In het huis van moord en leugen…

Luther schrijft een troostbrief (1527) aan de ‘lieve vrienden van Christus’ in Halle. De brief aan de gemeente te Halle was naar aanleiding van de moord op ‘de goede en vrome man, magister Georg Winkler uit Bischofswerda’, verder: dat de gemeente ‘daardoor ook van hun trouwe predikant en Gods Woord beroofd werd’. Een deel van deze brief is terug te vinden in het onderstaande citaat:

(…) “Aan u echter en aan ons, lieve vrienden, moet het toch tot troost en vrede zijn: dat het geen wonder is dat zulke moorden en rampen in de wereld gebeuren. Want dit aardse leven is geen leven, maar een moordkuil – aan de duivel onderworpen. Christus zegt immers dat de duivel de ‘vorst van deze wereld’ is, en ook dat hij ‘vanaf het begin een moordenaar en leugenaar’ is (vgl. Johannes 14:30; 16:11; 8:44). Wanneer we nu in deze wereld zullen en moeten leven, dan moeten we ook begrijpen dat we gasten zijn en in een herberg wonen, waar de waard [of: herbergier] een doortrapte schurk is, en dat aan zijn huis, boven de deur, een uithangbord of wapenschild hangt, waarop geschreven staat ‘IN HET HUIS VAN MOORD EN LEUGEN’.

Want dit merkteken en wapenschild heeft Christus Zelf boven zijn deur en aan zijn huis gehangen – en wel als Hij zegt: dat de duivel een moordenaar en leugenaar is. Een moordenaar om het lichaam te doden, een leugenaar om de ziel te bedriegen – dat is zijn bezigheid, zo houdt hij huis, zo gaat het in deze herberg toe, dat zal niet veranderen. En wie tot zijn helpers behoren, die moeten hem daarin bijstaan. Wie echter zijn gast is, die moet maar afwachten wat er met hem gebeurt en zijn leven wagen.

Dit weten we ook bij ondervinding. Want de duivel laat duidelijk zien dat hij een moordenaar is: omdat in de wereld zoveel wordt gemoord: op het water, in bossen en velden, in huizen en hoeven, overal. Daar wordt iemand doodgestoken, hier breekt iemand zijn nek, hier verdrinkt iemand, daar verbrandt een ander, deze komt onder een muur, die wordt verscheurd door de wolven. Zo kunnen we wel doorgaan, omdat er ontelbare manieren van sterven zijn. In dit alles heeft de duivel zijn hand, door zichzelf of door zijn helpers.

Het begint pas echt als in de hele wereld oorlog uitbreekt en het overal enkel oorlog en moord, strijd en bloedvergieten wordt en dat zonder ophouden en einde, precies alsof de mensen tot niets anders dan tot moorden geboren waren, ja dat ze niet konden sterven of ze moesten zichzelf en elkaar doden en vermoorden. Maar de duivel vermoordt nog met het meeste plezier hen die Christus’ Woord in zijn herberg willen verkondigen, want die kan hij onmogelijk verdragen. Zij maken zijn gasthuis verdacht en maken alom bekend dat hij een moordenaar en leugenaar is.”

Maarten Luther: Tröstung an die Christen zu Halle 1527 (Drucke), vgl. WA 23, 403, 34 – 405, 27

(…) Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest. Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen.  (Johannes 8 : 44)

Bron:  www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Al ga ik door een dal…

(…) Laat maar komen wat wil. Stormen kunnen om mij heen opsteken, belagers kunnen mij aanvallen, enorme vloedgolven van tegenspoed kunnen mij dreigen te verzwelgen. Maar omdat Hij in al die omstandigheden bij mij is, zal ik het aankunnen.

Om zó te kunnen leven zijn er wel bijzonder lange en moeilijke klimpartijen door valleien en over ruige paden naar hogere weidegronden aan vooraf gegaan: naar dat hogere, heilige, kalme en gezonde leven met God. Alleen de christen die heeft geleerd op deze wijze te leven, is in staat om de zwakkere broeders en zusters om hem heen te bemoedigen en te inspireren. Teveel mensen zijn uit hun balans en bevreesd. Zij verkeren in een paniekstemming door al die levensstormen. We beweren wel, dat we vertrouwen hebben in Christus, maar als de eerste donkere schaduwen over ons vallen en de paden waarop we gaan, er somber uitzien, raken we al snel in een toestand van wanhoop. Soms is dat zo erg, dat we maar het liefst het bijltje erbij neergooien of er een einde aan willen maken. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn!

Wie een krachtig vertrouwen in Christus heeft, wie zelf heeft ondervonden dat God met hem is in tegenspoed en wie onbevreesd door de dalen van diepe duisternis kan gaan met opgeheven hoofd, is iemand die op zijn beurt weer een bolwerk van kracht en een bron van inspiratie voor de medemens is. Er zullen heus voor ons allen wel de nodige dalen van diepe duisternis komen. De Goede Herder zelf heeft ons verzekerd: „In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Johannes 16 : 33).

De vraag is niet of wij door veel of weinig diepe dalen zullen moeten gaan en ook niet of die dalen werkelijk donker of alleen maar schemerachtig zijn. De vraag is: Hóe reageer ik daarop? Hóe ga ik er doorheen?

Hóe verwerk ik de rampspoeden die op mijn weg komen? Samen met Christus zie ik al die dingen kalm onder ogen. Met zijn genadige Geest als gids kan ik ze onversaagd tegemoet treden. Zo heb ik de zekerheid, dat ik door de duisternis van de valleien tot een hoger gelegen weidegrond kan opklimmen, achter onze Heer. Aldus zal niet alleen ik worden gezegend, maar zal ik op mijn beurt weer een zegen zijn voor anderen, die in angst en vrees leven.

4 Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,
ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij;
uw stok en uw staf, die vertroosten mij.
(Uit Psalm 23)

Bron: Hoe een herder Psalm 23 ziet – Philip Keller: woonde jarenlang tussen eenvoudige herders in Oost Afrika, daarnaast acht jaar eigen ervaring als schapenfokker en later werkzaam als predikant en herder van “zijn (mensen)kudde”.

7 Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. 8 Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij. 9 Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur. 10 Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken. 11 Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. (Uit Jakobus 5)
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een onverwacht en onverdacht pleidooi…

voor “doorgaande prediking” (1) en voor catechismus-prediking…

Een algemeen aanvaarde maar ernstige misvatting is, dat schapen het overal kunnen uithouden en overal wel hun kostje kunnen ophalen. De werkelijkheid ligt wél anders. Geen enkele ander soort vee heeft zoveel persoonlijke en zorgvuldige leiding en behandeling nodig als schapen. Zonder twijfel had David, zélf een herder, dit door de harde ervaring geleerd. Hij wist dat als een kudde goed wilde gedijen en dus ook de reputatie van de eigenaar op het spel stond, de schapen voortdurend onder goede en vakkundige leiding moesten blijven.

De beste bescherming, die een herder zijn kudde kan bieden, is ze constant in beweging te houden. Dat wil zeggen, dat hij ze niet te lang op dezelfde grond moet laten grazen. Ze moeten regelmatig en periodiek van het ene naar het andere veld worden gebracht. Dit voorkomt het „overbegrazen” van de weidegronden. Voorts voorkomt dit de infectie (of het opnieuw besmet worden) van de schapen met parasieten, omdat de dieren alweer verdwenen zijn, voordat deze organismen hun levenscyclus hebben voltooid.

Met andere woorden: er moet een van tevoren uitgestippeld plan zijn, een weloverwogen schema om op de juiste wijze steeds van weidegrond te wisselen. Dit is precies het soort rouleringsschema, dat David in gedachten had toen hij sprak over het leiden in de rechte sporen. In dit volgen van een vooraf uitgedacht plan de campagne ligt het geheim van gezonde kudden en goed onderhouden weidegronden. Hier ligt de sleutel tot een succesvolle schapenteelt. De naam en hele reputatie van een fokker staat of valt met de wijze waarop hij zijn beesten naar gezonde, verse voederplaatsen weet te leiden.

Eenzelfde procedure wordt trouwens ook gevolgd door rondtrekkende herders tijdens hun zomertrektocht. Ook zij drijven hun kudden weloverwogen bijna dagelijks op verse weidegronden, waarbij van tevoren zorgvuldig een soort schema wordt uitgewerkt, waardoor de schapen niet te lang en te dikwijls op dezelfde gronden grazen. Sommige van zulke herders slaan dan een basiskamp op en waaieren van daar in wijde cirkels uit, ongeveer zoals de blaadjes van een klaverblad. Op die manier betrekken ze elke dag een vers stuk grond en keren dan ’s avonds naar hun kamp terug. Met dit hele concept hangt uiteraard een grondige kennis van de terreinen door de eigenaar ten nauwste samen. Hij weet uit ervaring alle voor- en nadelen. Hij weet waar zijn kudde goed aan haar trekken komt en ook waar maar weinig voedsel voor ze te halen valt.

(1) Doorgaande prediking: Dan kiest een predikant voor het bepreken van één of meer opeenvolgende Bijbelboeken. Dit soort prediking bewaart een predikant veel meer dan “thema-prediking” of het bepreken van afzonderlijke Bijbelgedeelten of teksten voor eenzijdigheden, selectiviteit en het “berijden van stokpaardjes”.
Velen zijn tegenwoordig toch wel wat jaloers op wat de RK-kerk door tradities te eren heeft weten te bewaren, maar zij hebben deze tradities (deels) een gezag en onfeilbaarheid toegekend waar je niet mee uit de voeten kunt/wilt. Is er niet heel veel reden om onze Heidelberger catechismus en de andere belijdenisgeschriften – die toch nooit officieel tot onfeilbare schriften zijn verheven – te blijven eren als meest optimale vorm en methode van behoud van traditie van Schriftverstaan en Schriftuitleg zoals aan ons doorgegeven door de Kerk (dus door degenen die ons zijn voorgegaan in het belijden en bewaren van het geloof).

Bron: Hoe een herder Psalm 23 ziet – Philip Keller (woonde jarenlang tussen eenvoudige herders in Oost Afrika, daarnaast acht jaar eigen ervaring als schapenfokker en later werkzaam als predikant en herder van “zijn (mensen)kudde”)

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Diversen, Gemeente, Natuur | Plaats een reactie

God heeft zijn schepping prijsgegeven…

Uit Liefde!

4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. 6 En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. (Uit Genesis 3)

God heeft in Zijn Liefde de mens als schepsel zo hoog naar zich opgetrokken, dat de mens beelddrager van God genoemd kon worden en dat hij de hoogste plaatsbekleder van God kon en mocht zijn op aarde. God heeft de rijkdommen die in Hem te vinden zijn, door Zijn Woord en Geest in Zijn schepping gelegd en deze rijkdommen vooral met Zijn schepsel, de mens willen delen. Daarom is de mens met zulke bijzondere gaven begiftigd. Alleen één ding werd door God aan de mens onthouden, er bleef iets van God voor de mens verborgen en dat was de kennis van goed én kwaad. God heeft dat verschil met Hem niet verborgen willen houden, maar aan de orde gesteld, door de mens te confronteren met de boom van kennis van goed en kwaad in het midden van de hof en door zijn waarschuwing om daar niet van te eten. Hiermee vroeg God van de mens om liefdevol en gelovig zijn vertrouwen te geven aan Hem en aan het door Hem gesproken Woord.

Dat gelovig God op Zijn Woord vertrouwen en Hem daarmee liefde schenken, dat wilde God ook op de proef stellen. Op zo’n manier op de proef stellen, dat de mens zijn geloof en vertrouwen niet alleen kon geven aan God en aan Zijn Woord, maar ook aan het woord en de vermogens van schepselen. Eén van die schepselen, de boze, was door God “in het leven geroepen” om een rol te spelen in het op de proef stellen van de mens. De rijk begiftigde mens had zulke grote verstandelijke vermogens gekregen, dat hij kon overwegen Gods Woord in twijfel te trekken of niet. Toen de boze zijn woorden gesproken had, meende de mens, dat die woorden wel eens meer te vertrouwen konden zijn en meer waar, dan het door God gesproken Woord over de boom en zijn vrucht. Daarmee gaf de mens de brui aan Gods liefde en het liefhebben van God en daarmee gaf de mens zijn vertrouwen aan het schepsel: de persoon en woorden van de boze, de kracht van de verboden vrucht en de eigen verstandelijke vermogens (denkkracht).

Deze daad van de mens heeft God niet onverwachts overvallen. Deze daad moet zelfs al direct in het scheppings- en verlossingsplan van God opgenomen zijn geweest. Omdat de mens menen (denken) kon, dat niet uit liefde de kennis van het kwaad hem onthouden werd en dat hij onnodig en onterecht vanwege dit gebrek aan kennis de mindere van God moest zijn.
Maar om het kwaad te leren kennen, daarvoor moest de mens wel eerst zijn vertrouwen geven aan de woorden van een andere persoon dan God zelf. Een persoon die beslist niet deel uitmaakt van de drie eeuwige Personen van onze Drie-enige God, maar die alleen kon en kan bestaan als schepsel. Het kwaad is zo wezensvreemd aan God zelf, dat God hiervoor een schepsel in het leven moest roepen.

Met het geloof hechten aan de woorden van de boze en met het eten van de verboden vrucht, sneed de mens zich los van de werkelijke Krachtbron van heel zijn wezen en heel zijn bestaan. De mens leverde zich uit aan de gewelddadige macht van de boze en aan de nu voortaan naar chaos tenderende krachten van de door God prijsgegeven schepping. Zoals te verwachten was, kon Gods Woord niet door zijn schepselen gebroken worden en daarom werd de mens, precies zoals God al gewaarschuwd had, tot een sterfelijk wezen gemaakt en werd de aarde prijsgegeven aan de boze en aan zinloosheid…

20 Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, 21 in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. (Uit Romeinen 8)

Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben.(Johannes 3:16)

 Zie ook webpagina: De mensenliefde Gods in Christus Jezus…

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Gods toorn (4) over alle ongerechtigheid…

Over alle hoogmoed van ongelovigen

Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft (1)
(Uit Psalm 91)

Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden…

19 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend
omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt.
20 Zijn onzichtbare eigenschappen
zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken,
zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.
Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn,
21 want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en de dank gebracht
die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos
en hun onverstandig hart is verduisterd.
22 Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas
23 en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God
ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen,
vogels, lopende en kruipende dieren.
24 Daarom heeft God hen in hun lage begeerten
uitgeleverd aan zedeloosheid,
waarmee ze hun lichaam onteren.
25 Ze hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen;
ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper,
die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.
26 Daarom heeft God hen uitgeleverd aan onterende verlangens.
De vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke,
27 en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met vrouwen losgelaten
en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand.
Mannen plegen ontucht met mannen;
zo worden ze ervoor gestraft dat ze van God zijn afgedwaald.
28 Omdat ze het beneden hun waardigheid achtten God te erkennen,
heeft God hen overgeleverd aan hun eigen onbetrouwbaarheid
en doen ze wat verwerpelijk is.
29 Ze zijn door en door onrechtvaardig en boosaardig, hebzuchtig en slecht.
Ze zijn door en door afgunstig, moordzuchtig en twistziek, doortrapt en kwaadaardig.
Ze roddelen 30 en spreken kwaad, haten God, zijn hoogmoedig, trots en verwaand.
Ze zijn vindingrijk in het kwaad, tonen geen ontzag voor hun ouders,
31 zijn kortzichtig en trouweloos, zonder liefde en onbarmhartig.
32 En hoewel ze het vonnis van God kennen
en weten dat mensen die dergelijke dingen doen
de dood verdienen, doen ze dit alles toch.
Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook doen.

Uit Romeinen 1

8 Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.

(1) Dat zijn de ogen van het geloof, die door het luisteren naar het Woord van God (hiervoor) geopend worden (zie Psalm 40 : 7-9). En dan (dus ook) acht geven op Gods toorn, eerst en vooral in eigen leven (o.a. Kolossenzen 3 : 6). Heel belangrijk dat we het verschil tussen succes en zegen leren inzien. Succes eert de mens of iets in of van het schepsel (bijv. onze eigen aanpak, iets van de wetenschap), zegen eert God. Vroeg of laat blijkt succes dan ook helemaal geen zegen te zijn en zal zich zelfs tegen ons en tegen bijvoorbeeld de gemeente keren (Zie o.a. Genesis 14 : 21-24 en – o.m. Psalm 16, 37 en 73 en Openb. 2 : 8-11 en 3 : 1-6 )

10 Die de volken leidt, de mensen leert
en vermaant – zou hij niet straffen?
11 De HEER kent de mensen,
niet meer dan lucht zijn hun gedachten.

12 Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid
en onderwezen in uw wet en uw leer.
13 Hij zal rust vinden in kwade dagen,
terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven.

Uit Psalm 94

Zie voor meer over dit onderwerp pagina’s onder: Gods toorn

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Laat de Heer uw vreugde blijven…

4 Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd. 5 Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij. 6 Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden.7 Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren. (Uit Filippenzen 4)

Jaarlijks werd er volgens een eeuwenoude orde van evangelie-voorlezingen minimaal één keer gepreekt over Johannes 3 vers 16 (of vers 16 tot 21). De drie volgende citaten komen uit een preek die Luther op tweede Pinksterdag 1534 thuis in besloten kring heeft gehouden (1).

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben’ (Johannes 3:16, weergave DB 1545).

(…) Dit evangelie is een van de heerlijkste preken die u in het hele Nieuwe Testament kunt vinden. Eigenlijk moest dit evangelie – als dat mogelijk was – met gouden letters in onze harten geschreven staan. Iedere christen moest in ieder geval deze tekst uit het hoofd kennen en alle dagen een keer in gedachten opzeggen. Dan zouden wij er helemaal mee bekend worden en de woorden beter leren verstaan. Want het zijn woorden waardoor een bedroefd hart vrolijk en een dood mens weer levend wordt gemaakt – tenminste als u deze woorden in het geloof aangrijpt. Het is helaas niet mogelijk deze heerlijke prediking in woorden uit te drukken. Daarom moeten wij God ernstig bidden dat Hij, door Zijn Heilige Geest, deze woorden beter in ons hart verklaart, dan wij er over kunnen spreken. Ja, dat Hij deze woorden zo vol licht en vuur maakt, dat we er troost en vrede van mogen ontvangen.

(…) Dit Geschenk moest ook louter vuur en licht in onze harten worden, zodat wij nooit meer zouden ophouden om van vreugde te dansen en te springen. Want zoals de Gever en Zijn liefde oneindig en onuitsprekelijk zijn, zo is ook de Gave oneindig en onuitsprekelijk. U geeft Uw enige Zoon! O God, wat hebt U Zelf nog gehouden? U geeft U Zelf en alles wat U hebt met Uw Zoon, zoals Paulus in de brief aan de Romeinen [8:32] zegt: ‘Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?’
Het mag zijn wat het wil: duivel of dood, hel of hemel, zonde of gerechtigheid, leven of dood; alles, alles moet het onze zijn, aangezien de Zoon in Wie al de volheid Gods woont, als Geschenk en Eigendom aan ons is gegeven.

(…) Wie dit gelooft, wordt zeker zalig. Want dit Geschenk is immers zo groot dat het dood, zonde en alle ongeluk wegneemt, zoals een druppeltje water verdwijnt als je het in een grote vuuroven laat vallen. Zo spoedig als de zondaar Christus aanraakt – en Christus door het geloof aangrijpt – zijn de zonden weg en verdwenen, zoals een strohalmpje in een groot vuur verbrandt of een zandkorreltje verdwijnt in de diepte van de zee. ‘Zo lief heeft God de wereld gehad’, zijn levende woorden die in goud geschreven staan. O God, geef toch dat wij ze ook echt met ons hart zullen verstaan!

(1) De preek is naar een afschrift van Luthers tafelgenoot en secretaris Georg Rörer (1492-1557). De preken die ons door de hand van Rörer zijn nagelaten, worden tot de meest nauwkeurige en letterlijke weergaven van Luthers preken gerekend.

Maarten Luther: Nachträge zu den Predigten des Jahres 1534, vgl. WA 41, 753 ff, weergave: W(2) 13b, 2094 ff (Rörer)
Complete preek: Als er lezers zijn die belangstelling hebben voor de hele preek en deze digitaal in hun mailbox willen ontvangen, dan kan dat via het e-mailadres info@maartenluther.com worden aangevraagd!

Bron: www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Kerk brengt geen goed nieuws (meer)…

…Hoe vertel je het evangelie aan de moderne mens?

N.a.v. uitspraken van Gert-Jan Roest: artikel ND van donderdag 7 juli 2016.

“Eeuwenlang brachten de kerken in het Westen het evangelie op zo’n manier dat ingespeeld werd op de levensvragen van mensen” aldus een uitspraak van Gert-Jan Roest, zoals opgetekend door de ND-verslaggever Gerald Bruins in het genoemde artikel. Blijkbaar is dat één van de conclusies die Gert-Jan Roest meent te kunnen en mogen trekken, na twaalf jaar lang onderzoek en werken (“tussen de bedrijven door”) aan zijn proefschrift…

Maar, Paulus waarschuwde toch in zijn tijd al dat het Evangelie niet “naar de mens” is. Het waren in zijn tijd beslist ook niet velen en ook niet veel aanzienlijken en machtigen die gehoor wilden geven aan het evangelie. Dat er toch hoorders gevonden werden, werd door Paulus dan ook volledig toegeschreven aan de kracht en het werk van de Heilige Geest en aan de voorliefde en speciale aandacht die God altijd heeft voor wat onaanzienlijk en veracht is. Bij zijn volksgenoten vond hij vrijwel steeds afkeer voor zijn boodschap en bijna overal waar hij kwam veroorzaakte dat bijna steeds weer (joodse) ergernis en tweespalt en “de Grieken” wilden beslist ook graag wat anders horen…

Later in de geschiedenis van de kerk is het niet anders geweest. Luther was in zijn worsteling niet bezig om te ontdekken wat nu de werkelijke levensvragen waren van de mensen uit zijn tijd, om daarna de kerk in de gelegenheid te stellen om daar voortaan met “Luthers nieuwe theologie” op in te spelen. Het was Gods genade dat Hij (God!) door het werk van de Heilige Geest de oren en de harten van velen in de Reformatietijd weer opende om (alleen) te willen luisteren naar wat “de Geest tot de gemeenten te zeggen heeft”…

Toch meent Gert-Jan Roest dat het nu tijd is voor “een andere aanpak” in onze kerken/gemeenten en om zijn gelijk te ondersteunen citeert Gert-Jan Roest ook een “christen” (aanhalingstekens AJ), die tegen hem zei: “Ik weet alle antwoorden vanuit de Bijbel maar het doet me niets meer”.  Blijkbaar heeft de Heilige Geest met Gods Woord op geen enkele manier zegenrijk kunnen werken in het hart van deze “christen” en is Hij niet bij machte geweest hem (of haar) Christus daaruit “aan te reiken” en mede daarom wordt het nu hoog tijd voor Gert-Jan’s nieuwe aanpak en oplossingen (de “nieuwe theologie” van Gert-Jan Roest)…
Dat we blijkbaar (heel) wat van deze “nieuwe theologie” mogen verwachten en hoezeer deze te vertrouwen valt, brengt deze theoloog als volgt onder woorden: “Om direct een mogelijk misverstand uit de wereld te helpen: in mijn theologie blijft de genade van God centraal staan”. Deze “nieuwe theologie” blijkt dus zelfs “de theologie van Paulus” (1) te kunnen overklassen, want de laatste moest zich blijkens de brief aan de Galaten bij deze mensen al gauw beklagen met de woorden: “Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt gekeerd.” (Galaten 1 : 6)

Nu leren we toch ook uit Gods Woord, dat de afkeer van het Evangelie-woord en afvalligheid altijd begint bij het kerkvolk zelf en dus binnen de kerk (zowel in OT als in het NT!) en dat deze altijd weer voortkomt uit het niet meer goed willen luisteren naar en eerbiedig aannemen van het tot ons gesproken (verkondigde) Woord van God. Maar die gewone verkondiging van het Woord van God, daar wil en durft men niet veel (meer) van verwachten en dat is natuurlijk ook geen “nieuwe theologie” te noemen. Van dat laatste daar moeten we het tegenwoordig blijkbaar toch vooral van hebben en van verwachten in de kerk – de gemeente(n) van onze Heer Jezus Christus! – en bij wat de kerk de “buitenwereld” nog te zeggen (verkondigen) heeft. En met Paulus beperking van de verkondiging tot “Jezus en Die gekruisigd”, daar kunnen we vandaag-de-dag natuurlijk niet meer mee aan komen, want bij dat soort prioriteitstelling in de verkondiging, komt natuurlijk onmiddellijk onze zondeschuld aan de orde en centraal te staan… En met die zondeschuld, daar moet je bij de hoorders uit onze tijd (zowel binnen als buiten de kerk) niet mee aankomen, daar is geen antenne meer voor…
Maar, wanneer was/is “het publiek” dan wel vanuit eigen problematiek en (levens)vragen daarvoor ontvankelijk geweest?

Binnen het denken van de huidige communicatie-wetenschap past natuurlijk niet zoiets als “de inbreng en het onzichtbare werk van de Heilige Geest” (of juist het ontbreken daarvan) en de weerstand die dat werk oproept bij de “natuurlijke mens” en daarom – zo meent blijkbaar ook Gert-Jan Roest – moet de boodschap wel worden aangepast, wanneer duidelijk is geworden en/of aangetoond dat de (gewone) Bijbelse boodschap en de verkondiging daarvan de hoorders niet meer bereikt…

En wanneer de gemeente van Jezus Christus ook liefst en vooral wordt beschouwd als een organisatie, die (vooral en eerst) antwoord moet geven op de (levens)vragen van de moderne consument en die zich ook moet afstemmen op de behoeften daarvan (in de liturgie bijvoorbeeld), en dat de antwoorden alleen aangereikt kunnen worden vanuit “oude of nieuwe theologie”, dan moeten er natuurlijk liefst z.s.m. nieuwe oplossingen (zoals theologen die konden of kunnen ontwikkelen!) worden aangedragen. 

Dat er ook een tijd kan zijn dat het Woord van God geen gehoor meer vindt, omdat de hoorders alleen nog willen afstemmen op wat ze zelf graag willen horen, dat blijft in het genoemde artikel volledig buiten beeld. Of er oordeel schuilt in de verschuiving van een schuldcultuur naar een schaamtecultuur, omdat men het Woord niet meer beluisteren wil, zoals het zich bij ons aandient (Gods Woord verkondigen “zoals het ons gegeven is” (2)), daar wordt geen aandacht aan gegeven. En de reden zal wel zijn: De huidige consument bekommert zich helemaal niet om het oordeel van God…

Maar – en dat dient doorslaggevend te zijn – Gods Woord leert ons duidelijk om aan die aspecten (oordeel en verharding, gesloten oren en harten) wél aandacht te geven en om daar wél rekening mee te houden. En aandacht besteden (in de verkondiging) aan de aandacht die Gods Woord geeft aan deze aspecten, daaraan mogen we ons gebed om zegen toevoegen…

Volgens Gods Woord kan er echter zeker een tijd komen of al aangebroken zijn, dat wij als christenen niet meer met evangelie-woorden, maar alleen nog door onze christelijke daden kunnen laten zien (en mogelijk ook nog duidelijk kunnen en mogen maken aan anderen) vanuit welke hoop en door welke kracht wij leven en werken. En dat we alleen maar kunnen (of moeten) wachten op de momenten waarop de mensen om ons heen ons vragen gaan stellen over wat ons beweegt en uit welke Bron wij putten. En dat het mogelijk is dat we dan met onze woorden alleen nog maar verbazing en onbegrip zullen wekken en/of vinden.

(1) Paulus verkondigde als evangelist voor de heidenen geen “leer over God” (theologie), maar Hij bracht hen met de autoriteit van een apostel (gezant van Jezus Christus) het heilig Evangelie, dat is kort gezegd verkondiging van “Christus en Die gekruisigd” (vanwege onze zondeschuld). En in de gemeenten was hij bezig met de verkondiging en onderwijzing van heel Gods Woord (toentertijd m.n. met en vanuit het OT) waarvan de hoorder (of lezer) de kracht en de zegen zal ondervinden (zie Jesaja 55), tenzij hij zich daarbij of daarna verzet tegen dat Woord en het werk dat de Heilige Geest met dat Woord in zijn hart verricht(te). Dit laatste kan gebeuren door de boze gelegenheid te geven om het gezaaide woord weg te roven uit zijn of haar hart, bijvoorbeeld door wereldse gezindheid en begeerten. Dat Paulus niet een soort nieuwe leer (theologie) verkondigde, waar de mensen van zijn  tijd wat mee konden (*), blijkt misschien nog wel het duidelijkst in Athene, waar ze toch een voorliefde hadden voor het aanhoren van “een nieuwe leer”, maar waar de meerderheid met de Woordverkondiging van de apostel Paulus niets kon en er daarom verder ook geen aandacht meer aan wilden besteden (enkele uitzonderingen daargelaten). Gert-Jan Roest zal natuurlijk vast graag naar een oplossing (een meer “passende theologie”) hebben gezocht door onderzoek te doen naar de (levens)vragen van die afkerige Atheners, om op basis daarvan Paulus voor te stellen om daar z’n boodschap (theologie) toch eens wat meer op af te stemmen…
(*) Helaas (en verbazingwekkend genoeg) zijn er inderdaad mensen die zich zelfs bij Paulus verkondiging wagen aan uitspraken als: “Paulus wist met zijn leer en richtlijnen naadloos aan te sluiten bij de heersende cultuur”.  
(2) Citaat uit preek van ds. J.W. Verheij over 1 Samuel 1 (nr 1 van 6) (16-8-1970):
Mij werd onlangs gevraagd: U behoort toch niet tot de verontrusten? Ik heb geantwoord, dat er mijns inziens wel wat meer echte, door de Heilige Geest gewerkte verontrusting mocht komen.
Ik hoop, dat dat goed is begrepen. Wij moeten vuurbang zijn voor georganiseerde verontrusting en voor een bepaalde vorm van conservatisme. Maar wij moeten wel weten dat het totaal gemis aan verontrusting bij veel kerkmensen in onze tijd een bewijs is van geestelijke verblinding en van gebrek aan waarachtig geestelijk leven.
Wat is echte verontrusting? En waarom moeten wij bidden dat die er toch bij velen komen mag?
Het antwoord op deze vragen vinden wij alleen, als wij goed naar Gods woord luisteren. Dan zullen wij het onderwijs van de Schrift nemen zoals het ons gegeven is.
Zie ook: “Kerk moet aantrekkelijk zijn voor Hém” – prof. dr. A van de Beek (2004, Digibron)

@preachingwannahearorTruth

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Over laatst gegeven les van natuur- en kind-liefhebber Eli Heimans…

Bron: Heimans en Thijsse Nieuwsbrief – Nummer 50 juni 2016

Laatste gedeelte uit verslag van les met proefjes met waterstof…

Getekende koppen heimans en ThijsseEn toen? Och, ik wou dat ge toen de uitbarsting van vroolijkheid hadt bijgewoond in de 5e klasse (groep 7, basisschool – AJ) der Hendrik Westerschool. Maar óók, dat ge de kinderlijke blijdschap van Heimans-zelf hadt kunnen gadeslaan over ’t gelukken van zijn proef… Of over de pret van de kinderen?…

Daar zweefde het lichte ballonnetje door ’t schoollokaal, huppelend, springend bij elk tochtje dat door de open ramen naar binnen kwam. En geen kind zat meer op zijn plaats. Dat was een gejoel, een gelach, een geroep dat stof had gegeven voor een treffend instantaneetje.

Maar daar wipte waarachtig het levenslustige ballonnetje de deur uit en de gang in. Heimans en de kinderen er achteraan, lachend, schaterend. Ja, Heimans was kind met de kinderen. En nu begon ’t zijn tocht door de lange schoolgang; soms dalend in de richting van de hoofden der kinderen, dan plaagziek stijgend tot aan den zolder, totdat daar maakte het plotseling een grappige escapade: ’t ontsnapte door een geopend tuimelraam en ging de wijde wereld in, uitgeleid door een hartelijk en heerlijk ’hoera’ uit een kleine veertig kindermonden.

Dat was Heimans’ laatste les, den 16en Juli 1914. Ik heb er vele bijgewoond. Ze waren rijk van inhoud en boeiend naar den vorm. Maar dat was er niet ’t mooiste van. Wat ze onvergetelijk maakte, was, dat er zich steeds een kindervriend in uitsprak; dat er altijd in aan ’t woord was de man, die, zooals ’t mij een voorrecht was aan zijn graf te zeggen, ’t beste en ’t mooiste, ’t rijkste en ’t reinste, dat in hem leefde, in dienst had gesteld van ’t kind. Heimans heeft de kinderen lief gehad. Van hem mag worden getuigd, dat hij de kinderen tot zich liet komen en ze niet verhinderde. En voor hen, die treuren om zijn heengaan, moge er een liefelijke vertroosting zijn in de wetenschap, dat zijn nagedachtenis óók en vooral, door kinderen zal worden gezegend.

J. Abramsz

(Deze tekst is waarschijnlijk eerst gepubliceerd in het Handelsblad van 27 juli 1914 en is ook gedeeltelijk afgedrukt in de biografie, tevens proefschrift van Fop. I. Brouwer (1958) ‘Leven en werken van E. Heimans en de opbloei der natuurstudie in Nederland in het begin van de twintigste eeuw’ (aldaar op p. 248).

Geplaatst in Diversen, Natuur, Persoonlijk | Plaats een reactie

Laten wij eren, Die ere toekomt…

God heeft ons mensen onvoorwaardelijk lief…
Wilt u het werkelijk graag zó horen en uzelf en anderen het met die woorden zeggen?
Nee toch! We zeggen toch op grond van Gods Woord: God heeft ons om Christus’ wil lief!
Want hier geldt toch zeker helemaal en overal en altijd: Ere(n) Wie ere toekomt!
Wanneer we over Gods vergevende mensenliefde spreken, dan kunnen en willen we toch niet (meer) om de Naam van onze Heer Jezus Christus heen?

Daarom heeft God hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader’  (Filippenzen 2 : 9-11)

Wij mensen hebben bij Gods volmaakte Liefde een vraagteken gezet toen we luisterden naar de woorden van de slang in het paradijs en zijn leugens niet afwezen.
Waarom zou de mens niet evengoed als God kenner kunnen en mogen zijn van goed én kwaad?, zo vroegen wij ons af…
Waarom zou de mens niet van die boom en zijn vrucht kunnen eten en daarmee nog meer “evenknie” worden van God?
Maar, door deze gedachten toe te staan en te eten van de vrucht zetten wij Gods Liefde onder verdenking en raakten wij ons volmaakte liefdes-antwoord op Gods volmaakte Liefde kwijt…

Toen Gods volmaakte liefde door de mens in twijfel getrokken was, toen “moest” God wel duidelijk maken waarom hij de mens de kennis van het kwaad onthouden had.
En het kwaad konden we niet leren kennen “uit een boekje”…
God “moest” Zijn schepping wel  prijsgeven en overgeven aan de boze en aan de “entropie” (uiteenvallen, zinloosheid) en de mensen zouden voortaan sterven (naar Zijn Woord!).

In het schepsel zelf, zo bleek toen, kon en kan daarom de reden van Gods eeuwige liefde en het eeuwige liefdes-antwoord daarop niet gevonden worden.
De mens kon en kan niet uit eigen kracht Gods volmaakte Liefde volmaakt beantwoorden…
Toen de mens een schepsel ontmoette dat de waarheid van Gods Woord, en daarmee de volmaaktheid van Gods Liefde, in twijfel trok, toen ging de mens direct “onderuit”…
De reden van Gods eeuwige Liefde is daarom (gelukkig ook) niet gelegen in het schepsel, maar in onze eeuwige God zelf: In Zijn geliefde Zoon, in Wie Gods liefde een eeuwig welbehagen en een eeuwige vreugde vind…

En de Zoon Die is ons van God gegeven om ons mensen ervan te overtuigen dat Zijn liefde voor ons mensen en heel Gods schepping vast en zeker zijn.
In Christus zijn al Gods beloften “ja en amen”, want Gods Zoon heeft zich voor ons overgegeven in een volmaakte liefde tot de Vader en tot ons mensen.
Wij hoeven in het geloof en het liefhebben van God dan ook nooit op onszelf te zien en uit eigen kracht te leven, maar wij mogen zien op Gods Zoon en geloven en liefhebben uit Zijn kracht.
Dus zie op Hem en u mag zich eeuwig geliefd en aanvaard weten, want Hij heeft ons gekocht met Zijn eigen bloed en Zijn offer is aanvaard en Hij heeft de hoogste plaats in de hemel aan de rechterhand van God.
Hij pleit daar nu voor ons bij de Vader en Zijn inzet voor ons zal nooit worden afgewezen en door Zijn heilige Geest werkt Hij – onder het luisteren naar Zijn Woord – in ons het geloof om dat alles (Zijn liefde en inzet voor ons) te aanvaarden en om daaruit te leven.

18 Zoals dus het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. 19 Want, zoals door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. 20 Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden, 21 opdat, zoals de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Here. (Uit Romeinen 5)

11 Zo moet u ook uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. 12 Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten. 13 Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar stel uzelf in dienst van God. Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgewekt en stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. 14 De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade. (Uit Romeinen 6)

Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden. (Johannes 12:26)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Iets om door te geven…

De mensenliefde van God in Christus Jezus

Jaarlijks werd er volgens een eeuwenoude orde van evangelie-voorlezingen minimaal één keer gepreekt over Johannes 3 vers 16 (of vers 16 tot 21). Dit tweede citaat komt uit een tamelijk vroege preek over deze tekst. De preek werd gehouden op tweede Pinksterdag, 9 juni 1522. Er zijn tenminste acht verschillende traktaat-uitgaven geweest van deze preek in de jaren 1522 en 1523. Luthers preken en geschriften die in de vorm van traktaatjes overal circuleerden, hebben voor een belangrijk deel bijgedragen aan de Reformatie. ‘Traktaat-zending’ is dus niet alleen iets van latere eeuwen. Als u deze citaten (zie bron), waarvan er wekelijks bijna 4000 verstuurd worden, doorstuurt aan familie en vrienden dan heeft dat mogelijk eenzelfde effect.

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben’ (Johannes 3:16, weergave DB 1545).

(…) “Als er nog een andere weg naar de hemel zou zijn, dan had Christus die ook wel aangewezen. Nu is er geen andere! Daarom leert Hij ons om deze woorden vast te houden, ons hart erop neer te leggen en erop te rusten. Hij wil dat we onze ogen sluiten en zeggen: ‘Al had ik de verdienste van alle heiligen, de reinheid en heiligheid van alle maagden, de vroomheid van de heilige Petrus en van alle apostelen: dan had dát voor mij nog geen waarde. Het is een andere grond die ik moet hebben, waarop ik bouw, namelijk op de woorden: Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben.’

Dáárop moet je roemen [in plaats van op je eigen werken] om behouden te worden, je moet jezelf onverschrokken gronden op Gods Woord. Geen duivel, hel of dood kan dit Woord overwinnen. Met dat Woord verscheurt de Vader hel, duivel en dood en alles wat daarmee verbonden is. Daarom – het mag gaan zo het wil – zeg dit: ‘Dáár staat Gods Woord – dat is mijn rots en anker – daar bouw ik op en dat houdt stand – en als dat standhoudt dan houd ik ook stand. Want God kan niet liegen! Eerder moeten hemel en aarde tot niets worden, dan dat het kleinste lettertje of titteltje [= leestekentje] van Zijn Woord onvervuld zal blijven.’

Dit zie je nu wel, dat je een Middelaar nodig hebt – Dat is Christus! Door Hem moet je je hart opheffen tot de Vader, en zeggen: ‘Hoewel ik voor Uw Majesteit niet kan bestaan – ook geen engel – alles moet voor Uw aangezicht beven en sidderen, dan heb ik hier de Christus Die U liefhebt, achter Hem verberg ik mij, en houd mij aan Uw Woord: dat U mij om Hem wilt aannemen. U zult mij niet verwerpen – anders moet U eerst Uw Zoon verwerpen.’ Dit is de manier hoe je door Christus tot de Vader gaat: zo krijg je een goed en heerlijk vertrouwen in de Vader.

Er bestaat geen werk – hoe heilig men het ook noemt – dat Gods toorn kan stillen en onze harten rust kan geven – alleen Gods Woord doet dat! God heeft uit liefde Zijn Zoon gegeven, door Hem moeten we zalig worden. Daarom, laat je geen andere weg aanwijzen dan deze. Pas er ook voor op om hier nog iets extra’s bij te doen. Als je dat doet, is alles verknoeid! Want wie je dat wil leren, die brengt je van de goede weg op een dwaalweg. Daarom, laat je geweten niet rusten op enig werk, op enige verdienste, maar alleen op het Woord van God: Dat zal niet liegen, maar zal Zijn beloften vervullen. Daar grijp je God vast aan Zijn Eigen Woord, waarop je je hart en troost alleen kunt bouwen.”

Maarten Luther: Predigt am Pfingstmontage Anno 1522, vgl. WA 10.3, 162, 15 – 163, 21, weergave W(2) 11, 1086 ff; EA(2) 12, 341 ff

Bron:  ww.maartenluther.com

4 Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van God, onze Redder verschenen is, 5 maakte Hij ons zalig, niet op grond van rechtvaardige daden die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. 6 Die heeft Hij in rijke mate over ons uitgegoten door Jezus Christus,  onze Zaligmaker, 7 opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade,  erfgenamen zouden worden, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven. 8 Dit is een betrouwbaar woord en ik wil dat u deze dingen sterk benadrukt, opdat zij die in God geloven, ervoor zouden zorgen dat zij anderen voorgaan in het doen van goede werken. (Uit Titus 3)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie