Joodse Messias verwachting en Psalm 19 LXX (Psalm 20!)

Dit weet ik zeker: de HEER schenkt de overwinning aan Zijn gezalfde,
Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel met de overwinning door Zijn machtige hand.
(Uit Psalm 20, NBV)

(…) Er valt veel voor te zeggen dat ook Psalm 19 in de LXX (Psalm 20) een messiaans karakter heeft. Psalm 19 is een koningspsalm. De vertaling (van Hebreeuws naar Grieks LXX) vond plaats in de laatste eeuwen voor Christus, toen er geen Davidisch koningschap meer was. Mogelijkerwijs werd de Psalm vertaald in de tijd van de Maccabeeënkoningen (2e eeuw voor Chr.). Maar dit koningschap werd anders beleefd dan dat van David, zodat de Psalm moeilijk op hen van toepassing kon zijn.

De Joodse gemeenschap in Alexandrie, waar de psalmen vermoedelijk vertaald werden, wist echter van de profetieën over de Zóón van David. Zij las deze Psalm in het licht daarvan. In de vertaling kon zodoende iets oplichten van het ‘profiel’ van de verwachte Davids-zoon. De Psalm lijkt te zeggen: zo zal Hij er ongeveer ‘uitzien’! De LXX-vertaling laat zien welke verwachting men had: de Heiland zou op de Sion God erkennen en zijn offer aan Hem brengen. God zou Hem verhoren en verlossen. En het volk zou delen in zijn overwinning, die Hem door God geschonken zou worden!

Het laatste vers van de Psalm laat zien dat er veel voor pleit om in de koning de Zoon van David te zien. In het Hebreeuws lezen we:

HERE, help toch, o Koning, die ons verhoort op de dag dat wij roepen.
De LXX vertaalt:
HEER, red uw Koning en verhoor ons op welke dag wij и maar zullen aanroepen.

In onderscheid van de MT typeert de vertaler de koning als ‘Gods (Uw) Koning’. Heeft de vertaler zich laten leiden door bijvoorbeeld Psalm 2 waarin de Here God zegt tegen de koning: ‘U bent mijn Zoon’! Deze Psalm werd in het late Jodendom messiaans verstaan.(1)

Deze uitleg maakt ook het gebed dat in de slotwoorden wordt uitgesproken verklaarbaar: ‘verhoor ons, op welke dag ook maar als wij U aanroepen.’ Als aan de Zoon van David verlossing en het koningschap is gegeven, breekt voor altijd de heilstijd aan. In de nieuwe ‘aeoon’ die is aangebroken heeft het volk voor altijd vrije toegang tot God. (2) Om die reden kan het  “op welke dag ook maar ” God aanroepen. Hij zal verhoren.

Psalm 19 vindt zijn vervulling in het Nieuwe Testament. Op het Pinksterfeest proclameert Petrus dat er een nieuwe eeuw, het Koninkrijk van God is aangebroken. Jezus die de Zoon van David is (zie Handelingen 2), heeft door Gods hulp de overwinning behaald. Petrus voegt eraan toe (geheel in lijn met het laatste vers van Psalm 19 LXX dat het heil dat daarmee gemoeid is, bereid is voor iedereen die de Naam des HEREN aanroept.

Enkele jaren later zegt Paulus hetzelfde: “wij zijn meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad” (Romeinen 8: 37). Psalm 19 LXX is in vervulling gegaan!

(1) Het laatste vers van deze Psalm werd in de Vulgata vertaald met ‘Domine, salvam fac regem’, HEER red de koning’. De vertaling ligt ten grondslag aan het Engelse volkslied: ‘Lord save the king/queen’. Delitzsch veronderstelt dat de uitroep ‘Hosanna de Zoon van David’ waarmee Christus verwelkomd werd in Jeruzalem een uitvloeisel is van vers 10 uit deze Psalm.
(2) Het Griekse woord dat voor ‘redding’ en ‘heil’ gebruikt wordt (‘sotèria’) laat dat ook zien: het is een toestand van heil die door een verlossende daad van God voorgoed tot stand gebracht is.

Bron: “Psalm 19 in de LXX”, dr. H. Klink, Hoornaar,  Ecclesia nr 20 – oktober 2016

Ecclesia – Orgaan van de Stichting Vrienden van de F.H. Kohlbrugge (zie de website)

Zie ook: Israël zondag: Joodse messiasverwachting…

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Waarom juist zoveel gebrek aan éénheid in de kerken van (na) de Reformatie…

In de eerste plaats is het goed om te beseffen dat “de Reformatoren” weer gingen begrijpen dat de eenheid van de Kerk (en dus ook de kerken) niet (meer) gezocht moe(s)t worden in en gefundeerd op menselijke wijsheid en inzicht, verzameld en opgebouwd in en met door “dé kerk” vastgestelde tradities en daaraan gekoppelde kerkelijke machtsorganen, maar dat de Kerk gebouwd wordt op het éne fundament van Het Woord, Christus, die ons in en door “de Schriften”  (“onze Bijbel”) verkondigd  wordt.

Men heeft zich toen wel moeite getroost om dat wat “de Schriften”  ons verkondigen en leren, vast te leggen in Belijdenisgeschriften (o.m. om duidelijkheid te geven naar de (RK-)overheid), maar die zijn nooit bedoeld geweest om die door één centrale kerkelijke gezagsinstantie (met een daaraan gekoppeld gezags-/machtsorgaan) aan de kerken (nationaal of internationaal) op te leggen. Het was meer bedoelt als een openlijk en gezamenlijk instemmen met wat de Kerk (ook de vroege) geleerd heeft (begrepen én gepredikt) naar en uit de Schriften en mede daarom toch ook gebruikt konden worden om de éénheid te dienen en het daarom óók verdienden om gebruikt te worden als “overeenstemmings-” en “instemmingsformulieren” in de “nieuwe” protestantse kerken.

Maar, daar waar het Woord het voor “het zeggen” krijgt/heeft (“Christus komt tot ons in het gewaad van de Schrift” – Luther) en de gelegenheid gegeven wordt om te heersen over de harten en gewetens, daar wordt ook de grootste menselijke en duivelse weerstand opgeroepen en actief. De vrijheid die hiermee in het kerkelijk en persoonlijk leven geschonken is en wordt, kan dan ook door allerlei mensen en mee door de macht van de boze (diabolos=uiteenwerper) gebruikt worden om “overal” verschil(len) te (willen) zien en verschil(len) “te maken”. Die “verschilmakerij” kan of moet echter vaak in feite gezien worden als “bevrediging van het vlees” (ongeestelijk!, niet van de Geest! – zie o.a. wat Paulus de gemeente(n) voorhoudt in 1 Korintiërs 3) en waarvoor ook gewaarschuwd wordt in o.a. 2 Timoteüs 2, Hebreeën 13 : 9.

Wat hiervoor gezegd is moeten we zeker ook in rekening brengen, wanneer we een vergelijk maken met de veel grotere eenheid die er altijd geheerst heeft binnen de Rooms Katholieke kerk. Daar waar een eenheid bewerkt wordt, die aantrekkelijk is voor “het vlees” (o.a. gebaseerd op een vooral met menselijke wijsheid opgezette kerkelijke machtsstructuur en Bijbels en kerkelijk inzicht gegoten in de vorm van “heilig en vrijwel onaantastbaar” verklaarde traditie), daar wordt de (oude) menselijke natuur bevredigd en de boze heeft er eerder nut van om dit “menselijk (bouw)werk” onaangetast te laten en waar mogelijk in zijn voordeel te gebruiken, dan dat hij moeite zou doen om dit “mensenwerk” aan te tasten en te gronde te richten.

8 Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19 Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ 20 En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’ 21 Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; 22 of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van u. 23 Maar u bent van Christus en Christus is van God. (gedeelte uit 1 Korintiërs 3)

9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden.  (Uit Hebreeën 13)

Geplaatst in Bijbel | Plaats een reactie

Gij dan zult volmaakt zijn…

48 Gij dan zult volmaakt zijn, zoals uw hemelse Vader volmaakt is. (Jezus in de Bergrede, uit Matteüs 5)

1 Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Here aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk; (Uit Genesis 17)

1 Welzalig zij, die onberispelijk (volmaakt, NBV) van wandel zijn, die in de wet des Heren gaan. (Uit Psalm 119)

4 Hij antwoordde en zei: Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt? 5 En Hij zei: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. 6 Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. 
(…)
10 Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trouwen. 11 Maar Hij zei tegen hen: Niet allen vatten dit woord, maar alleen zij aan wie het gegeven is.
(…)
21 Jezus
zei tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij.
(…)
5 Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 26 Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’
27 Daarop vroeg Petrus: ‘Wij hebben alles achtergelaten en zijn u gevolgd. Waar kunnen wij naar uitzien?’
(Uit Matteüs 19)

4 Doe alles zonder morren en tegenspreken, 15 opdat u zuiver en smetteloos bent, onberispelijke kinderen van God te midden van een verdorven en ontaarde generatie, waartussen u schittert als sterren aan de hemel. 16 Houd daarbij vast aan het Woord dat leven brengt. (Uit Filippenzen 2)

20-21 De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. (Uit Hebreeën 13)

Zie eventueel ook nog: Onze christelijke hoogmoed…

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk | Plaats een reactie

Jezus leerde (gaf onderricht) in hun synagogen…

Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb voortdurend geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken. (Johannes 18 : 20)

We lezen in de Evangeliën niet van een oproep van Jezus om van de synagogen (“Joodse leerhuizen”) voortaan ook “huizen van barmhartigheid” te maken, waar mensen op de sabbat dan naar toe zouden kunnen gaan om daar (bij Hem of anderen) (gebeds)genezing te vinden of er andere vormen van hulpverlening te kunnen ontvangen. Ook vraagt Hij niet om van de synagogen ontmoetingsplaatsen te maken, waar dan vooral ook zondaars en tollenaars uitgenodigd en ontvangen dienen te worden…

Zie voor onderwijs in de synagogen ook: Mattheüs (12 :9) 13 : 54, Marcus 1 : 21, (1 : 23, 1 : 29, 3 : 1) 6: 2, Lukas 4 : 16, 4 : 20, 28, 4 : 33, 4 : 38, 6 : 6, Johannes 6 : 59, 12 : 42, 18 : 20

Maar, Hij at en sprak met tollenaars en zondaars in hun (eigen) huis…

9 Toen Jezus van daar verderging, zag hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Hij stond op en volgde hem. 10 Toen hij thuis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. (Uit Matteüs 9)

5 Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ 6 Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. (Uit Lukas 19)

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Luther als prediker van het geloof…

De drie stukken

Het volgende citaat komt uit de laatste preek van dr. Maarten Luther te Wittenberg, die hij gehouden heeft op 17 januari 1546, het jaar van zijn overlijden. De behandelde tekst was Romeinen 12:3. Luther is overleden op 18 februari 1546 in zijn geboorteplaats Eisleben. Het opmerkelijke van deze preek is dat Luther vlak voor zijn dood in 1546 nog steeds preekte over de ‘drie stukken’, zoals hij ook reeds in 1520 deed. Zie hiervoor: WA 7, 204 ,5 – 205, 2 (waar hij in het kort schrijft over de Tien Geboden, het Geloof en het Onze Vader). Ook vindt u de uitdrukking ‘drie stukken’ of ‘drie delen’ in de Heidelbergse Catechismus: Vraag en Antwoord 2.

“Paulus heeft in deze brief eerst – zoals hij gewoon is – de voornaamste stukken van de christelijke leer onderwezen, van wet, zonde en geloof; en wel hoe men rechtvaardig voor God moet worden en het eeuwige leven ontvangen, zoals u wel weet en dikwijls gehoord hebt en nog dagelijks hoort. Namelijk, dat er twee stukken te leren en te prediken zijn. Eerst moet men ervoor zorg dragen dat het geloof in Christus goed gepredikt wordt. Daarna, dat de vruchten en goede werken goed geleerd en verklaard worden.

Tot de leer van het geloof behoort [in de eerste plaats], dat wij weten wat zonde, wet en dood is én wat de zonde werkt. Idem [in de tweede plaats], hoe wij weer tot leven komen en daarin blijven. Op deze manier onderwijst Paulus in al zijn brieven. Eerst van het geloof in Christus, en hij plant de goede boom, net als wie een goede boomgaard wil kweken, goede bomen moet hebben. Zo doet Paulus ook, eerst plant hij goede bomen en leert hoe wij goede bomen worden, dat is: gelovig en zalig worden. Dat alles heeft hij beschreven tot aan het twaalfde hoofdstuk.
.
Dan leert hij [in de derde plaats] over de vruchten van het geloof tot aan het einde van de brief, opdat wij geen valse christenen zullen zijn die alleen de naam hebben, maar dat wij oprechte gelovigen zijn. Dit is de prediking van de goede werken, welke God gebiedt, vooral in de tweede en eerste tafel van de wet, dat wij, die door de dood van de Zoon van God verlost zijn, godzalig zullen leven als degenen die niet thuishoren in dit leven, maar in het eeuwige leven. Tenminste, als wij oprecht geloven, zodat wij ná het geloof niet opnieuw in de wereld terechtkomen, zoals hij ook kort ervoor gezegd heeft: ‘Verander u door de vernieuwing van uw gemoed’ (vgl. Romeinen 12:2). Dan spreekt hij over de goede werken die men moet doen, tot aan het einde van de brief.”

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1546, vgl. WA 51, 123, 15 – 124, 33

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van de website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Onze kerkdiensten/samenkomsten vol abacadabra voor buitenstaanders?

2 Ik wil maar één ding van u weten: hebt u de Geest ontvangen door de wet na te leven of door te luisteren en te geloven? 3 Bent u werkelijk zo dwaas weer op uw eigen kracht te vertrouwen, en niet langer op de Geest?  (Uit Galaten 2)

14 Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld. 15 Maar een mens die de Geest wel bezit (1), kan alles beoordelen, en zelf wordt hij door niemand beoordeeld. 16 Er staat immers geschreven: ‘Wie kent de gedachten van de Heer, zodat hij hem zou kunnen onderwijzen?’ Welnu, onze gedachten zijn die van Christus. (Uit 1 Korintiërs 2)

23 Wanneer namelijk de hele gemeente samenkomt en iedereen zich in klanktaal uit, zullen ongelovige buitenstaanders die de samenkomst bezoeken dan niet zeggen dat u krankzinnig bent? 24 Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeeld en terechtgewezen. 25 Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen (1), God aanbidden en belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’ (Uit 1 Korintiërs 14)

13 Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft. (Uit 1 Tessalonicenzen 2)

(1) Wij weten dat in onze kerkdiensten/samenkomsten God met Zijn Heilige Geest aanwezig is – naar Zijn belofte(n)! – en we bidden daar ook altijd weer om opening van onze harten voor het Woord door het werk (daarmee) van de Heilige Geest. Daarom zal een buitenstaander ook delen in de aanwezigheid en het werk van Gods Geest en wanneer hij zich daarvoor eerbiedig openstelt, dan ook mee krijgen wat de Heilige Geest nodig vindt hem of haar te mee te geven uit de betreffende dienst (en om te aanvaarden en geloven dat God daar echt werkzaam is, en ook werkzaam wil zijn en is in eigen hart, hoeft dat (daarom) heus niet veel te zijn: 20 Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht. (Uit 1 Korientiërs 4)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

“De vreze des HEREN” en het Nieuwe Testament…

(…) Wat nu de ‘de vreze des Heren in het Nieuwe Testament’ (1) betreft, het kan de schijn hebben dat de vreze de HEREN iets is dat speciaal behoort bij het Oude Testament, sterker: daartoe beperkt is. De gedachte kan leven, dat de vreze des HEREN slecht past bij het evangelie van Gods liefde en genade, Zijn toenadering tot ons in Jezus. En lezen wij niet bij Paulus: Gij hebt niet ontvangen de geest van knecht-zijn om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de geest van het zoonschap, waardoor we roepen Abba, Vader? En horen we niet van Johannes, dat de liefde de vrees uitdrijft (1 Joh. 4 : 18). Zou dan misschien, zoals men wel beweert, het Nieuwe Testament zelf debet zijn aan het in vergetelheid raken van de uitdrukking ‘de vreze des HEREN’? We zullen zien.

Bij ‘de vreze des HEREN’ in het Nieuwe Testament gaat het niet slechts om een uitdrukking, maar om de zaak, die ook in het Nieuwe Testament volop aanwezig is. En daar wil ik nu iets van aanwijzen. De vreze des HEREN, dat is toch allereerst het ontzag dat de HERE inboezemt. Van Hem komt het. Het is geen prestatie van de mens.

Laten we allereerst letten op de vreze die Jezus inboezemde, zelfs aan zijn eigen discipelen, die het dichtst bij Hem stonden. Ik handhaaf het archaische woord ‘vreze’ om aan te duiden dat het om een speciaal soort ontzag gaat. En ik zeg met opzet ‘Jezus’ en niet ‘Here Jezus’, daarmee aansluitend bij het spraakgebruik van de evangeliën. Is het u wel eens opgevallen, dat Hij daar overwegend Jezus wordt genoemd, zonder meer. Het is één van de blijken, dat de bewering als zouden de evangeliën een latere reflectie weergeven, waarin de man van Nazareth buiten alle proporties is verheerlijkt, geen grond heeft in de evangeliën zelf. Ze verhalen van die man van Nazareth, Jezus, een mens van gelijke beweging als wij. Van zijn dagen op aarde, toen Hij kwam in vernedering om te sterven. De historische Jezus, zogezegd. Die echter – en daar gaat het nu om – zijn naaste vrienden bij ogenblikken bijzonder heeft doen vrezen en beven.

(…) Een andere plaats, waar ik de vinger bij wil leggen, is Markus 9 : 6. ‘U bent de Christus, de beloofde Verlosser’, had Petrus begrepen en vrijmoedig beleden. En terecht. Precies goed gezegd! Maar ze mochten het zo nog niet rond bazuinen. Eerst zou Hij nog moeten lijden. Dat moest echt gebeuren, dat mocht Petrus niet afweren. Maar de heerlijkheid komt daarna. En daarvan mag Petrus met twee andere discipelen ook al een glimp opvangen op die hoge berg. Op dat moment weet Petrus niet meer wat hij zeggen of zwijgen moet, want, zij waren zeer bevreesd. Geen wonder: voor de schittering van hemelse heerlijkheid en dat niet in een beschouwing maar in het echt! Later prent de apostel de gemeente in: Wij zijn geen mythen gevolgd in ons spreken over de kracht en de komst in heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus. Maar we zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit, toen we met Hem op de heilige berg waren. Wie zou niet vrezen met diepe eerbied en ontzag voor de HERE. Zeg het maar in die bepaalde vorm, HERE, die vorm, die we voor God reserveren.

Nu letten wij op Markus 10 : 32. Terwijl ieder wist dat Jezus zich zo in het hol van de leeuw begaf, terwijl Hij zelf ook gezegd had dat het niet goed zou aflopen, ging Hij toch ook die keer nog op naar Jeruzalem. En Hij ging zelfs voor hen uit! Ze waren verbaasd, de mensen. En zijn naaste volgelingen waren bevreesd. Was dat alleen maar angst dat Hem wat overkomen zou? Was het niet veeleer heilig ontzag voor Hem dat hen al eerder had bevangen? Zoals Hij er nu op afgaat, voor hen uit, zijn eigen gang gaand, zo is Hij naar het kruis gegaan, voor hen uit. En zo is Hij ook weer uit het graf gekomen, voor hen uit!(Markus 16).

(…) Het getuigenis van het evangelie, van de echte Jezus, leert ons in Hem te geloven als de Here, die eerbied oproept en diep ontzag. Zijn wegen, ook in vernedering, in lijden en verhoging, zijn hoger dan de onze. Zodat het past Hem eerbiedig te vrezen.

Ook ons past dat, en dat temeer daar we Hem als Rechter uit de hemel verwachten. Ook wij zullen zijn heerlijkheid zien. En allen moeten we voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder wegdrage wat hij verricht heeft, goed of kwaad. Aldus de apostel in 1 Korinthe 5. Die dan vervolgt: Daar wij dan weten hoezeer de Here (Jezus) te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen, te bewegen, tot geloof om ons door Hem met God te laten verzoenen. Maar dat geloof, dat vertrouwen, dat Hij, die geen zonde gekend heeft, tot zonde is gemaakt, opdat wij zouden worden een en al gerechtigheid voor God in Hem, dat geloof neemt de vreze niet weg. Vreze in de zin van zorgvuldigheid, beduchtheid om Hem welgevallig te zijn. Zoals de liefde de eerbiedige schroom voor zijn hoogheid niet wegneemt. [Einde citeren]

(1) Titel van de hieronder genoemde lezing.

Bron: Lezing gehouden in Ermelo door ds. J.D. Janse (1932-2005) op een studiedag (25 oktober 1986) van het Nederlands Gereformeerd Seminarie (opgenomen in NGS-uitgave “Met het oog op de gemeente – lezen in het Nieuwe Testament”, oktober 2002).

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wees dan ijverig en bekeer u…

(…) wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent,
Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.

21 Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon,
gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.

22 Wie oren heeft, die moet horen, wat de Geest tot de gemeenten zegt.
(Uit Openbaring 3)

(…) Teellinck (1) reikt de beloften van de Heere, zoals we ze lezen in Zijn Woord, vooral aan als een heilzaam en noodzakelijk medicijn. Aan wie? Allereerst aan Gods kinderen in hun kwalen van geestelijke dorheid en doodsheid. Kennelijk kwam hij die ziekte regelmatig tegen of moest hij ze ook in zijn eigen leven constateren. Als iéts nodig is, waaraan met grote ijver in Gods kerk gewerkt moet worden, zo zegt hij aan het begin van zijn preek, dan is het dat de ingezonken zielen door de werking van Gods Geest onder de bediening van Zijn Woord levend gemaakt worden. Wat moet er met die gepredikte beloften gebeuren? Ze moeten geloofd worden! Ze mogen aangegrepen en toegeëigend worden. Met het oog daarop worden ze in de verkondiging van het Woord uitgereikt.

Maar is dan dat woord van Gods belofte genoeg? Kan een mens het daarmee wagen? Jazeker, zo belijdt de psalmist het toch: „Uw toezegging heeft mij levend gemaakt!”.(Psalm 119 : 50b). Kan dan een woord van Gods belofte zijn hart vrolijk en levend maken, nog vóórdat hij de vervulling van die belofte beleeft? Teellincks resolute antwoord: „Ja, echt waar! Het Woord van God is hem genoeg!” (2)

Wie of wat is dan de inhoud van Gods belofte? Dat is Christus Zelf. „Hij die in een rechte weg door het ware geloof Gods beloften op zichzelf toepast, eigent tegelijkertijd ook Christus aan zijn ziel toe. Zo trekt hij door het ware geloof de kracht van het geestelijk leven uit Christus. (…) Dan kan het niet anders dan dat de ziel, hoe doods en dor ze ook is, geestelijk levend wordt, want Christus is ons Leven!”

Tegen het slot van zijn boekje breidt Teellinck de ‘doelgroep’ van Gods beloften verrassend uit. In Gods beloften is alles begrepen wat een verloren mens behoeft, voor tijd en voor eeuwigheid. Aan die beloften gaat dan ook geen enkele gestalte vooraf dan alleen onze vleselijke wanstaltigheid. Aan ieder, wie dan ook, mogen die beloften Gods worden verkondigd. En Hij/hij doet het ook!

(1) Johannes Teellinck (1623-1674) was o.m. dienaar van het Woord te Utrecht, maar werd om politieke redenen door de stedelijke magistraat verbannen.
(2) We behoren hier ook zeker te denken aan de toezeggingen van onze Drie-enige God, zoals die beleden en toegezegd worden bij en door onze Doop.

Bron: RD-online 21-09-2016 – “Gods beloften hebben levend makende kracht”  ds. J. M. J. Kieviet.
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Internationale Dag van de Vrede…

algemeenvredesduif

12 Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. 13 Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. 14 En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. 15 Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. 16 Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. 17 Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem.

Uit Kolossenzen 3

Geplaatst in Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Luthers (vernieuwende) realisme bij zijn strijd tegen de duivel…

(…) Kijkend vanuit de verre distantie van een moderne wereld, die de duivel afgezworen en hem allang uitgedreven heeft, gaat zomaar het gevoel voor nuances verloren. Maar, Luther heeft zeer zeker een onderscheid gemaakt tussen geloof en bijgeloof. Hij heeft de angst voor de hel van zijn tijd gekend, heeft het gevaar van de satan bevestigd gevonden in de Schrift en zelf aanvechtingen van de duivel gekend. (…) Wie de duivel bagatelliseert, vervormt het geloof: ‘Men kan de duivel niet anders verjagen dan door geloof in Christus, want daardoor kan men tegen hem zeggen: ik ben gedoopt, ik ben een Christen. Het volgende verhaal over zijn eigen ervaring met de duivel als klopgeest klinkt middeleeuws.

‘Het is een zeldzaam ongehoord iets dat de duivel in onze huizen klopt en rondgaat. In ons klooster in Wittenberg heb ik hem duidelijk gehoord. Want toen ik het Psalter begon te lezen, nadat we de nachtelijke Metten gezongen hadden en in de eetzaal zat, terwijl ik studeerde en mijn college voorbereidde, toen kwam de duivel en maakte lawaai in de ruimte achter het fornuis, driemaal, net alsof iemand een schaal uit het fornuis trok. Op het laatst, omdat hij niet wilde ophouden, pakte ik mijn boeken bijeen en ging naar bed; maar ik heb er nu spijt van dat ik hem niet ‘uitzat’. Ik zou dan gezien hebben wat de duivel verder wilde doen. Zo heb ik hem ook op een andere keer boven mijn kamer in het klooster gehoord’.

De in de laatste zin geformuleerde toespitsing van de openlijke minachting voor de duivel, was in die tijd ongehoord en wordt tegenwoordig niet meer gehoord: ‘Maar omdat ik merkte dat hij het was, sloeg ik er verder geen acht op en sliep weer in”. Niet als klopgeest, maar als tegenstander, die Gods Woord ontkent, onthult de duivel zijn ware wezen, pas dan boezemt hij (Luther) vrees in. Hij maakt zich meester van het geweten, citeert de Schrift en is vromer dan God – dat is het satanische van hem.

‘Hedennacht, toen ik wakker werd, kwam de duivel en wilde met mij redetwisten, ging tegen mij te keer en wierp me voor de voeten dat ik een zondaar zou zijn. Toen zei ik: Jij moet me iets nieuws vertellen, duivel! Dat weet ik maar al te goed: ik heb genoeg echte zonden gedaan. Het moet echte zonde zijn, geen toegedichte en bedachte zonde, die iemand verzint, die God vergeeft omwille van zijn Zoon, die al mijn zonden op zich genomen heeft, zodat de zonden die ik gedaan heb, niet meer van mij zijn, maar van Christus. Zulk een weldaad en genade van God wil ik niet ontkennen, maar juist belijden’.

Luther wil geen angst verbreiden, maar de weerstand van de gelovigen versterken. De duivel is evenals Christus alomtegenwoordig, hij reageert en agiteert, uitgedaagd door alles wat naar Christus en geloof zweemt. Hier voltrekt zich een radicale omkering van de middeleeuwse voorstelling van de duivel, die meende dat de boze slechts aan het licht brengt hoezeer zonde en wereld bij elkaar horen. Luther denkt over deze samenhang totaal anders: Niet het leven dat zich afspeelt in de wereld en met werk en zaken te maken heeft, krijgt last met de duivel, maar de tegenstander is integendeel juist daar waar Christus aanwezig is: ‘Wanneer de duivel ons lastig valt dan staat het er goed met ons voor’!

Al deze verhalen over de duivel zijn zonder uitzondering afkomstig uit de Tischreden van Luther, de verzameling van gesprekken die hij gevoerd heeft met wisselende groepen gasten. Daar in het voormalige augustijnerklooster van Wittenberg debatteerde men over God en de wereld, aan actuele dagelijkse gebeurtenissen werd aandacht geschonken en herinneringen werden uitgewisseld. Luthers terugblikken hebben niet de bedoeling zijn eigen eer te accentueren. Ze zien terug op ‘de goede oude tijd’ van een man die intussen op jaren is gekomen. Over het algemeen hebben ze een actuele toespitsing: om de jeugd wakker te schudden met het oog op de weerstanden die de verkondiging van het evangelie ook in de toekomst bedreigen.

Het zelfde geldt van zijn ervaringen met de duivel. Ze dienen niet als sprookjes die de aanwezigen doen huiveren tijdens het gesprek op een gezellige avond, maar als troost en bemoediging voor angstige en aangevochten zielen.

Bron: Luther – Mens tussen God en duivel, Heiko. A. Oberman (1930-2001)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie