Het vloekgebed van Elia over Gods volk en…

…over zichzelf

17 Elia was een mens als wij, en nadat hij vurig had gebeden dat het niet zou regenen, is er drie-en-een-half jaar lang geen regen gevallen op het land. (Uit Jakobus 5)

 1 De Tisbiet Elia uit Gilead zei tegen Achab: ‘Zo waar de HEER leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta, de eerstkomende jaren zal er geen dauw of regen komen tenzij ik het zeg.’
(…)
Achab ging Elia tegemoet, 17 en zodra hij hem in het oog kreeg riep hij uit: ‘Bent u het, Elia? U, die Israël in het ongeluk hebt gestort?’
(…)
2 Toen liet Izebel Elia de volgende boodschap overbrengen: ‘De goden mogen met mij doen wat ze willen als u morgen om deze tijd niet hetzelfde lot ondergaat als zij.’ 3 Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. (Uit 1 Koningen 17 en 18)

Bij Audio-fragmenten behorende Bijbelgedeelten: 1 Koningen 16:29-17:6, Openbaring 11:1-14, 1 Koningen 17:1
Fragment uit dienst met preek over gebed van Elia (preek van ds. J.C. Schaeffer, Nunspeet):

Slotgebed behorende bij dienst en preek over gebed van Elia:

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Vloekgebed bidden over Gods volk en…

…over jezelf?

Geef hun, Неrе, wat Gij maar wilt: geef hun een kinderloze schoot en verdroogde borsten. (Hosea 9 :14).

De grote vraag van ons leven is of we dit gebed van Hosea willen gaan meebidden, en met dit gebed om de vloek kunnen instemmen. Dat wil zeggen: of onze liefde tot God in ons leven groot genoeg geworden is, dat we bidden kunnen om de ondergang en de vervloeking van wat ons lief geworden is. Dan gaan we bidden tegen onszelf in.

Dan komen we zeker ook tot dit verschrikkelijk gebed: het gebed om de ondergang van onszelf: dat mijn oude mens gedood en begraven wordt en hier geen leven meer heeft. Dat mijn oude mens gekruisigd wordt — terwijl we beseffen dat de dood aan het kruis van God vervloekt is. Het is bidden om de vloek over onze van nature zelfzuchtige manier leven!

Wie erkennen wil, hoe lief hij zichzelf nog heeft, die kan dit gebed niet zomaar vlot en strelend gaan bidden. Zo’n gebed wordt een heftige worsteling, waarin de liefde tot onszelf en de liefde tot God een geweldige strijd voeren. Wie kan en wil dit werkelijk bidden en wie wringt deze woorden er uit: Geef mij, Here, geef mijn boze natuur een onvruchtbare schoot? Wie roept er met Paulus mee: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?

Het is alleen de verschrikkelijke vloek, die over onze Here Jezus Christus gekomen is, die ons de verschrikkelijke vloek van Hosea’s gebed kan leren begrijpen. En het is alleen door Zijn kracht, dat ik bidden ga om deze vloekdood over mijzelf. Dat wij te weinig „leven”, vindt z’n oorzaak in het feit, dat we te weinig „sterven” willen. Dat we niet tot bloedens toe strijd voeren tegen de zonde in ons leven, komt omdat we liever met strelende woorden, dan stotterend en haperend bidden. Wie deze paradoxen vatten (1) kan, die vatte ze, en leert met Hosea dit verschrikkelijk gebed te bidden.

(1) paradox = schijnbare tegenstrijdigheid; vatten = begrijpen en toepassen

Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven? 3 Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? 4 We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden.
(…)
12 Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten. 13 Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar stel uzelf in dienst van God. Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgewekt en stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. 14 De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade. (Uit Romeinen 6)

Bron: Tekst gebaseerd op “Een verschrikkelijk gebed” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

Lees verder bijvoorbeeld ook over gebed van Elia: 1 Koningen 17 en Jakobus 5 : 16-20

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Abraham, de vader van alle onbesneden mensen…

…die geloven!

11 De besnijdenis ontving Abraham later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen.  (Uit Romeinen 4)

Uit de lofzang van Maria (Lukas 1)

55 Hij herinnert zich zijn barmhartigheid
jegens Abraham en zijn nageslacht,
tot in eeuwigheid.’

13 Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt. (Uit Romeinen 4)

 27 Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft. 28 Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven. 29 Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, 30 want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen. (Uit Romeinen 3)

14 Maar hoe kunnen ze hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt? 15 En hoe kan iemand verkondigen als hij niet is uitgezonden? Het is zoals geschreven staat: ‘Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.’ (Uit Romeinen 10)

5 Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, 6 uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, 7 uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen. 8 Als u deze eigenschappen in overvloed bezit, is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar. 9 Wie ze niet bezit is kortzichtig, ja blind, en vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is. 10 Span u daarom des te meer in om uw roeping en uitverkiezing waar te maken, broeders en zusters. Als u dit alles doet, komt u nooit ten val 11 en zal u onbelemmerd toegang worden verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus. (Uit 2 Petrus 1)

Bron: De Nieuwe Bijbelvertaling – Nederlands Bijbelgenootschap

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wraakpsalmen en onze solidariteit…

Preek van Dietrich Bonhoeffer over Psalm 58 (gehouden in 1937!)

Kern van de preek: (…) dan het andere: wie God aanroept op de vijand te wreken, die ziet daarmee af van zijn eigen wraak. Wie zichzelf wil wreken weet niet met wie hij van doen heeft, die wil zijn zaak nog zelf in handen nemen. Wie echter de wraak alleen aan God overlaat, die is bereid zelf te lijden en te dulden, zonder wraak, zonder ook maar te dénken aan eigen wraak, zonder haat en zonder tegenspraak; die is zachtmoedig, vredelievend, die heeft zijn vijanden lief. Voor hem is Gods zaak belangrijker geworden dan zijn eigen lijden. Hij weet: God zal overwinnen. ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here’ (Romeinen 12:19).

Wie de levensloop van Dietrich Bonhoeffer kent en de ontwikkelingen in Hitler-Duitsland voor en tijdens WO II , die begrijpt welke strijd deze man heeft moeten voeren om zich aan deze belijdenis in bovenstaande woorden te houden. Dat is hem een tijd lang ook niet goed af gegaan. Toch zal hij deze goede belijdenis later in de gevangenis weer helemaal “de zijne” maken en dat verwoorden in zijn meditaties en o.a. ook in zijn na WO II zo bekend geworden gedicht “Van goede machten” (Liedboek, gezang 398)

Lees de preek over wraakpsalm 58 in zijn  geheel:
– Preek van Bonhoeffer (1937) over (wraak)Psalm 58
Zie verder bijvoorbeeld ook:
– Distantiëren of (eerst) identificeren?

Dietrich Bonhoeffer geciteerd – sprekend over vreemdelingschap (bron: zie hieronder):

Liever Gods rechten dan de mensenrechten vernemen, erkennen en zien. Liever Gods geboden dan de aanspraken van de mensen; daarvoor moet de ziel alles opofferen. Als dit verlangen naar God over ons komt, dan lijdt de ziel, dan ligt ze op de grond, dan verdwijnen alle mooie beelden. Wie als pelgrim naar het land van belofte gaat, vraagt niet naar stof en zweet en wonden die hem bedekken, nee, hij vraagt alleen naar het doel.

Bron: Mijn ziel keert zich stil tot God – Meditaties bij de Psalmen

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

U doorgrondt en kent mij: troost of schrik?

Ik ken Efraïm… (…) maar de Here kennen zij niet. (naar Hosea 5 : За, 4b)

Ze zullen in het Israël van Hosea’s tijd wel gedacht hebben: “het zal wel loslopen”. Ze waren zó gewend geraakt elkaar te bedriegen, dat ze meenden dat het ook maar een kleinigheid was om de Here te misleiden. Je kon zoveel maskeren met allerlei toneelspel, ook op godsdienstig gebied, dat het hun vrijwel onmogelijk scheen, dat hun bedrog nog iemand zou opvallen of ergeren. Dáárom verklaart de Неге bij voorbaat, dat ze die illusies moeten laten varen. Ze kunnen de Alwetende niet misleiden, en daarom is het een waanidee van hen, dat ze hun straf daarvoor zullen ontlopen… “Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen”.

Het is bepaald niet overbodig, dat ook wij christenen van vandaag horen en beseffen, dat de Here ons door en door kent. Hij is bekend met al onze motieven en bedoelingen. Wij mensen kunnen elkaar vaak makkelijk genoeg iets wijsmaken, maar we kunnen God niets wijsmaken. Die in de hemel zit zal lachen. Dat geldt voor het bedrieglijke handelen van politieke leiders, maar ook voor kerkelijk en allerlei ander komediespel. God kijkt overal achter de coulissen. Zijn oog boort tot het diepst van het hart. Wanneer we de waarheid daarvan op ons laten inwerken: de Here kent mij! Hij vormt ieders hart en dus ook mijn hart (Psalm 33:14-15). Dan moet die waarheid ons toch overweldigen!

Maar, wat weten wij mensen nu werkelijk van de mensen die ons omringen af. We doen er eerlijk gezegd toch ook vrijwel geen moeite voor om het te weten te komen; onze tijd is te gehaast en te oppervlakkig om nog werkelijk van hart tot hart te spreken met elkaar. Duizenden wandelen als vreemdelingen en eenlingen niet alleen midden door deze drukke wereld, maar ook te midden van hun eigen gezin, familie en hun broeders en zusters. Veel ouders weten niets van hun kinderen af, en de kinderen omgekeerd niets van hun ouders. Ja, zelfs man en vrouw zijn voor elkaar een gesloten boek. En, wat weten we van onszelf? De moderne mens, ook de moderne christen-mens, ontloopt het om met zichzelf alleen te zijn, om dan echt stil te worden en om dan echt te kunnen luisteren naar Gods Woord en om zo in alle rust te verschijnen voor Gods aangezicht ook met eerbiedig gebed. Alle zelfkennis en alle (mede)mensenkennis begint met het eerbiedig luisteren naar en buigen voor Gods Woord…

Kennen wij de Here in al onze wegen? (Spreuken 3 : 6) Blijkt uit heel ons doen én laten, dat we ons er diep bewust van zijn, dat de Here óns kent? Of zal de Here misschien (ook) van christen-generatie(s) van vandaag kunnen/moeten zeggen: „maar de Неге kennen zij niet”? Kan dat zo maar ook voor ons persoonlijk gelden? Dat we best veel van de Here afweten, maar dat we de Here Zelf niet kennen! Dat kan een pijnlijk en moeilijk raadsel zijn in ons leven, dat z’n oplossing alleen zal vinden, wanneer we dagelijks vluchten naar onze gekruisigde én opgestane Heer en Heiland. Want wie zoekt (dagelijks “vlucht naar het Woord”) zal vinden! Die wordt gevonden!

Bron: Tekst gebaseerd op “De Alwetende en de God-geleerden” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

19 Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik.
Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt.
20 Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent,
zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
21 Wie overwint zal samen met mij op mijn troon zitten,
net zoals ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.
22 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.
(Uit Openbaringen 3)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

De pinksterpreek, ons christelijk geloof en het “totdat”…

Het citaat is gekozen uit een preek die Luther op Tweede Pinksterdag 1534 hield in de stadskerk van Wittenberg. De perikoop was Handelingen 2:14-36. De tijdens de dienst gemaakte aantekeningen zijn van de hand van Luthers secretaris Georg Rörer:

“Wanneer wij gestorven zijn, zal God anderen geven die na ons over de uitstorting van de Heilige Geest zullen preken. Want de Heere Christus, Die door de profeet Joël heeft laten profeteren dat Hij in de laatste dagen van Zijn Geest zal uitgieten, zit nog hierboven aan de rechterhand van God en vervult dagelijks deze profetie (Joël 2:28). Dat is: Hij giet nog steeds Zijn Heilige Geest uit, verlost uit noden, doopt, spreekt vrij, vergeeft de zonden, en schenkt de eeuwige zaligheid aan allen die in Hem geloven en Zijn Naam aanroepen.

Als Christus niet aan de rechterhand van God zou zitten en ook van Zijn Geest niet dagelijks zou uitgieten, dan zou het christelijk geloof niet blijven bestaan. Want het gaat tegen alle mensenverstand in, en de duivel is het vijandig gezind. Daarom, wanneer deze uitstorting van de Heilige Geest niet altijd zou doorgaan, dan zou de duivel niet één mens bij de pinksterpreek en bij het geloof in Christus laten blijven. Maar onze lieve God in de hemel heeft een eeuwige, Goddelijke Muur daarvoor gezet, Jezus Christus, Zijn Zoon en onze Heere, verhoogd aan Zijn rechterhand. Hij alleen laat ons de pinksterpreek en het christelijk geloof behouden, totdat ook wij ondankbaar worden en God de duivel toestaat om vanwege onze verkeerdheid en ondankbaarheid deze prediking van ons te nemen.

Toch moet de pinksterpreek en het christelijk geloof blijven tot aan de einde van de wereld. Ook als wij dit alles vanwege onze ondankbaarheid verliezen, dan moeten toch anderen het weer krijgen, zolang de wereld bestaat. Als de duivel de pinksterpreek uit een stad, dorp, gebied of land verdrijft: dan kan hij die toch niet uit de hele wereld verdrijven. Want Christus zit aan de rechterhand van God en regeert met Goddelijke macht, zodat Hij Zijn christenheid door de uitstorting van de Heilige Geest, door de prediking van het Evangelie, en door doop en avondmaal vergadert tot één geloof, hoop en liefde. Daarom is Hij ook naar de hemel gevaren en heeft Hij Zich gezet aan de rechterhand van God, opdat Hij die werken zou verrichten en volbrengen die alleen eigen zijn aan God.”

Maarten Luther: Predigt Luthers: öffentlich in der Pfarrkirche gehalten, am Pfingstmontage, 1534, gedruckt zu Jena, durch Christiaan Rödingers Erben. Anno 1559, vgl. W(2) 13, S. 2069 ff (Georg Rörers Nachschriften)

Bron: www.maartenluther.com

16 maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: 17 En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; 
(…) 21 En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden.
(…) 36 Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem én tot Here én tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
37 Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? 38 En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. 39 Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. 40 En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende: Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht.
(uit Handelingen 2)

 

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Pinksteren: van Zonneschijn én Regen…

Ja, wij willen de Here kennen, er naar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is Zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen. (Hosea 6 : 3a).

Deze passage uit Hosea is vol Paas- en Pinksterverwachting. Hosea kent geen Pasen zonder Pinksteren. Hij verbindt de Paasvorst met de Pinkstergeest; de Verwekker van het nieuwe leven met de Voltooier van dat leven; de Zaaier met de Maaier. Want het gaat tenslotte om de oogst. De Landman zoekt de vrucht. Daarom besteed Hij aan Zijn kinderen alle zorg…

“Zoals de volle dageraad zal Zijn opgang zijn…” we denken daarbij allereerst aan het volle heil, ons in Jezus Christus geschonken. In Hem en met Hem worden ons alle dingen geschonken, zodat nu Gods genadige goedheid voor ons verbaasde oog is als het ochtendgloren waarin tot ons stralen gaat de volle kracht van Zijn zon (Zijn Zoon!).

God doet Zijn zon opgaan over bozen (dat zijn wij mensen allemaal!); Zijn brood legt Hij in de mond van zijn vijanden, en met schatten vult Hij de handen die er op uit zijn het verkeerde te doen. Dát zonlicht willen we allemaal wel opvangen. Het is ons beslist niet onaangenaam, als de zon van Gods goedheid opgaat in en over ons leven, en we willen daar ook wel van zingen: “Gods vriendelijk aangezicht, verspreidt vrolijkheid en licht” ! Dat de zon schijnt – zeggen we toch – verveelt nooit.

Maar de Неге vraagt meer van ons. Hij wil niet, dat we het zonlicht alleen maar incasseren en bezingen. Paulus zegt in de Romeinen-brief, dat we goed moeten weten, dat de rijkdom van Gods goedertierenheid “tot bekering leidt” (Romeinen 2 : 4). God beschikt over veel middelen om een mens tot bekering te brengen. Eén van die middelen is: de stralende zon. Daarmee zoekt Hij ons te ontwapenen. En dit is de vrucht van de bekering die God zoekt, het nieuwe leven dat Hij verwacht: dat wij in voorspoed dankbare mensen zijn.

De dankbare mens is de bekeerde mens. De vernieuwde mens maakt er ernst mee, dat hij in Christus „een nieuwe schepping” is. Hij maakt – door Zijn kracht – van heel zijn leven een dankbaar lied: “Laat mijn mond Uw Woord bezingen“ (Psalm 119). Hij maakt van zijn leven een gebed en daarin klinkt als eerste: Uw Naam worde geheiligd!

Ook als een regen zal de Here tot ons komen, belijdt het nieuw geboren volk van God. Opwekkend zijn die regenstromen van de herfst niet, maar welke landman zal nu wensen dat de zon altijd maar schijnt. Zoiets is dwaasheid die je alleen vind bij de verwende cultuurmens. Is dit niet juist het soort regen dat tot de wortels doordringt? Wie dankt er dan niet voor de vlagen die razen over het veld in de sombere herfst, en wie jubelt er niet over de donkere wolkengevaarten die losbarsten boven zijn hoofd? Nu, dat doet bijna niemand.

Wij bedenken niet, dat alle dingen, óók sombere regenvlagen (die wellicht nog het meest!), moeten medewerken ten goede, en bevorderlijk zijn voor de grote oogst! Niet minder dan met de zon, bedoelt God met de regen onze bekering, dat is: dat we vruchtbaar zullen zijn. Als een van die vruchten noemt de Catechismus: dat wij in alle tegenspoed geduldig zijn.

Het christelijk geduld is vol bruisende activiteit. Het sleept z’n kruis niet, en draagt het ook niet alleen, maar draagt het zelfs vrolijk. Het jubelt: “wij verliezen de moed niet” (2 Korintiërs 4:16-5:10). Want God doet alles meewerken ten goede. Hij leert het wonderspreukige woord verstaan, dat men God kan danken in alle omstandigheden, en dat men ook steeds blij kan zijn: “Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden”. Uw goedheid straalt hen toe (de zon!), Uw kracht schraagt hen in ’t lijden (de regen!)” (Psalm 89 vers 7, OB).

Wie moet er nu niet tot de conclusie komen, dat er op het pad van de waarachtige bekering nog maar weinig vordering is gemaakt? Dat de vruchten van Gods zon en regen vaak zo karig en schraal zijn. Allerdroevigst zou het echter zijn, als er bij ons werkelijk geen vrucht te vinden is! Het einde van een onvruchtbaar leven is: in het vuur geworpen te worden. En toch – er zijn zo angstwekkend veel onvruchtbare levens. Wel stekels en distels. Maar geen vrucht.

De grote Landman komt om de vrucht — wat zal Hij vinden?

Bron: Tekst gebaseerd op “Van zonneschijn en regen” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De Heilige Geest – de thesaurier Gods

Opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof. (Galaten 3:14b)

Een wat onbekende functie is het: thesaurier. Op het ministerie van financiën is hij de hoogste ambtenaar onder de minister. Degene die de geldelijke belangen van onze koning behartigt, draagt eveneens deze titel. Ook de Heilige Geest is thesaurier. De voornaamste aller tijden. In dienst van de hoogste Koning aller tijden. Met het beheer van de grootste schat aller tijden: het volbrachte werk van Christus.

We verkrijgen de Heilige Geest, op Gods belofte als een geschenk. Gratis. Zo’n geschenk kan een mens nooit betalen. – Belofte: “opdat wij de belofte van de Geest ontvangen zouden.” Dat wil zeggen: de beloofde Geest. De Geest ontvangen is geen kwestie van belonen, maar van beloven. Het Oude Testament staat vol beloften over de Geest, over zijn komst, zijn werk. En Christus sprak met zijn discipelen dikwijls over Hem.

Uit dit alles blijkt dat de Geest een uniek thesaurier is. Want Hij is niet alleen schatbewaarder, Hij is zelf schat. Schat bij uitstek: kroonjuweel van Koning Jezus. Hij is anders dan alle andere schatbewaarders. Waar zijn die in principe op uit? Dat er zoveel mogelijk inkomsten zijn en zo weinig mogelijk uitgaven. Maar deze schat -zegt Luther- mag niet weggeborgen blijven, maar moet toegepast en genoten worden; daartoe laat God zijn Woord verkondigen en zo schenkt Hij de Heilige Geest om deze schat bij ons te brengen en ons in bezit te geven. Deze thesaurier deelt uit, mild en overvloedig. Hij opent de schatkamer van Christus’ volbrachte werk. Hij roept: “Kom, koop, zonder geld.” Hoe leger de schatkamer, hoe liever het Hem is. Maar wonderlijk: leeg raken zal dit schathuis nooit.

Welke schatten deelt de Geest uit? Te veel om op te noemen. Toch nodigt Hij ons uit er enkele ter hand te nemen. De schat van zelfkennis. Een kostbare schat. Want als ik mijzelf niet leer kennen, als ik niet besef dat er grote opruiming in mijn leven gehouden moet worden, zal de hemelse thesaurier nooit de rijkdom uit het hemelse schathuis aan mij kunnen kwijtraken. Daarom laat Hij ons ontdekken wie wij zijn, vooral in Gods ogen.
O wee, ik merk dat ik iemand ben op wie de vloek van God rust. Onomwonden noteert Paulus dat: “Vervloekt wie niet blijft in alles wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen.” Nee, dat accepteer je niet een-twee-drie. Maar de Heilige Geest leert ons het eens te worden met het radicale oordeel dat God over ons uitspreekt. Dat eens-worden is een schat die de Heilige Geest tegelijk uitdeelt met de gave van zelfkennis.

Er is nog een schat die de Geest kwijt wil: de kennis van Christus. Een kostbare schat! Terecht zingt de bruid in het Hooglied: “Alles aan Hem is bekoorlijk.”
Niet voor het blote oog. Want hoe tekent de apostel de Bruidegom? Opnieuw klinkt dat akelige woord vervloekt: “Vervloekt wie aan het hout hangt.” Dat geldt Christus: als gekruisigde was Hij een gehangene, en als gehangene een gevloekte. Hoor je dat? -vraagt de hemelse thesaurier- Christus een vervloekte! Dus precies hetzelfde als jij. Komt dat niet goed uit? Christus hing op Golgotha, niet als een willekeurige kruiseling, maar als een vervloekte voor de vervloekten. Want Paulus zegt niet alleen: ‘Vervloekt wie aan het hout hangt” – hij zegt beslissend meer: “Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden.” Het vervloekt klinkt met het oog op het verlost.

Bron: Deels overgenomen uit Ecclesia nr 10 – mei 2016 – Thesauriër (I) – H.J. Lam, Ridderkerk

Gebed – Uit Luthers gebedenboekje:

“Kom Heilige Geest, Trooster van alle bedroefden – Geest Die ons heiligt en levend maakt – goede Onderwijzer van de Goddelijke Waarheid. O, Blijdschap en Vreugde van allen die in Christus geloven, vervul de harten van al Uw gelovigen met hemelse troost. Ontsteek in ons het vuur van Uw liefde, opdat daardoor alle begeerte en eigenzinnigheid van ons vlees uitgebrand worden.
Doe ons – arme en ellendige mensen – delen in de rijke Gave en het Geschenk van Uw Goddelijke genade, waardoor wij Christus Jezus onze Heere en God, en Zijn verlossing door U – Heere God, Heilige Geest – kennen en in Christus een nieuw rechtvaardig leven aanvangen.
Dat wij daarin dagelijks toenemen en steeds tot aan het einde volharden, zodat we voor alle dwalingen – door de kennis van Christus – bewaard, in allerlei wijsheid en kennis opwassen en door U – om Christus’ wil – hoe langer hoe meer, tot loven en prijzen van God bekwaam gemaakt en toebereid worden. Omwille van U, Heere Jezus Christus. Amen.”

Maarten Luther: Betbüchlein, 1522, vgl. WA 10.2, 476, 13-26
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Wij mensen en onze bekering…

En zij zullen bevend komen tot de Неrе en tot zijn heil.
Hosea 3 : 5m.

Een van de trekken, waarmee in Hosea de toekomstige bekering van Israël beschreven wordt, is, dat zij bevend zullen komen tot de Here en tot Zijn heil. Dit is wonderlijk gezegd! We kunnen ons voorstellen, dat iemand beeft voor Gods grootheid, siddert voor Zijn heiligheid, huivert voor Zijn toorn; bij al dat soort eigenschappen van God is het te verwachten dat men ervan kan “sidderen”, en is en hoort het maar zo, dat een zondaar daarvoor beeft. Maar wie rilt er nu voor en vanwege Gods heil?

Dat doet een bekeerling, zegt hier de Bijbel.

Dit is zelfs één van de wezenlijke trekken van Gods kinderen (Gods volk), die vol eerbiedig verlangen naar werkelijke ontmoeting met Hem tot Hem terugkeren.
Zolang wij ons niet bekeren, kunnen wij best bang zijn voor de geweldige majesteit van God, en wij kunnen ineenkrimpen bij de gedachte aan de straffende hand van de Here Jahweh. Dat kan allemaal best. Wat heeft Kaïn gesidderd! En Saul! Maar voor het heil van de Here beven we dan niet. Daar durven we zelfs heel familiair mee om te gaan. Daar zingen en jubileren we bij, en we worden er geen moment bang voor. Precies zoals Israël in de tijd van Hosea. Dat misbruikte Gods heil en accepteerde Zijn goedheid als de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld. Dat was normaal en nogal logisch: “de Here is voor Israël goed!“

Zo gaan wij mensen om met Gods goedheid wanneer we ons niet werkelijk bekeren. 

We durven dan de goedheid van de Here best aan te pakken ondanks onze bevuilde vingers. Daar maken we helemaal geen probleem van. We durven dan óók best te spreken over de “zegen van de Here” en een dankzegging in de samenkomst van de gemeente te vragen, bijvoorbeeld bij een huwelijksjubileum, ook al hebben we die barmhartige goedheid van de Here eigenlijk nooit anders dan in eigen voordeel benut. En bij zo’n gelegenheid kunnen en willen we er ook best bijzonder en heel innig over spreken; alleen leren beven en daadwerkelijk beven voor al die goedheid, daar zijn we nog nooit aan toegekomen!

Beven voor en vanwege Gods goedheid kunnen en doen wij dan ook alleen bij en na daadwerkelijke bekering tot onze drie-enige God. En die wordt dan altijd gevolgd door onze dagelijkse bekering tot Hem!

Dán gaat er dagelijks een ontroering en siddering door ons lichaam (door hart én ziel) als we denken aan de genadige goedheid van onze God en Vader in Jezus Christus. Dan weten we niet hoe we voor Hem verschijnen kunnen dan door onze Heer Jezus Christus. We schamen ons de ogen uit het hoofd, dat de Here (weer) zó goed is geweest en steeds weer wil zijn voor ons (en dus ook al en nog voor ons mensen, wanneer wij ons nog niet daadwerkelijk bekeren wilden of willen). Als ons levensscheepje dan bijna zinkt (1) onder de vele verrassende zegeningen van God, dan staan we er niet trots en met “hoge borst” bij, maar dan roepen we het (als Petrus) uit: “Here, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!“.

Daarom heeft de gevoelige ziel van Hosea de bekering van Israël zo wondermooi en teer beschreven in deze trek : “en zij zullen bevend komen tot de Here en tot Zijn heil”.

Wanneer wij nooit voor het Heil van God gesidderd hebben,
dan weten we nog weinig van onze bekering af,
hoeveel wij misschien ook gebeefd hebben
en nog weer beven zullen voor onze God.

(1) 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga uit van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ (Uit Lucas 5)
Bron: Tekst gebaseerd op “Sidderen voor Gods heil” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp

Zie ook webpagina: Van ongeluksdal tot deur van hoop…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Hemelvaart – Jezus Christus niet eerder ons zo nabij…

(…) 9 en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte van Zijn macht, 20 die Hij heeft gewerkt in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, 21 boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. 22 En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, 23 die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt. (Uit Efeziërs 1)

(…) Wij moeten vandaag over het opvaren van de Heere Christus naar de hemel spreken. In de eerste plaats: het is gemakkelijk gezegd en begrepen dat de Heere naar de hemel is opgevaren en daar zit aan de rechterhand van God (1). Het zijn echter dode woorden die de mond en het verstand napraat, tenminste als zij niet met het hart verstaan en begrepen worden. Daarom moet men Christus’ opvaren naar de hemel en Zijn zitten aan de rechterhand van God als een werkzame en krachtige daad zien, die zonder ophouden doorgaat.

Men mag niet denken dat Hij opgevaren is en daarboven zit om ons hier beneden te laten regeren. Maar daarom is Hij opgevaren, omdat Hij daar het meeste kan doen en het beste kan regeren. Want als Hij voor de mensen zichtbaar op aarde was gebleven, dan zou Hij zoveel niet hebben kunnen doen. Dan zouden immers al de Zijnen niet dicht bij Hem geweest zijn en Hem ook niet allen hebben kunnen horen. Daarom doet Hij het op deze manier: dat Hij met hen allen te doen heeft en hen allen regeert, dat Hij tot allen preekt en zij Hem allen horen. Zo alleen kan Hij bij allen tegelijk zijn.

Pas er dus voor op dat u niet denkt dat Hij nu ver bij ons is weggegaan. U moet juist het omgekeerde denken: toen Hij op aarde was, was Hij ver bij ons vandaan, maar nu is Hij dicht bij ons. Hoe dat toegaat, kan het verstand niet begrijpen. Daarom is het een artikel van het geloof. Men moet hier de ogen sluiten en het verstand niet volgen. Dit artikel kan alleen door het geloof worden verstaan. Want hoe kan het verstand begrijpen dat in de hemel een Mens is als wij, Die ons en alle mensen ziet en alle harten kent en aan allen het geloof en de Heilige Geest geeft. Bovendien dat Hij daarboven in de hemel zit en toch bij ons en in ons is en ons regeert?

(1) En nadat de Heere met hen gesproken had, werd Hij opgenomen tot in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God’ (Markus 16:19, weergave DB 1545).

20 Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. (Uit Galaten 2)

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1523, Sermon am Himmelfahrtstage (14. Mai), vgl. WA 12, 562, 12 32
Bron:  www.maartenluther.com

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie