Zeventig jaar na WO II – opnieuw lijken op de stranden van Europa…

Jonge Amerikaanse soldaten arriveerden in WO II op Europese stranden om daar te beginnen aan een strijd tegen een tirannieke overheersing en om deze eerst te veroveren op de vijand teneinde West Europa haar vrijheid terug te kunnen geven. Veel van deze jonge mensen kwamen toen gewond, stervend of  dood op onze stranden te liggen. Voor onze vrijheid hebben velen van hen hun leven moeten en ook willen geven. Een vrijheid waarvan wij in West Europa, nu inmiddels gedurende meer dan zeventig jaar, nog altijd de zegeningen en voordelen genieten.

Wij Europeanen belaagden en veroverden niet lang na WO II ook steeds meer stranden en dat ook in landen, waar veel mensen nog steeds zuchten onder de meest tirannieke vorm van overheersing die er maar is (namelijk velen niet bevrijd met en door de boodschap van het Evangelie). Wij Nederlanders en andere Europeanen kwamen daar echter niet om een vrijheidsstrijd te gaan voeren  en om daar op die stranden en in die landen zo nodig ons leven te geven voor de bevrijding van deze mensen, maar we arriveerden daar voor onszelf, als zelfvoldane en zelfgenoegzame toeristen, waarvan er ook velen op de stranden kwamen te liggen, maar dan niet als slachtoffers, maar vooral om daar aangenaam bruin te liggen bakken in de zon.

En vreemd genoeg, nu worden zomaar, na meer dan zeventig jaar bevrijding, onze Europese stranden (en grenzen) opnieuw bezocht en belaagd door mensen, waaronder ook weer veel jonge mensen. Maar deze komen nu niet hier naar toe om te strijden en zo nodig hun leven op te offeren voor ónze vrijheid en om óns  land weer te helpen opbouwen en om ónze welvaart te herstellen, maar zij komen hier uit nood én om op ons een beroep te doen. Ze komen hier naar toe met de vraag om hén te helpen, om hén te bevrijden van vervolging, ziekte en hongersnood en uit landen waar hun levens voortdurend worden bedreigd. De omgekeerde wereld, zo lijkt het voor ons hier in West Europa.

Wat echter zeker zo vreemd is, het lijkt er nu veel op, dat wij zeventig jaar na onze bevrijding liefst helemaal geen boodschap – ook niet de Evangelieboodschap, maar dat was al langer een probleem (1) – (meer) hebben aan en voor deze mensen. Die vrijheid en de welvaart die wij hier hebben opgebouwd, die lijkt of is inmiddels helemaal zozeer onze zaak en ons eigendom geworden, dat gedachten om anderen hierin te laten delen ons tegen de borst stuiten.

Natuurlijk, zo lijkt er gedacht te worden, die bevrijding indertijd aan het eind van WO II en de heropbouw van onze landen daarna, dat lukte ons toen even zelf niet meer. Daar hebben we inderdaad toen wat buitenlandse hulp bij nodig gehad. Maar, alles wat we na dat vervelende intermezzo van WO II, hier in Europa weer aan vrijheden en welvaart hebben opgebouwd, dat hebben we toch echt helemaal weer aan onszelf te danken gehad. Het is vandaag-de-dag toch niet goed denkbaar meer, dat anderen nu zomaar van ons vragen mogen, dat we die verworvenheden gaan opofferen, omdat er elders in de wereld problemen zijn ontstaan. Men meent toch niet dat, net zoals de Amerikanen en Engelsen indertijd, wij nu ook bereid moeten zijn om eigen mensen op te offeren voor deze zaak en dat van ons gevraagd kan worden, dat we heel onze samenleving en economie gaan herinrichten om ook deze mensen, hier of elders, vrede, vrijheid en welvaart te kunnen bezorgen?

Nee, zo’n mate van zelfopoffering van mensen en welvaart voor een op zich belangrijke en goede zaak, dat is beslist niet meer van deze tijd… Dat valt toch ook niet (meer) te verkopen aan de mensen… Daar zal de politiek toch echt andere oplossingen voor moeten bedenken!

(1) Of kunnen en moeten wij, als Europese christenen, erkennen en belijden, dat wij als christenen na WO II toch wel iets vergeten zijn om te doen…?!

 Zie ook webpagina: Paulus verkondiging sticht(te) wereldwijde broederschap…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Henoch’s wandelen met God – Misschien (n)iets voor ons?

Wandelen met God?

Hoe? Waar? Teruggetrokken? Op een veilig plekje achter veilige muren? Nee, van Henoch kunnen we leren om al ‘wandelende’ toch middenin in de volle praktijk van het leven te staan. Bedenk: de tijd waarin hij leefde, was er een van diep verval. Een tijd vol ongehoorzaamheid, opstand en goddeloosheid (Judas 1:15). Bovendien rustten grote verantwoordelijkheden op zijn schouders. Als oudste zoon stond hij namelijk aan het hoofd van zijn familie en geslacht. Dat betekende in die dagen onder andere dat hij verantwoordelijk was voor rechtspraak en bestuur. Hij stond dus niet aan de zijlijn. Leefde niet teruggetrokken ‘met een boekje in een hoekje’. Nee, hij stond aan het front, midden in het volle leven.

En… hij hield zijn mond niet. Hij was geen man die om de lieve vrede maar zweeg. Nee, in de Judasbrief wordt hij ons getekend als ‘profeet’ (Judas 1:14). Hij nam het op voor Gods heilzame geboden en rechten en stond voor zijn God. Zelf delend in Zijn gunst en liefde schaamde hij zich niet om vrijmoedig en rondborstig voor Hem uit te komen. Voor Zijn Naam en eer. Hij heeft zijn tijdgenoten gewaarschuwd voor Gods oordeel over de zonde en hen indringend tot bekering geroepen. Daarin heeft hij volhard tot op het moment waarop God hem van zijn aardse wachtpost afloste en hem in een punt des tijd overzette uit de aardse in de hemelse werkelijkheid (Gen. 5:24, Hebr. 11:5).

En wij? Hopelijk brandt het vuur dat in Henoch’s hart brandde, ook in onze harten. God heeft Henoch’s leven zo geleid dat grote verantwoordelijkheden op hem rustten. Maar rusten die ook niet op ons? God heeft ons allereerst de schat van het Evangelie toevertrouwd. Maar vervolgens, we leven en studeren en werken niet voor niets. Het betekent dat Hij ons ook talenten en vaardigheden gegeven heeft op het terrein waar wij onze werkzaamheden zoeken, bijvoorbeeld in de verpleegkunde of in die van studie en wetenschap. Zowel de schat van het Evangelie als ook de talenten die ons gegeven zijn, mogen niet in een zweetdoek bewaard worden. Integendeel, daarmee hebben we te woekeren tot eer van onze God en ten dienste van onze naaste. Want: ‘Aan wie veel gegeven is, van die zal ook veel geëist worden’ (Lukas 12:48). Laten we ons die heilige roeping levend bewust zijn.

Helaas, ook onze tijd is niet op God en Zijn Woord aangelegd. Spot, ongeloof en verzet kunnen ook ons deel zijn. Hoe blijven we staande? Hoe blijft het de vreugde van ons hart om met deze God te wandelen? Hoe blijft het vuur branden? Leer van Henoch: alleen ‘door het geloof! Dagelijks levend uit Hem Die ondanks alle tegenstand toch ten einde toe in volkomen gehoorzaamheid aan Zijn Vader heeft gewandeld. Wees ervan verzekerd: waar de levensverbondenheid is met Hem, daar zal Hij het ons aan niets laten ontbreken. Niet in ons persoonlijk leven. Niet in onze studie. Niet in de latere werkkring. Nooit. En daarom: ‘Volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel’ (Hebr. 13:7).

Bron: BKCie artikel (tweede gedeelte) – van Ds. L.W.Ch. Ruijgrok –  overgenomen uit uitgave van CSFR.
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Paulus verkondiging sticht(te) wereldwijde broederschap…

Paulus schrijvend aan zijn broeders en zusters te Rome:

15 Ik heb u hier en daar nogal vrijmoedig geschreven, maar alleen om u te herinneren aan wat u al weet. Ik doe dat vanwege de genade die God mij geschonken heeft: 16 ik moet in volledige toewijding aan zijn evangelie een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen zijn, zodat zij een God welgevallig offer kunnen worden, geheiligd door de heilige Geest. 17 Dat ik trots kan zijn op mijn werk voor God, dank ik aan Christus Jezus. 18 Ik zal over niets anders spreken dan wat Christus door mij tot stand brengt om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen: door wat ik zeg en doe, 19 door Zijn macht waarmee ik tekenen en wonderen verricht door de macht van Gods Geest.

Zo heb ik vanuit Jeruzalem en helemaal tot aan Illyrië het evangelie van Christus verspreid, 20 maar ik heb er een eer in gesteld het niet op plaatsen te verkondigen waar Christus al bekend was. Ik wilde niet op het fundament van een ander bouwen, 21 want er staat geschreven: ‘Zij aan wie hij niet verkondigd is, zullen zien; zij die niet over hem hebben gehoord, zullen tot inzicht komen.’ 22 Het is dan ook om deze reden dat het mij nog niet is gelukt u te bezoeken. 23 Maar ik heb mijn taak in deze streken nu beëindigd; en omdat ik er zo naar verlang om na al die jaren naar u toe te komen, 24 hoop ik dat te doen wanneer ik naar Spanje ga. Ik hoop u op weg daarheen te ontmoeten om mijn reis daarna met uw hulp voort te zetten, maar niet voordat ik enige tijd van uw gezelschap genoten heb.

25 Nu sta ik echter op het punt naar Jeruzalem te gaan om de heiligen daar bijstand te verlenen, 26 want Macedonië en Achaje hebben voor de armen onder hen een collecte gehouden. 27 Ze hebben daartoe vrijwillig besloten, maar ze staan dan ook bij hen in de schuld. Immers, omdat de heidenen deel hebben gekregen aan wat de heiligen in Jeruzalem in geestelijk opzicht geschonken hebben, zijn ze ertoe verplicht hen bij te staan in materiële zaken. 28 Nadat ik mij van deze taak gekweten heb, en de opbrengst van de collecte officieel aan hen heb overhandigd, zal ik u op doorreis naar Spanje bezoeken. 29 En ik weet dat wanneer ik kom, ik met de volle zegen van Christus kom.
30 Broeders en zusters, in de naam van onze Heer Jezus Christus en met een beroep op de liefde van de Geest, vraag ik u dringend om samen met mij vurig tot God te bidden. 31 Bid voor mij dat ik zal worden gered van de ongelovigen in Judea en dat mijn hulp door de heiligen in Jeruzalem zal worden gewaardeerd. 32 Dan kan ik, indien God het wil, vol vreugde naar u toe komen om in uw gezelschap nieuwe kracht op te doen.

33 De God van de vrede zij met u allen. Amen.

Uit Romeinen 15

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Met Christus begraven in de doop…

Toen u gedoopt werd bent u immers met Hem begraven, en met Hem bent u ook tot leven gewekt, omdat u gelooft in de kracht van God die Hem uit de dood heeft opgewekt. (Kolossenzen 2:12)

Toen Jezus zich door Johannes liet dopen, toonde Hij aan de Vader, dat Hij bereid was onze mensendood (als straf op de zonde) op zich te nemen en daarmee al het lijden voor ons, dat de aanvaarding en het ondergaan van deze doop met zich mee bracht, tot aan de dood aan het kruis. Hij wilde al dat lijden dragen en verdragen om ons en voor ons. Daarin en daarmee bewees en bleek Jezus Gods geliefde Zoon te zijn, in Wie de Vader een eeuwige vreugde en welbehagen heeft.

Voor ons betekent het begraven worden in en met onze doop, dat onze oude mens met Christus begraven wordt en dat we daarmee delen in zijn dood, maar ook daarmee al delen in Zijn opstanding en het nieuwe leven dat daarbij hoort. Maar dat begraven is beslist niet afgelopen met en na onze doop. Zo was het ook (nog) niet bij Jezus doop. Dat moet ons tijdens ons leven – juist ook door terugdenken aan onze doop en door de verkondiging van het Woord bij de doop – steeds weer voor ogen worden gesteld en voor onze levenspraktijk gevolgen hebben. Daar blijven we ons leven lang mee bezig. De oude mens moet afsterven en begraven worden en we moeten de nieuwe mens aandoen. Dat is een lijdensweg. Dat lijden kunnen we minimaliseren of ontlopen door onze oude mens niet te doden en door de nieuwe mens niet aan te doen. Wanneer we dat wel (steeds meer) doen, dan gaan we lijden aan onszelf, maar nog veel meer aan de wereld, en zeker niet in het minst aan onze broeders en zusters. Velen van onze naasten, (zelfs eigen man of vrouw, kinderen, familie, broeders en zusters en “de wereld”) waarderen dat niet en stellen dat – het voorbeeld geven daarin of spreken daarover met hen – helemaal niet op prijs. Ze zullen zich ook tegen je (kunnen) keren waarschuwt Jezus al. Zijn Evangelie brengt niet alleen “Zijn vrede” (Johannes 14:27), maar ook tweespalt en ruzie en verdachtmaking, ja zelfs gevangenneming en (broeder)moord met zich mee… (Mattheüs 10:34-42) (1)

Het Evangelie is nu eenmaal “niet naar de mens” en roept altijd weerstand op, te beginnen bij onszelf maar ook bij anderen. Wij worden door Gods Woord voorbereid op die strijd en het moet ons eerder bevreemden wanneer wij die moeite en strijd niet (ook in ons leven hier) ervaren en ondergaan!

Dat dit ook bij onze doop hoort, dat steeds meer afsterven én steeds meer opstaan en dat lijden en strijden, en dat tot onze laatste of tot de jongste dag, dat moet daarom ook in een “feestelijke doopdienst” beslist steeds weer heel uitdrukkelijk aan de orde gesteld en niet verzwegen worden. Dat lijden hoort niet maar bij Gods kinderen van de vervolgde en de lijdende kerk(en) ver weg, maar is en hoort net zo goed hier in Nederland. Wanneer dat in ons eigen leven niet (meer of niet ook) aan de orde is, dan is er beslist iets mis!

Er is nog een zeer goede reden om daar ook tijdens zo’n “feestelijke doopdienst” niet over te zwijgen, want de keerzijde van dat lijden en strijden op je nemen is, dat onze drie-enige God ons daarbij zegenen wil en zal met een vrede en vreugde (!) die alle verstand te boven gaat en die alleen Godskinderen, die ook lijden en strijden willen en dat niet uit de weg gaan, ten deel valt en waar helaas veel anderen (zelfs ook broeders en zusters) soms nog maar weinig of geen weet van hebben en die voor de wereld verborgen en onbegrijpelijk (en ongelofelijk) blijft.

Zie ook: Keert God zich soms tegen mij?

(1) Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard…
(…)
Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Aanvaard elkaar…

2 Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander,
op wat goed en opbouwend voor hem is.
3 Ook Christus zocht niet zijn eigen belang; integendeel, er staat geschreven:
‘De smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.’
4 Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij
door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen.
5 Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft,
u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt.
6 Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen
aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.

7 Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.

Uit Romeinen 15

7 Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf.
8 Zolang wij leven, leven we voor de Heer;
en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer.
Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer.
9 Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen
om te heersen over de doden en de levenden.
10 Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster?
Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster?
Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan,
11 want er staat geschreven:
‘Zo waar ik leef – zegt de Heer –,
voor mij zal elke knie zich buigen,
en elke tong zal God loven.’

12 Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden.

Uit Romeinen 14

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Geloven en (zelf)rechtvaardiging…

 ‘De vrijheid van een christen’ 

‘Von der Freiheit eines Christenmenschen’ (of: ‘De vrijheid van een christen’) uitgegeven in het jaar 1520 is wel het beroemdste geschrift van Luther. In de 30 hoofdstukjes waarin het is onderverdeeld, getuigt Luther van de vrijheid van Gods kinderen, vrij van de dwang der wet, van de angst voor dood en hel, door het geloof in Christus verlost tot vrijwillige dienstbaarheid in een leven van liefde. 

  • Goede en vrome werken maken iemand nooit tot een goed en vroom mens, maar alleen een goed en vroom mens doet goede en vrome werken en
  • Slechte daden maken iemand niet tot een slecht mens, maar wie een slecht mens is, doet slechte dingen.

Dus moet de persoon voordat hij goede werken kan verrichten, goed en vroom zijn. En de goede werken volgen daarop, en komen voort uit iemand die reeds goed en rechtvaardig is. Het is zoals Christus zegt: ‘Een slechte boom draagt geen goede vruchten, een goede boom geen slechte’ (Mattheüs 7:18). Nu spreekt het vanzelf dat de vruchten de bomen niet dragen en de bomen ook niet aan de vruchten groeien. Het is omgekeerd: de bomen dragen de vruchten en de vruchten groeien aan de bomen (1). Zo zeker als de bomen er eerder moeten zijn dan de vruchten en de vruchten de bomen niet goed of slecht maken, maar omgekeerd – zo zeker is het dat de persoon van de mens eerst goed of slecht moet zijn, eer hij goede of slechte dingen kan doen. Zijn werken maken hem niet goed of slecht, maar hij doet goede of slechte werken.

De verhouding waarin de mens staat tot geloof of ongeloof bepaalt het goede of slechte karakter van zijn werken. Het is niet omgekeerd: dat de werken bepalen of iemand rechtvaardig of ongelovig is. De werken maken de mens evenmin rechtvaardig als gelovig. Het is daarentegen het geloof dat rechtvaardig maakt en dat ook goede werken voortbrengt. Als het dus vaststaat dat de werken niemand rechtvaardig kunnen maken, maar dat de mens eerst rechtvaardig moet zijn voordat hij kan werken, dan is het duidelijk dat alleen het geloof voldoende is om een mens uit pure genade omwille van Christus en Zijn Woord rechtvaardig en zalig te maken. Om zalig te worden, heeft een christen geen werk en geen gebod nodig. Nee, hij is vrij van alle geboden; en alles wat hij doet, doet hij in volkomen vrijheid en om niet. Want hij heeft alles al en hij is al zalig door zijn geloof en Gods genade. Hij zoekt daarmee in geen enkel opzicht zijn eigen nut of zaligheid.

Maarten Luther: Von der Freiheit eines Christenmenschen, 1520, vgl. WA 7, 32, 4 34

(1) 5 Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. (Uit Johannes 15)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het “zekere weten” van het geloof…

“Opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof. ”
(Galaten 3 :14b)

Ja, en nu raakt de Geest goed op dreef. Want gaat het over Christus als dé gekruisigde en gevloekte, dan kan Hij het evangelie laten horen. Aan jood én heiden. Vanaf Pinksteren is het evangelie er voor heel de wereld. Daarom staat aan het begin van vers 14: “opdat de zegen van Abraham tot de heidenen zou komen.” Zendingsperspectief! Zending: vrucht van Christus’ verlossingswerk én schat van de Geest.

Dat alles krijgt zijn beslag door de prediking. Ook een schat van de Geest, al ligt ze vaak onder het spervuur van kritiek. En toch, door de prediking gebeurt het. Gebeurt het dat de Geest zijn schatten uitdeelt, dat het geloof komt, dat Christus komt, dat de Geest zelf komt. Zo raken we verbonden aan Christus. Op Hem wierp de Vader onze zonde en Hij zei toen als-het-ware: “Je moet Petrus zijn, de leugenaar; en Paulus, de vervolger; en David, de echtbreker; en Adam, die van de verboden vrucht at.” De Heilige Geest spoort ons aan onze naam en ons vergrijp in te vullen. Zodoende zeg ik: daar hang ik, de egoïst, de twijfelaar, de materialist, de schijnheilige, de … Nee, toch niet, Christus hangt er. Wat ik ben, is Hij (voor mij – zie (1)) geworden.

Zo richt de hemelse schatbewaarder ons op Christus. En ontvangen we een volgend geschenk: het geloof. Daar schrijft Paulus ook over: “Opdat wij de belofte van de Geest ontvangen zouden door het geloof.” Wanneer geloven we? Wanneer is er bij ons het zeker weten en het vaste vertrouwen? Wanneer de Geest – opnieuw: door de prediking – zó op ons inwerkt dat we zien dat Jezus het is. Wat is? Onze Zaligmaker, Die onze vloek op zich geladen heeft, opdat Hij ons met zijn zegen vervullen zou. “Here Jezus, Gij voor mij,” zeggen we dan. Het kleinste kind kan dat zeggen. De grootste twijfelaar vindt er houvast in. De meest verstokte zondaar gaat overstag. Dat is het “toevluchtnemend” geloof.

Dat is ook het geloof dat zeker is. Wij zijn op dit punt vaak warrig. We denken: de zekerheid komt achteraf, na kortere of langere tijd. Waar de Geest ons de toevlucht doet nemen tot Christus, daar reikt Hij ons van meet af ook de schat aan van de zekerheid. O ja, te midden van allerlei aanvechting. Want bij het geloof hoort eerder storm dan windstilte. Toch, zéker, omdat het vertrouwen gegrond is op Gods genadige belofte in Christus, die door de Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart wordt verzegeld.

Daar voegt de Geest nog een schat bij: vrijmoedigheid. Je belijdt: “Here, U bent van mij en ik van U.” Die vrijmoedigheid uit zich ook tegenover God de Vader. Toe maar, spoort de Geest ons aan, noem Hem uw Vader, de kroon van zijn heerlijke namen. Ook de Vadernaam maakt deel uit van de schat die de Geest aan ons vermaakt. Waarom – vraagt onze Heidelberger – heeft Christus ons geboden God zo aan te spreken? Opdat er van stonde aan (altijd!) in ons gebed kinderlijk vertrouwen is.

En wat te denken van de schatten van doop en avondmaal? Dat je gedoopt bent! Want daardoor verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. En dat je Avondmaal vieren mag! Immers, door brood en wijn oefent Christus gemeenschap met ons.
Hoe ongelukkig wie het waagt tegen de Heilige Geest te zeggen: “Nee, dank U.” Maar we zijn de Koning te rijk, wanneer wij ons door de hemelse thesaurier laten bedienen en ons dag aan dag laten overladen met zijn gunstbewijzen. “Dank U wel, Heilige Geest”

Zo worden we betrokken in het machtige en genadige samenspel van de Drie-enige God: van de Vader, Die verkiest; van de Zoon, Die verzoent; van de Geest, Die verzekert. Ze ijveren om ’t hardst voor de redding (en heiligmaking! zie (2) – AJ) van zondaren. Een adembenemende wisselwerking. Want Christus vult voor ons de schatkamer en de Heilige Geest haalt hem voor ons leeg. Wat een uniek thesaurier!

O Geest, ten Trooster ons gegeven,
als ik wankel, wees mijn staf,
als ik sterf, wees Gij mijn leven,
als ik neerlig, wees mijn graf.
Gast, Die deelt wat Gij bezit,
naar Gij wilt – ik vraag U dit:
dat Gij mij Gods heil doet smaken
en mij rijk in God wilt maken.”

Bron: Ecclesia nr.11 mei 2016 – Artikel “Thesaurier (2, slot)” van H.J. Lam, Ridderkerk

(1) 21 Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. (Uit 2 Korintiers 5)
(2) 5 Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. (Uit Johannes 15)

Zie ook (1e artikel): De Heilige Geest – de thesaurier Gods 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente | Plaats een reactie

De twee Verbondstafels: God wil wonen bij ons mensen…

Beide stenen tafels van het Verbond, die identiek waren, kregen een plaats op aarde bij de mensen, bij Gods volk (1). God verklaarde en toonde hierbij en hiermee Zelf te wonen op aarde in het midden van Zijn volk. Zie de Bijbelteksten hieronder.

15 Toen keerde Mozes zich om en daalde van de berg af met de twee tafels van de getuigenis (verbondsteksten) in zijn hand, tafelen, die aan beide zijden beschreven waren: aan de éne en aan de andere zijde waren zij beschreven. 16 De tafels waren het werk Gods en het schrift was het schrift Gods, op de tafels gegrift.

19 En zodra hij de legerplaats genaderd was en het kalf en de reidansen zag, ontbrandde de toorn van Mozes; hij wierp de tafels uit zijn hand en verbrijzelde ze aan de voet van de berg.

5 De Here nu zei tegen Mozes: Zeg tot de Israëlieten: jullie zijn een hardnekkig volk. Indien Ik ook maar één ogenblik in jullie midden zou optrekken, zou Ik jullie vernietigen. Nu dan, doe jullie sieraden af, dan zal Ik zien, wat Ik jullie doen zal. 6 En de Israëlieten onthielden zich van sieraden, van de berg Horeb af.

14 Toen zei Hij: Moet Ik zelf meegaan om u gerust te stellen? 15 En hij zei tot Hem: Indien Gij zelf niet meegaat, doe ons vanhier niet optrekken. 16 Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons meegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn. 17 En de Here zei tot Mozes: Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken.

1 De Here zei tegen Mozes: Houw u twee stenen tafels net als de eerste, dan zal Ik op de tafels de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafels, welke gij verbrijzeld hebt.

27 De Here zei tot Mozes: Schrijf u deze woorden op, want op grond van deze woorden heb Ik met u en met Israël een verbond gesloten. 28 En hij was daar bij de Here veertig dagen en veertig nachten, brood at hij niet en water dronk hij niet, en Hij schreef op de tafels de woorden van het verbond, de Tien Woorden.

29 Toen Mozes van de berg Sinai afdaalde, – de twee tafels van de getuigenis (verbondsteksten) nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afdaalde – wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde, doordat hij met Hem gesproken had. 30 Toen Aäron en al de Israëlieten Mozes zagen, zie, de huid van zijn gelaat straalde, en zij durfden hem niet naderen.

(Bovenstaande teksten uit Exodus 32-34, NBG)

2 Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, 3 daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten.

17 De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid. 18 En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.

(Bovenstaande teksten uit 2 Korintiërs 3, NBG)

(1) God gaf één van de tafels dus niet een plek in de hemel.
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Ons geheugenverlies en Gods boekhouding…

Efraïms misdaden zijn gebundeld en zijn zonden blijven bewaard. (Hosea 13 :12)

De ongerechtigheden van Gods kinderen raken blijkbaar bij de Неге niet in het vergeetboek, maar worden zorgvuldig vastgelegd. Hosea spreekt hier niet van een boek, maar over een aantal beschreven bladen, die men bundelt om ze goed te bewaren en om ze te kunnen gebruiken wanneer dat nodig is. Zó heeft de Here Efraïms ongerechtigheden vastgelegd en bijeengebonden. De zonden van Israël zijn opgeborgen, zegt de profeet, om dienst kunnen doen als bewijsstukken, op de dag van oordeel en gericht!

Natuurlijk is het Gods kinderen liever, dat God hún schuldregister niet zo nauwkeurig bijhoud en bewaard. Daarom heeft het hun voorkeur, om die taak van Hem over te nemen. Zo kan er natuurlijk heel wat vergeten worden om op te schrijven. Er zijn zo van die kleinigheden: slecht humeur, driftige woorden, plichtsverzaking, etc., die toch de moeite niet waard om daar later nog op terug te komen? Een broeder voor „dwaas” uitmaken of een broeder haten, dat veroordeelt de Bijbel wel met hellevuur en als moord, maar moet dat daarom opgenomen in het zonderegister? Meester(s) geworden in het goed praten van eigen schuld, is er nog heel wat meer, dat niet nodig gevonden wordt om vastgelegd te worden. En zo kan er heel wat “vergeten” worden bij het noteren van de schulden.

Dan is er ook de bezorgdheid over “de buurman”, die nog wel eens vergeten wil om zijn zonden in te boeken, zodat “anderen” (wij dus) dat alvast maar voor hem doen. En natuurlijk worden er liever rekeningen dan schuldbekentenissen geschreven, en dus is er meer werk met de penningen, die de naaste schuldig is, dan met de tienduizend talenten schuld aan God. En, zelfs dat God schulden heeft, wordt niet uitgesloten! En boeken op debetzijde wat eigenlijk aan creditzijde hoort: Egoïsme en gierigheid wordt liever gepaste zuinigheid genoemd, enzovoort. En hoewel erkend wordt, dat onze gerechtigheden een “wegwerpelijk kleed” zijn (Jesaja 64 : 6), wordt er toch liever wat goede sier mee gemaakt, en worden goede werken en gebeden liever bij God in rekening gebracht, dan dat er verzoening over wordt gevraagd.

Maar als het zo is dat ook van Gods kinderen alle zonden nauwkeurig worden vastgelegd en bewaard, wie kan er dan zalig worden? En hoe kan het dan, dat de profeet Hosea de dood, die straf op onze zonde(n) is, uit de onderwereld oproept, tegen het schuldige volk, en dat de apostel Paulus diezelfde dood in het gezicht uitlacht en uitroept: dood, waar is uw prikkel? Hoe kan het dat Hosea helse pestziekten toeroept: kom, terwijl Paulus ze gebiedt: ga weg? Hoe kan Hosea’s dreiging worden herleid en leiden tot de overwinningskreet van Paulus?

Omdat het kruis van Christus er tussen staat!

Hosea heeft geroepen om zijn grote Naamgenoot Jezus, en hoe is zijn roepen verhoord! Want in Christus, Die voor ons tot zonde gemaakt is, werd al onze zonde samengebundeld, en alle kwaad is voor Hém opgeborgen en bewaard. Toen de Here al onze ongerechtigheden op Hem deed aanlopen, werd Hem niets bespaard. God heeft niets vergeten, wat Hij lijden moest om onze zonden. En zo wordt door en aan het wondere kruis die wondere tegenstrijdigheid opgeheven, waarover hier gesproken werd. Om Christus’ wil kan God, Die niets vergeet, alles vergeten én vergeven. Zó kan Hij, Die alles in Zijn gedenkboek schrijft, mijn zonden nooit meer gedenken, en kan Hij, Die onze schuldbrieven eigenhandig schreef en bundelde en bewaarde, ze één voor één verscheuren.

Maar het is onmogelijk, dat wie door een oprecht geloof in Christus is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. – Zo belijden we op grond van Gods Woord met antwoord 64 van de Heidelbergse Catechismus.
Wat zijn die vruchten dan? Toch allereerst deze, dat we niet meer zo gemakkelijk en nonchalant over onze zonden — waarvoor Christus Zijn leven gaf — denken, maar ze elke avond samenbundelen in ons gebed, om ze daar stuk voor stuk, één voor één te willen en durven bedenken, noemen en belijden!
En vervolgens, dat we de zonden, ook die wij zo graag nog vasthouden en verbergen, door het geloof en dus door Christus Kracht – het werk van de Heilige Geest in ons, leren loslaten en nalaten. Want: “Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming.” (Spreuken 28:13)

Bron: Tekst gebaseerd op “Opgeborgen zonde” uit ”De zoon van Beëri” van ds. H. Veldkamp
Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Waar je nu eens echt vrolijk van wordt…?!

Luther had (los van zijn bekende kanttekeningen in de Duitse Bijbel) een zwak om op losse papiertjes, op schutbladen en in kantlijnen van alle mogelijke boeken, en zelfs op wandborden en tafels aantekeningen te maken van gedachten die hem op zekere momenten invielen. Veelal zijn dat persoonlijke ontboezemingen of korte tekstverklaringen, maar ook zelfgemaakte gedichten of treffende uitspraken van hemzelf of van anderen. Veel van deze aantekeningen zijn bewaard gebleven. Het onderstaande citaat is een voorbeeld van iets dat Luther op een schutblad van een boek kon hebben geschreven:

“Pas kwam ik [= Luther] dit oude gedichtje weer tegen:

Ich lebe und weiß nicht wie lang;
ich muss sterben, weiß auch nicht wann,
ich fahr dannen, weiß nicht wohin:
mich wundert, dass ich so fröhlich bin.

Dat is:

Ik leef en weet niet hoe lang;
ik moet sterven en weet ook niet wanneer,
ik ga hier weg, en weet niet waarheen:
het verwondert me, dat ik zo vrolijk ben.

Een christen zou in dit rijmpje de twee laatste regels kunnen veranderen en met blijde mond en een vrolijk hart rijmen:

Ich fahr, und weiß, God Lob! – wohin,
mich wundert, daß ich so traurig bin.

Dat is:

Ik ga, en weet, God zij dank! – waarheen,
het verwondert mij, dat ik zo bedroefd ben.

Het zou goed zijn als onbekeerde mensen (dat zijn mensen die de van hen gevraagde daadwerkelijke bekering liefst nog wat uitstellen – AJ) dit oude rijmpje altijd in gedachten hielden, of er eens aan herinnerd werden – dat wil zeggen: zullen overdenken en overwegen, dat ze sterven moeten en geen ogenblik van hun leven zeker zijn. Door deze gedachten worden ze mogelijk bewogen om God te vrezen, boete te doen en hun leven te beteren. Zoals Mozes ook in zijn psalm alle kinderen van Adam vermaant om tot God te bidden: ‘Leer ons zó onze dagen tellen, dat wij verstandig worden’ (vgl. Psalm 90:12).”

Maarten Luther: Bibel- und Bucheinzeichnungen Luthers, vgl. WA 48, S.159 -160, Nr. 208
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Geschiedenis | Plaats een reactie