Het geloof alleen!

Maar omdat ik zie dat dit hoofdartikel [van het geloof zonder de werken] door de duivel altijd moet worden gelasterd en hij door zijn varkenshoeders hier niet mee kan stoppen of ophouden, daarom zeg ik, doctor Maarten Luther, een onwaardige evangelist van onze Heere Jezus Christus: ‘Het geloof alleen, zonder de werken, maakt rechtvaardig voor God’  (zie (1) en vgl. Romeinen 3:28).

Dit artikel moet de roomse keizer, de Turkse keizer, de Tartaarse keizer, de Perzische keizer, de paus, alle kardinalen, bisschoppen, priesters, monniken, nonnen, koningen, vorsten, heren, ja, de hele wereld met alle duivels erbij, laten staan. Dit geloofsartikel dat de kinderen bidden, zal staande blijven: ‘Ik geloof in Jezus Christus, geboren, gekruisigd, gestorven, begraven, opgestaan’ enzovoorts.

Er is zeker niemand voor onze zonden gestorven, dan alleen Jezus Christus, Gods Zoon. Alleen Jezus Christus, Gods Zoon. Nog éénmaal zeg ik: ‘Alleen Jezus Christus, Gods Zoon, heeft ons van de zonde verlost.’ Dit is zeker waar – zoals de hele Schrift waar is. Al zouden alle duivels en de hele wereld erop aanvallen en van woede barsten – dan is het nog waar!

Als Hij echter de Enige is Die de zonde wegneemt, dan kunnen wij het met onze werken niet zijn. Dan is het om zalig te worden toch noodzakelijk dat ik deze enige en alleen-Verlosser van zonden, Jezus, door het geloof zal aangrijpen en verkrijgen. Er bestaat evenwel geen enkel [goed]werk waardoor Hij aangegrepen of verkregen kan worden!

Daarom: omdat alleen het geloof, vóór en aleer wij enig werk doen, deze Verlosser aangrijpt – daarom moet daaruit volgen dat alleen het geloof, vóór en zonder werk, deze verlossing ontvangt, wat niets anders is dan gerechtvaardigd wórden! (2) Want van zonden verlost zijn, of de vergeving der zonden hebben, kan niets anders zijn dan: gerechtvaardigd zijn of worden.

Echter na dit geloof of na deze ontvangen verlossing, of na de vergeving der zonden, of na deze geloofsgerechtigheid, volgen dan ook de goede werken als vruchten van het geloof.

Dit is onze leer, en zo leert de Heilige Geest en de hele heilige christenheid. Daarbij zullen wij blijven – in Gods Naam! Amen.

Maarten Luther: Glosse auf das vermeinte kaiserliche Edikt, 1531, vgl. WA 30.3, 366, 7 – 367, 36
Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van de website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

(1) Het geweten van de mens, de ‘oude Adam’, is er helemaal op gespitst om iets voor God en de wereld te presteren. Het heeft bovendien geleerd zichzelf en anderen naar die prestaties te beoordelen. In tegenstelling daarmee vestigt het geweten van de mens die door God gerechtvaardigd is, zijn vertrouwen geheel en al op de prestatie van Christus en heeft zich daardoor kunnen bevrijden van het vervloekte zelfonderzoek – ‘vervloekt’, omdat de duivel het geweten misbruikt, zich opwerpt als het ‘super-ik’ en de mens verstikt met schuldgevoelens.

(2) Het leidend beginsel in de theologie van Luther, namelijk dat de Christen ‘zondaar en rechtvaardige tegelijk’ is, formuleert op de scherpst denkbare wijze de radicale omwenteling die hier op zedelijk gebied voltrokken werd. Tegen de achtergrond van de Middeleeuwen – in dit opzicht zijn zij allesbehalve verleden tijd geworden – is het zelfs noodzakelijk om nog nauwkeuriger te formuleren: Luther heeft een onzedelijke revolutie voltrokken! Dat kwam aan het licht toen Luther vanuit de Wartburg zijn plaatsvervanger in Wittenberg, Philippus Melanchthon, de volgende provocerende woorden op het christelijke hart bond: zondig dapper, maar geloof nog veel meer en verheug je in Christus – ‘pecca fortiter, sed fortius fide en gaude in Christo’

Bron (1 en 2): Luther – Mens tussen God en duivel, Heiko. A. Oberman (1930-2001)
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Ik zal met vreugd…

‘Ik zal met vreugd in ’t huis des HEREN gaan, om daar met lof uw grote Naam te danken, Jeruzalem gij hoort die blijde klanken, elk hef met mij de lof des HEREN aan’

Met lof!

Loven is een sterk woord. Dat doen we niet zomaar. Het is al mooi als we iemand horen neuriën. Dan constateren we bij onszelf: hij of zij is in een goede stemming. Rijker nog is het als de mond tot zingen komt, spontaan en van harte zingt. Dan denken we: dát is vrolijkheid en blijdschap. Daar gaat iets van uit. Dat beurt een kwijnend hart op. Dat verdrijft de somberheid en naargeestigheid.

Zingen kan men doen, soms midden onder het werk. Daar behoeven de handen nog niet bij stil te staan. Zo kunnen kinderen moeder horen zingen te midden van haar huishoudelijke beslommeringen. Herinnert u het zich nog uit uw kinderjaren: die zingende moederstem? Blijvende herinneringen!

Maar lóven is veel meer. Daar leeft de hele méns zich uit. Dat doe je met hart en ziel. Dat doe je met heel je innerlijk, met al wat in je is. Daar gaat heel de mens in óp. Daar staat het werk bij stil. Dan zie je de zanger of zangeres en je merkt op; álles zingt; zijn tong, zijn mond, zijn gelaat, zijn gestalte en al wat in hem is: zijn hart, zijn ganse innerlijk met zijn aandoeningen en emoties en diepste ziele-roerselen.

Of je ziet een koor onder de fascinerende leiding van een dirigent de lof en de prijs uitzingend en uitjubelend. Denk maar aan het machtig Hallelujah koor van Händel: het jubelt al breder en al hoger, in woorden van aanbidding. Kijk, dát is lóven! En dan niet in een uitsluitend esthetische ontroering. Maar religieus gericht, gelovig op de Here betrokken, tot lof en prijs van onze Schepper en Formeerder, tot grootmaking van onze Heiland en Verlosser. Zoals we ons dat kunnen voorstellen in Jeruzalems tempel; ‘Hallelujah. Looft God in zijn heiligdom! Looft Hem met bazuingeschal, looft Hem met harp en citer!’

Nu moet niemand onder ons zeggen: Maar aan zulk loven kom ik niet toe. Want Psalm 103 wil u tot dat loven opwekken. Gemeenschappelijk en ook persoonlijk.

Niet zó als het in de onder ons nog gebruikelijke psalmberijming staat; ‘En gij, mijn ziel, loof gij hem bovenal’. ‘Want dat ‘bovenal’ komt in onze psalm niet voor. Maar u moet uzelf er wel bij betrokken voelen zó, dat uw eigen stem in de lofzegging van Gods gemeente niet mag ontbreken.

U moet uw eigen ziel, dat wil zeggen uzelf, daartoe aansporen. Want dat lofzeggen is voor iéder van ons betamelijk. Daarin komen we tot het meest eigenlijke van ons mens-zijn. Juist omdat God de HERE ons daartoe geschapen heeft en ons als zondige mensen in Christus weer genadig daartoe geroepen heeft om Hem te loven. Vooral samen: daar, waar ’t volk, Gods volk, vergaderd is.

die al uw ongerechtigheden vergeeft, die al uw krankheden geneest
(Psalm 103 : 3)

Bron: Preek over Psalm 103 (verzen 1-5, zie hieronder) van ds. B. Telder (1897-1980).

Loof de Here, mijn ziel,
en al wat in mij is, zijn heilige naam;
2 loof de Here, mijn ziel,
en vergeet niet een van zijn weldaden;
3 die al uw ongerechtigheden vergeeft,
die al uw krankheden geneest,
4 die uw leven verlost van de groeve,
die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid,
5 die uw ziel verzadigt met het goede,
zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend (1).

(1) 29 Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte. 30 Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, 31 maar wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat. (Uit Jesaja 40)

Geplaatst in Bijbel | Plaats een reactie

Israëls tweede bloei…

Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Het zal bloeien als een lelie, wortelen als een ceder op de Libanon; (Hosea 14 : 6)

(…) Wanneer de Heere komt als de dauw, die in het oosten zóveel betekent voor het land, dat de regen zelfs kan uitblijven, dan is er verkwikking, vruchtbaarheid. Daar zal de Heere Zelf voor zorgen. En dat zal te zien zijn. Het door zijn zondige leven verlepte Israël krijgt de pracht en de schoonheid van een bloeiende lelie, zoals de verlopen bedelaar aan de poort van het Vaderhuis door de zorg van de Vader weer bekleed wordt met de waardigheid van het zoonschap. En het is geen vergankelijke schoonheid. Want aan de sierlijke pracht van de lelie paart zich de stoere vastheid van de bergen van de Libanon. Alles wordt anders. Het volk ontvangt een schoonheid, waardoor het een sieraad is voor zijn God. De profeet der liefde tekent de heerlijkheid van Gods volk met woorden, die herinneren aan het Hooglied. Het volk wordt weer ten volle Gods bruid. Het vertoont pracht en verspreidt een liefelijke geur. Er zal beschutting in haar midden zijn tegen de hitte van de dag en de koude van de nacht. Er zal leven te vinden zijn en overvloed. En het zal de Heere zijn tot een naam en tot een teken dat niet uitgeroeid zal worden.

De verzen 6-8 uit Hosea 14 zijn een heerlijke profetie van het werk van de Geest van Pinksteren. Hij is als de dauw, die levenwekkend en levendmakend neerdaalt op de akker van het dode zondaarsleven. Hij wederbaart, vernieuwt, heiligt. En Hosea leert ons: het hoort allemaal bij elkaar: de levend-making, de rechtvaardiging, de heiliging. Het valt wel te onderscheiden, maar het is niet te scheiden. Waar Christus zondaren door Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, daar vernieuwt Hij ze ook door Zijn Heilige Geest. ’En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.’. (Romeinen 8:30).

Het is alles in en uit Hem. Alles, want – zegt de Heere – ’uw vrucht is uit Mij gevonden’. Hij is de Heere, Die alles is en alles doet voor Zijn volk. Uit Israël was geen goeds. Het bracht geen vrucht voort, slechts zonde en ongerechtigheid. Maar de Heere doet het. Hij zorgt voor Zijn eigen werk. Hij begint het, zet het voort en voleindigt het.

Het is alles uit Hem: wedergeboorte, gebed, bekering, geloof en liefde.

5 Ik genees hen van hun ontrouw,
mijn hart gaat naar hen uit.
Mijn toorn heb ik laten varen.
6 Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Het zal bloeien als een lelie,
wortelen als een ceder op de Libanon;
7 zijn jonge loten zullen uitlopen.
Het zal als een prachtige olijfboom pronken
en geuren als de ceders op de Libanon.
8 Dan is het weer goed toeven in zijn schaduw,
er wordt weer koren verbouwd.
Het zal bloeien als een wijnstok,
befaamd zijn als de wijn van de Libanon.
9 Dan zegt Efraïm: ‘Wat heb ik nog met afgoden te maken?
Ik wil zijn Liefde beantwoorden, mijn oog op hem richten.
Dan ben ik als een cipres, altijd groen;
het zijn Uw vruchten die ik draag.’

10 Wie inzicht heeft doorgrondt deze woorden,
wie wijs is neemt ze ter harte. Want de wegen van de HEER zijn recht:
wie rechtvaardig is verlaat ze niet, maar wie zich verzet komt ten val.

Uit Hosea 14

Bron : “Hosea – profeet van de liefde van God”, ds J. Westerink (uitgegeven radiolezingen)
Geplaatst in Bijbel | Plaats een reactie

Waarachtige bekering…

27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. 28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. 29 Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven,  niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, 30 en de Vader en ik zijn één. (Uit Johannes 10)

(…) Dat een rest, een overblijfsel, zoals het bij de profeten vaak genoemd wordt, zich bekeert, dat hebben ze niet aan eigen inzicht of geloof te danken. Het is de Heere Zelf, Die een zondaar bekeert zodat hij naar God gaat vragen. Of, om het met de Vader van de verloren zoon te zeggen: ’Deze mijn zoon was verloren, maar is gevonden.’

Hoort u het wel: niet teruggekomen naar huis’, maar gevonden. Door de Vader. Hij bracht hen in de ellende. Hij voerde hen in de woestijn. Hij liet hen vastlopen en doodlopen op hun eigengekozen wegen. Hij leerde hen het onbevredigende zien van de wereld waarin zij het geluk zochten. Hij deed hen ontdekken, dat die wereld buiten het Vaderhuis nooit verzadigt, maar je tenslotte laat zitten met lege handen, met een honger, die niet verzadigd en met een dorst die niet gelest wordt. En zo geneest Hij van de afkerigheid van de Heere en maakt Hij ons afkerig van het leven buiten Hem en van de zonde, die scheiding brengt tussen de Heere en ons. Hij geneest er ons van; d.w.z. Hij maakt ons niet alleen afkerig van de zonde, maat Hij trekt ons ook in ootmoedige schuldbelijdenis en met een wonderlijk vertrouwen terug naar Hem. Dat doet de Heere door Zijn Woord en Geest. En het hart gaat open voor het Woord en het Woord blijft haken in het hart en we gaan uit tot Hem met woorden, die Hijzelf ons leert. We gaan: Ik zal opstaan en tot de Vader gaan en zeggen. . . . Ja, en dan zeggen wij het met woorden, die we van de Heere geleerd hebben. Dan zijn het vaak woorden uit het oude psalmboek, die inhoud en betekenis gaan krijgen, waarin we verklaard en uitgedrukt vinden, wat er leeft in ons hart: ’Gedenk niet meer aan het kwaad, dat wij  bedreven …. Help ons, barmhartig Heer’, Uw grote Naam ter eer.’ Zo vindt de Heere verlorenen. Zo geneest de Heere afkerigen.

In Hosea 14 : 5 zegt de Heere: ’Ik zal hen vrijwillig liefhebben.’ Er is in Israël geen grond voor die liefde: het noemt zichzelf immers ’wees’. En die jongen moet van zichzelf zeggen: ’niet waard Uw zoon genoemd te worden’. Maar ze komen omdat Hij Vader is, met innerlijke ontferming bewogen over wezen en onwaardigen. Ze komen, omdat ze getrokken worden. En ze ontdekken: de gemeenschap wordt hersteld, niet omdat ik kwam, maar omdat Hij mij vond. Ze komen bevend aan en horen dan: ’Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met koorden van goedertierenheid’. Vrijwillige liefde, dat is liefde die opkomt vanuit Gods welbehagen, en waarvoor de Heere redenen (a) neemt uit Zichzelf. (…)

5 Terwijl hij nog sprak, zie, een lichtende wolk overschaduwde hen; en zie, een stem uit de wolk zei: (a) Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! (Matteüs 17 – Jezus verheerlijking op de berg Tabor)

Gelukzalige ervaring met de verheerlijkte Jezus

Er kwam een einde aan het hemelse visioen van de apostelen en aan die grandioze, gelukzalige ervaring met de verheerlijkte Jezus. Even hadden ze uitzicht gekregen op het heerlijke einddoel van Jezus’ levensweg. Ze hadden als het ware een vervroegde paaservaring. Pasen is echter het einde van een kruisweg. Die hadden ze nog te gaan. Jezus zelf moest hen aanraken, als het ware wakker schudden, bij de hand nemen om de berg af te dalen. Terug naar het dal van het gewone leven. Terug de weg vervolgen. De weg naar Jeruzalem. Na dit hoogtepunt stond hen het dieptepunt te wachten van lijden en dood. Dit hoogtepunt moet hen de kracht geven om het te doorstaan. 

Ze zijn met Jezus de berg opgegaan van de verheerlijking. Ze zouden met hem moeten afdalen in het diepe dal van duisternis. De verwerping door de religieuze leiders en de mensen zou hen zwaar vallen. Het zou terecht hun bevattingsvermogen te boven gaan. Een gekruisigde Messias… Daar konden ze niet bij! Het heeft geduurd tot na de verrijzenis voor ze opnieuw, vol blijdschap, gingen geloven in de ware gedaante van Jezus als de veelgeliefde van God die gezonden wordt als Christus, de Heer.

Dit evangelie gaat ook over ons

Er zijn hoogtepunten, top-momenten, die we zouden willen vasthouden. Er zijn dieptepunten die we nauwelijks aankunnen. Als we twee pasgehuwden zien die we al lang kennen, zijn ze van gedaante veranderd. Ze stralen van geluk. Ze schitteren in hun mooie kleren. Hun trouwdag is een top-moment. Na de wittebroodsweken moeten ze weer afdalen. Zullen ze het glanzend licht en de warme gloed van hun aanvankelijke liefde blijven meedragen? 

Bron (1): “Hosea – profeet van de liefde van God”, ds J. Westerink (uitgegeven radiolezingen)
Bron (2):  http://www.holyhome.nl
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

God liefhebben?! Onder alles?!

15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. 16 De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. 17 En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister. (Uit Romeinen 8)

Lieve Vader!

Waar het geloof in Christus is, daar werkt de Heilige Geest in het hart niet alleen vertroostende genade maar ook een vast kinderlijk vertrouwen. Zo werkt de Heilige Geest twee zaken: het hart twijfelt niet aan Gods genadige welbehagen én het hart twijfelt niet aan verhoring der gebeden. Dat alles niet om onze waardigheid, maar om de Naam van Christus, Gods Zoon, en om Zijn verdienste.

Over deze twee werken van de Heilige Geest – genade en gebed – spreekt ook de profeet Zacharia (vgl. 12:10). Namelijk dat God een nieuwe prediking en een nieuw werk in de kerk van Christus zal beginnen, wanneer Hij de Geest der genade en de Geest der gebeden zal uitstorten. Want de Geest der genade, Die ons verzekert dat wij kinderen van God zijn, is Dezelfde als de Geest der gebeden, Die onze harten aanspoort dat wij tot God roepen met een hartelijk zuchten en bidden.

Het Hebreeuwse woord ‘Abba’, de apostel zegt dat het ‘lieve Vader’ betekent, is als de stem van een klein kind, de zoon en erfgenaam, die uit een eenvoudig kinderlijk vertrouwen met zijn vader praat en ‘papa, papa’ zegt (vgl. Romeinen 8:15 vv). Dit kleine woordje is vast het gemakkelijkste woordje dat je een kind kunt leren zeggen. Zoals ook in andere talen dergelijke eenvoudige woordjes gebruikt worden als de kleine kinderen tegen hun vader praten of tot hem om hulp roepen. Door zulke eenvoudige en kinderlijke woorden spreekt ook het geloof – door de Heilige Geest – tot God.

Dit roepen komt diep uit het hart en – zoals Paulus hierna zal zeggen – met een onuitsprekelijk zuchten (vgl. Romeinen 8:26). Dat is nog het meest het geval als wij in strijd en angst, door ongeloof aangevallen en door de duivel benauwd, in grote nood verkeren. Om zich daartegen te verweren, roepen Gods kinderen: ‘Ach, lieve Vader, U bent toch mijn lieve Vader, want U hebt Uw enige lieve Zoon voor mij gegeven, daarom wilt U toch niet meer boos op mij zijn of mij verstoten? U ziet immers mijn nood en zwakheid, ach, lieve Vader, wilt U mij toch helpen en redden!’

Maarten Luther: Crucigers Sommerpostille, am VIII. Sontag nach Trinitatis, Epistel Roma 8 (12-17). Vgl. WA 22, 138, 9-31 (ohne Datierung)
Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en/of van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)
Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waarom nog nadenken over waarachtige bekering?!

10 Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar. 11 De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; (Uit Lukas 18)

17 Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte, 18 raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en ogenzalf om uw oogleden te bestrijken, opdat gij zien moogt. 19 Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. (Uit Openbaring 3)

(…) Misschien denkt u ook wel: Bekering? Ik? Man, waar maak je je druk om. Met mij is er niets aan de hand. Alles is goed en alles gaat goed. Bekering, jazeker, maar dat is iets voor ongelovigen en zondaren en tot die categorie behoor ik niet.

Zo reageert Efraïm ten tijde van de profeet Hosea wel, tenminste, zo lezen we dat in Hosea 12 : 9. Ze krijgen kennelijk genoeg van dat voortdurende spreken over de noodzaak van hartgrondige bekering. Ze vragen aan de profeet: man, waar heb je het toch over? Moet je eens zien: ik ben rijk geworden; ik heb een groot bezit verworven. Dat is toch zegen van God? En dat is toch een bewijs, dat het goed met me zit? Kijk het maar na in mijn leven en mijn arbeid. Ik geef iedereen het zijne en ik heb van mijn leven geen kwaad gedaan. Al dat gepraat over zonde en bekering! Noem eens wat bij mij niet deugt… Maar, zo reageert ú toch niet? Dat zou erg oppervlakkig zijn. Voorspoed is nu eenmaal niet hetzelfde als zegen. En tegenspoed is niet hetzelfde als straf. De Heere taxeert de dingen heel anders dan wij.

Denk maar aan die gemeente waar de Heere op bezoek komt en die zegt: wij zijn rijk en verrijkt en hebben aan geen ding gebrek; terwijl de Heere zegt: Jullie hebben niet eens in de gaten, dat jullie arm zijn en jammerlijk en blind en naakt. Succes is nog geen zegen.

Zegen is: Jakobs God als hulp hebben. Hebt u dat, of staat met alle voorspoed de Heere Zelf buiten uw leven? Hebt u het goed? Of hebt u God? Het scheelt maar één letter, maar het scheelt in werkelijkheid een eeuwigheid.

(…) Waar ligt ten diepste de zonde van Israël? Het luisterde niet naar de stem van de profeten en het liet zich niet aan hun hand leiden. Israëls zonde is ongehoorzaamheid, niet willen luisteren. En is dat niet de wortel van alle zonde? Daar is het immers in het paradijs al mee begonnen. En juist voor het volk van Gods verbond is deze zonde dubbel erg, omdat het geroepen wordt tot een nieuwe gehoorzaamheid. Daartoe zendt de Heere immers tot hen Zijn profeten: om naar hén en dus naar Hém te horen.

Zal de Heere er dan voortaan het zwijgen toe doen? Zal Hij geen profeet meer zenden om Gods volk te roepen tot bekering en gehoorzaamheid? Leest u dan nog eens de verzen uit Hosea 12 : 10-11. Vers 11 zegt: ’Ik zal spreken’. ’Naar haar hart.’ hoorden we in Hosea 2. En het zal krachtig en duidelijk en indringend zijn: ’En Ik zal tot de profeten spreken, en Ik zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken.’

Alles doet hier al denken aan dé Profeet, van Wie Mozes al gesproken heeft: een profeet als ik, zal de Heere uw God u verwekken; naar Hém zult gij luisteren. We horen hier woorden, die rechtstreeks heen wijzen naar de hoogste Profeet en Leraar, de Heere Jezus Christus, Die de Naam van de Heere heeft geopenbaard. Naar deze Profeet, Die tegelijk de Priester is op Wie de Heere al onze ongerechtigheid heeft doen aanlopen, en Die ook de Koning is, Die Zijn volk verlost, leidt en beschermt. Hij is de Zoon van Gods welbehagen. Hoort Hem en uw ziel zal leven. Waar ik Hem ontmoet, ben ik met Jakob in Pniël: Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered.

Bron: “Hosea – profeet van de liefde van God”, ds J. Westerink (uitgegeven radiolezingen)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

‘Ik laat U niet gaan tenzij U mij zegent.’

28 Toen zei Hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt gestreden met God en mensen, en u hebt overmocht (overwonnen). 29 Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam. Maar Hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? En Hij zegende hem daar. 30 En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zei hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.  (Uit Genesis 32)

(…) Jakob heeft in zijn leven, al is het met vallen en opstaan, ook geleerd in welke weg de Heere Zijn zegen wil geven. Dat is vooral gebeurd in Pniël, de tweede gebeurtenis in zijn leven, waaraan Hosea 12 herinnert. We lezen in Genesis 32 hoe de Heere bij de grens van Kanaan Jakob tegenkwam en met Jakob streed. Jakob moest immers leren, dat hij Kanaan en Gods belofte niet beërven kon in eigen kracht en door eigen slimheid. Daar heeft de Heere – Die hier ook genoemd wordt ’Engel’ en ’God’ – Jakob geleerd, hoe Hij Zich gewonnen geeft aan een zondaar die zijn eigen naam leert spellen en leert smeken om genade: ’Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.’ Daar kan de Heere – met eerbied gesproken – niet tegenop. Daar werd Jakob, de bedrieger, tot Israël, de vorst Gods, de man, die zich vorstelijk gedragen had tegenover God. Als er daarna nog aan Bethel herinnerd wordt, zullen we niet moeten denken aan de eerste ontmoeting tussen God en Jakob, waarvan we lezen in Genesis 28, maar aan de tweede ontmoeting, die beschreven wordt in Genesis 35, waar Jakob, na zijn gezelschap gereinigd te hebben van alle afgoden, de Heere zijn geloften betaalt en offers brengt, en waar de Heere opnieuw aan hem verschijnt en hem Israël noemt en verzekert, dat Hij zijn God is en aan hem en zijn nageslacht het land Kanaan zal geven. Jakob heeft geleerd niet op mensen te vertrouwen, zoals zijn nakomelingen nu [in de tijd van de profeet Hosea] wel doen, want ’welgelukzalig is de mens, die de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting van de Heere Zijn God is’. Dat is het geheim van Jakobs leven, dat hem op zijn sterfbed doet belijden: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere.’ Dat mag ook het geheim zijn van Jakobs nageslacht, zegt het slot van vers 5, waar niet per ongeluk staat: ’Hij sprak met óns’, Het is alsof de profeet (zie Hosea 12) zegt: Israël, zo heeft de Here Zich bekend gemaakt aan onze vader maar in hem tegelijk ook aan ons. De Here, de God van Jakob, de bedrieger, maar die de zegen leerde zoeken bij de Heere alleen in de weg van schuldbelijdenis en gebed om genade. Israël, dat is de weg voor onze vader (Jakob) en voor ons. Niet door leugen en bedrog; niet door kracht of door geweld. Maar in de weg van het gebed, waarin we als een ootmoedige smekeling de Heere aangrijpen: ’Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent.’ Dat is de weg omdat Zijn Naam is HEERE, Ik zal zijn die Ik zijn zal, d.w.z. de God, Die Zijn verbond heeft opgericht met Abraham, Izaäk en Jakob en Die de Getrouwe is, Die nooit zal laten varen het werk van Zijn handen, en Die de Machtige is, de God, Die beschikt over overwinnende engelenlegers (1), de God van de legioenen en van de miljoenen. ’Zalig hij, die in dit leven déze God van Jakob ter hulpe heeft; hij die door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft; die zijn hoop in het hachelijkst lot, vestigt op de Heere zijn God’.

Tegen deze achtergrond wordt het een klemmende oproep, die we in Hosea 12 vers 7 lezen: ’Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht gedurig op uw God.’ Dat is de enige weg naar het leven. En die weg is nog steeds open, omdat de Heere de God is, Die gedenkt aan Zijn verbond, zoals we horen in de aanduiding – tot tweemaal toe – ’uw God’; en omdat Hij Zich bij voorkeur laat noemen: God van Jakob, God van bedriegers, van zondaren. Hij schaamt Zich niet hun God genoemd te worden. Maar zal dat verbond en die gunst van de Heere niet eenmaal tegen ons getuigen, dan zal het in ons leven wel moeten komen tot radicale bekering tot Hem, uitkomend in een leven maar Zijn wet en een bestendig wachten op de Heere.

(1) 2 Jakob trok verder. Plotseling verschenen er engelen van God op zijn weg. 3 ‘Een leger van God!’ riep Jakob uit toen hij hen zag, en hij noemde die plaats Machanaïm. (Uit Genesis 32)

Bron: “Hosea – profeet van de liefde van God”, ds J. Westerink (uitgegeven radiolezingen)

Zie eventueel ook nog: Jakob en Peniël

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De Hemelse Supermarkt…

Ik was een in een dorpje, ’t lag aan de rand van een park
Toen zag ik een uithangbord, dat zei:

“De Hemelse Supermarkt”

Ik kwam wat dichterbij en de deur ging vanzelf open
en voor ik besefte wat ik deed, was ik al binnengelopen.

Het personeel bestond uit vele engelen
allen, daar waar nodig was, tot hulp bereid.

Eén reikte me een mandje aan en zei:
“M’n kind, doe je boodschappen met beleid!”

Alles wat een mens nodig heeft, was in die winkel te koop
en het eerste wat ik meenam was een pakje Hoop.
Wat verder in het pad zag ik ook Geduld
en daarnaast was een groot vak, dat met Liefde was gevuld.

Wijsheid zat in flessen, daarvan nam ik er twee
en een aantal zakken met Geloof nam ik toch ook maar mee.

De Heilige Geest was niet te missen, uitgestald waar ik maar keek.

Ook stopte ik even voor de artikelen Kracht en Moed
want een beetje sterkte doet een mens toch goed.

Van Genade nam ik meteen een grote rol en zo raakte mijn mandje al aardig vol.

Ik liep al richting kassa, om alles te betalen maar bang dat ik wat vergeten zou,
bleef ik nog wat dralen.

In een zijpad viel mijn oog ineens op Gebed
ik verlegde iets in het mandje, en toen paste het nog net.

Maar Vrede en Vreugde pasten niet meer in de mand
die hield ik noodgedwongen dan maar in de hand.

Bij de kassa vroeg ik een engel: “Wat kost dit alles bij elkaar?”
Hij glimlachte alleen en maakte een laat-maar-zitten-gebaar.

Vol verbazing vroeg ik hem: “Wat is hiervan de reden?”

Hij lachte weer en zei: “M’n lieve kind, Jezus betaalde al de rekening,
lang, heel lang geleden!”

“dichter” onbekend

Bron: Kopie van deze tekst ontvangen van de uit Schiedam afkomstige en nu al langere tijd in Rotterdam wonende oud-gezinsverzorgster Riet Clements (na een eerdere ontmoeting en gesprekken met haar in hotel “De Werelt” in Lunteren – juli 2015).

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente | Plaats een reactie

Geen streeptheologie!

Het valt te betreuren dat de woorden van de Reformatoren (1) in hun strijd tegen de geestdrijverij ook uitgelegd kunnen worden (en mogelijk/waarschijnlijk zijn ze deels ook zo bedoeld geweest) alsof de Heilige Geest – na de eerste periode van de Evangelieverkondiging in Jeruzalem en aan de heidenen en bij het ontstaan van de eerste gemeenten – nu Zichzelf (en/of door ons toedoen) een aantal beperkingen heeft opgelegd…

Maar de Bijbelse Waarheden zijn altijd zo eenvoudig, dat ze aan kinderen uit te leggen zijn en door hen (vaak beter dan door ouderen) begrepen kunnen worden…

Wanneer wij ons leven (ons hart, onze ziel, ons verstand en onze krachten) dagelijks door lofprijzing, Bijbellezing en gebed (m.n. het Onze Vader als dagelijks te bidden gebed!) persoonlijk en in gezin of samen met anderen geven en wijden aan onze drie-enige God, dan neemt Hij van ons weg, wat het werk dat de Heilige Geest die dag in en door ons wil doen, tegenstaat.  Natuurlijk kan en zal het ons die dag dan nog strijd kosten tegen “ons eigen vlees” (onze “Adams-natuur”), de macht van de boze en de invloed van de wereld, maar toch mogen we weten dat de Heilige Geest sterker is dan deze machten en ons steeds weer leiden wil en zal die dag.

We kunnen er dus zeker van zijn en gerust op zijn dat de Heilige Geest ons van al Zijn krachten en gaven zal schenken en ons daaruit voorzien, die die dag nodig zijn in ons eigen leven, in dat van ons samenleven in gezin en samenleving en in de gemeente. In de eerste plaats zullen we daarbij rekenen op Zijn wijsheid, die Hij ons schenken wil, om in alle dingen van die dag te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Jakobus benadrukt dat heel sterk aan het begin van zijn brief, en betuigt dat we dat ook vast en zeker hebben te geloven om een vaste levensgang en levensovertuiging te hebben en om geen “zwalkend (geloofs)bestaan” te leiden.

Wanneer we ons (dagelijks!) zo stellen onder de leiding van de Geest, dan weten we ook dat ons (gewone) bidden om wijsheid, om genezing, etc. in gezin en in de gemeente of elders gehoord en verhoord wordt. We zullen dat ook steeds weer in ons samenleven in de gemeente zo (elkaar) hebben te belijden. En met deze eerbiedige levenshouding t.a.v. Gods Woord en t.a.v. gebedsverhoring en het werk van de Heilige Geest zijn we vrij van alle krampachtigheid en staan onze ogen en oren open voor de wonderen (van genezing op ons gebed bijv.) die de Heilige Geest in onze (persoonlijke) tijd van leven werkt. We gaan van deze wonderen echter geen ophef maken en als we anderen willen overtuigen van de (vrij)macht van de Geest, zullen we (in het samenleven van de gemeente of in gesprek met “buitenstaanders”) eerder naar de Bijbel grijpen, dan dat spreken over wat we persoonlijk (daarvan) gezien en beleefd hebben. Al zullen we daar beslist ook niet altijd over zwijgen, maar juist hier is bidden om wijsheid heel noodzakelijk…

4 Er zijn verschillende gaven, maar de Geest is een en dezelfde. 5 Er zijn verschillende vormen van dienstverlening, maar de Heer is een en dezelfde. 6 Er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is een en dezelfde God, die alles in allen tot stand brengt. 7 Maar aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. 8 Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven; aan een ander een woord van kennis, krachtens dezelfde Geest; 9 aan een derde door dezelfde Geest het geloof; en aan weer anderen schenkt diezelfde Geest de gave om ziekten te genezen, 10 de kracht om wonderen te doen, de gave van de profetie, de onderscheiding van geesten, het vermogen om in talen te spreken of de betekenis ervan uit te leggen. 11 Dit alles is het werk van één en dezelfde Geest, die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil. (Uit 1 Korintiërs 4)

(1) “Als Melanchton ernstig ziek is bidt Luther waarbij hij zich beroept op Gods beloften: “Toen moest God mij betalen want ik wierp Hem de zak toe met alle beloften van gebedsverhoring die ik in de Schrift wist te vinden, met de betuiging dat Hij mij moest verhoren (a) als ik tenminste zijn beloften vertrouwde” God heeft de doodzieke Melanchton genezen. Luther geeft ook een predikant raad om bij een ernstig depressief gemeentelid, de handen op te leggen en de beloften uit de bijbel (o.a. Marcus 16) te noemen. ”
(a) Melanchton was voor Luther bij de voortgang van het werk van de Reformatie “onmisbaar”.
Bron :  Samenvatting Vergeving en genezing, dr. M.J. Paul, hoofdstuk VIII

Zie eventueel ook nog:

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Wie de Zoon heeft…

Alles is alleen om de Zoon te doen

‘… opdat allen die in Hem geloven, niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben’ (Johannes 3:16, weergave DB 1545).

Hier neemt Hij de zonde, de dood en het laatste oordeel van ons weg. Hij wil ons allemaal – niemand uitgezonderd – alleen binden aan de Man Die Jezus Christus heet, Gods eniggeboren Zoon.
Nu lezen we dit soort teksten zo dikwijls bij Johannes, alsof de Heilige Geest alleen zou kunnen preken over de enige Zoon van God en de Zoon van Maria, en zou die ‘Arme Man’, de Heilige Geest, verder niets weten.

Dit klinkt wel erg belachelijk in de oren van de verstandigen en geleerden van deze wereld. Zoals een dichter zegt: ‘Een luitspeler die altijd weer hetzelfde liedje speelt, daar lachen de mensen om.’ Op dezelfde manier lacht de wereld om de Heilige Geest, als om een luitspeler die maar op één snaar kan spelen. Maar zulke verstandige en geleerde meesters, die de Heilige Geest graag willen vertellen wat Hij moet zeggen, daar zijn God en de Heilige Geest niet om verlegen.

Hier staat het echter – hier kunt u het lezen: ‘Wie in de Zoon van God gelooft, heeft het eeuwige leven.’ De anderen doen maar wat ze willen – het blijft hier staan: die niet geloven, zijn verloren, daar helpen geen Mozes en geen wet aan. Ja, Mozes en de wet zullen hen helpen ombrengen, want Mozes en de wet geven het leven niet, maar de dood.

Daarom is alles alleen om de Zoon te doen – Hij alleen brengt ons tot het eeuwige leven: ‘Wie de Zoon van God heeft, die heeft het eeuwige leven. Wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet’ (vgl. 1 Johannes 5:12). Want alleen deze Zoon is de Persoon in Wie God een welgevallen heeft – het is onmogelijk dat God Zijn Zoon niet zou liefhebben! Waar de Zoon is, daarheen gaan de ogen van de Vader – vol liefde tot Hem! Daarom, om het nu maar kort te zeggen: ‘Het is alleen de Zoon Die bij God geldt – verder is alles [als het je om de zaligheid te doen is] waardeloos!’

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1532, vgl. WA 36, S. 180 ff, weergave: Die Haus-Postille nach Georg Rörer, W(2) 13b, S. 2087 § 7
Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com of van de website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)
Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël | Plaats een reactie