Gods toorn (2) over alle ongerechtigheid…

Over ontrouwe herders

Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft (1)
(Uit Psalm 91)

Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden…

11 Ik ben de goede Herder.
Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
12 Een huurling, iemand die geen herder is,
en die niet de eigenaar van de schapen is,
laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht
zodra hij een wolf ziet aankomen.
De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen;
13 de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen.

uit Johannes 10

2b “Dit zegt God, de HEER: Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid! Horen herders niet hun schapen te weiden?
(…)
7 Daarom, herders, luister naar de woorden van de HEER: 8 Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, mijn schapen hadden geen herder, ze werden weggeroofd en door de wilde dieren verslonden; en jullie, herders, keken niet naar mijn schapen om, jullie hebben alleen jezelf geweid maar niet mijn schapen!

Uit Ezechiël 34

10 Want al mijn wachters zijn blind, ze merken niets;
ze zijn stom als waakhonden die niet kunnen blaffen:
vadsig en hijgend liggen ze daar,
ze willen alleen maar luieren.
11 Vraatzuchtige honden zijn het, onverzadigbaar.
Het zijn herders die geen inzicht kunnen bieden,
allemaal gaan ze hun eigen weg, ieder belust op eigen voordeel.

Uit Jesaja 56

11 Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij  uitschelden,
vervolgen en van allerlei kwaad betichten.
12 Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel;
zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

(1) Dat zijn de ogen van het geloof, die door het luisteren naar het Woord van God (hiervoor) geopend worden (zie Psalm 40 : 7-9). En dan op Gods toorn leren letten, eerst en vooral in eigen leven (o.a. Kolossenzen 3 : 6). Heel belangrijk dat we het verschil tussen succes en zegen leren zien. Succes (keert zich vroeger of later tegen de mens, want) eert de mens of iets in of van het schepsel (wetenschap bijv.), zegen eert God. (Zie o.a. Genesis 14 : 21-24 en – o.m. Psalm 16, 37 en 73)

10 Die de volken leidt, de mensen leert
en vermaant – zou hij niet straffen?
11 De HEER kent de mensen,
niet meer dan lucht zijn hun gedachten.

12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid
en onderwezen in uw wet en uw leer.
13 Hij zal rust vinden in kwade dagen,
terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven.

Uit Psalm 94

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Calvijn en de berechting van Servet…

Een rehabilitatie?

“Het ware te wensen dat onze tranen de brandstapel
van die ongelukkige hadden kunnen uitblussen”

Uit: Digibron: De kwestie tussen  Calvijn en Michael Servet – 23 oktober 2003 – H. Boele

(…) Voor Calvijn was dit proces een kritisch gebeuren, hij zag zich al voor een tweede maal verbannen. Er was in Genève een groep libertijnen die Calvijn niet welgezind was. Deze partij zag in Servet de geschikte persoon om van die Fransman af te komen. Zij gaven daarom Servet het advies Calvijn niet te ontzien en hem zo hard mogelijk aan te vallen, men stuurde aan op een conflict… (citaat uit dit artikel)

De affaire-Servet vormt een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Reformatie. Op 27 oktober zal het het 450 jaar geleden dat deze grote geleerde terechtgesteld werd. Calvijn, de opponent van Servet, had een aandeel in dit Geneefse proces. Dr. A. Kuyper zegt in zijn bekende Stone-lezingen: “Ik betreur niet alleen dien brandstapel, maar keur dien onvoorwaardelijk af.” Een ander stelt: “Het ware te wensen dat onze tranen de brandstapel van die ongelukkige hadden kunnen uitblussen.”

Michael Servet werd vermoedelijk op 29 september 1511 te Villeneuve in Noord-Spanje geboren. Zijn ouders waren van deftige komaf, zijn vader was van beroep advocaat. Michael was niet consequent in het schrijven van zijn voor- en achternaam. Diverse malen bediende hij zich van andere namen zoals: Micael, Michael, Miguel of Michel en Servet, Servetus, Reves of Villeneuve. Hij deed dit om zo opsporing te bemoeilijken.

Michael was een briljante leerling; op veertienjarige leeftijd bezocht hij de beroemde universiteit van Saragossa. Drie jaar later verwisselde hij deze voor die van Toulouse. Hij studeerde rechten en verdiepte zich in de theologie. Lang bleef hij hier niet, want een jaar later werd hij benoemd tot secretaris van de franciscaan Juan de Quintana, kapelaan en biechtvader van Karel V.

In die tijd begon Servet zich kritisch uit te laten over de roomse kerk. Hij vond het allereerste christendom het enige ware; daarmee bedoelde hij de periode voordat het leerstuk van de drie-eenheid was aangenomen. Servet voelde zich geroepen de kerk van haar dwaling aangaande dit leerstuk te overtuigen.

Trinitatis

Op 20-jarige leeftijd publiceerde Servet zijn eerste geschrift: “De Trinitatis erroribus libri septem”. In 1620 werd dit werk “ghetrouwelijck overgeset” in een Nederlandse vertaling. Het droeg als titel: “Van de Dolinghen in de Drievuldigheyd”. Het verscheen in zeven boeken. Een publicatie met zo”n omvang zegt iets van Servets bijzondere capaciteiten.

In dit werk stelde hij de triniteitsleer ter discussie. Servet zag de drie personen in het Goddelijk Wezen slechts als drie openbaringen; Christus heeft bij God bestaan als een gedachte en alleen werkelijk in de tijd.

Deze publicatie maakte hem absoluut niet populair; ze verwekte ergernis zowel bij het protestantse als het rooms-katholieke volksdeel. In Basel kruiste Servet de degens met de hervormer Oecolampadius. Deze liet Zwingli weten: “Die man bestormt mij met vragen van den ergerlijksten aard; hij is in zijne gevoelens zeer Ariaansch, en ik vrees niets zoozeer, dan dat hij zijne dwalingen meer algemeen verspreiden zal.”

Zijn opponent maakte Servet uit voor een Jood en een godslasteraar, gebruikelijke beschuldigingen in die tijd. Zwingli was van oordeel dat deze man zijn dwaling moest herroepen of anders moest hij onschadelijk gemaakt worden. De regeringen van Basel en Zürich verboden de verkoop van zijn boeken. Servet voelde zich door deze ontwikkelingen niet meer op zijn gemak, de grond werd hem te heet onder zijn voeten. Hij vertrok naar Parijs, nam de naam Villeneuve aan en zette daar zijn studie voort.

In de Franse hoofdstad ontmoette hij voor het eerst Calvijn. Servet studeerde geneeskunde en wiskunde en daarnaast het vak astrologie. Ook de theologie bleef hem boeien. Een zekere E. Reclus noemde Servet een veelzijdig geleerde, “een van die menschen van wetenschappelijke devinatie, als men er nauwelijks tien of twaalf in de geschiedenis der menschheid aantreft.” In 1537 behaalde Servet de graad van magister en begon hij met het geven van lezingen over de astrologie.

Restitutio

Deze voordrachten trokken de aandacht en dit streelde zijn trotse en hoogmoedige ego. Hij werd echter aangeklaagd omdat er tegen dit soort lezingen een kerkelijk verbod bestond. Servet vluchtte naar Vienne bij Lyon en kwam daar onder bescherming van aartsbisschop Palmier. Deze benoemde hem als lijfarts. Aan diens paleis werkte Servet in stilte aan zijn berucht geworden publicatie “Restitutie van het christendom”, een titel die mogelijk bedoeld was als tegenhanger van Calvijns Institutie.

Servet wilde met dit boek een ommekeer teweegbrengen in de kerk, hij voelde zich daar de aangewezen persoon voor. In dit werk bestreed hij de door het concilie van Nicea vastgestelde triniteitsleer. Hij omschreef deze als een driekoppig monster en verder vocht hij de erfzonde, de rechtvaardiging door het geloof en de doop aan. Vermeldenswaard is dat Servet in dit boek zijn ontdekking van de kleine bloedsomloop beschrijft.

Toen het werk in handschrift gereed was, zond hij een gedeelte van dit manuscript naar Calvijn, met wie hij al eerder in briefwisseling was over theologische kwesties. Servet wilde met de reformator van gedachten wisselen, onder andere over de vleeswording van het Woord, de wedergeboorte en over de Doop. Zijn prikkelende en uitdagende manier van schrijven stond Calvijn niet aan. Vooral toen Servet hem een gedeelte van zijn Institutie stuurde, voorzien van venijnige kanttekeningen.

Toen de twee hun correspondentie beëindigden, vroeg Servet zijn manuscripten en brieven terug. Calvijn retourneerde hiervan maar een gedeelte.

Aan Farel liet Calvijn weten: “Onlangs heeft Servet mij geschreven en er een dikke band bijgevoegd met zijn onzinnigheden, waarin ik, volgens zijn aanmatigend gebluf, opzienbarende en tot dusver ongehoorde dingen zou vinden. Als ik het goedvind, is hij bereid hierheen te komen. Maar ik wil tegenover hem voor niets instaan. Want als hij komen mocht, dan laat ik hem, als het aan mij ligt, niet levend hier vandaan gaan.”

In Lyon werd Servets werk in het geheim gedrukt. Het kreeg een omvang van 734 bladzijden en verscheen anoniem in 1553. Alleen aan het eind van dit boek stond een aanwijzing waardoor hij ontmaskerd zou worden: M.S.V./1553. Een kleine duizend exemplaren werden te koop aangeboden op de jaarmarkten te Lyon, Frankfurt en ook in Genève. Toen Calvijn het werk onder ogen kreeg, was het voor hem geen vraag wie de auteur was.

Verraden

Via een tussenpersoon kwam de inquisitie in Lyon er achter wie de schrijver van de Restitutio was. Deze tussenpersoon was een vriend van Calvijn, een zekere Guillaume de Trie, die om zijn gereformeerde opvattingen uit Lyon gevlucht was. Vrienden bleven met hem corresponderen om hem zo ver te krijgen dat hij terug zou keren tot de moederkerk. Ze voerden onder andere aan dat de Reformatie niets anders dan onrust en verwarring gezaaid had.

De Trie ontkende dit ten stelligste en schreef verontwaardigd dat de roomse kerk mensen verbrandde die beleden dat Jezus de Zoon van God was, maar een man die dit ontkende en publiceerde vrij liet rondlopen. Hij stuurde als bewijs de eerste bladzijde van de Restitutie mee en hiermee werd Servet verraden. Hij werd ondervraagd door de inquisitie, maar voordat Servet zich meldde, vernietigde hij eerst alle belastende gegevens. Zonder blikken of blozen ontkende hij de schrijver te zijn van de Restitutio, ook huiszoeking leverde niets op.

De Trie werd gevraagd om nadere informatie. Deze raakte hierdoor in een lastig parket. Hij wendde zich tot Calvijn, en deze gaf hem aarzelend een deel van zijn manuscripten en een aantal vertrouwelijke brieven, die Servet tevergeefs had teruggevraagd. De bewijzen waren duidelijk en Servet werd op 4 april gevangengenomen. Op slinkse wijze wist hij te ontsnappen. De inquisitie had hem “in effigie” (in afbeelding) veroordeeld om, met zijn boeken, levend verbrand te worden.

Genève

Vier maanden zwierf Servet rond. Op 13 augustus dook hij plotseling in Genève op. Hij logeerde in Hotel de la Rose en hield zijn naam zorgvuldig geheim. Op zondagmiddag zat hij onder het gehoor van Calvijn, die voorging in de Madeleinekerk. Deze dienst werd hem noodlottig, want hij werd herkend. Op aandrang van Calvijn werd hij gearresteerd en gevangengezet in een vunzige kerker van het voormalig bisschoppelijke paleis, waar hij onder zeer ellendige omstandigheden verbleef.

De volgende dag werd er al een beschuldiging opgesteld. Calvijns secretaris, Nicolaas de la Fontaine, die als aanklager fungeerde, stelde veertig uitspraken op die Servet zou gedaan hebben. Een advocaat werd Servet geweigerd, want men vond dat iemand die kon liegen het ook wel zonder verdediging kon stellen.

Servets opstelling was in Genève anders dan in Vienne, toen ontkende hij alles, maar nu niet. Arrogant en brutaal veroordeelde hij Calvijn en beschuldigde hem van dwalingen, alleen hij had het juiste zicht in theologische kwesties. Servet verklaarde: “In een zo rechtvaardige zaak ben ik standvastig en vrees de dood niet.” Verder schreef hij: “Ge ziet, dat Calvijn zijn rol heeft uitgespeeld, hij weet niet meer wat hij zeggen moet en voor zijn genoegen wil hij mij hier in de boeien laten verkwijnen.” Servet eiste dat zijn valse aanklager met wedervergelding gestraft zou worden door hem uit de stad te verbannen.

Het proces duurde 73 dagen, van 14 augustus tot 26 oktober. De rechtbank had het niet gemakkelijk, de ondervragingen en de theologische disputen kon men maar nauwelijks volgen. Voordat de rechters tot een uitspraak kwamen wilden zij, mede op aanraden van Servet, andere Zwitserse gemeenten over de zaak horen. Men raadpleegde daarvoor de kerkbesturen van Bern, Basel, Zürich en Schaffhausen.

Vonnis

Voor Calvijn was dit proces een kritisch gebeuren, hij zag zich al voor een tweede maal verbannen. Er was in Genève een groep libertijnen die Calvijn niet welgezind was. Deze partij zag in Servet de geschikte persoon om van die Fransman af te komen. Zij gaven daarom Servet het advies Calvijn niet te ontzien en hem zo hard mogelijk aan te vallen, men stuurde aan op een conflict.

Een zekere Berthelier, een libertijn en vriend van Servet, wilde deelnemen aan het heilig avondmaal. Dit was hem door de kerkenraad geweigerd wegens openbare dronkenschap. De raad van Genève maakte dit ongedaan en wilde dat Berthelier toegelaten zou worden. Dit betekende dat de staat de sleutelen van het hemelrijk hanteerde.

Voor Calvijn was dit een zeer principiële zaak: als het zou gebeuren, betekende dit het einde van de Geneefse reformatie. Calvijn wilde liever sterven dan dat de heilige tafel ontheiligd zou worden. Zijn preek op die zondag had het karakter van een afscheidsdienst.

Waarvoor gevreesd werd, gebeurde niet. Berthelier was niet aanwezig. Achter de schermen was deze man door de raad gewaarschuwd om toch maar weg te blijven. Mogelijke bracht het moedige optreden van Calvijn een ommekeer in de gevoelens van de Geneefse raad. Door deze belangrijke wending was het lot van Servet eigenlijk al beslist.

Ketter

Intussen waren de adviezen van de andere kerken binnengekomen en de conclusie luidde: een ketter die de drie-eenheid loochent, dient veroordeeld te worden. De raad van Genève veroordeelde Servet tot de brandstapel, hij zou samen met zijn boek tot as verbrand worden, “tot waarschuwing van alle godslasteraars.”

Servet was geheel ontdaan toen hij deze uitspraak hoorde. Hij hoopte nog altijd dat zijn vrienden hem zouden bevrijden. Hij gilde het uit: “Misericordia, misericordia” (genade, genade). Calvijn en Farel bezochten Servet en probeerden hem tot berouw en tot andere gedachten te brengen. “Ik vroeg hem God om genade te smeken, die hij zo gruwelijk had belasterd door de drie personen in zijn wezen te loochenen.” Maar de “vermaningen, smeekbeden waren alle vruchteloos.”

De volgende dag, 27 oktober 1553, werd Servet met een exemplaar van zijn Restitutio op de heuvel van Champel, even buiten Genève, levend verbrand. Hij zei dat hij onrechtvaardig ter dood gebracht werd en dat hij God bad om genadig te zijn voor zijn beschuldigers. Het verzoek om onthoofding werd afgewezen.

Calvijn woonde de terechtstelling niet bij, Farel wel. Hij begeleidde Servet naar het schavot. Onderweg poogde hij tot het laatst toe Servet tot herroepen te bewegen. Maar hij bleef ontkennen en riep uit: “Indien ik gedwaald heb, heb ik in onwetendheid gedwaald en in de mening Gods eer te dienen.” Hij stierf een pijnlijke dood; zijn laatste woorden waren: “Jezus, Zoon van de eeuwige God, ontfermt u mijner!”

Monument

Calvijns gezag steeg na dit proces. Hij werd gezien als een verdediger van het ware geloof en de libertijnen verloren steeds meer aanzien. Het is in onze tijd niet voor te stellen dat iemand vervolgd wordt als hij de trinitarische belijdenis ontkent. In de tijd van de Reformatie lag dit anders, een ontkenning van een fundamenteel leerstuk in de christelijke kerk zag men als een maatschappelijke bedreiging. Dat zo iets de doodstraf verdiende, vond niemand vreemd.

Calvijn was in dit opzicht een kind van zijn tijd, hij handelde niet uit persoonlijke wraakzucht. Servet werd als ketter gezien door zowel de Franse inquisitie als de mannen van de Reformatie. Het is daarom niet juist dat men deze affaire wil aangrijpen om aan te tonen dat Calvijn wreed en onmenselijk was, hoewel er zeker ook aan hem vragen zijn te stellen rond deze gebeurtenis.

Driehonderdvijftig jaar na deze gebeurtenis, op 28 oktober 1903, werd op de plaats van Servets terechtstelling een granieten verzoeningsmonument opgericht door de “zonen van Calvijn, onze grote reformator, die wij met eerbied en dankbaarheid gedenken.” Ze veroordeelden de dwaling, “die eigen was aan zijn tijd”, en pleitten voor “de vrijheid van geweten, volgens de ware principes van de Reformatie en van het Evangelie.”

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Heren politici: Zorg dat wij (weer) onbezorgd kunnen genieten…

 „Een wijs mens leeft de geboden van de Koning na en doet alles op de juiste tijd, want hij weet dat voor alles een juiste tijd is.” (Uit Prediker 8)

Een eminent advies van Prediker; als oud-minister (1) kan ik het alleen maar beamen. Doen wat de overheid gebiedt, de wet naleven, geen zorgen maken over wat we niet in de hand hebben, maar doen wat uw hand te doen vindt. Het lijkt eenzelfde boodschap als die van Paulus in de brief aan de Romeinen: „Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt” (Romeinen 13:1, NBV).
(…)
De boodschap van Prediker zal mensen van onze tijd (dan ook) vreemd in de oren klinken. De huidige politiek leeft naar andere regels; gezag moet verdiend worden, de wet veranderd, de wereld verbeterd en het hier en nu is het enige dat telt. En zoals de politiek doet, zo zijn wij; u niet misschien, maar al die anderen. Rusteloos zoekend naar wat anders voelt en beter lijkt, geen macht en gezag erkennend; alles moet kunnen en voor alles is maar één juiste tijd: hier en nu onmiddellijk.
(…)
Het merkwaardige is echter dat de huidige cultuur en Prediker uiteindelijk op hetzelfde uit lijken te komen. Even verder in het hoofdstuk dat wij lazen, zegt Prediker „dat er onder de zon niets beters is voor de mens dan dat hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet” (Prediker 8:15). En nog weer verder zegt hij: „Geniet het van het leven met de vrouw die je bemint” (Prediker 9:9). Is de boodschap van Prediker dan: doe wat de koning zegt en wat de wet voorschrijft en leef er verder op los?
(…)
De boodschap (van Prediker en van heel Gods Woord – AJ) is dus niet dat wij in gehoorzaamheid aan de wet en de overheid ons leven maar moeten genieten. Dat genieten mag, maar de boodschap is veeleer die van de bede van Franciscus: „Heer, geef mij de berusting om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, geef mij de moed om te veranderen wat ik niet mag aanvaarden, en geef mij de wijsheid om het verschil daartussen te zien.” Die wijsheid dat is weten dat voor alles een tijd is; een tijd om te berusten, een tijd om te vechten, een tijd om te gehoorzamen en een tijd voor verzet. Gelukkig staan we daarbij niet alleen maar mogen ons verzekerd weten van de belofte: „En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” (Matteüs 28:20).

(1) Uit toespraak van mr. J. P. H. Donner op dinsdag 21 juni j.l. in de Waalse kerk in Den Haag waar iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst wordt gehouden.
Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

De Meester: Als je Mij liefhebt…

Als u Mij liefhebt – onderhoud Mijn geboden

Het hier weergegeven citaat is uit Luthers verklaring (1) van Johannes 14 vers 15: ‘Als u Mij liefhebt – onderhoud Mijn geboden.’

“[Wat Christus tegen Zijn discipelen zegt]: ‘Het zijn gemakkelijke geboden die Ik ‘Mijn geboden’ noem. Ik wil u deze geboden alleen opleggen als u Mij liefhebt en deze geboden om Mij graag wilt doen. Ik wil geen Mozes zijn die u drijft en plaagt met dreiging en schrik, maar Ik geef zulke geboden die u ook wel zonder Mijn bevel kunt en zult houden – tenminste als u Mij liefhebt. Want als dat niet het geval is, dan zijn alle geboden tevergeefs – dan zult u Mijn geboden toch niet houden!

Daarom, als u Mijn geboden wilt houden is er maar één ding nodig: dat u Mij liefhebt en overdenkt wat Ik voor u gedaan heb. Dan zult u genoeg redenen hebben om Mij lief te hebben: omdat Ik Mijn lichaam en leven voor u geef en Mijn bloed voor u vergiet. Doe het dan om Mij: blijf onder elkaar één in de liefde en wees vriendelijk voor elkaar. Houd dan ook tezamen vast aan Mijn prediking: zodat u elkaar door de liefde zult dragen en geen scheidingen (2) en sekten zult aanrichten. Want Ik heb het eerlijk en echt verdiend dat u dit doet.

Het is immers een moeilijk werk dat Ik voor u doe en het kost Mijn lichaam en leven om u te verlossen. Ik onderwerp Mijzelf aan de dood en werp Mijzelf in de muil van de duivel en neem zonde en dood van u weg. Ik verwoest de hel en de macht van de duivel. Ik geef u de hemel en alles wat Ik heb. Bovendien zal Ik het door de vingers zien als u soms in zonden valt of afdwaalt, als u zwak en gebrekkig bent, of zelfs in grote zonden valt. Alleen, klem u dan weer aan Mij vast en keer terug naar Mijn liefde en vergeef elkaar, zoals Ik u vergeef, zodat de band van de liefde (2) onder u toch niet wordt verbroken.”

Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis (1537-1538), vgl. WA 45, 553, 28 – 554, 12
(1) Voor jaren werd er op zaterdagmiddag in de stadskerk van Wittenberg gepreekt uit het Evangelie van Johannes. Rond het jaar 1537 werden tijdens de afwezigheid van stadspredikant Johannes Bugenhagen deze diensten waargenomen door Luther. Bugenhagen was in Denemarken, waar hij op verzoek van koning Christiaan III de ook daar begonnen Reformatie bijstond. De theologische opleiding aan de universiteit van Kopenhagen werd georganiseerd, de Bijbelvertaling werd voltooid, de liturgie kreeg de nodige aandacht, de Augsburgse Confessie werd ingevoerd en bij dat alles verrichtte Bugenhagen in alle bescheidenheid onnoemelijk veel werk. De koning wilde hem bisschop maken (zoals bekend zijn er in de Lutherse Kerk bisschoppen), maar een bisdom wenste Bugenhagen niet. Na het voltooien van zijn werk in Denemarken, wilde hij het liefst terug naar de vrienden in Wittenberg.
(2) We hebben hierbij beslist niet alleen te denken aan scheuringen van gemeenten en kerken en het ontstaan van sekten, maar ook aan de verscheuring van de (liefdes)banden binnen huwelijken, gezinnen en families en die van broeders en zusters in de gemeente(n) van onze Heer Jezus Christus.

Bron: www.maartenluther.com

De tien geboden (volgens Joodse indeling; Bron: Wikipedia)

  1. Ik ben de eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.
  2. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
  3. Gij zult de naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken.
  4. Gedenk de Sjabbat, dat gij die heiligt.
  5. Eert uw vader en uw moeder.
  6. Gij zult niet moorden.
  7. Gij zult niet echtbreken (2).
  8. Gij zult niet stelen.
  9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
  10. Gij zult niets begeren dat van uw naaste is.

Het grootste gebod in de wet…

35 Om hem op de proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: 36 ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’37 Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw harten met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38 Dat is het grootste en eerste gebod. 39 Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. 40 Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’ (Uit Matteüs 22)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Gods toorn (1): Vanwege onze hebzucht

Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden…

Troost voor de treurenden (vanwege hun zonden)

14 Toen werd er gezegd:
‘Ruim baan! Effen de weg voor mijn volk!
Verwijder elk struikelblok.’
15 Dit zegt hij die hoog is en verheven,
die troont in eeuwigheid – heilig is zijn naam:
In hoogheid en heiligheid zal ik tronen
met hen die verslagen en onaanzienlijk zijn,
opdat de onaanzienlijke geest herleeft,
opdat het verslagen hart tot leven komt.
16 Want niet eindeloos blijf ik twisten,
niet eeuwig duurt mijn toorn.
Al doe ik de levensadem stokken,
ik ben het ook die het leven geeft.
17 Mijn toorn was op hun zondige hebzucht gericht,
ik heb hen gestraft en me in mijn woede verborgen.
Maar zij gingen onverdroten voort
op de weg die ze zelf hadden gekozen.
18-19 Ik heb gezien wat ze deden ,
maar toch zal ik hen genezen (1), hen leiden
en hun barmhartigheid bewijzen.
Treurenden bied ik troostrijke woorden:
Vrede, vrede voor iedereen, ver weg of dichtbij
– zegt de HEER –, ik zal genezing brengen.
20 Maar de goddelozen blijven onrustig
als de zee, die nooit rust kent;
haar golven woelen vuil en modder op.
21 Goddelozen zullen geen vrede kennen – zegt mijn God.

Uit Jesaja 57

4 Gelukkig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.

Uit Matteüs 5

(1) Ook Gods ware kinderen gaan blijkbaar in de fout met hun hebzucht…
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De heiligen in het hart zien…

…lees de Psalmen en vooral: leer ze meezingen!

In de inleiding bij de vertaling van de Psalmen uit het Hebreeuws (o.a. 1528 en 1545) is de vaak geciteerde uitspraak van Luther te vinden: ‘In de Psalmen zie je de heiligen in het hart.’ Hieronder is de bekende uitspraak binnen de originele context weergegeven:

“Het menselijk hart is als een schip op een onstuimige zee, dat de stormwinden vanuit de vier hoeken der aarde voortdrijven. Hier komt een windstoot van vrees en zorg voor naderend ongeluk. Daar is een windvlaag van kwelling en droefheid om onheil dat is gekomen. Hier waait een wind van ongegronde hoop en verwachting op toekomstig geluk. Daar blaast er één van zekerheid en vreugde in tegenwoordige goederen.

Deze stormwinden leren ons echter ernstig spreken, het hart openen en het tot op de bodem [voor God] uitstorten. Want wie in angst en nood zit, spreekt heel anders over ongeluk, dan hij die in vreugde leeft en daar geen last van heeft. En wie in vreugde leeft, spreekt en zingt heel anders over vreugde dan hij die in angst en vrees zit. Het gaat niet van harte – zoals men zegt – als een bedroefde moet lachen en een vrolijke moet huilen. Dat wil zeggen: hij kan het niet echt uit de grond van zijn hart doen.

Waar is dit oprechte spreken te midden van allerlei stormwinden beter te vinden dan in de Psalmen? Waar vind je heerlijker woorden van vreugde dan in de Lof- en Dankpsalmen? Daar zie je alle heiligen zó in het hart, alsof je in een prachtige bloementuin mag wandelen – ja als in de hemel! Je ziet daar heerlijke en schone bloemen groeien van allerlei schone en heerlijke gedachten tot God vanwege Zijn weldaden.

Andersom: waar vind je diepere woorden van verdriet, ellende en smart dan in de Klaag- en Boetpsalmen? Daar zie je opnieuw alle heiligen in het hart, maar nu als in de dood, ja als in de hel. Hoe duister en donker is het daar vanwege de bedroefde aanblik van de toorn van God? Zo ook, als de heiligen over vrees en hoop spreken, gebruiken zij zulke woorden die geen schilder zo zou kunnen afschilderen. Geen Cicero (1), of de meest welbespraakte mens, zou het beter kunnen uitbeelden.”

Maarten Luther: Bibel 1545. Luthers Vorrede auf den Psalter, vgl. WADB 10.1, 101, 34 – 103, 19
(1) Cicero: Marcus Tullius Cicero (106-43 v. Chr.) was een beroemde Romeinse redenaar, politicus, advocaat en filosoof.

Bron:  www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk | Plaats een reactie

Kijk (en luister) naar de vogels en volg hun levenslust…

26 Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard dan vogels? 27 Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn leven? (Uit Matteüs 6, WV)

Levenslust en levenskracht

“Lang hebben we ons afgevraagd hoe het kan dat zangvogels een klein brein hebben maar toch bijzonder slim zijn”, zegt hij in de Britse krant The Guardian. “Nu hebben we het antwoord. Ze blijken zoveel hersencellen te hebben dat de rekenkracht van hun brein vergelijkbaar is met die van primaten.” (1)

Bij alle onderzochte vogelsoorten zitten de meeste neuronen in de voorhersenen, het deel van het brein waarmee ze complexe taken uitvoeren. Volgens hoofdonderzoeker Pavel Nemec verklaren de bevindingen dan ook het intelligente gedrag dat zangvogels vaak vertonen.

Bron: ‘Zangvogels beschikken over bijzonder veel hersencellen’  (nu.nl/wetenschap)
(1) Opmerking AJ: Wat verwachten we anders bij/van deze schepsels(tjes), die “als geen ander” God dagelijks moeten loven met hun stem.

Verder uit Matteüs 6 (WV):
31 Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? 32 Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt. 33 Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid (2), dan krijg je dat alles erbij. 34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

(2) Laat de Kracht voor dat “eerst zoeken” onze bede om het dagelijks Brood (=Christus) zijn, waarom we dagelijks bidden (vooral te ontvangen door het bidden van het “Onze Vader” gebed).

31 De naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.
32 Dat behaagt de HEER meer dan offerdieren,
dan stieren met hun horens en hoeven.

Uit Psalm 69

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Natuur | Plaats een reactie

En toch voedt uw hemelse Vader ze…

26 Kijk naar de vogels van de hemel: ze zaaien niet en maaien niet en oogsten niet, je hemelse Vader voedt ze. Zijn jullie niet meer waard dan vogels? 27 Wie van jullie kan met al zijn zorgen een el toevoegen aan zijn leven? (Uit Matteüs 6, WV)

Levenslust en levenskracht

“Lang hebben we ons afgevraagd hoe het kan dat zangvogels een klein brein hebben maar toch bijzonder slim zijn”, zegt hij in de Britse krant The Guardian. “Nu hebben we het antwoord. Ze blijken zoveel hersencellen te hebben dat de rekenkracht van hun brein vergelijkbaar is met die van primaten.” (1)

Bij alle onderzochte vogelsoorten zitten de meeste neuronen in de voorhersenen, het deel van het brein waarmee ze complexe taken uitvoeren. Volgens hoofdonderzoeker Pavel Nemec verklaren de bevindingen dan ook het intelligente gedrag dat zangvogels vaak vertonen.

Bron: ‘Zangvogels beschikken over bijzonder veel hersencellen’  (nu.nl/wetenschap)
(1) Opmerking AJ: Wat verwachten we anders bij/van deze schepsels(tjes), die “als geen ander” God dagelijks moeten loven met hun stem.

Verder uit Matteüs 6 (WV):
31 Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? 32 Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt. 33 Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid (2), dan krijg je dat alles erbij. 34 Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

(2) Laat de Kracht voor dat “eerst zoeken” onze bede om het dagelijks Brood (=Christus) zijn, waarom we dagelijks bidden (vooral te ontvangen door het bidden van het “Onze Vader” gebed).
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Natuur | Plaats een reactie

De enige manier om van Nederland wat te maken…

“De énige manier om van Nederland wat te maken, is om iemand aan het hoofd  te zetten die wat te vertellen heeft,” (1) laat hij weten. Mens gunt Nederland “een sociale, nette Poetin.” (Harry Mens geciteerd op CIP.nl)

“Ik zei al: ook voor mij was de dominee de man van de preekstoel, de man van de verkondiging, meer de man van ‘boven’ dan van ‘beneden’.” (ds. Arie van der Veer geciteerd op CIP.nl)

“Discipelschap is een antwoord op de leegloop van de kerken.”  (…)  “Hiervoor zijn eigenlijk alle (lees: alleen – AJ) gemeenteleden nodig. Ze moeten net als de discipelen van Jezus leren wat het inhoudt om Zijn evangelie uit te leven en uit te dragen.” (Hetty Voogel geciteerd op CIP.nl)

(1) Vroeger kregen de mensen die Nederland, ons volk, werkelijk wat te vertellen hadden, ’s zondags tweemaal op de preekstoel gelegenheid om door te geven wat hun aller Raadsheer en hemelse Opdrachtgever ons volk (niemand uitgezonderd) te vertellen had en heeft. En veel hoorders wisten (nog) van hun opdracht om daarna te toetsen of de verkondigde woorden ook werkelijk als het Woord van hun hemelse Raadgever moest worden beschouwd. En wanneer bleek dat hun met die woorden werkelijk weer de Waarheid was verkondigd, dan beseften ze (als het “goede hoorders” waren) dat het verkondigde Woord ook gehoor gegeven en toegepast diende te worden in de dagelijkse levenspraktijk.

14 Maar jij, blijf bij alles wat je geleerd hebt en met overtuiging hebt aangenomen. Je weet wie je leraren waren 15 en bent van kindsbeen af vertrouwd met de heilige geschriften die je wijsheid kunnen geven, zodat je wordt gered door het geloof in Christus Jezus. 16 Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven, 17 zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust.

1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. 3 Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hun naar de mond praten. 4 Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels.

5 Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het evangelie doen, je dienende taak vervullen.
6 Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. 7 Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien.

(Apostel Paulus geciteerd – 2 Timoteüs 4)

Lees ook: Uit Handelingen 20…

Geplaatst in Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Zeventig jaar na WO II – opnieuw lijken op de stranden van Europa…

Jonge Amerikaanse soldaten arriveerden in WO II op Europese stranden om daar te beginnen aan een strijd tegen een tirannieke overheersing en om deze eerst te veroveren op de vijand teneinde West Europa haar vrijheid terug te kunnen geven. Veel van deze jonge mensen kwamen toen gewond, stervend of  dood op onze stranden te liggen. Voor onze vrijheid hebben velen van hen hun leven moeten en ook willen geven. Een vrijheid waarvan wij in West Europa, nu inmiddels gedurende meer dan zeventig jaar, nog altijd de zegeningen en voordelen genieten.

Wij Europeanen belaagden en veroverden niet lang na WO II ook steeds meer stranden en dat ook in landen, waar veel mensen nog steeds zuchten onder de meest tirannieke vorm van overheersing die er maar is (namelijk velen niet bevrijd met en door de boodschap van het Evangelie). Wij Nederlanders en andere Europeanen kwamen daar echter niet om een vrijheidsstrijd te gaan voeren  en om daar op die stranden en in die landen zo nodig ons leven te geven voor de bevrijding van deze mensen, maar we arriveerden daar voor onszelf, als zelfvoldane en zelfgenoegzame toeristen, waarvan er ook velen op de stranden kwamen te liggen, maar dan niet als slachtoffers, maar vooral om daar aangenaam bruin te liggen bakken in de zon.

En vreemd genoeg, nu worden zomaar, na meer dan zeventig jaar bevrijding, onze Europese stranden (en grenzen) opnieuw bezocht en belaagd door mensen, waaronder ook weer veel jonge mensen. Maar deze komen nu niet hier naar toe om te strijden en zo nodig hun leven op te offeren voor ónze vrijheid en om óns  land weer te helpen opbouwen en om ónze welvaart te herstellen, maar zij komen hier uit nood én om op ons een beroep te doen. Ze komen hier naar toe met de vraag om hén te helpen, om hén te bevrijden van vervolging, ziekte en hongersnood en uit landen waar hun levens voortdurend worden bedreigd. De omgekeerde wereld, zo lijkt het voor ons hier in West Europa.

Wat echter zeker zo vreemd is, het lijkt er nu veel op, dat wij zeventig jaar na onze bevrijding liefst helemaal geen boodschap – ook niet de Evangelieboodschap, maar dat was al langer een probleem (1) – (meer) hebben aan en voor deze mensen. Die vrijheid en de welvaart die wij hier hebben opgebouwd, die lijkt of is inmiddels helemaal zozeer onze zaak en ons eigendom geworden, dat gedachten om anderen hierin te laten delen ons tegen de borst stuiten.

Natuurlijk, zo lijkt er gedacht te worden, die bevrijding indertijd aan het eind van WO II en de heropbouw van onze landen daarna, dat lukte ons toen even zelf niet meer. Daar hebben we inderdaad toen wat buitenlandse hulp bij nodig gehad. Maar, alles wat we na dat vervelende intermezzo van WO II, hier in Europa weer aan vrijheden en welvaart hebben opgebouwd, dat hebben we toch echt helemaal weer aan onszelf te danken gehad. Het is vandaag-de-dag toch niet goed denkbaar meer, dat anderen nu zomaar van ons vragen mogen, dat we die verworvenheden gaan opofferen, omdat er elders in de wereld problemen zijn ontstaan. Men meent toch niet dat, net zoals de Amerikanen en Engelsen indertijd, wij nu ook bereid moeten zijn om eigen mensen op te offeren voor deze zaak en dat van ons gevraagd kan worden, dat we heel onze samenleving en economie gaan herinrichten om ook deze mensen, hier of elders, vrede, vrijheid en welvaart te kunnen bezorgen?

Nee, zo’n mate van zelfopoffering van mensen en welvaart voor een op zich belangrijke en goede zaak, dat is beslist niet meer van deze tijd… Dat valt toch ook niet (meer) te verkopen aan de mensen… Daar zal de politiek toch echt andere oplossingen voor moeten bedenken!

(1) Of kunnen en moeten wij, als Europese christenen, erkennen en belijden, dat wij als christenen na WO II toch wel iets vergeten zijn om te doen…?!

 Zie ook webpagina: Paulus verkondiging sticht(te) wereldwijde broederschap…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie