De disharmonie van ónze gebeden…

In ons bidden en dat van heel Gods schepping
zal eenmaal voor altijd wondermooie harmonie zijn…

Op die dag zal het geschieden (gebeuren), spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren en die zal de aarde verhoren.
En de aarde zal dan het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.
(Hosea 2 : 20-21)

Men kan niet zeggen, dat het gebed er vandaag niet is, in de schepping.
Gods Woord leert ons, dat de hele schepping biddend zucht, en reikhalzend uitziet naar de dag van de verlossing van de Gods kinderen. We horen dat zuchten in de verdroogde en verschroeide akkers, in het klagen van het vee, in het kreunen van de wouden… Dit is het Adventsgebed van de natuur en… in dat Adventsverlangen is de schepping zelfs een voorbeeld voor de “kinderen der herschepping” , omdat in hún mond het „Maranatha”  zo vaak is verstomd.

Maar ook wij mensen bidden, voor zover we niet vloeken, maar wat in al deze gebeden ontbreekt is: de harmonie. De gebeden botsen tegen elkaar in. (1)

De een bidt om regen, en de ander om droogte. Twee mensen solliciteren naar dezelfde betrekking en ze zijn daarin ook „biddend werkzaam”. Maar de „verhoring” van het gebed van de een moet de teleurstelling van de ander betekenen. In onze heiligste werk, het gebed, dringen we nog en duwen we elkaar weg van Gods troon. De harmonie is zoek. En de mens raakt in verwarring en tobt over het grote probleem van de „onverhoorde gebeden”, en… laat tenslotte het bidden maar na, omdat het „tóch niets helpt”, en men eindigt in een sprakeloos zuchten mét heel de schepping!

Echter: “Het blij vooruitzicht dat ons streelt”, mag nu al zijn: dat het raadsel van de tegenstrijdige en onverhoorde gebeden ons niet meer treiteren zal. Straks zullen alle gebeden schakels zijn, die elkaar grijpen en volmaakt in elkaar passen. Mijn zegen zal niet meer de vloek van de ander betekenen. De gebeden in de nieuwe wereld zullen samensmelten tot één melodieus geheel en samen zingen in één machtige harmonie, en zij zullen gevolgd worden door één onafzienbare reeks van verhoringen.

Nu al mogen wij het begin van de eeuwige blijdschap in ons hart ontvangen en ervaren; dat wil zeggen: de hemelse vreugde mag hier toch al door ons gekend en (ook aan anderen) vóórgeleefd worden, en daarom zullen wij nu toch al beginnen al ons bidden daarop af te stemmen. Bid we misschien egoïstisch? Durven we van de verhoring van ons gebed afzien, als we weten, dat een ander veel beter gebruiken kan, waar we zelf om wilden vragen?! Zijn we zelfs bereid om ook voor onze vijanden te bidden?

Door deze afstemming van onze gebed wordt het probleem van de „onverhoorde gebeden” ineens een minder groot probleem. Het ideaal van de harmonie van onze gebeden komt dan zomaar dichterbij. De hemel reikt de aarde de hand.

Als wij hebben leren inzien, hoeveel wanklanken er zelfs in onze gebeden kunnen zijn, zullen we niet alleen meer bidden: “vergeef ons onze schulden”,
maar ook: “vergeef ons onze gebeden“.

Bron: Tekst gebaseerd op “De harmonie der gebeden” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
(1) Wanneer we allemaal alleen maar het volmaakte gebed (het Onze Vader) willen/durven bidden, dan is er geen disharmonie meer in ons bidden. Zonder disharmonie bidden kan dus al wel op deze aarde!

Zie ook webpagina: De harmonie van de hemel…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

De harmonie van de hemel…

Ook weer op deze aarde?!

Op die dag zal het geschieden (gebeuren), spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren en die zal de aarde verhoren.
En de aarde zal dan het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.
(Hosea 2 : 20-21)

Het slot van het tweede hoofdstuk van Hosea is vol van geruchten van toekomstige heerlijkheid. De profeet tekent die heilstijd in de mooiste kleuren, en deze zijn zo gekozen, dat duidelijk is dat zij hier op onze huidige aarde nog nooit zo vervuld zijn en ook niet vervuld zullen worden.

Hij zal een verbond maken met de wilde dieren.

Dit verbond wil zeggen, dat de Here die wilde dieren “intoomt”, zodat ze geen leed of schade meer kunnen aanrichten.  Op de nieuwe aarde komen ook geen misoogsten meer voor. Geen wanklank verstoort nog het lied van de natuur. Dieren en mensen zullen elkaar geen leed aandoen of ombrengen. De mens, die nu in zijn vernielzucht onvergelijkbaar veel geraffineerder is dan de wilde dieren, omdat hij kan wat dieren niet kunnen, namelijk: haten (1), die zal niet meer gevonden worden op deze vernieuwde aarde:

„Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken,
en hen veilig doen wonen”
(vs 17b).
Vrede op aarde!

Van nog hoger waarde dan dat Gods volk veilig zal zijn, is evenwel de voorzegging, dat de bewoners van de nieuwe aarde heilig zullen zijn! Immers:

„Ik zal u Mij tot bruid werven”,

belooft de Here! En wat ligt er in deze belofte van „tot bruid werven” anders opgesloten dan reinheid? Als een heilige, als een onbevlekte bruid, zonder vlek of rimpel, zal zij in volle pracht en glorie in Gods woning geleid worden. De zonde van Israëls overspel zal behoren tot een vergeten verleden.

De nieuwe huwelijksverhouding is het, die de aarde tot hemel maakt.

De pas genoemde voorspoed en vrede maken de heerlijkheid van de nieuwe aarde (de hemel op aarde) niet uit. De paarlen poorten doen het niet, en evenmin de gouden straten. Maar de band met de Here. De liefdevolle omgang met Hem. Wat geeft de vrouw, die haar man liefheeft, om het goud en het zilver van haar man, als ze hem zelf niet heeft?

Wie door het ideaal van Paulus: „en zo zullen wij altijd met de Here zijn”,  niet gegrepen is, kan in het klimaat van de hemel op aarde niet wonen. Het allermooiste is, zegt Hosea, dat aan dit innig samenleven, deze ware gemeenschap, nooit meer een einde komt, en dat dit huwelijk nooit meer verbroken zal worden:

„Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig” (vs 18a).

Hij voegt er aan toe: „Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw” (vs 18b, 19a).

Dát zijn dus de eigenschappen van God, waaraan het Gods kinderen hun toekomstige heerlijkheid te danken hebben.

Bron: Tekst gebaseerd op “De harmonie der gebeden” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

24 Ik zal hun antwoorden nog voor ze mij roepen,
ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken.
25 Wolf en lam zullen samen weiden,
een leeuw en een rund eten beide stro
en een slang zal zich voeden met stof.
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg – zegt de HEER.
(Uit Jesaja 65)

(1) Haten: dat is God en de medemens en de dieren- en plantenwereld niet de hen van God gewezen plaats gunnen en/of geven in ons samenleven met Hem en met elkaar en met het leven in de ons omringende natuur.

Zie ook webpagina: De disharmonie van ónze gebeden…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Deze wereld – een vallei des doods?

Het dal Achor tot een deur der hoop. (Hosea 2 : 14m).

1 Kom tot jezelf en kom tot inkeer, schaamteloos volk, 2 voordat mijn besluit gestalte krijgt – een dag verwaait als kaf –, voordat de brandende toorn van de HEER zich tegen je keert, voordat de dag van de toorn van de HEER zich tegen je keert. 3 Zoek de HEER, allen in het land die nederig zijn en naar zijn wetten leven, zoek rechtvaardigheid, zoek nederigheid: misschien blijven jullie dan gespaard op de dag van de toorn van de HEER. (Uit Sefanja 2)

 Om en vanwege onze zonden verkeren wij allen in in een wereld die ook “vallei des doods” genoemd moet worden. Maar – zo leert Gods Woord ons zien en belijden – dit duistere dal is ook een deur geworden, tot een poort gemaakt: onze dood is geen betaling voor de zonde, maar een afsterven van de zonde, en een doorgang naar het eeuwige leven. Het dal Achor is geworden tot een deur van hoop.

Wat is dan de grond voor deze verwachting dat “het dal van de schaduwen van de dood” de poort tot het eeuwige leven voor ons ontsluiten zal? Dat is alleen de rots van ons behoud, dat is onze Heer en Heiland Jezus Christus alleen! Omdat Hij onze zonden op Zich genomen heeft, is Hij om onze overtredingen verwond. Als een misdadiger. Als een Achan. En Hij werd niet gestenigd, maar gekruisigd. De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Het dal, waarin Hij verbrijzeld werd, werd onze deur…. een doorgang naar het eeuwige leven.

Wanneer wij werkelijk vanuit die vaste hoop willen en kunnen leven, dan moet door Christus kracht aan het kruis ook onze oude mens met Hem gekruisigd worden en sterven. Alleen wie zó sterft vóór hij sterft, zal niet sterven als hij sterft… het dal Achor wordt voor hem of haar tot een deur.

Onze zonden moeten daarom niet alleen worden beleden, maar ook bestreden.
De ban daarvan moet uit ons leven worden weggedaan.

Die stille, verborgen Achanszonde — we weten wel welke dat is in ons leven — die mag bij ons niet blijven woekeren, want anders lijden we niet alleen in ons leven nederlagen, maar wordt ons sterven een volkomen nederlaag …
het dal Achor wordt dan voor ons de deur naar de hel.

Daarom – tot eeuwige redding van uw leven – doe de ban uit uw leven weg!

Luister aandachtig naar de woorden in uw Bijbel, Gods Woord, onze levende Heer Jezus Christus! Geef Hem uw liefde, uw aandacht, uw tijd, uw geld en goed, en uw ziel zal léven. 

17 Daar zal ik haar wijngaarden aan haar teruggeven, het Achordal maak ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag dat ze wegtrok uit Egypte.  (Uit Hosea 2)

Bron: Tekst gebaseerd op “Van dal tot deur” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

Zie ook: Van ongeluksdal tot deur van hoop…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Van ongeluksdal tot deur van hoop…

Doe de ban weg uit uw leven en (daarmee) uit de Kerk…

Het dal Achor tot een deur der hoop. (Hosea 2 : 14m).

Een Israëlitische vader, die zijn kinderen van het dal Achor ging vertellen, begon dan als vanzelf fluisterend te spreken. Want het betekent: ongeluksdal, jammerdal!
Zoals aan de Here alle eerstelingen moesten worden gewijd, zo was het ook met de eersteling van de steden in Kanaän. Alle rijkdom van Jericho zou als één groot brandoffer aan Hem worden gewijd. Maar één man, Achan, die vond het jammer om alle kostbaarheden in vlammen voor de Here te doen opgaan en daarom verborg hij heimelijk een aantal kostbaarheden in zijn tent.

Dit verhaal over een verborgen zonde, is daarom zo ernstig is, omdat blijkt dat Gods kinderen zelfs God durven bedriegen en bestelen (zie ook (1) het vergelijkbare verhaal over Ananias en Zafira in Hand 5). En deze zonde wordt steeds weer en ook nu (en misschien zelfs steeds meer?) gevonden onder de kinderen van Gods volk. Niemand die zegt geen tijd te hebben om ouderling of diaken te zijn of aan hulpverlening en evangelisatie te doen, en niemand die z’n contributies opzegt of aan nood van broeders en zusters voorbij leeft, komt met de politie in aanraking of voor de rechter… Achan bleef een dapper en geëerd soldaat in het leger van Israël, zolang zijn zonde maar verborgen bleef!

Intussen kon Gods volk niet overwinnend voorttrekken, zolang dit verborgen kwaad niet uit hun midden werd weggedaan .

Toen echter de oorzaak was aangewezen en het kwaad uit Gods volk was weggedaan, werd het dal Achor niet de donkere kuil, waarin heel Israël moest omkomen, maar God herschiep toen dit ongeluksdal tot een geopende deur, om Kanaän er door binnen te vallen. Er rust weer zegen op het leger van Israël. Gelouterd en gereinigd mogen ze nu overwinnend verder trekken en het land in bezit gaan nemen.

Laten we in onze tijd bij dit verhaal over dal Achor denken aan de toestand van onze kerken nu en in de toekomst. Hoelang zal het nog duren, voordat wij weer uit het dal overwinnend omhoog kunnen en mogen klimmen, om de deuren van onze kerken weer voor ieder wagenwijd open te zetten? Wanneer wordt in onze tijd het doodsdal Achor tot een deur van hoop… tot een geopende deur?

Stellig niet, zolang wij alleen maar klagen, dat onze kerken staan in de hoek waar de slagen vallen… Alleen wanneer we ons bekeren, en de ban uit ons midden wegdoen.
De ban van wereldgelijkvormigheid, van geesteloosheid, van egoïsme, en zoveel meer!

Totdat gij de ban wegdoet!

Bron: Tekst gebaseerd op “Van dal tot deur” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
(1) Jeruzalem was, net als het dal Achor, bij de gevangenneming, veroordeling en kruisiging van onze Heer en Heiland, veranderd in een “vallei des doods”, een ongeluksdal. Door het werk van de Heilige Geest in de harten van de leden van de eerste gemeente, werd Jeruzalem herschapen tot een deur van hoop, een poort naar de hele wereld. Anders dan na de val van Jericho, wilde de eerste gemeente – helemaal vrijwillig met ál haar gaven – als eersteling (van alle gemeenten) zich geheel wijden aan haar Drie-enige God en aan de verkondiging van het Evangelie. Bij deze bijzondere herschepping van de Geest kon echter, zoals bleek, ook nog de leugen een kans krijgen en gegeven worden om dit aanvangswerk te verstoren, De geschiedenis van Ananias en Safira  is vergelijkbaar met Achan’s zonde en de gevolgen daarvan.
Deze bijzondere wijding van de eerste gemeente in Jeruzalem is – net als “Jericho en  Achor” – een unieke gebeurtenis in de geschiedenis van Gods volk. De latere gemeenten hoefden niet op een zelfde manier als eersteling geheel gewijd te worden en zich op een zelfde manier zó te wijden aan God. Maar dat neemt niet weg, dat ook deze later ontstane gemeenten en hun leden zich steeds weer moesten en moeten afvragen wat het betekent om al hun eerstelingen (aan geestelijke gaven, geld en goed) te wijden aan God.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Lok ons naar de woestijn…

Daarom zie, ik zal haar lokken en haar leiden in de woestijn,
en spreken tot haar hart.
(Hosea 2 : 13)

Zij zullen in de benauwdheid tot de Here roepen.
„En Ik zal spreken tot haar hart.”

De woestijn is dus nog zo’n verkeerde plaats niet. Ze is ons van meer voordeel dan een feestzaal en dan volle schuren, waarbij iemand zegt: mijn ziel, neem rust, eet, drink en wees vrolijk.
Of die woestijn nu is het eenzame en soms jarenlange ziekbed, waar de mensen u vergeten schijnen; of het verdriet en de rouw van een “beroofde” weduwe of de weduwnaar, door God in de eenzaamheid gezet; of de ontbering van het leven, als door werkloosheid of tegenslagen alles zo triest en troosteloos om u heen wordt als in een woestijn — er zijn vele woestijnen en vele eenzame woestijnkinderen in deze wereld…

…in elk geval, die woestijn is zo verkeerd nog niet, goed bezien.

Wij kunnen dat nog maar zo niet inzien, dat een woestijn moet meewerken aan ons herstel, ons heil, ons eeuwig behoud. Er is ook niet veel aanlokkelijks aan. Hitte, dorst, droogte, zand! Melk en honing lijken ons veel beter toe!

En toch is alle eeuwen door de woestijn Gods grote smidse geweest, waar Hij de instrumenten bereid heeft voor Zijn dienst!

Vóór zijn verblijf bij de schapen in de woestijn, denkt Mozes dat hij van alles kan. In de woestijn leert hij dat hij niets kan, en dat God het alléén kan.
In de woestijn wint Jezus Zijn eerste, zware strijd en daarna begon Jezus Zijn verkondiging.
In zijn blinde eenzaamheid te Damascus wordt Paulus Gods „uitverkoren werktuig”.
In de woestijn van de ballingschap zal Israël zijn God weer terugvinden.
Wie hebben God al niet gevonden in de woestijn van hun leven, en hebben bovendien ervaren dat het er toch feestelijk kan zijn — het is dan beslist geen makkelijke, maar toch een onbezorgde weg, waar God elke dag een dagmaat van Manna (ons dagelijks Brood!) geeft, en water doet vloeien uit de Rots.

Maar behalve heerlijk is de woestijn ook eerlijk. En daarom voor velen misschien toch minder begeerlijk.

Wie van Jeruzalem naar Jericho gaat, moet door de woestijn van Juda. In die woestijn is natuurlijk geen publiek; geen mensen keken er naar je; daarom behoefden een priester of een leviet zich niet te schamen dat ze een halfdode man lieten liggen. In Jeruzalem hadden ze natuurlijk de filantroop willen of moeten spelen. Ja, eenzaamheid is eerlijk! Die maakt duidelijk, wat en wie we innerlijk zijn.
Verklaard dat misschien waarom bijna iedereen de eenzaamheid vermijdt en liefst alle gelegenheid om met zichzelf en met God alleen te zijn ontloopt, en daarmee het gesprek onder vier ogen ontwijkt, en zich liefst hals over kop werpt in het rumoer van alle dag?

Als dát waar is, dan lokke God ook vandaag nog velen in de woestijn!

2 Het is beter te gaan naar een huis van rouw dan te gaan naar een huis van feestgelag; want dat is het einde van ieder mens en de levende neme het ter harte. 3 Verdriet is beter dan lachen, want bij een treurig gelaat is het met het hart goed gesteld. 4 Het hart der wijzen is in het huis van rouw, maar het hart der dwazen in het huis van vreugde. 5 Het is beter te horen naar de berisping der wijzen dan dat men hoort naar het lied der dwazen. (Uit Prediker 7)

Bron: Tekst gebaseerd op “Lokken in de woestijn” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Klaag uw Moeder aan…

Klaag uw moeder aan, klaag haar aan, want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar ontucht van haar gezicht verwijderen en haar overspel van haar boezem… (Hosea 2 : 1a)

“Klaag uw moeder aan“, de profeet Hosea gebruikt ook hier weer beeldspraak. Die moeder, over wie hij het heeft, en van wie hij zegt dat zij de vrouw van de Here niet meer is, is hier natuurlijk Israël. Men zou kunnen zeggen: de kerk van het Oude Testament. En de kinderen, die moeder moeten aanklagen, zijn dus de leden van de kerk. Zo komen we dus op het kerkelijk huisgezin.

Het gevaar was niet denkbeeldig, dat de kinderen van dit huisgezin Gód zouden gaan aanklagen. Hun Vader dus. En dáár, zegt Hosea, daar is niet de minste reden voor. Als het misloopt met en in de kerk, dan ligt de schuld niet bij hun Vader in de hemel, maar veel dichter bij huis, in eigen huis, bij hun moeder op aarde!

Als het op de een of andere manier verkeerd loopt in ons leven, als de weg naar beneden loopt, als dorens en distels ons verwonden, en de ene ramp na de andere ons treft, dan vermoeien we Gods oren met onze „waarom’s”, en we botsen voortdurend tegen de Heilige aan. We kunnen niet begrijpen hoe dit allemaal met Gods liefde te rijmen is. We hebben kritiek op onze Vader. Daarom komt Hosea dit corrigeren. Hij spoort aan tot zelfkritiek. Klaagt niet uw Vader, maar uw moeder aan!

Maar wij horen toch in onze tijd de kinderen volop hun moeder aanklagen. De kritiek van de leden, op de kerk, is niet van de lucht. De een verwijt de kerk dit, en de andere dat. De een vindt moeder te ouderwets en een tweede dat zij veel te modieus of modern is. Men zou denken: Hosea is op dit stuk niet actueel meer. Ook zónder een profetische oproep tot klacht komt de kritiek vandaag van zelf wel. Israël was in Hosea’s tijd misschien nog onmondig, wij zijn mondige mensen geworden en weten ons mondje te roeren.

Toch, ondanks of juist vanwege die mondigheid kan een verkeerde geest zich gaan vastzetten in de kerk, waarbij iedereen zich langzamerhand gaat neerleggen. Het kan van alles wezen. „Mijn naam is Legioen, want wij zijn talrijk.” Het gevaar is dan groot, dat zo’n geest aan alle kanten om zich heen grijpt. Men past er zich bij aan of legt er zich bij neer. En met het oog daarop schudt nu de profeet de enkelingen wakker, en bezweert hen hun aller moeder niet te sparen, en niet op te houden haar te bestraffen, te vermanen.

Waarover moeten we dan twistgesprekken voeren in de kerk? Hosea komt het ons duidelijk zeggen. Het is dit: „zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet”.
Dat de huwelijksband met de Here gebroken is, dát moet het verwijt zijn van Gods kinderen. Dat de verborgen omgang met God veel te weinig beoefend wordt. Dat er een worm knaagt aan de wortel van haar leven, aan de levende omgang met haar Heer Jezus Christus! Dat dát de grote ontrouw is, die steeds weer in de kerk gevonden wordt, en dat zij zich tot deze gemeenschapsoefening met haar Hoofd en Heiland weer moet bekeren.
Dat is de hoofdzaak. Daarover moet het gesprek lopen. Op dát punt hebben we elkaar vriendelijk te vermanen en te bestraffen.

Daarvoor moeten we zelfs met “heilig twistvuur” willen en durven strijden.

Gods verborgen omgang vinden
zielen waar zijn vrees in woont;
’t heilgeheim wordt aan zijn vrinden
naar zijn vreeverbond getoond.
d’ Ogen houdt mijn stil gemoed
opwaarts, om op God te letten:
Hij, die trouw is, zal mijn voet
voeren uit der bozen netten.

Psalm 25 vers 7 (Nieuwe Berijming)

Bron: Tekst gebaseerd op “Heilige opstandigheid” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De Liefde Die overwint…

Eens echter zullen de kinderen van Israël talrijk wezen als het zand van de zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt Mijn volk niet — zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. (Hosea 1 :10)

Dit klopt niet! Even hiervoor heeft Hosea moeten zeggen: Lo-Ammi! Jullie zijn Mijn volk niet en Ik zal de Uwe niet zijn! Het zal dus uit zijn tussen God en Israël, radicaal uit! Zó heeft de liefde van God, die niet meer beantwoord werd, toornend gesproken. Kort en goed! En nú dit wonderlijke, verrassende, paradoxale „Eens echter”. Toch dus zullen de kinderen van Israël zijn als het zand van de zee, dat niet te meten of te tellen is. Toch zal tot Lo-Ammi gezegd worden: Gij zijt kinderen van de levende God!  Nog eens: dit klopt niet!

Er zál wel hier en daar wel een toehoorder van Hosea geweest zijn, die eerst huiverde bij die ontzettende aankondiging: Jullie zijn Mijn volk niet meer, maar die bij deze ongedachte wending van de preek, ingezet met de woorden „Eens echter”, bij zichzelf gedacht heeft: o, gelukkig, zie je wel, het valt toch altijd weer mee! De Here is toch onvoorwaardelijk goed, dus zal Hij het wel weer vergeven! Gods beloften willen ze graag annexeren, maar met Gods bedreigingen valt de hand te lichten, dan komt het zo nauw niet, menen ze!

Voor een goede uitleg van dit Bijbelgedeelte moeten we echter “heel de Schrift” doorgaan en “Schrift met Schrift” vergelijken, en dan horen we Paulus later — en wie kan nu beter exegeet van Hosea zijn? — deze belofte rechtstreeks toepassen op de heidenen. Dus niet op Israël. Van de heidenen verklaart hij : „Zoals Hij ook in Hosea zegt: „Ik zal niet-Mijn-volk noemen Mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde” (Romeinen 9 : 25). En Petrus denkt er precies zo over, als hij van degenen die uit de duisternis geroepen zijn, verklaart: „U, eens niet Zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in Zijn ontferming aangenomen” (1 Petrus 2 : 10). Bij deze uitleg en toepassing is er dus géén tegenspraak meer. (1)

Het is dus of Hosea zegt tot de hoorders uit zijn tijd: God zal er voor zorgen, dat Hij altijd kinderen heeft, zelfs in groot aantal, maar jullie zullen er niet bij horen, afkerige kinderen! Het feest gaat wel door, maar de feestgangers zullen worden verwisseld, want degenen die uitgenodigd waren, zijn het niet waard. Alhoewel jullie “en bloc” weigeren om te komen…. toch zullen de bruiloftskinderen talrijk zijn als het zand van de zee… God zal ze te voorschijn halen uit het Oosten en het Westen, uit alle stammen en talen en volken! Nochtans!

(…) 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” 22 Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” 23 zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn. 24 Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.” (Uit Lucas 14).

Wie in de Liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. (Uit 1 Joh. 4)

Gods Liefde (Christus!) overwint!

(1) Het is echter volkomen waar, dat Israël niet geheel ondergegaan is, zoals b.v. ook uit Anna, die uit de stam van Aser was, blijkt. Dit was dus de heilige rest, het „overblijfsel”. We moeten dan ook niet zeggen, dat het heidendom in de plaats van Israël gekomen is, maar dat het de „heilige rest” van Israël aanvult.
Bron: Tekst gebaseerd op “De Liefde die overwint” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Van overspel en genotzucht…

…die gevonden wordt bij Gods volk, bij ons, Zijn kinderen…

De HEER zei tegen hem: ‘Trouw een overspelige vrouw en verwek kinderen bij haar, want het land maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren.’ (Hosea 1 : 2)
Bij al hun drinkgelagen klinkt muziek van lier en tamboerijn, van trommel en fluit. Maar voor de daden van de HEER hebben zij geen oog, wat Hij tot stand brengt zien ze niet.
(Jesaja 5 : 12)
Zij verwierpen het onderwijs van de HEER van de hemelse machten, en verachtten de woorden van de Heilige van Israël. (Jesaja 5 : 24b)

Hoe pijnlijk wordt wordt de situatie voor Hosea, als straks zijn vrouw Gomer, van hem wegloopt en al het intieme van hun (verbroken) huwelijk ook nog op straat gebracht wordt. In onuitputtelijke liefde gaat Hosea haar na, want op Gods bevel moest hij haar niet alleen trouwen, maar moest hij haar ook liefhebben. Dit maakt de tragedie nog groter. Kon Hosea zijn vrouw maar laten gaan! Maar dat kán en mag hij juist niet. Hij moet haar liefhebben en hééft haar lief, met heel de overgegeven liefde van zijn tere ziel. Hij moet ondanks alles zo hartstochtelijk veel houden van zijn ontrouwe, weggelopen vrouw!

Hebben wij in dit Bijbelboek nu vooral te letten op de pijn en het huwelijksverdriet van de profeet Hosea?  Nee, dit profetenboek moet onze ogen openen voor Gods pijn en verdriet. Voor God, Die moet aanzien hoe Zijn volk (de bruid die Hij Zich ondertrouwde) Hem ontrouw wordt, van Hem wegloopt, en de afgoden naloopt: het land „maakt zich schuldig aan overspel door zich van de HEER af te keren”. Dit is de tragedie, de droef stemmende worsteling van Gods liefde voor Zijn volk, die ons in de tragedie van het huwelijk van Hosea en Gomer ons voor ogen wordt gesteld.

Zo wordt bij Hosea zijn profetie met z’n leven één. Geen zielloze spreekbuis zal hij nu zijn, maar een levend en bezield getuige. Niet alleen zijn mond spreekt, maar ook zijn verslagen hart. Dat is één belangrijke les voor allen die spreken vóór God en sprekers ván God moeten zijn. En de tweede les is, dat de Неге Zijn knechten helemaal in Zijn dienst neemt. Niet alleen op hun sprekende mond legt God de Неге beslag, maar op heel hun persoonlijkheid, tot in hun huwelijk en intiemste gevoelens toe.

In dit dienstbaar maken van heel zijn hebben en houden aan Gods wil in en met Zijn volk en deze wereld is Hosea type van zijn grote Naamgenoot Jezus: in de boekrol  – o.a. in de persoon van de profeet Hosea – is van Mij geschreven: Zie, Ik kom om Uw wil te doen. (Psalm 40) En daarin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten (in het Bijbelboek Hosea, in persoon en leven van deze profeet), opdat wij in Zijn voetstappen wandelen zouden, want de Here vraagt geen mensen die “iets”, maar die zichzelf over hebben voor en zich geven aan Zijn dienst.

12 Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. 13 ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. 14 Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. 15 Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16 Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. 17 Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. (Uit Johannes 13)

Bron: Tekst gebaseerd op “De Liefde die klaagt” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

(Be)zoekt u een ideale kerk/gemeente?

Onkruid en tarwe

Twee citaten die elkaar aanvullen:

“Er zal wel niemand zijn die niet zou willen dat de wereldlijke regering in rust, en het volk gehoorzaam en deugdzaam zou zijn. Zo zou het ook te wensen zijn dat de kerk één was, dat er geen ergernissen in leer en leven waren, dat de overheden zich aan het Woord van God hielden en het Woord niet zouden haten en vervolgen. Zo’n kerk en regering zouden mogelijk door een heel bekwame schilder op een wand afgebeeld kunnen worden, maar in deze wereld is zij nergens te vinden. Daarom moeten we ervan overtuigd zijn, en er ons op voorbereiden, dat deze volmaakte kerk en deze goede en rustige wereldlijke regering, zoals wij die allen willen, nergens in deze wereld bestaat. U zult nergens op aarde een kerk vinden waarin geen zonden, ergernissen, onenigheid, veel gebreken en zwakheden zijn.”

Maarten Luther: In XV Psalmos graduum, 1532/33 (1540), vgl. WA 40.3, 422, 29 – 423, 30

‘Toen zeiden de knechten tot hem: Wilt u dan dat wij heengaan en het [onkruid] uittrekken? Maar hij zei: Nee, opdat u niet gelijk met het onkruid ook de tarwe uittrekt’ (Mattheüs 13:28 vv, weergave DB 1545).

“Waarom zegt Christus hier dat het onkruid niet mag worden uitgetrokken?
In de eerste plaats: omdat sommige goeden onder hen mogelijk nog tot boete en bekering moeten komen. Daarom mogen zij met de anderen niet veroordeeld en verworpen worden. Dit zou gebeuren als aan hen de kerkelijke gemeenschap met de tarwe [= gelovigen] ontzegd zou worden. Maar dat mag niet! De toegang tot de genadetroon moet voor de boetvaardigen altijd open blijven. Met het woordje ‘uittrekken’ is dan zoveel gezegd: buiten de kerk en haar gemeenschap sluiten.

In de tweede plaats: als we geen onkruid kunnen verdragen, dan kan er ook geen kerk zijn. Want omdat er altijd onkruid in de kerk is, betekent ‘het onkruid uittrekken’ eigenlijk dat je de hele kerk wilt uitroeien. Deze uitleg ligt het meest voor de hand, omdat het inderdaad zo is dat er geen kerk op aarde zonder kwaden kan bestaan (vgl. 1 Korinthe 11:19).

De dwepers die geen onkruid bij zich willen hebben, bereiken hiermee alleen dat er ook geen tarwe bij hen is. Dat wil zeggen: zij die enkel tarwe en een zuivere kerk willen zijn, veroorzaken met hun al te grote heiligheid dat ze helemaal geen kerk, maar slechts een sekte van de duivel zijn. Want deze hoogmoedige mensen, die van ingebeelde heiligheid opgeblazen zijn, zijn allesbehalve een kerk.

Want de ware kerk belijdt dat zij een zondares is, die de ketters, zondaren en goddelozen verdraagt – dat is het onkruid dat met de tarwe vermengd is. Omdat ze dit echter niet willen, scheiden ze zich af, en trekken hiermee zowel de tarwe als het onkruid uit – zodoende zijn ze helemaal geen kerk.”

Maarten Luther: Annotationes in aliquot capita Matthaei, 1538, vgl. WA 38, 560, 30 – 561, 7; W(2) 7, 201 vv

Bron:  www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

(Op)vissers van mensen worden…

4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water. 8 De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie zojuist gevangen hebben.’ 11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. (Uit Johannes 21)

Is het niet opvallend, dat bij deze ontmoeting in feite alles om het Woord van onze Heer draait?! Want juist nu de discipelen lijken vergeten te zijn, dat Jezus wil dat ze vissers van mensen zullen worden/zijn (Matteüs 4 : 19), komt hij hun (misplaatste) hervatting van hun “oude beroep” (hier nu definitief) doorbreken met Zijn Woord.
Opnieuw (net als bijvoorbeeld bij Zijn ontmoeting met de Emmaüsgangers) wil Hij zich niet laten (her)kennen en erkennen door Zijn uiterlijke verschijning, maar in en door Zijn Woord en hier m.n. ook door de klaarblijkelijke Macht daarvan. Ook blijkt Jezus hier degene die voor alles zorg draagt en die Zijn discipelen (opnieuw) de maaltijd bereid en hen daarbij het brood aanreikt.

Goed en mooi ook om hierbij “te zien” dat Petrus de spontaniteit naar en “actie-bereidheid” voor Zijn Heer niet is kwijtgeraakt bij en na de gevangenneming en later de verloochening van Zijn Heer… en toch is hij door dat gebeuren zeker veranderd, zoals even later ook zal blijken… (Zie Johannes 21 : 15-19).

De discipelen worden hier door het Woord van de Here Jezus weer bij hun taak bepaald en tot de uitvoering daarvan geroepen. Er blijkt dus niets van een eigen (zelf verzonnen) initiatief van de discipelen/apostelen om na de dood (en betwiste/betwijfelde opstanding) van hun Heer een (in hun hart oid) opgestane Jezus te gaan verkondigen…
Wanneer Jezus hen niet “tot de orde” geroepen had, waren ze blijkbaar van plan geweest hun oude vissersberoep weer op te pakken, maar ze moeten vissers van mensen zijn/worden! Hun gewone visserij (inzet van eigen kennis en eigen inspanning) blijft vruchteloos, tot Jezus woord hen roept en vraagt om – op Zijn Woord – wat voor Hem te doen en daarbij zijn raad te volgen!! Dan is er zomaar een overvloedige vangst, en toch blijkt even later ook dat Jezus daar eigenlijk niets van nodig heeft en Hij reikt hen brood en vis waarin Hij zelf voorzien heeft. Toch mogen ze hun vangst bij Jezus brengen en ook daarvan eten.

Eigen inzichten, en dat geldt net zo goed voor de moderne vangstmethoden van de huidige mensenvisserij (wetenschap van marketing en reclame), voldoen niet, wanneer we we ons door Jezus Christus willen laten inzetten bij de mensenvisserij waartoe Hij ook ons (op)roept. Wat wel steeds nodig is, dat is dat we heel goed (leren) luisteren naar Zijn Woord en dat Woord verkondigen aan de wereld (hier vooral met daden “naar het Woord”) en m.n. in de samenkomsten van de gemeente(n) van onze Heer Jezus Christus, zowel vanaf podium of preekstoel, als ook in de samenzang ( zie 1 Korintiërs 14 : 23-25, Kolossenzen 3 : 16-17)! En ook uit de manieren en woorden van ons bidden moet altijd en overal blijken dat we (eerst) goed naar het Woord geluisterd hebben.

De eerbiedige omgang met Gods Woord, onze Bijbel, dat is ook altijd eerbiedige omgang met het Levende Woord, dat is Christus zelf, want in Woordlezing, Woordverkondiging en Woordsamenzang en ons eerbiedig gebed, betoont Hij zich aan ons de Levende en hebben wij in en door Hem een werkelijk verkeren bij en omgaan met onze Drie-enige God.

Zo zullen we dus op Zijn Woord de netten uitgooien…
en vangst mogen verwachten…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie