus de Christus, Die ons verkondigd wordt in en door heel Gods Woord (zie o.a. Jezus spreken tot de Emmaüsgangers en 2 Timoteüs 3). De Liefde van 1 Korinthiërs 13 betekent daarom voor ons dat we door het werk van de Heilige Geest al ons vertrouwen en al ons gehoor, al onze gehoorzaamheid (=geloof) en daarmee heel ons hart geven aan het Woord van God (=Christus).
(2) Wij mensen kiezen van nature voor de gemakkelijke weg van schilderwerk. Zelfs wanneer het een beeldhouwwerk betreft. Wanneer via dat schilderwerk een mooi en liefst kleurrijk beeld bereikt kan worden, dan vinden we het eigenlijk wel in orde zo. Vooral als het onszelf betreft en onze omgeving het ook wel mooi lijkt te vinden.  Wanneer het horizontaal en tweedimensionaal maar “goed oogt” menen we dat ook God niets te klagen zal hebben. Dat de “derde dimensie” bij het Goddelijk beeldhouwwerk onmisbaar en bepalend is en niet het schilderwerk, dat valt onze “natuurlijke ogen” niet op. We moeten door Gods Woord aan dat gemis ontdekt worden en dat met “geestelijke ogen” (door de Geest geopende ogen!) leren zien. Zó volgen wij de stem van de Goede Herder en laten wij ons leiden. Zo zal het ook voor ons waarheid zijn of worden in ons leven: “Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij…” (Paulus in Galaten 2 : 20)
(3) HEERE, zien Uw ogen niet uit naar betrouwbaarheid? U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn. U hebt hen omgebracht, maar zij weigerden vermaning te aanvaarden. Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. (Uit Jeremia 3 : 4)
Uiteindelijk zal het volk daarom worden weggevoerd in ballingschap naar Babel.
Bron: “De zoon van Beëri – over het boek Hosea” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Lees verder:   Het is goed dat wij hier zijn…(II)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wat verloren ging en wat behouden werd…

…aan natuur op ons onvolprezen vogeleiland Texel

(…) En dan de Westen, de Fonteinsnol, de Mient en de grote duinvalleien, die ik genoemd vond in het boekje van Holkema: de Bollekamer, de Bieschbosch, het Piet Rozenvlak, het Grote Vlak. De Fonteinsnol was een wonder, een hoog duin, dat uit de grote duinenreeks bij wijze van schiereiland in de vlakte vooruit sprong. Een eindje tegen de helling op, aan de noordoostzijde ontsprong een bron, een echte bron, een holte in het witte zand, waaruit het klare water opwelde en dat stroomde omlaag, zich telkens vertakkend door kussens van veenmos en kwam eindelijk terecht in de vlakte van de Mient, die uit andere duinen nog meer water kreeg en zoo een allermerkwaardigst landschap was, half heide, half moeras en vol van de mooiste bloemen en de aardigste vogels. Maar het allermooist en rijkst was toch de bron aan de Fonteinsnol en zijn onmiddellijke omgeving. Daar groeiden grote blauwe klokjesgentianen in alle schakeringen van wit of bijna wit tot het diepste donkerblauw. Daar stonden dicht opeen de geurige witte nachtorchissen, het rondbladig wintergroen, parnassia en duizendguldenkruid en lagen aan de beek de ongelooflijk mooie bloempjes van de tengere bastaardmuur Anagallis Tenella. En als je dan om die Nol heen ging of er over heen en weer omlaag, dan kwam je in die valleien en daar groeiden al die planten weer, met nog mooie Jeneverbesstruiken („fakkel” zegt de Texelaar) en op de moerassige plaatsen het hoge stekelige galigaan. Daar broedden de wulpen en de duinpiepers en daar had ook de grote grauwe kiekendief zijn nest. Vroeger is het daar nog veel rijker geweest, maar reeds na 1839 door het graven van de Moksloot zijn die valleien ontwaterd, zodat de roerdompen en purperreigers en lepelaars, die er broedden, moesten verdwijnen.

Ook ben ik helaas een van de laatsten geweest, die genoten hebben van de heerlijkheid van de Fonteinsnol en de Mient, want reeds in 1895 of nog eerder zijn bron en beek vergraven en vergreppeld, als eerste maatregel voor de bebossingen op Texel. Nu groeien daar zwarte dennen en witte elzen en dat is allemaal in sommige opzichten heel goed en nuttig, maar er is een landschap verdwenen, zoo mooi en leerzaam als er geen tweede in ons land was te vinden. Ongelukkig was in die tijd Texel maar bitter weinig bekend en de plantenkenners dachten meer aan de afzonderlijke plantjes dan aan het samenstelsel van een merkwaardig geheel. Tegenwoordig zou men stellig zo iets moois op alle mogelijke manieren trachten te behouden.

Er is veel veranderd sinds ik voor ’t eerst voet aan wal zette te Oude Schild. Behalve de Fonteinsnol zijn er nog een paar merkwaardige plaatsen verdwenen. Maar wat er overblijft behoort nog tot het beste van wat er in Nederland te zien is. In de volgende hoofdstukken zal ik u wat vertellen van de huidige staat van het eiland. En hoe meer vrienden het krijgt, des te meer waarschijnlijkheid, om niet te zeggen zekerheid, komt er, dat het zal blijven de parel van de Noordzee-eilanden, wereldberoemd. (…)

Bron: Verkade-album “Texel”,  dr. Jac. P. Thijsse.

Meer over Texel:  Een getuigenis…

Geplaatst in Geschiedenis, Natuur, Persoonlijk | Plaats een reactie

Een getuigenis…

(…) En nu, tot slot, niet een belofte, maar een getuigenis. Ik heb naar de vogels gekeken en geluisterd mijn hele leven lang, zover ik mij dat kan herinneren en dat is gedurende zeventig jaren. Want zoals bij alle in zichzelf gekeerde mensen gaan mijn herinneringen heel ver terug, tot in mijn vierde levensjaar.
Mijn eerste herinnering is die van een familie winterkoninkjes, jongen en ouders, die te voorschijn kwamen uit een groot rond nest in een meidoorn van de fortwal. Het was één en al blijdschap, verbazing en bewondering. Welnu, die blijdschap, verbazing en bewondering zijn gebleven, al die jaren en nu hebben de vogels, zelfs de meest gewone, voor mij nog altijd die betekenis, een betekenis misschien verdiept door een beetje studie en ervaring, een beetje vergeleken met het onafzienbare studieveld dat nog onbetreden is. Betreedt dit veld onverschrokken, de onafzienbaarheid kan u niet ontmoedigen, want al vanaf het begin steunen de vogels u met het voorbeeld van hun tomeloze levenskracht.

Bron: Het Vogeljaar, dr. Jac. P. Thijsse, inleiding bij de vierde druk in 1938.

Over zijn werk op school onder de Texelse jeugd…

Het was maar een klein schooltje en ik verdenk de muren ervan, dat zo maar halfsteens waren. Er was een luchtige zoldering en de grote ramen keken deels uit op het kerkhof, deels op het park en in den zomer zat daar een spotvogel, die zong den hele dag. De jongens noemden hem bastaardnachtegaal en wisten dat hij de mooiste eitjes heeft van alle zangvogeltjes, behalve de „wielewaals”, maar dat was weer niet de wielewaal, maar de grauwe klauwier. Ze hadden eigenlijk onder elkaar zo maar die namen bedacht. Met de waadvogels en zwemvogels vergisten ze zich nooit en ze konden weergaas goed een abnormaal dof en groenig tureluur-ei onderscheiden van een abnormaal glanzig kievitsei. Velen van hen waren bezig om eierenverzamelingen aan te leggen, wel een beetje al te hevig en dat heb ik toen trachten te temperen, door met elkaar een schoolverzameling te maken. Dat ging uitmuntend en door die gemeenschappelijke bemoeiingen werden we heel goede vrienden, temeer daar ik onvermoeid in *t lopen was en met een aanloop over bredere sloten kon springen dan de beste van hen. Met de polsstok waren ze me de baas.

Dat polsstokspringen ligt in de natuur van de Texelse en Friese jongens. In de steden volgt op het schaatsenrijden de knikkertijd, daar op Texel komt in februari de polsstok voor de dag en dat pols-springen is de natuurlijke voorbereiding voor het eieren zoeken, dat al vroeg in maart begint, want dan zijn er al „eendseier”. Het eerste kievitsei wordt omstreeks 15 maart gevonden en dan volgen zes weken van wettig ei-zoeken. Sommigen doen dat “om den brode” en allemaal doen ze het als een bijzonder soort van sport. Ik heb wel oude mannen van vijfenzeventig jaar een stuk land zien afstappen, om toch nog eens het genoegen te hebben van een legsel eieren van kievit of marel (grutto) of tureluur te vinden.

De jongens namen mij graag mee „te ei-zoeken” en dat was heel goed, want nu kon ik ze beter begrijpen en beoordelen. „Och, mijnheer”, zei er één, toen zijn Duitse thema krioelde van de fouten, „als ik de marels en tjerken (grutto’s en tureluurs) zo boven de school hoor roepen, dan moet ik wel eens minder goed opletten.” Nu, met dat Duits is dat wel in orde gekomen en de vent is later nog miljonair geworden ook. Ze hadden heldere koppen, die Texelsche jongens en ze zijn haast allemaal goed terecht gekomen. Ze hadden een bijzonder goed gevoel voor mooi weer, zowel in den winter als in den zomer en waardeerden het altijd, wanneer ik (op hun milde aandrang) met hen het luchtig schooltje verliet om buiten te gaan tekenen, om waterwerken te maken aan de Fonteinsnol of aan het strand, of op de schaats heen en terug naar Cocksdorp te rijden. We genoten samen van de strengen winter van 1890 op 1891 en als we elkaar nu nog in de wereld ontmoeten, dan hebben we het nog wel over de grote sneeuwvesting, waar we vier dagen aan gewerkt hebben met zowat de hele jeugd van het dorp en dat eindigde met een bestorming, die me nog in verbeelding de handen naar de oren doet brengen. De ouders vonden mij wel een rare Franse meester, want de vorige mesjeus waren nog al mannen van gewicht geweest. Ze hadden echter goed vertrouwen en slechts éénmaal heeft er een ingezonden stuk in de Texelsche Courant gestaan over de ruwe bende van mijnheer Thijsse. En dat over jongens en meisjes, die op school zoo mak waren als de lammetjes, waaraan het eiland zijn welvaart te danken heeft.(…)

Bron: Verkade-album “Texel”,  dr. Jac. P. Thijsse.
Texel - VerkadeAlbum - Boerderij

L.W.R. Wenkenbach – Texelse boerenhoeve

Geplaatst in Diversen, Natuur, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wanneer het zout… (I)

U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. (Matteüs 5 : 13)

Efraïm is een koek, die niet is omgekeerd. (Hosea 7 : 8b)

Efraïm is als een koek, die niet is omgekeerd.
Het verbrandde en verschroeide aan de ene kant, en bleef aan de andere koud en niet geschikt om de eetlust op te wekken en voor consumptie.
Naar welke kant Efraïm aanbrandde, laat zich gemakkelijk genoeg raden. Men verbrandt nu eenmaal niet zou gauw aan de kant van de hemel. De roeping om te zoeken de dingen die boven zijn, zet niet zo spoedig in vuur en vlam. Naar die kant is gewoonlijk het gevaar om te branden en te verbranden niet te duchten. Maar Hosea zegt het: Efraïm vermengt zich met. … de vólken. Naar de kant van God bleef Efraïm koud en kil. Naar de kant van de volken — de wereld! — liep het warm. Daar had het zin in. Om met de volken mee te doen. Men nam het ene na het andere van de heidenen over. Zelfs de goden werden met gejuich binnengehaald. De afschuwelijkste praktijken en de meest onzedelijke erediensten vonden in het Heilige Land  bij het uitverkoren volk een gul en gunstig onthaal.

Zo verschroeide en mislukte het heerlijke baksel.
Efraïm werd een koek, die niet was omgekeerd.
En zo bereidde het z’n eigen lot, om. .. . weggeworpen te worden.
Het fatale was daarbij, dat niemand dit inzag!

De profeet zegt dit zónder beeldspraak in het volgende vers: „Vreemden hebben zijn kracht verteerd, maar hij beseft het niet. Zelfs zijn haren zijn grijs geworden, maar hij beseft het niet” (Hosea 7 : 9).

De kwestie was namelijk deze, dat de leiders, de politici van professie, verdragen probeerden af te sluiten met Assur en Egypte. Men dácht dat dit een zeer verstandige politiek was, maar het gevolg was, dat Israël steeds meer in een afhankelijke positie kwam. Het beste van hun geld en goed moest nu aan die vreemde machthebbers worden betaald, en zo werd het volksbestaan ondergraven. Efraïm leek daarom op een afgeleefde grijsaard, voortstrompelend naar het graf — dát wordt bedoeld met “Zelfs zijn haren zijn grijs geworden”.
De naderende ondergang is dus nabij.

Hoe kán het ook anders met een koek, die niet is omgekeerd. Wat moet men daar nog mee beginnen? Niets! Een volk, een mens, aan wie al Gods moeite verspild is, die zich niet laat omkeren, dat is te zeggen: die zich niet wil bekeren, wordt een mislukking, een misbaksel. Men heeft gespeeld met vuur — de zónde is zo’n een vuur! — en niet beseft, dat dit vuur, dat zo heerlijk koesterde, langzaam maar zeker verschroeide en verbrandde dat kostbare leven. O, hoevelen zijn er al niet aan hun eigen zonden gestorven, door het vuur van de hartstochten zwart gebrand. En het is lang niet zeker, dat zo’n verbrand product op ’t laatste moment nog uit het vuur wordt gerukt. In elk geval blijft zo iemand voor z’n verdere leven geschonden. Paulus is er een voorbeeld van, die z’n hele leven nooit heeft kunnen vergeten, dat hij de gemeenten Gods vervolgd heeft, en zich door het vuur van z’n haat tegen Jezus de Nazarener heeft laten blakeren. Het is als een zwarte vlek op z’n leven gebleven!

Bron: “De zoon van Beëri – over het boek Hosea” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Lees verder:   Wanneer het zout…(II)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Al wie door de nood gedreven…

DE VERLOREN ZOON UIT HET OUDE TESTAMENT

Komt, laat ons wederkeren tot de Here! Want Hij heeft verscheurd en zal ons helen; Hij heeft geslagen en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derde dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor Zijn aangezicht. (Hosea 6 :1-2)

Hier is de verloren zoon uit het Oude Testament!
Zijn naam is Efraïm.

Alhoewel hij op het ogenblik dat Hosea deze woorden neerschrijft, nog „thuis” is, ziet de profeet hem in de geest toch reeds in het „veraf gelegen land”, in ballingschap, en hij hoort hem tot zijn mede-verloren broeders zeggen: „Komt, laat ons terugkeren naar de Here!” Dat is dus precies hetzelfde, wat Jezus de verloren zoon laat zeggen: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan! Daar komt een verloren zoon nog niet zo snel toe. Beslist niet! Hij zal het eerst nog bij de zwijnen proberen; en pas als hij helemaal murw geslagen is, en alle steunsels kapotgeslagen zijn, komt hij tot zichzelf, en herinnert hij zich het vaderhuis.

Voorlopig zoekt ook Efraïm nog genezing voor z’n „gezwel” bij Jareb, “koning Strijdlust”. We lazen dat eerder al. Maar, die zal niet kunnen genezen (Hosea 5 : 13). ’t Zal integendeel nog veel erger worden, en Efraïm zal in ballingschap worden gesmeten…. Dan, als de nood op het hoogst is, heel het volksbestaan „verscheurd” is, en Israël in ballingschap ellendig om moet zwerven, dán zullen ze weer aan de Here gaan denken. Eindelijk! Hosea hóórt al profetisch de scherven van het gebroken hart vallen in deze zelf-opwekking van het tot-zich-zelf-gekomen volk. ’t Is wel niet fraai, dat zij de Here pas gaan zoeken nadat ze in hun benauwdheid al hun hoop verloren hebben (Hosea 5 : 15). Het lijkt er wat op, dat God enkel tehuis voor daklozen is. Maar beter zó te komen, dan helemaal niet te komen. En de Here is zéér barmhartig! Hij wil Zich er dan wel toe lenen, om zulke beroofde en berooide vluchtelingen weer op te nemen; Hij wil Zich ontfermen over hem, die door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft. Als Hij Zijn kind maar weer terugkrijgt. En als dat kind nu maar wat geleerd heeft, en niet wéér wegloopt!

Dat laatste is Efraïm ook niet van plan. Hij belooft plechtig: „voor Zijn aangezicht te zullen leven”, dus dicht bij huis te blijven, en niet weer onder Gods oog vandaan te zullen gaan.
Dát is het stuk van de „dankbaarheid”, waarmee deze acte van afscheiding (van de afgoden) en terugkeer (tot de Here) besluit. (…)
Er zijn echter drie stukken nodig te weten, om werkelijk getroost en in vreugde te leven en te sterven, en zo gaan ook hier de kennis van de „ellende” en van de „verlossing” voorop. Al deze drie heeft Efraïm langs een pijnlijke weg moeten leren, en hij is er nooit in uit-geleerd. (…)

Ziehier dan het nieuwe leven, waartoe Efraïm zal worden opgewekt door Gods wondermacht en genade. . . . een opwekking, het reveil!

Bij de woorden: „Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor Zijn aangezicht”, merkte iemand op: „wij zoeken hier, hoe verleidelijk het ook zij, geen toespeling op de verrijzenis van Christus”. Wij wèl. En zelfs méér dan een toespeling. Het gaat hier zelfs in de eerste plaats om Christus. Hier is door de mond van Hosea Christus aan ’t woord, Die gescheurd, van God geslagen was, maar. … na drie dagen weer zal opstaan. Ik twijfel er niet aan, of de Heiland heeft ook door de uitlegging van deze tekst uit Hosea de harten der Emmaüsgangers doen branden.

Door deze opstanding van Christus (het Hoofd) was de opstanding, het reveil van Israël (het lichaam), alleen mogelijk.
Wat hebben wij voor voordeel van de opstanding van Christus?
Dat wij: door Zijn kracht worden opgewekt tot een nieuw leven.
Daarom zingen wij : Gun door ’t geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid. (2)
Déze dankbaarheid: dat wij voor Zijn aangezicht mogen léven.
Dát leven is het ware leven.
Het is al een begin van het eeuwige leven!

Het is hier nog vaak een strompelen, maar onze blijdschap zal naar het hoogste toppunt stijgen, als wij Hem mogen zien van aangezicht tot aangezicht (1). Wat dát betekent, is met arme mensenwoorden niet te zeggen.

 Bron: “De zoon van Beëri – over het boek Hosea” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)
(1) Eens zei de Here tot Mozes, ‘dat Hij een engel voor het aangezicht van Israël zou uitzenden, die alle vijanden verdrijven zou, en hen in het bezit zou stellen van het Beloofde Land. Maar. . .. Zijn aangezicht zelf zou niet meegaan! Het Israël van Hosea’s tijd zou daar grif op ingegaan zijn. Ze hadden gezegd: we gaan! Dat kan niet mooier, engelen ten geleide, melk en honing, en verslagen vijanden. En velen zouden dat in onze tijd óók doen. Dat Gods aangezicht niet meegaat, nu ja, wat zou dat? Maar Mozes weigerde! Hij wilde liever „voor Gods aangezicht leven” in een kale, huilende woestijn, dan volop genieten in het land der belofte. . . . zonder God. Zo dacht Thomas à Kempis er ook over, toen hij zei: „wat U mij ook schenkt, o God, het is alles nietig en onvoldoende, als het Uzelf niet is”. Terecht! Want wie de gaven heeft zonder de Here en Zijn aangezicht, is doodarm.
Daar komt dan nu — gelukkig! — Efraïm van terug.
Voor hem is het ene nodige nú niet meer voorspoed en geluk, maar. . . . Gods aangezicht: wij zullen leven voor Zijn aangezicht! Wie door de Here verlost zijn zingen niet meer, dat koren en most en olie, maar Zijn naam, zo rijk van eer, hun tot hun vreugd nabij is, en dat Gods vriendelijk aangezicht vrolijkheid en licht verspreidt.
(2) Uit gezang 1 vers 9 van de “de twaalf enige gezangen”.
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie