Wanneer de Vader Zijn kind(eren) laat gaan…

Want Israël is weerspannig als een onwillige koe. Nu zou de Here hen weiden als een schaap in het ruime veld!? (Hosea 4 : 16)

Maar mijn volk luisterde niet, Israël wilde niet van mij weten. 13 Toen liet ik hen begaan, koppig volgden zij hun eigen inzicht. (Psalm 81 : 12)

Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. (Lukas 15 : 13)

Israël is als een onwillige koe. .. . het wil de vrijheid!
Welnu, zegt de Here — de vrijheid zal het hebben…. de Неге zal hen weiden als een schaap in het ruime veld. Daar zit een geweldig oordeel achter, want het betekent, dat Israël aan zichzelf zal worden overgelaten! Een schaap hoort nu eenvoudig niet in het ruime veld. Het schaap hoort bij de kudde, vlak onder het waakzaam oog van de herder.

Smal is de weg, en eng is de poort, die tot het leven leidt. Ja, inderdaad, dat voelen velen ook zo, maar dan als als iets waar ze het benauwd van krijgen. Ze willen ruimte! En ze wéten het wel, maar geloven niet, dat de ruime, brede weg waar ze voor kiezen naar het verderf leidt. Inderdaad, onwaarschijnlijk lijkt het wel, maar het gaat in het koninkrijk Gods nu eenmaal precies anders dan overal elders. Dat zie je niet, maar dat moet je geloven.

Israël heeft er ook niets van geloofd. Het heeft als een onwillige koe het juk van z’n nek geschud, en méénde nu eens echt vrij te zijn, eigen heer en meester. Maar het is in die „vrijheid” omgekomen, zoals een schaap in het vrije veld omkomt. De Here hééft ze de ruimte gegeven, want ze zijn gegaan ver over de grenzen van eigen land… in ballingschap!

Er zijn twee dingen in deze geschiedenis van Gods volk, die zeer ontroerend zijn.
Het eerste is, dat God niemand dwingt, om onder Zijn leiding te blijven. De almachtige God had natuurlijk dat onwillige dier heel goed kunnen temmen. Hij had tot Zijn volk kunnen zeggen: Je mag niet weg, maar je blijft hier. Is het niet goedschiks, dan kwaadschiks, maar blijven zult je. Maar zo handelt God nooit! Met niemand!

Niet, dat dit de Here onverschillig is, maar de mens mag kiezen. Hij wordt niet gedwongen. Hij mag gaan. Dit is de bijna angstige eer, het vreselijk (en toch heerlijk) privilege van „Gods volk”. Tot knechten kan gezegd worden: blijf, en zij zullen blijven. Tot kinderen zegt Hij: jullie mogen ook gaan. Wilt je de „vrijheid”, dan krijg je die!

Het tweede ontroerende element is, dat in de vreselijke dreiging toch nog trilt de stem van de liefde. Hosea zegt niet, dat de Here hen zal wegstoten als een schaap in de ruimte, maar dat Hij hen zal weiden als een schaap in het ruime veld. Daar herken je de Herder van Israël aan. Hij is bereid het arme, verdwaalde, gekneusde schaap weer op Zijn schouders triomfantelijk naar de kudde te dragen, zodra Hij ergens angstig geblaat hoort.

28 Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 29 neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Uit Matteüs 11)

Bron: Gebaseerd op “Verdiende loon” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Wat Liefde is…

God is meer dan ons (mensen)hart…

16 Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters. 17 Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden? (1)
18 Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. 19 Dan weten we dat we voortkomen uit de Waarheid (Christus!) en kunnen we met een gerust hart voor God staan. 20 En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles. (2) 21 Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons vol vertrouwen tot God wenden 22 en ontvangen we van Hem wat we maar vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat Hij wil. 23 Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals hij ons heeft opgedragen. 24 Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat Hij in ons blijft, weten we door de Geest die hij ons heeft gegeven. (Uit 1 Johannes 3)

10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden.
(…)
19 Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. 20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat (3), dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. 21 En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben. (Uit 1 Johannes 4)

13 Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt. 14 En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar Zijn wil (4), ons verhoort. 15 En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden. (Uit 1 Johannes 5)

(1) Bij dat “gebrek lijden” moeten we niet alleen denken aan materieel gebrek, maar bijv. ook aan eenzaamheid, door gebrek aan (voldoende) gemeenschap met (meeleven van) broeders en zusters.
(2) Zie ook 1 Korintiërs 4, waar staat:
3 Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet. 4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heere. 5 Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen.
(NB. Wat een positief slot! Hiermee wordt 1 Korintiërs 13 : 6-7  door Paulus ons ten voorbeeld gehouden en gebracht)
(3) Haten is: God en de naaste niet de door Gods Woord aangegeven plaats gunnen en geven in  persoonlijke gedachten en levenspraktijk (Zie bijv. Matteüs 22 : 34-40 – “Het grote gebod”).
(4) Wat het is om te “bidden naar Zijn wil” dat leren we (steeds meer verstaan door m.n. persoonlijk Bijbellezen en gebed) uit Gods Woord onder leiding van de Heilige Geest. We kunnen dat niet krachtiger dan door het eerbiedig (!) persoonlijk (!) bidden van het “Onze Vader gebed“, dat onze Here Jezus Christus Zijn discipelen en ons voorgehouden en geleerd heeft. Dan gaan we opmerken wat het betekent dat God “eenvoudigen”  wijsheid leren wil in de dagelijkse praktijk van het leven en dat niemand daarvan ook maar één dag uitgesloten wordt, die in vertrouwen bidt en werkt (zie Lukas 11 : 25-30, Jakobus 1 : 5-8).
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Ons huwelijk: Laat uw ja ja zijn…

…want alles wat u daaraan toevoegt komt van de boze (1)

Wie ook maar een beetje verstand heeft doet zoiets niet, want iedereen wil toch een nageslacht dat door God gewild is? Speel niet met je leven… (Uit Maleachi 2, NBV)

In de tijd van Maleachi vond echtscheiding aan de lopende band plaats. En dan zegt Jahweh: dat haat Ik. Ge zijt ontrouw aan de vrouw van uw jeugd, terwijl ze toch uw wettige vrouw is (resp. Maleachi  2  : 14 en 16).

In de grondtekst staat letterlijk: terwijl ze toch de vrouw van uw verbond is. Ook hier komt weer naar voren, dat het huwelijk een verbond is. Toen het huwelijk gesloten werd, kreeg dat verbond rechtskracht. En Jahweh is daarbij getuige geweest (Maleachi 2 : 14). Geen wonder dat de HERE de echtscheiding haat. Zijn naam is ermee gemoeid.

In de dagen van Christus was het aantal echtscheidingen weer sterk toegenomen. Binnen de partij van de Farizeeën waren twee stromingen, waarvan de een echtscheiding om de kleinste wissewasjes geoorloofd achtte en de ander zwaardere eisen stelde. Men heeft geprobeerd de Here Jezus in die controverse te betrekken, maar Hij distantieerde zich van beide stromingen door weer terug te grijpen op de instelling van het huwelijk in Genesis 2 (zie Matteüs 19 : 1-12) en uit te gaan van de principiële onontbindbaarheid van het huwelijk.

Huwelijk en gezin vormen de bouwstenen van de samenleving. Echtscheiding betekent ontwrichting en ontbinding van die bouwstenen. Naarmate het aantal echtscheidingen toeneemt, zal als gevolg daarvan ook de samenleving (en ook Gods gemeente! – AJ) meer en meer ontwricht raken. Terugkeer naar het onderwijs van Gods Woord op dit punt betekent een stuk genezing en bescherming van de samenleving.

Opgemerkt (door MvdB): De manier waarop een huwelijkssluiting rechtsgeldigheid krijgt, kan van cultuur tot cultuurverschillen. De burgerlijke huwelijksvoltrekking in het gemeentehuis is in de geschiedenis van de mensheid nog betrekkelijk nieuw. Bij Israël b.v. werd het huwelijk niet door de overheid voltrokken en al evenmin door een kerkelijke instantie, maar was de huwelijkssluiting een familie-aangelegenheid en had als zodanig rechtsgeldigheid (vgl. Gen. 29:15-30).

Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – maar de Heer Zelf geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen. (1 Korintiërs 7 : 10-11).

(1) Zie Matteüs 5 : 27-37 

Bron: “Gij geheel anders” – van ds. M.R. van den Berg – Telos-boek van Buijten &Schipperheijn – Amsterdam

Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen en zijt in Hem onderwezen…
(Efeziërs 4 : 20)

Alleen wie Christus volgen
vinden het smalle pad.
Zij zullen straks bevolken
de straten van Gods stad

 

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Ons zilver en goud?

Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, Die haar het koren, de nieuwe wijn en de olie heb gegeven, Die haar het zilver rijkelijk geschonken heb en het goud, dat zij voor de Baäl gebruikt heeft. (Hosea 2 : 7).

Wij moderne mensen halen tegenwoordig onze schouders op voor de vroegere volken en ook voor het Israël van eertijds, dat de natuurgoden en de Baäl wilde dienen. Wij als christenen beseffen dan meestal nog wel, dat we dan niet in plaats daarvan moderne afgoden hebben te dienen (zoals de wetenschap en techniek bijvoorbeeld), want we hebben toch leren belijden, dat het onze God is, Die ons “koren, wijn en olie geeft, en die ons het zilver en goud rijkelijk schenkt”. Maar zelfs wanneer we aan die belijdenis willen vasthouden, blijft de vraag open aan Wie of wat wij christenen dan ons geld daadwerkelijk wijden (besteden). Weten wij ons, bij ons geld verdienen en geld besteden, werkelijk vrij van alle geldzucht en hebzucht, dat door Gods Woord toch (ook) wordt gekenmerkt als afgoderij? (1)

In de tijd van de profeet Hosea slaakt de Here de klacht van Zijn versmade liefde niet maar in de ruimte (zie Hosea 2), maar richt Hij Zich tot Zijn volk (in het boek Hosea als ontrouwe vrouw voorgesteld). Zijn klacht moet gehoord worden en doel treffen. Die klacht wordt door Hem niet geuit om Zijn ontrouwe vrouw nu eens te grieven, of om voor de oren en ogen van de buren haar ontrouw aan de kaak te stellen, maar om met die klacht haar hart te raken. God wil Zijn ontrouwe vrouw daar nog mee terug lokken!

Is dat niet wonderlijk? Dat God Zijn weggelopen vrouw, weer terug wil hebben, en haast bedelt om haar wederliefde? En toch wil Hij dat! En als Zijn klacht niet helpt, dan zal Zijn liefde vindingrijk genoeg blijken, om haar toch te doen terugkeren. Straks zal zij met haar afgoden zo bedrogen uitkomen, dat ze in volslagen armoede en in ballingschap een ellendig zwerversbestaan moet leiden. Dan zal ze “door de nood gedreven, zich tot Hem om hulp begeven”.

Te prijzen zijn zulke motieven niet. Het is beslist niet fraai wanneer men alleen maar door de nood gedreven naar God gaat. En toch, als het dan maar met ons zo gesteld is als met de verloren zoon. Dan is het zo gelukkig, dat God ook onze onzuivere motieven, die mee tot onze terugkeer naar Hem en tot onze bekering leiden, vergeeft en niet zozeer let op een (eerst ook nog op ons zelf gericht) motief, zoals: “hoeveel knechten van mijn Vader hebben overvloed aan brood”, maar meer of alleen acht slaat op de klank van het gebroken en verslagen hart: “ik heb gezondigd en zal terugkeren naar (mij bekeren tot!) mijn Vader”!

Hoe (waardoor) wij nu tot Hem gedreven worden, dat is dus niet het belangrijkste! Als we ons maar tot Hem begeven. Natuurlijk is het voor óns beter dat we door de zonnestralen van Zijn goedheid worden wakker gekust en ontwapend (dus door tijdig acht geven op Zijn Woord!), dan dat we moeten terugkeren vanwege een donkere weg van nood en rampspoed in ons leven. Maar we moeten wel beseffen dat God ook die weg met Zijn kinderen wil en zal gaan en deze beslist niet ongebruikt wil laten, wanneer wij koppig onze eigen (levens)weg willen en blijven gaan. Daar is Gods Woord, Gods Liefde – zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament – nooit onduidelijk over (geweest).

Heel de Bijbel door, maar in het Nieuwe Testament nog het meest, blijkt dat juist ook uit de manier waarop wij als (gedoopte) kinderen van God omgaan met het zilver en goud dat ons is toevertrouwd, zal blijken of wij ons gelovig en vertrouwend durven laten gezeggen door wat Zijn Woord (Christus!) ons gebiedt of dat wij liever onze oren sluiten voor wat de Geest ons in en door het Woord over dit onderwerp te zeggen heeft.

Heeft God Zijn doel – waar het de besteding van “ons zilver en goud” betreft  – bij ons, bij u en mij, reeds bereikt?

Bron: Gebaseerd op “Die het zilver rijkelijk schenkt”  uit ” De zoon van Beeri” van ds. H. Veldkamp
(1) Beseffen en begrijpen we, dat de Here ons de gaven van voedsel, zilver en goud, wetenschap en techniek niet gaf en geeft, om óns tot eigenaar en willekeurige beschikker van dat “bezit” te maken, maar alleen om Hem er mee te dienen? Dat Hij het ons ter beschikking geeft om er Zijn huis hier op aarde mee te bouwen. Wat niets anders betekent, dan dat we in de eerste plaats de opdracht hebben om daarmee (en zeker ook met de ons gegeven gezondheid en krachten) onze behoeftige broeders en zusters en andere medemensen in nood te dienen en verzorgen. We kunnen onze God en Zijn Evangelie geen betere dienst bewijzen dan hiermee bezig te zijn en daarin (in het dienen van onze medemensen) God lief te hebben met heel ons hart, met onze ziel, met geheel ons verstand en al onze krachten en onze naaste als onszelf (en dat heeft ook alles te maken met onze tijd- en geldbesteding!).

Gelukkig wie zorgt voor de armen; in kwade dagen zal de HEER hem uitkomst geven (…)
(Psalm 41 : 2a)

Het leven wordt gegeven
aan wie ’t verliezen wil
aan wie het prijs wil geven
aan God, om Jezus’ wil

Lees verder ook wat Jezus ons zegt over ons geld en onze geldbesteding: Klik hier

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

God maakt geen onderscheid…

6 God beloont ieder mens naar zijn daden. 7 Aan wie het goede doet en daarin volhardt, aan wie glorie, eer en onsterfelijkheid zoekt, schenkt hij het eeuwige leven. 8 Maar wie handelt uit geldingsdrang, de waarheid niet eerbiedigt en zich laat leiden door onrecht, straft hij met zijn toorn en woede. 9 Iedereen die het slechte doet wacht leed en ellende, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 10 Iedereen die het goede doet wacht glorie, eer en vrede, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 11 God maakt geen onderscheid. (Uit Romeinen 2, NBV)

Gebed

Ach, eeuwige barmhartige God, U bent de God van vrede, liefde en eenheid, maar niet van tweedracht en verdeeldheid, met welke oordelen U nu rechtvaardig deze wereld bezoekt.
U doet dat daarom, omdat zij U – Die alleen de eenheid sticht en behouden kan – verlaten en door hun wijsheid van U afgevallen zijn, bijzonder in die zaken die Uw Goddelijke Waarheid, en de zaligheid van zielen betreffen. U hebt hen toegelaten zich te verdelen en vaneen te scheiden, zodat zij met hun vermeende wijsheid, in hun verdeeldheid beschaamd zouden worden, en tot U, Die de eenheid liefhebt, zouden terugkeren. Wij bidden en smeken U, dat U toch door Uw Heilige Geest al wat verstrooid is, tezamen brengt, wat gescheiden is, verenigd en weer tezamen voegt. Geef ons dat wij ons tot U de enige God keren, Uw enige Waarheid zoeken, alle verdeeldheid verlaten, dat wij in één zin, in één wil, in één kennis, in één gemoed, en in één geloof zijn, waarover onze Heere Jezus Christus eens oordelen zal. Dat wij dan, hemelse Vader van onze Heere Jezus Christus, U eensgezind als met één mond mogen prijzen en loven, door onze Heere Jezus Christus in de Heilige Geest. Amen.

Maarten Luther: Betbüchlein, 1522, Verg. WA. 10.2, 477, 35 – 478,15

 Psalm 25 vers 2 (OB)

HEERE, maak ons Uwe wegen,
Door Uw Woord en Geest bekend;
Leer ons, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt,
Leid ons in Uw Waarheid, leer
IJv’rig ons Uw wet betrachten;
Want Gij zijt ons heil, o HEER,
‘k Blijf U al den dag verwachten.

(NB. “mij” vervangen door “ons” – AJ)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Wij bidden in Jezus Naam…

Lieve God Vader in de hemel, ik weet zeker dat U mij liefhebt, want ik heb Uw Zoon, mijn Verlosser Jezus Christus lief. In rust en vertrouwen wil ik U nu en altijd getroost bidden.
U wilt mij verhoren en mij geven wat ik bid, niet omdat ik zo heilig en vroom ben, maar omdat ik weet dat U om Uw Zoon Jezus Christus ons graag alles wilt geven en schenken.
In deze Naam kom ik nu tot U en bid. Ik twijfel in het geheel niet aan de verhoring van dit gebed – ik zij wat mijn persoon(-lijkheid) betreft wat ik wil (1) – ja toch ben ik vast en zeker verhoord. Amen.

(1) Hoe ik ook over mijzelf denk en wat ik ook bij en van mijzelf vind – bijvoorbeeld dat ik mij door Uw wet geheel onwaardig en veroordeeld weet – in Jezus Christus weet ik mij een door U aanvaard en geliefd kind, dat elke dag door u wordt gehoord en verhoord.
Bron: Gebeden Luther – Samenstelling en vertaling: H.C. van Woerden – Uitg. De Groot-Goudriaan – Kampen

Uit Psalm 27 (Lees Psalm 27)
(…)
Mag ik niet verwachten (vast vertrouwen! – AJ)
de goedheid van de HEER te zien
in het land van de levenden?!
Wacht op de HEER,
wees dapper en vastberaden,
ja, wacht op de HEER.

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wanneer de één op de ander neerziet…

Worden als een kind…

Van 1518-1521 houdt Luther zijn tweede ‘Psalmen-vorlesung’ op de universiteit van Wittenberg. In een college over Psalm 8 zegt hij bij vers 3 o.a. iets over de aard en natuur van Gods kinderen: ‘Want kinderen vertederen, verblijden of overwinnen ons niet door hun macht, wijsheid en kracht, maar door hun machteloosheid, onwetendheid en kwetsbaarheid. Zo overwinnen zij die Christus loven en prijzen, ook niet door wereldlijke macht, niet door woorden van menselijke wijsheid, maar door de dwaasheid der prediking en de ergernis van het kruis.’ In dezelfde trant zegt Luther nog meer prachtige dingen en dan volgt ons citaat:

‘In de tweede plaats: “Uit de mond van jonge kinderen en zuigelingen” (vgl. Psalm 8:3). Hier wordt aan elke dienaar van het Woord geleerd dat hij als een kind en zuigeling moet worden mét de kinderen en zuigelingen (1). Dat leert Paulus ook: ‘Allen ben ik alles geworden, opdat ik toch enigen zou zalig maken’ (vgl. 1 Korinthe 9:20 vv). Dat wil zeggen: dat hij er voor zorgde dat hij op niemand neerkeek en niemand verachtte, of sommige mensen niet kon verdragen of hen verafschuwde – hoe onaanzienlijk en oneerbaar ze ook mochten zijn.(2) Net als de kleine kinderen doen, die in hun eenvoud van geen onderscheid en aanzien van personen weten, maar met alle mensen op dezelfde manier omgaan.

Zó moeten ook de predikanten en de dienaars van het Woord zich tegenover iedereen gedragen en de persoon van de mens niet aanzien. Het is een gevaarlijke en schadelijke eigenschap voor een dienaar van het Woord, wanneer hij zich anders gedraagt tegenover machtigen en vermogenden en anders tegenover eenvoudigen en armen. Dit temeer, omdat hij toch gezonden is om iedereen te dienen, geen mens naar de mond te praten en niemand te verachten.

Je kan in de Schrift nauwelijks een grotere zonde vinden, die de Geest van God meer bestraft en bestrijdt, dan het verkeerde en ongepaste aanzien van personen. Dat komt omdat het heel moeilijk is om je er niet aan te storen wat de mens aan de buitenkant [letterlijk: in zijn vermomming!] schijnt te zijn. Zoals alle mensen ons zichtbaar voorkomen, zo moeten wij hen in de onzichtbare God liefhebben en hun zaligheid zoeken.’

Maarten Luther: Operationes in Psalmos 1518-1521, WA 5, 258, 1-10, weergave W(1) 4, S. 762 vv
Bron:  www.maartenluther.com
(1) Zie voor verduidelijking van deze tekstverklaring o.a. Mattheus 11:25 en 18:3 en 1 Korintiërs 12 en Jakobus 2  (laatste teksten deels hieronder opgenomen)
(2) Zie o.a.  Romeinen 1, waar Paulus zegt zich in zijn optreden voor de verkondiging van het Evangelie dienstbaar te hebben gemaakt aan mensen uit beschaafde en onbeschaafde volken en aan geletterde en ongeletterde mensen. 
22 Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23 De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24 dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25 zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26 Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27 Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. (Uit 1 Korintiërs 12)
5 Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God niet juist hen die naar wereldse maatstaven arm zijn, uitgekozen om rijk te zijn door het geloof en deel te krijgen aan het koninkrijk dat hij heeft beloofd aan wie hem liefhebben? 6 Maar u behandelt arme mensen met minachting. Zijn het dan niet de rijken die u onderdrukken en u voor de rechter slepen? 7 Zijn zij het niet die de voortreffelijke naam die over u is uitgesproken, door het slijk halen? 8 Wanneer u echter het koninklijke gebod volbrengt dat de Schrift geeft: ‘Heb uw naaste lief als uzelf,’ dan handelt u juist. 9 Maar als u op het uiterlijk afgaat, begaat u een zonde en bestempelt de wet u als overtreders. 10 Wie de hele wet onderhoudt maar op één punt struikelt, blijft ten aanzien van alle geboden in gebreke. 11 Want hij die gezegd heeft: ‘Pleeg geen overspel,’ heeft ook gezegd: ‘Pleeg geen moord.’  (1) Als u geen overspel pleegt maar wel een moord, overtreedt u toch de wet. 12 Zorg ervoor dat uw spreken en uw handelen de toets kunnen doorstaan van de wet die vrijheid brengt. 13 Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel.  (Uit Jakobus 2) – (1) Matteüs 5 : 21-26

Gebed (uit Psalm 19, NBV)

Bescherm mij, uw dienaar, en laat hoogmoed
niet over mij heersen, dan zal ik volmaakt zijn
en bevrijd van grote zonde.
Laten de woorden van mijn mond u behagen,
de overpeinzingen van mijn hart u bekoren,
HEER, mijn rots, mijn bevrijder.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Abraham’s Godsvertrouwen – Romeinen 4

14 Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18 Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’
(…)
21 Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22 en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23 En dit is niet alleen voor hem geschreven, 24 maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in Hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25 hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.
(Uit Romeinen 4)

Lees Romeinen 4 (klik  hier)

Zie verder ook “Abraham’s zoon-offer“

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Het zoon-offer van Abraham…

Uit Genesis 22 

En het gebeurde na deze dingen dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tegen hem: Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik. Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal.
Toen stond Abraham ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had.
Wanneer we dit Bijbelgedeelte lezen en overdenken, dan leren we dat de Liefde hier in alles de hoofdrol speelt en de bepalende factor is in wat er gebeurd en hoe het gebeurd. Daarom kan gezegd worden dat “deze toets” van Abraham’s geloof door God gebruikt wordt om vooral Zijn grote liefde en de daarop antwoordende liefde van Abraham, maar ook die van Izak, aan het licht te brengen. God wil deze uit alle facetten van dit gebeuren blijkende Liefde gebruiken om die ook (later) aan al de geslachten te laten verkondigen…
Abraham was door Gods genade zover (in)geleid in Gods Liefde, dat hij Gods liefde en trouw in al het gebeuren van zijn leven kon en wilde aanvaarden en hij wordt hier op de proef gesteld omdat God door het aan Abraham geschonken geloofsvertrouwen aan alle geslachten wil tonen hoe God met al zijn kinderen én Zijn Zoon omgaat en wil omgaan.
God roept Abraham. En Abraham reageert direct met: Ik luister. Dat is de juiste liefdesverhouding. Een vader noemt zijn kind bij de naam en die reageert met bij wijze van spreken: “ik hoor U zo graag”.
Dan is er na Gods spreken tot Abraham in de nacht de volgende ochtend ook de bijbehorende liefdevolle gehoorzaamheid, die Abraham met Izak en zijn knechten op weg doet gaan. Abraham, dat kan gewoon niet anders, die gaat in rustige liefdevolle gehoorzaamheid op weg. Niet met een hoofd vol vragen en twijfels, maar nu, eerder in zijn leven was dat wél anders geweest!, met het volle vertrouwen dat God deze opdracht tot een goed einde gaat brengen zonder Zijn beloften tekort te doen. Dat betekent niet dat Abraham zelf al meende toch wel onder dit offeren van zijn zoon uit te zullen komen. Maar hij vertrouwt dat God hoe dan ook een goede weg zal gaan voor Abraham en Sara en hun enige kind en het toekomstige (verlangde!) nageslacht (Nageslacht – zie Genesis 3!). Hij acht het zelfs niet uitgesloten, dat God uitkomst kan brengen door wederopstanding uit de dood van Izak. (1)
Wanneer we gaan beseffen in hoe groot vertrouwen (=Liefde!) alles gebeurd, ook onderweg, dan gaan we ook de rust die er van Abraham en van dit hele gebeuren uitstraalt zien en begrijpen. Hoe liefdevol en rustig spreken Izak en Abraham met elkaar. Vast en zeker zal Izak – mee door Gods Geest – onder de indruk geweest zijn van de verzekerde gang van zijn vader en de rust en bezieling en liefde die van zijn vader uitging om God een offer te brengen en om de offerplaats te bereiken en alles voor te bereiden. Hier gebeurd alles in liefde. Izak wordt door een vader, die op God vertrouwt en zijn zoon zo hartelijk lief heeft, met liefdevolle zorg op het altaar gelegd. En de Engel des Heren kijkt toe… Eens zal Hij niet door een liefdevolle vader en en niet met liefdevolle vader-handen, maar door mensen vol afkeer en/of haat in het hart naar de “offerplaats” worden gebracht en aan het offerhout worden gespijkerd (laat mij niet vallen in de handen van – liefdeloze – mensen: David in 2 Samuel 24 : 14).
En Abraham, hij is niet buiten zinnen van de stress als hij het mes pakt en heft, maar de liefde doet hem tot het laatste moment toe verwachtingsvol uitzien en luisteren. Abraham beseft: God is er op elk moment bij geweest en is er ook nu bij. Mijn God heeft heel dit gebeuren in de hand en Hij bestuurt ook Abrahams arm…
En de Engel des Heren roept daarom niet schel en opgewonden “Niet doen, niet doen, Abraham, want…”, maar Hij roept rustig, en zelfs tweemaal, Abrahams naam. En Abraham mag eerst antwoorden en laten horen en zien dat hij nog steeds uitziet naar God en dat hij (daarom!) een luisteraar is, die zijn oren gespitst houdt, en daarom kan hij antwoorden: Zie, hier ben ik” – m.a.w. “(nog) steeds bereid om uw wil te doen”. En dan pas volgen de woorden: “Strek uw hand niet uit…”. En ook hier mogen we aannemen dat de woorden rustig en liefdevol zijn uitgesproken en dat ze Abraham en Izak als liefdesmuziek in de oren zullen hebben geklonken.
Van Izak lezen we later – toch wel als bijzonderheid in het OT – dat hij een goed huwelijk had met tedere liefde voor zijn enige vrouw.  Maar ook Izak blijft en blijkt een gewoon mens te zijn met zonden en gebreken. Dat zien we later in de verdere geschiedenis van Genesis ook nog weer. Maar als we daar (bij dat offer) de genade van God in een mensenleven opmerken, de genade waardoor en waarmee ze gelegenheid krijgen om iets van Gods grote liefde en trouw te laten zien en doorgeven, dan geven we God daarvoor de dank en de eer.
Dat laatste mis je nog wel eens bij de beoordeling van grote mannen als Luther en Kuyper bijvoorbeeld. Mooi wanneer je mag zien en leert zien wat Gods genade uitgewerkt heeft in de levenspraktijk van zulke mensen, dan ga je je verwonderen dat dat bij hen zoveel ruimte kreeg. Dan ga je ze toch daarna niet zo afschrijven, zoals helaas toch velen wel doen, wanneer dan later uit hun levensgang blijkt, dat ze, wat ze door Gods genade en in Gods kracht mochten opbouwen, nu in eigen kracht en met eigen middelen willen gaan beschermen en bewaren.
Mogelijk is dat laatste niet eens in de laatste plaats gebeurd, om latere mensen het idoliseren van zulke “grote mensen” af te leren. God geeft zijn roem niet aan mensen, ook niet aan “grote mannen” of “grote vrouwen”.
 (1) Abraham had niet eerder gehoord van mensen die uit de dood werden opgewekt. Toch geloofde Abraham vast en zeker in God, de Schepper van hemel en aarde,  “Die iets uit niet(s) tot aanzijn riep” en was hij getuige geweest van een geboorte uit “een dode moederschoot”. “Zou voor God iets te wonderlijk zijn” kreeg Abraham van God zelf te horen bij de aanzegging van Izak’s geboorte…
Opgemerkt:
God (en ook Abraham niet!) betrekt Sara’s moederhart niet bij deze opdracht en beproefd worden van Abraham door God. Daarin is grote genade en barmhartigheid. Uiteindelijk zal God Abraham ook het “kind-/zoon-offer” besparen. Zichzelf spaart Hij niet…
Dat God zelf de schepper is van de vrouw met haar moederlijke instelling en gevoelens moet ons veel te zeggen hebben over onze Drie-enige God! We kunnen hierbij dan bijvoorbeeld denken aan Gods woorden zoals uitgesproken door de profeten (o.a. Jesaja): “Zou een moeder haar zuigeling vergeten…?”
Uit Romeinen 4
14 Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15 De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16 Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17 Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18 Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’  

Lees verder Romeinen 4 (klik hier).

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Wie niet horen wil, wil voelen…

Ervaar meer; Geloof minder.

Zo willen wij mensen het ’t liefst.

Maar God heeft altijd op Zijn Woord geloofd willen worden door de mens…
Sinds de zondeval is God “in Christus” genadig sprekende tot ons…
Christus komt tot ons in het gewaad van het Woord (1, 2)…

Maar, wie niet horen wil, moet én zal voelen (en zien!)
…wat er van komt!

Dat leren we uit Gods Woord en dat leren (ervaren!) we – met het licht van Gods Woord en zelfs zonder dat licht – uit de hele mensen-/wereldgeschiedenis

Laten we beginnen bij het begin van het “niet willen horen”: Genesis 3.

Niet luisteren naar God, maar zelf willen ondergaan en ervaren wat die boom, die vrucht te bieden heeft:
4 Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.
5 Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden (niet onze oren, die zullen juist weer geopend moeten worden! (3)- AJ) en dat u als God zult zijn, goed én kwaad kennend. (A)
6 En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan.
Dan krijgen we inderdaad iets nieuws en onverwachts te zien, te voelen, te ervaren…
7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten (uit eigen ervaring, dat was hun nooit verteld! – AJ), dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten.
(…)
9 En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?
10 En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd (nieuwe ervaring! – AJ), want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
(…)
14 Toen zei de HEERE God tegen de slang:

Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt
onder al het vee en onder alle dieren van het veld!
Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
15 En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw,
en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht;
Dat zal u de kop vermorzelen,
en u zult Het de hiel vermorzelen.
(Uit Jesaja 55, HSV)
9 Want zoals de hemel hoger is dan de aarde,
zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen
en Mijn gedachten dan uw gedachten.

10 Want zoals regen of sneeuw
neerdaalt van de hemel
en daarheen niet terugkeert,
maar de aarde doorvochtigt
en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen,
zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
11 zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.

Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.
(Romeinen 10 : 17, HSV)

1 Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet. 2 Hierdoor immers hebben de ouden een goed getuigenis gekregen. 3 Door het geloof zien wij in dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God, en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.
*********(… verzen met goed getuigenis van een aantal geloofsgetuigen…)

13 Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien (“gezien”, in die zin dat ze gelovig het Woord van God met Zijn beloften aanvaardden – AJ) en geloofd en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.

(1) Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister (hoort) naar Hem! (Matteüs 17 : 5b, NBV)
(2) Jezus tot de Emmaüsgangers: En Hij zei tegen hen: O onverstandigen en tragen van hart! Dat u niet gelooft al wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was. (Lukas 24 : 25-27, HSV)
(3) Gij hebt mij geopende oren gegeven (NBV) -of- U hebt Mijn oren doorboord; (HSV) (Psalm 40 : 7b)
(A) Het is een m.i. niet te beantwoorden vraag of en in hoeverre het voor de mens nodig en mogelijk zou zijn geweest om het kwaad te leren kennen (in al haar vormen en consequenties d.m.v. het onderwijs van God), wanneer zij geen gehoor hadden gegeven aan de woorden van de satan in het paradijs.
Door de verkondiging van het Woord openbaart en ontplooit zich in de gemeente van onze Heer Jezus Christus de Kracht (Dynamis) van onze Drie-enige God!
Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen. (Hebreeën 4 : 12-13, NBV)
Het Evangelie wordt verkondigd in de prediking, sacramenten en liturgie van de eenvoudige samenkomsten van de gemeente en in en door het daadwerkelijke samenleven van christenen in gezin, familie en samenleving en het getuigenis (soms met woorden) dat in dat liefdevol samenleven dáár van hen uit gaat – dus voor zover ze daadwerkelijk als christenen uit Christus kracht – dus vanuit Woord en gebed en door de Geest geleid – leven en spreken.
Natuurlijk heb je dan ook nog mensen die zich evangelist willen en durven noemen, maar die lopen veel gevaar zichzelf te “overschreeuwen” m.n. omdat ze niet of nauwelijks gelegenheid hebben om aan hun toehoorders te bewijzen, dat ze ook daadwerkelijk leven naar het door hun verkondigde Woord. Voor zendelingen ligt dat anders, die gaan samenleven met de mensen waaraan ze het Evangelie verkondigen en zullen dus met Woord én daad hebben te getuigen van de Reddende Kracht van het Evangelie (Romeinen 1 : 16).
Zolang we menen aan het verkondigde Woord en Sacrament(en) nog wat toe te kunnen voegen (aan overtuigingskracht, verbeeldingskracht of wat voor werking dan ook), dan kan en zal op die inspanning van ons geen zegen rusten. God geeft de roem van de kracht van Zijn Woord (en de daarbij ingestelde Sacramenten) niet aan (kracht van) mensen en of allerlei (eigen/andere, door mensen verzonnen) beelden, symbolen en rituelen. (o.a. bevestigd in 1 Korintiërs 1 : 29, 2 : 4,  en 2 Korintiërs 12 : 9-10 en Galaten 3 : 1-9). Ook de beelden die gebruikt worden, zoals  in de gelijkenissen bijvoorbeeld, dienen in de vorm van Woordverkondiging hun Bijbelse voorbeeld en gebruik te behouden.
Alle andere soorten van menselijke “bijdragen aan de Evangelie-verkondiging”, bijvoorbeeld mooie muziekstukken of koorzang, toneelspel, beeldvertoningen (*), die kunnen en mogen wel (als regel buiten de gewone zondagse-samenkomsten) door christenen uitgevoerd/gebruikt worden met als doel God te eren, maar dan behoren we daar geen pretenties van Evangelie-verkondiging (naar mede-christenen of buitenstaanders) mee te hebben. Het is ons uit liefde pretentieloos lofoffers brengen aan onze drie-enige God en belijdenis doen met gebruik van de gaven die wij van God gekregen hebben. Of God dat ook gebruiken wil om anderen ook daadwerkelijk bij het Woord (bij Christus en het willen luisteren naar Hem) te brengen, dat moeten wij aan God overlaten en niet naar anderen de indruk geven, dat onze broeders en zusters en andere mede-mensen (en God) toch wel (heel) wat van deze vormen van menselijke inbreng kunnen of mogen verwachten. We hebben dat alleen maar met heel ons hart “pro Deo” te doen en anders kunnen we het beter nalaten.
(*) Straatvertoningen zoals processies en “De Passion” behoren m.i. beslist niet opgenomen te worden in dit rijtje!
Slotopmerking n.a.v. gedeelte uit 1 Korintiërs 14 (verzen 24-25).
(…) Maar als allen zouden profeteren, en er kwam een ongelovige of niet-ingewijde binnen, dan zou die door allen overtuigd en door allen beoordeeld worden. En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar, en zo zal hij zich met het gezicht ter aarde werpen en God aanbidden, en verkondigen dat God werkelijk in uw midden is. (…)
Met profeteren wordt hier bedoelt: Gods Woord eerbiedig naspreken (ook met eigen bewoordingen) en toepassen op het leven en samenleven van de gemeente en haar leden en op de samenleving en (wereld)tijd waarin de betreffende gemeente haar plaats heeft.
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie