Noach en het profetisch spreken in onze tijd…

Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten. Noach wandelde met God. (Genesis 6 : 9b)

7 Door zijn geloof heeft Noach, toen hem door God te kennen was gegeven wat er zou gebeuren, nog voordat dit voor iemand zichtbaar was, gehoorzaam een ark gebouwd om daarmee zijn huisgenoten te redden. Zo veroordeelde hij de wereld en verwierf hij de gerechtigheid die voortkomt uit het geloof. (Uit Hebreeën 11)

Noach moet de geschiedenis van de oude wereld afsluiten met Gods laatste geschenk aan die ondergaande wereld: de oproep tot bekering. Hij mag de geschiedenis van de nieuwe wereld beginnen door daar Gods Naam aan en uit te roepen.
Hij kan deze overgang meemaken door een ark te bouwen. De ark, die de ondergang predikt en de toekomst opent. Noach heeft in zijn leven reeds ja gezegd tegen de Heere en zijn leven was een voortdurend nee tegen de wereld van zijn dagen. Daarom blijft Noach trouw aan zijn’ ja en laat hij zich instrueren om nee te kunnen blijven zeggen én doen, dwars tegen alles in. Als zijn leven niet door Gods aanspraak was gevoed en als zijn God hem niet zo duidelijk had geïnstrueerd, was Noach niet geworden wat hij geweest is: Gods profeet in twee werelden!

Wat geloven niet is…

Hier ligt de achtergrond en het geheim van het christelijk geloof aan het einde van het tweede millennium van onze jaartelling.
Geloven is geen kwestie van een mening hebben, een ideaal najagen, een systeem propageren.
Geloven is niet jezelf geloofwaardig maken als kerkmens in de ogen van de buitenkerkelijke.
Geloven is niet oude meningen opkloppen of nieuwe meningen doordrukken.
Een gelovige is niet per definitie conservatief of progressief.

Wat geloven wel is…

Geloven is omgaan met de Heere, zich door Hem laten gezeggen, naar Hem luisteren, zich door Hem laten instrueren.
Geloven is niet vragen: wat zeggen de mensen, maar wat zegt de Heere?
Geloven is ja zeggen tegen de Heere en daarom nee zeggen tegen alles wat niet van de Heere is.
Geloven is je laten beheersen door de dingen, die we niet kunnen zien, en niet door de dingen, die overal geëtaleerd en via de media gepresenteerd worden.
Geloven is daarom apart staan – niet omdat we bij voorbaat ons afscheiden, maar omdat we niet begrepen worden.

De nood van de christenheid in de (westerse/huidige) wereld?!

Wie door God de Heere privé wordt toegesproken in Zijn Woord, kan niet meer luisteren naar de vele stemmen, die in de wereld klinken en die niet met God rekenen.
Wie het toch doet of Gods stem en andere stemmen gelijkschakelt en even waardig taxeert, staat principieel niet aan Gods kant.
Ligt daar de nood van de christenheid, van de prediking, van het verzwakte christelijke getuigenis in deze tijd?
Zonder profetisch privé kan en zal er niet geprofeteerd worden!

Bron:  Noach, profeet in twee werelden – Ds. J.H. Velema – Houten, Den Hertog (1991)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Twijfelen aan je uitverkiezing en wedergeboorte…

Hieronder vindt u een verkorte weergave van een troostbrief die Luther in 1531 schreef aan Barbara Lischnerin (de WA-redactie geeft als burgerlijke naam: Barbara Lisskirchen) een vrouw te Freiberg, die aangevochten werd vanwege de eeuwige verkiezing:

“Genade en vrede in Christus, eerbare en waarde vrouw! Van uw geliefde broer, Hieronymus Weller(1), heb ik gehoord hoe bezwaard [of: depressief] u bent door aanvechtingen vanwege de eeuwige verkiezing. Het is voor mij verdrietig om dit te horen. Dat Christus, onze Heere, u daarvan zou willen verlossen. Amen. Deze ziekte is voor mij niet onbekend: zelf heb ik tot nabij de eeuwige dood in dit gasthuis [= ziekenhuis] gelegen. Nu wil ik, naast mijn gebed, u ook graag raad geven en vertroosten. Om dit schriftelijk te doen is eigenlijk niet voldoende, toch wil ik niet nalaten u te schrijven – dat God Zijn genade daarbij zou willen geven!

Ik wil u laten zien hoe God mij van deze kwaal heeft genezen en met welk medicijn ik mij nog dagelijks moet versterken:

In de eerste plaats moet u het in uw hart voor zeker houden dat zulke gedachten zeer zeker inblazingen zijn van de ellendige duivel. Zulke gedachten zijn niet anders dan een doorgronden van de Goddelijke Majesteit en een onderzoeken van Zijn verheven verkiezing. Het is immers ongepast en nutteloos dat u al uw aandacht besteedt aan iets dat God u niet heeft bevolen. David zegt dit ook: ‘Ik wandel niet in grote dingen, die mij te hoog zijn’ (vgl. Psalm 131). Daarom is het zeker dat zulke gedachten niet van God, maar van de duivel komen: die plaagt een mens daarmee, opdat die mens God begint te haten en wanhopig wordt. Dit alles niettegenstaande dat God dit toch duidelijk in het eerste gebod verboden heeft, en wil dat men Hem zal vertrouwen, liefhebben en loven.

In de tweede plaats: als zulke gedachte u invallen, moet u uzelf eens afvragen: ‘Lieve ziel, in welk gebod staat dat, dat ik mij daarin moet verdiepen?’ Als u daarover geen gebod vindt, zeg dan: ‘Ga nu weg, ellendige duivel! Je wilt mij in het nauw drijven en leren dat ik voor mijzelf moet zorgen – terwijl God overal zegt dat Hij voor mij zal zorgen: “Ik ben de Heere uw God”, dat betekent: Ik zorg voor u. Vertrouw daarop! Ik wil doen wat Petrus zegt: “Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u” (vgl. 1 Petrus 5:7).’

In de derde plaats: als zulke gedachten niet ophouden – want de duivel houdt niet op – dan moet u zeggen: ‘Hoor je niet, duivel, dat ik zulke gedachten niet wil hebben? En bovendien heeft God het mij verboden! Maak dat je wegkomt! Ik moet nu aan Gods gebod denken en ik laat Hem ondertussen voor mij zorgen. Maar als je toch over deze dingen wilt redetwisten – vaar dan op naar de hemel! God zal wel weten wat Hij je moet antwoorden.’

In de vierde plaats: onder alle geboden van God is dit het voornaamste: dat wij Zijn lieve Zoon, onze Heere Jezus Christus altijd voor de ogen van ons hart houden. Hij moet dagelijks de voornaamste Spiegel zijn waarin wij zien hoe lief God ons heeft. Hoe heerlijk Hij, als een goede God, voor ons heeft gezorgd, dat Hij zelfs Zijn lieve Zoon voor ons heeft overgegeven. Hier, hier, zeg ik, leert men de ware kennis van de verkiezing – nergens anders! Hier is het te vinden, hier, waar u in Christus gelooft. Gelooft u, dan bent u geroepen; bent u geroepen, dan bent u verkoren – dat is zeker waar! Laat deze Spiegel niet uit de ogen van uw hart wegrukken. Als er echter zulke gedachten komen, en deze u bijten als de vurige slangen, luister dan niet naar uw gedachten en kijk niet naar de slangen, maar keer uw ogen daarvan steeds weer af, en zie op naar de koperen Slang, dat is: ‘Christus voor ons overgegeven’, dan zal het beter worden – met de wil van God!

Dat onze lieve Heere Jezus Christus u toch Zijn voeten en handen zou willen tonen en in uw hart een vriendelijke groet zou willen spreken, opdat u alleen nog naar Hem zou kijken en naar Hem zou luisteren – totdat u zich [voor eeuwig] in Hem zult verblijden. Amen.”

Op de laatste dag van april 1531

D. Martinus Luther

Maarten Luther: Luther an Barbara Lisskirchen in Freiberg, vgl. WABR 6, 86 ff, Nr. 1811, verkorte weergave van W(1) 10, 2046 ff, (W(2) 10, 1742 ff).

(1) Hieronymus Weller (1499-1572): evangelische theoloog en reformator, vriend van Luther.

Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van het e-mailadres info@maartenluther.com en van de hier vermelde website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Heb ik mijn ziel niet naar uw wil
gevoegd in vrede, mild en stil,
zoals het pas gespeende kind
troost in zijn moeders armen vindt ?
Vers 2 van Psalm 131 (NB)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

Manna!

4 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uit gaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel ik hen op de proef: ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. 5 Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen.’
(…)
14 Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. 15 ‘Wat is dat?’ vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mozes zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de HEER u te eten geeft. 16 De HEER heeft bepaald dat ieder ervan kan verzamelen wat hij nodig heeft. Iedereen mag er één omer van nemen voor elke persoon die bij hem in de tent woont.’ (1) 17 De Israëlieten deden dat. De een verzamelde veel, de ander weinig. 18 Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel had genomen als hij nodig had.
(…) 21 Elke morgen verzamelde ieder zo veel als hij nodig had; zodra de zon begon te branden, smolt het weg. (Uit Exodus 16)

Dit verzamelen van het (broodnodige) manna door het volk in de woestijn, na het optrekken van de dauw en voordat de zon begon te branden, kunnen we toch wel als voorbeeld nemen voor de noodzaak van het persoonlijk dagelijks Bijbellezen, bidden en lofprijzen van Gods volk hier op aarde.  En ook dit kan het beste gebeuren vroeg in de ochtend (of een ander rustig tijdstip) voordat onze dagelijkse beslommeringen (“branden van de zon”) ons al weer zo in beslag nemen dat we aan rustig Bijbellezen en bidden niet meer toekomen.

Mooi om te lezen dat ieder zelfstandig zijn eigen benodigde hoeveelheid manna diende te verzamelen en dat ieder – ongeacht of er veel of weinig verzameld was – daar genoeg aan bleek te hebben. Ook opvallend dat Mozes en de leiders geen inzameling organiseerden waarna ieder van het volk bij de leiders zijn toegemeten portie kon komen ophalen. Laat ons dat zeker voor vandaag ook wat te zeggen hebben…

En op de zevende dag, de sabbat, daar hoefde men niet aan het werk om het manna binnen te halen, maar mocht men voluit genieten van de zorg die God voor hén had (en heeft!) in de woestijn om daarbij des te meer stil te kunnen staan en tot zich door te laten dringen dat ze leefden van wat Hij hen elke dag weer schonk en ook ook steeds weer geven wil(de)… (2)

28 Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ 29 ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus.
30 Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen? 31 Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’ 32 Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; Hij geeft u het ware brood uit de hemel. 33 Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ 34 ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. 35 ‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.
36 Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u Mij gezien.  (Uit Johannes 6)

Geef ons heden ons dagelijks Brood (3) (Matteüs 6 : 11, Lukas 11 : 3)

Opgemerkt:
(1) Binnen een gezin (bijvoorbeeld) hebben de ouders blijkbaar de verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat ieder zijn deel van het manna krijgt. Je zou kunnen zeggen dat dat geldt tot kinderen een bijbaantje mogen/kunnen hebben, vanaf die leeftijd kunnen we ze stimuleren om ook zelfstandig hun Bijbel te lezen
(2) Heeft dit voorschrift ons niet ook wat te zeggen over het huidige “zondagse activisme” (m.n. tijdens de ochtenddiensten) in onze kerken/gemeenten. Moeten we niet meer en vooral de nadruk leggen op Gods dienst aan ons op de zondag (verkondiging van het Woord in beide diensten!) en onze dienst aan God op de zondag (tijdens de diensten) maar wat meer op de achtergrond zetten – en daar (vooral meer) ruimte voor maken in de overige dagen van de week?!
(3) We kunnen deze bede toch niet serieus dagelijks bidden wanneer het persoonlijk eerbiedig Bijbellezen en het overdenken van Bijbelwoorden er vrijwel als regel “bij inschiet”.

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle…

(…) We moeten realistisch zijn met betrekking tot het leven van een kind van God. De meesten van ons voelen zich, ondanks het feit, dat we het eigendom van Christus zijn en graag door Hem willen worden geleid, bij tijd en wijle terneergeslagen en hulpeloos. Zo ervaren we dikwijls, dat we juist aan het wankelen raken als we het zekerst van onszelf zijn.

Paulus heeft de gemeente in Korinthe hiervoor duidelijk gewaarschuwd: „Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle” (1 Korintiërs 10 : 12). Ik moet toegeven dat dit overkomt als één van de paradoxen en raadsels van ons geestelijk leven. Maar als we het grondig onderzoeken, zullen we het niet al te moeilijk vinden om het te begrijpen.

In het leven van christenen zijn fundamentele overeenkomsten aan te wijzen met het leven van schapen. Die kunnen ons doen begrijpen hoe en waardoor iemand ten val kan komen. In de eerste plaats is er dan het omkijken naar een goed „stekkie”. Ook een schaap zoekt z’n plekje, waarin het tenslotte toch met de poten omhoog komt te liggen!

In het leven van een christen is het een groot gevaar uit te zien naar het gemakkelijke, gezellige plekje en de prettige positie waar geen ongemak, geen uithoudingsvermogen en geen zelfdiscipline van ons worden gevraagd. Het ogenblik waarop we denken, dat we het aardig voor elkaar hebben, zijn we in dodelijk gevaar. Er bestaat ook nog zoiets als de discipline van armoede en ontbering, die we onszelf kunnen opleggen en die ons een massa goed kan doen. Jezus heeft dit destijds voorgesteld aan de rijke jongeling, die ten onrechte in de veronderstelling was, dat hij zich in een veilige positie bevond. Hij stond in werkelijkheid op het punt verloren te gaan.

Als ik soms door te veel gemakzucht onwillig ben om het gemakkelijke en prettige leven, het knusse hoekje op te geven, dan zou de Goede Herder mij best eens naar een weide kunnen brengen, waar de dingen nu niet bepaald zo comfortabel zijn – niet alleen voor mijn bestwil, maar ook omdat Hij mij liefheeft.

1 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. 2 Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht zal dragen. 3 Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u. 4 Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.  (Uit Johannes 15)

Bron: Hoe een herder Psalm 23 ziet – Philip Keller: woonde jarenlang tussen eenvoudige herders in Oost Afrika, daarnaast acht jaar eigen ervaring als schapenfokker en later werkzaam als predikant en herder van “zijn (mensen)kudde”.

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

In de Liefde blijven!

(…) 14 En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld. 15 Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God. 16 Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.

17 Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus. 18 De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden. 19 Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad. 20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar haat (1,1a) zijn broeder of zuster, is hij/zij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij/zij wel ziet, niet liefheeft. 21 We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander liefhebben. (Uit 1 Johannes 4)

(1) Haten: dat is God en de medemens en de dieren- en plantenwereld niet de hen door Gods Woord gewezen plaats gunnen en/of geven in ons samenleven met Hem en met elkaar en met het leven in de ons omringende natuur.

(1a) Daarom is de echtscheiding zo’n groot kwaad. Men gunt en geeft de ander de van God gegeven plaats naast hem of haar niet meer. Moorden begint al daar waar men de ander geen liefdevol hart (meer) toedraagt en hem of haar niet meer verdragen, vergeven en steeds weer aanvaarden wil en kan (zie de Bergrede, Matteüs 5-7). Men is niet meer bereid om de last te dragen die God gehuwde mensen te dragen geeft, terwijl Jezus toch zegt dat het dragen van Zijn last – namelijk Gods geboden bewaren in en door Zijn Kracht, dus ook niet echtbreken, en dat luidt in Jezus woorden: “Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet” (Matteüs 19) – niet zwaar is.
Daarom kan men, als men de ander in het huwelijk geen liefdevol hart meer toedraagt, niet steeds weer vergeeft en aanvaard en de ander daardoor geen Liefde meer bewijst, deze woorden van Johannes, die hij als getuige van Jezus Christus, als getuige van onze drie-enige God, Die Liefde is, en die hij hier in deze brief van hem aan ons doorgeeft, zeggen en volhouden deze woorden in leer en leven als Waarheid te erkennen en belijden.

1 Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit hem geboren zijn. 2 Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven. 3 Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden (1a). Zijn geboden zijn geen zware last, 4 want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof.
5 Wie anders kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?(Uit 1 Johannes 5)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Elkaar onze afhankelijkheid erkennen en belijden…

De goede Herder en het verloren schaap

Toen op de derde zondag na Trinitatis (1) het evangelie van “de goede herder en het verloren schaap” overdacht werd, zei D. Martin [Luther] aan tafel: ‘O, wat een prachtig en troostrijk evangelie is dit toch, waarin de Heere Christus Zich Zelf afschildert en ons met dit voorbeeld laat zien hoe vol liefde Zijn hart tot ons is – tot ons die maar arme zondaren zijn! Bovendien laat Hij ons zien hoe machteloos wij zijn om ook maar het minste tot onze zaligheid te kunnen doen. Want zoals het schaapje zelf niet kan verhinderen of voorkomen dat het gaat dwalen als de herder het niet steeds de weg wijst en het leidt, zo kan het ook zichzelf niet vinden of weer bij de herder brengen als het verdwaald en verloren is. De herder zelf moet het schaapje nalopen en het zoeken totdat hij het vindt. Zonder dat de herder het zoekt, zou het voor altijd blijven dwalen en verloren zijn. Als hij het gevonden heeft, moet hij het op zijn schouder leggen en dragen, zodat het niet opnieuw bij hem wegloopt, verschrikt, verdwaalt of door de wolven gegrepen wordt.

Op dezelfde manier kunnen wij onszelf niet helpen of onszelf raad geven, hoe we een stil en gerust geweten moeten krijgen en aan duivel, dood en hel moeten ontkomen – behalve dan als Christus ons Zelf door Zijn Woord opzoekt en ons tot Zich roept. En als wij tot Hem komen en geloven, kunnen wijzelf daarin nog niet volharden of staande blijven, tenzij Hij ons steeds weer door Zijn Woord en kracht opneemt en draagt. En wel – zoals Petrus zegt – omdat de duivel overal zonder ophouden op ons loert en om ons heen sluipt als een hongerige leeuw om ons te verslinden (vgl. 1 Petrus 5:8). Hier heeft al ons opscheppen over onze vrije wil en onze eigen kracht geen waarde. Want het begin, de voortgang en het volharden komen van Christus, onze Herder. Hij alleen moet alles doen wat tot onze zaligheid nodig is.’

Maarten Luther: Tischreden Doctor Martin Luthers, vgl. EA(2) 58, S. 230 ff (nr. 781).

(1) Trinitatis: Zondag van de Drie-eenheid (Drievuldigheid), de 1e zondag na Pinksteren

Bron:  www.maartenluther.com

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wat zijn dan wel onze “goede werken”

(…) En wel, driemaal wel ons, als wij eens in ootmoed en verbrijzeling van het hart leren: Gods gebod, niet mijn wil! Dan gaat Simson zijn wegen, en terwijl hij zijn wegen gaat, is de Heilige Geest van God over hem. Het is door deze Geest, dat hij zich vermant, en daar doet hij het ene goed werk voor, en het andere na… terwijl hij de ene zonde op de andere stapelt. Wie zal hem oordelen? De man valt in de schuld, de ellende, de verschrikkelijkste ellende grijpt hem aan, voor en na; en hij heeft God en Zijn volk lief – hij heeft bij al wat er gebeurt toch de eeuwige heerlijkheid en het recht lief. Als mens zien wij hem zijn verkeerde wil doen, en de duivel heeft hem voor en na in zijn macht, maar uit genade is hij zalig geworden. En zelfs als het zó ver met hem gekomen is, dat hij, deze vorst, als de ongelukkigste en ellendigste man van zijn ogen en zijn vrijheid beroofd is, geeft hij toch te midden van zijn verlorenheid de eeuwige gerechtigheid niet prijs. Dan grijpt hij in de overwinning van het geloof de pilaar van de Dagonstempel aan, en in zijn dood doet hij méér goede werken dan hij in zijn hele leven gedaan heeft. God heeft hem erin gezet en erin gehouden.

(…) Men kan Gods waarheid, de echte waarheid, onmogelijk handhaven; men kan onmogelijk vasthouden dat alle vlees voor God moet zwijgen. Men kan onmogelijk de ware gerechtigheid handhaven, zonder veroordeeld te worden, juist door hen van wie men het het minst verdiend heeft. Daar moet onze arme Heere en Heiland komen en overal niets dan goeds doen; en na overal niets dan goed te hebben gedaan, wordt Zijn getuigenis uitgemaakt voor een boos werk, en al Zijn werken voor boze, ketterse, duivelse, vervloekte werken; en Hij Zelf wordt ter dood veroordeeld. Zo oordeelt het beste Sanhedrin dat ooit heeft bestaan…

12 Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. 13 Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt. 14 Als u gehoond wordt omdat u de naam van Christus draagt, prijs u dan gelukkig, want dat betekent dat de Geest van God in al zijn luister op u rust. 15 Laat niemand van u moeten lijden omdat hij een moordenaar is, een dief, misdadiger of onruststoker. 16 Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God. (Uit 1 Petrus 4)

Kohlbrugge – preek gehouden op 26 juni en 3 juli 1859 Niederländisch Reformierte Gemeinde in Eberfeld.

Bron: Reveil-serie – no. 524, mei 2016

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Rabboeni, dat ik ziende worde!

“Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe.” (Psalm 119 : 18a).

Ik moet de ogen van mijn zinnen sluiten als ik wil zien wat God mij toont. God maakt mij blind als hij mij zijn Woord wil laten zien. Blinden maakt hij ziende. Nu zie ik wat ik anders nooit zou hebben geweten, namelijk dat Gods wet vol wonderen is. Hoe zou ik de lange weg door deze Psalm mee kunnen gaan en er steeds opnieuw mee kunnen beginnen, hoe zou ik niet moe worden van deze onophoudelijke herhalingen, als God mij niet te kennen had gegeven, dat ieder van zijn woorden vol verborgen en ondoorgrondelijke wonderen is? Hoe zou ik dag in dag uit Gods Woord bewaren zonder mijn ogen open te houden om de heerlijkheid en diepgang van dit woord te zien? Gods wet moet voor mijn ogen zoiets zijn als een noodzakelijke en snel geleerde en begrepen levensregel, waarover niet al te veel meer te denken, te spreken of te verwonderen valt. Zolang ik met zulke ogen kijk, heb ik geen verlangen naar geopende ogen. Ben ik dan echter blind geworden, en heeft God mij in een donkere nacht geleid, zit ik in een duistere nood en schuld gevangen, zodat mijn natuurlijke ogen niet meer in staat zijn te kennen en te begrijpen; dán roep ik om Licht voor mijn ogen. Alleen de blinde roept om geopende ogen. Maar is dan degene die bidt in onze Psalm, die Gods Woord zo prijst, een blinde? Juist hij die een blik heeft geslagen op de wonderlijke wereld van de wet van God, weet hoe blind hij nog is en hoezeer hij geopende ogen nodig heeft om niet opnieuw in de duisternis terecht te komen. Het is een dagelijks gebed, als wij ‘s morgens onze ogen opendoen en als wij ze ’s nachts weer sluiten, dat God verlichte ogen van het hart wil geven, die open staan als de dag onze natuurlijke ogen wil bedriegen en als de nacht ons boze dromen brengt. Geopende, verlichte ogen, die door de wonderen van de wet van God steeds vervuld zijn.

Wij moeten het net als de blinde Bartimeüs doen. Als hij hoort dat Jezus in Jericho hem voorbijgaat, laat hij zich door niets en niemand tot zwijgen brengen, maar schreeuwt hij net zo lang om hulp, totdat Jezus hem hoort. Op de vraag van Jezus: wat wilt gij dat ik u doen zal, antwoordt hij: rabboeni, dat ik ziende worde! (Marcus 10:51). Zó ontvangt hij genezing. Zoals de blinde van Betsaida (Marcus 8:22) slechts geleidelijk en stap voor stap tot kennis en zien kwam, zo zullen ook onze ogen slechts langzaam geopend worden en steeds meer kennis verkrijgen.
Wie echter meent te zien, terwijl hij blind is, kan niet meer geholpen worden, maar hij zal in zijn blindheid omkomen (Johannes 9:40.). Het is een geschenk van de genade de eigen blindheid voor Gods Woord te erkennen en om geopende ogen te kunnen bidden.
Wie God de ogen voor zijn Woord geopend heeft, die ziet een wondere wereld. Wat mij tot nog toe dood scheen, is vol van leven. Alle tegenstrijdigheden lossen zich in een hoge eenheid op, de harde eis wordt een genadig gebod.

Midden in het mensenwoord hoor ik Gods eeuwige Woord. In het vergankelijke leven leer ik de levende God kennen en zijn werken dienen mij tot heil. Gods barmhartige troost wordt mij tot een nieuwe claim, de ondraaglijke last een zacht juk. Het grote wonder in de wet van God is de openbaring van de Here Jezus Christus. Door hem ontvangt het woord leven, de tegenstrijdigheid eenheid, de openbaring enorme diepgang. Heer, open mij de ogen.

Bron: “Mijn ziel keert zich stil tot God – meditaties bij de Psalmen” (Dietrich Bonhoeffer)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

De Kracht en Waarachtigheid van onze Doop…

…ligt vast in onze roeping!

37 Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ 38 Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, 39 want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen’ (1). (Uit Handelingen 2)

“Kijk daar is water, wat is er op tegen om nu gedoopt te worden” horen we de Ethiopiër tegen Filippus zeggen (zie Handelingen 8), die bij hem in de wagen geklommen was om deze man, die de profeet Jesaja aan het lezen was, tekst en uitleg te geven over het betreffende tekstgedeelte en om hem op basis van die tekst het evangelie te verkondigen.

Dit doopverzoek kon de Ethiopiër natuurlijk alleen (zo en zelf) doen omdat Filippus blijkbaar kort daarvoor, net als eerder Petrus zijn volksgenoten in Jeruzalem (zie Handelingen 2), ook deze man (een heiden! – en dat blijkbaar al voor de doop van Cornelius!) opgeroepen heeft om zich te laten dopen…

(…) 36 Onderweg kwamen ze bij een plaats waar water was, en de eunuch zei: ‘Kijk, water! Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden?’  38 Hij liet de wagen stilhouden en beiden liepen het water in, zowel Filippus als de eunuch, waarna Filippus hem doopte. 39 Toen ze uit het water kwamen (2), greep de Geest van de Heer Filippus en nam hem mee, en de eunuch zag hem niet meer, maar vervolgde zijn weg vol vreugde. (Uit Handelingen 8)

(…) 44 Terwijl Petrus nog aan het woord was, daalde de heilige Geest neer op iedereen die naar zijn toespraak luisterde. (2) 45 De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook heidenen het geschenk van de heilige Geest ontvingen, 46 want ze hoorden hen in klanktaal spreken en God prijzen. Toen merkte Petrus op: 47 ‘Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen?’ 48 En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus. (Uit Handelingen 10)

12 Daar kwam een zekere Ananias naar me toe, een man die de wet trouw naleefde en bij alle Joodse inwoners van de stad in hoog aanzien stond. 13 Hij ging voor me staan en zei: “Saul, broeder, open je ogen!” En op datzelfde ogenblik kon ik hem zien. 14 Hij zei: “De God van onze voorouders heeft jou uitgekozen om je zijn wil bekend te maken, om de rechtvaardige te zien en hem te horen spreken, 15 want je zult zijn getuige zijn en aan alle mensen verkondigen wat je gezien en gehoord hebt. 16 Wat aarzel je dan nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen (2), terwijl je zijn naam aanroept.” (Uit Handelingen 22)

(…) 14 Een van onze toehoorsters was een vrouw uit Tyatira die in purperstoffen handelde; ze heette Lydia en vereerde God. De Heer opende haar hart voor de woorden van Paulus. 15 Nadat zij en haar huisgenoten waren gedoopt, nodigde ze ons uit met de woorden: ‘Als u ervan overtuigd bent dat ik in de Heer geloof (2), neem dan bij mij uw intrek.’ Ze drong er bij ons sterk op aan. (Uit Handelingen 16)

(…) 29 De bewaarder vroeg om een fakkel, rende naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas op de grond. 30 Hij bracht hen naar buiten en vroeg: ‘Zegt u mij, heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ 31 Ze antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.’ 32 En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan iedereen die bij hem woonde. 33 Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon. Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten gedoopt. 34 Hij bracht hen naar zijn woning boven de gevangenis en zette hun daar een maaltijd voor. Hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat hij nu in God geloofde (2). (Uit Handelingen 16)

(…) 3 En hij zei tegen hen: Waarin zijn jullie dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes. 4 Maar Paulus zei: Johannes doopte een doop van bekering en zei tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus. 5 En toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen in de naam van de Here Jezus. 6 En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen (2), en zij spraken in tongen en profeteerden. 7 En het waren in het geheel ongeveer twaalf mannen. (Uit Handelingen 19)

(1) De roeping ontvangen wij door de verkondiging van Gods Woord aan Gods volk/de gemeente en de (ongeboren) kinderen in de gemeente ontvangen hem (al) via de ouders. Geen doop die krachtiger wijst op de betrouwbaarheid van de ons roepende God, die ons roept door de verkondiging van het Levende Woord (Christus!), dan een kinderdoop.
(2) Let op het verschil in moment van ontvangen van de Heilige Geest en de Doop en het verschil in het wel of niet (vermelden van het) klaarblijkelijk ontvangen van de Heilige Geest.

(…) 29 De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan. 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31 zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32 Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. (Uit Romeinen 11 – het verdient de aanbeveling om deze tekst te lezen in het geheel van Romeinen 11)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Had Jezus een voorkeur voor bepaalde (groepen) mensen?

Jezus liefde ging en gaat uit naar alle mensen, maar Hij richt zich met Zijn woorden en daden steeds doelgericht tot (of juist af van) heel bepaalde (groepen van) mensen, maar steeds met het doel om hen te ontdekken aan zichzelf én aan Hem (aan wie Hij is en wie Hij voor hen wil zijn en mag zijn namens Zijn hemelse Vader) .

Zijn uitspraak “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer (arts) nodig, maar zij, die ziek zijn.” (Zie Lukas 5) geeft dat bijvoorbeeld al heel duidelijk aan.

Mensen die aanvaarden  en erkennen dat ze ziek zijn, daar kan en moet je als arts anders mee om gaan, dan met mensen die dat niet willen aanvaarden en erkennen, terwijl ze dat toch zijn. Met dat gegeven moeten we steeds rekening houden bij Jezus spreken en optreden bij de verschillende (groepen) mensen waar Hij mee te maken kreeg tijdens zijn rondgang door Israël.

Jezus optreden was er op gericht om alle mensen (van het toenmalige volk Israël) tot Hem te laten komen om Hem als hun Redder te kunnen en willen aanvaarden (Zie o.a Matt. 23 mn. vers 37). We moeten Jezus optreden en spreken dan ook beslist in geen enkel geval zien en interpreteren als provocaties, gericht tegen bepaalde groepen van mensen, bijvoorbeeld dat Hij graag verkeerde elementen in de leefstijl van de elite en in de regels van de leiders meer negatieve aandacht wilde geven en meer wilde hekelen dan bijvoorbeeld de leefstijl en zonden van de gewone mensen en het zondige leven van de hoeren en het mogelijk (1,2,3) zondige leven van de tollenaars.

Wanneer Jezus mensen ontmoet die verkeerde verwachtingen van Hem hebben en/of die zich hoogmoedig opstellen en die duidelijk laten blijken dat ze helemaal geen behoefte hebben aan een levensreddende arts, omdat ze hun ziek-zijn niet aanvaarden en erkennen, die benadert Jezus vaak met heel scherpe en soms afwijzende woorden en daden en wel om deze mensen hun “ziek-zijn” te helpen ontdekken. Dan worden hun ziekte-symptomen door Hem helder en duidelijk aan het licht en onder de aandacht van Zijn gehoor gebracht (3).
Jezus gaat op een heel andere manier om met mensen die hun ziek zijn wel aanvaarden en erkennen. We zien dat Hij deze mensen heel uitnodigend, vergeving en genezing brengend, tegemoet komt.

Dat Jezus in zijn directe gevolg (zijn twaalf discipelen) slechts eenvoudige mensen koos (die de Vader Hem “aanwees”), dat had zeker te maken met Zijn vernedering hier op aarde, maar ook met de instelling van wij/ons mensen. Een belangrijke Schriftgeleerde in Zijn gevolg bijvoorbeeld, dat zou de mensen alleen maar in de weg hebben gestaan bij het werkelijk zien wie Jezus is. Jezus zegt zelf ook: “Ik heb het getuigenis van een mens niet nodig” (zie Johannes 5, deels ook hieronder).

Lees vooral ook de onderstaande Bijbelteksten die mede op/over dit punt verduidelijking geven.

33 U hebt boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. 34 Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg dit om u te redden. 35 Johannes was een lamp die helder brandde, en u hebt zich een tijd in zijn licht verheugd. 36 Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat ik doe getuigt ervan dat de Vader mij heeft gezonden. 37 De Vader die mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over mij afgelegd. Maar u hebt zijn stem nooit gehoord en zijn gestalte nooit gezien, 38 en u hebt zijn woord niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die hij gezonden heeft, schenkt u geen geloof. (Uit Johannes 5, lees heel dit hoofdstuk!)

26 Wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 27 Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” 28 Ik zeg jullie: van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.’
29 Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. (2) 30 Maar de farizeeën en wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen. (Uit Lukas 7)

27 En daarna vertrok Hij en zag een tollenaar, Levi genaamd, bij zijn tolhuis zitten en Hij zei tegen hem: Volg Mij. 28 En hij liet alles achter, stond op en volgde Hem.
29 En Levi richtte een grote maaltijd voor Hem aan in zijn huis, en er was een grote menigte tollenaars en anderen, die met hen aan tafel waren. 30 En de Farizeeën en hun Schriftgeleerden morden tegen zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars? 31 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. 32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering.
(Uit Lukas 5)

(1) Hun leven en bestaanswijze valt niet per definitie zondig te noemen, er waren in die tijd beslist ook eerlijke en oprecht gelovige tollenaars in Israël.
(2) De tollenaars e.a. hadden zich door het getuigenis en de doop van Johannes al laten ontdekken aan hun “ziek-zijn”, de farizeeën en Schriftgeleerden blijkbaar niet.
(3) Niet alleen de Schriftgeleerden en farizeeën maar  ook het “gewone volk” kregen zeer ernstige verwijten en waarschuwingen te horen (zie bijv. Mattheüs 11:20-24)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie