Paulus een ‘onafhankelijke zzp-er’?

Het ontbreekt mij aan niets …’ (Uit Filippenzen 4 uit vers 18)

Geciteerd 1: Paulus mag dan een beetje teleurgesteld zijn, hij neemt de hulp uit Filippi wel aan. Normaal wijst hij elke hulpverlening af want hij wil onafhankelijk blijven. Sponsors mogen geen invloed uitoefenen op Paulus missie. Hij is een soort zzp-er voor de Heer, zorgt voor z’n eigen inkomen en gaat zo nodig tenten maken.

Opgemerkt 1: Wie een beetje thuis geraakt is in wat Paulus aan de gemeenten over dit ‘onafhankelijk’ zijn schrijft, die weet dat de schrijver hier de plank flink misslaat. Je zou nog gaan denken dat Paulus vergelijkbaar is met het soort zzp-ers dat wij tegenwoordig inhuren om onze jeugd in Joyn-diensten Jezus te laten aanpraten. Maar die huurlingen van tegenwoordig dat zijn geen tentenmakers…

Opgemerkt 2: In Handelingen 20 : 33-35, 1 Korintiërs 9 en 2 Korintiërs 11, 12 : 11-21 en in 2 Tessalonicenzen 3 : 6-15 lezen we over de motieven van Paulus om zelf te voorzien in wat hij en zijn medewerkers nodig hadden voor hun dagelijks bestaan en waar mogelijk daarvan ook nog uit te delen aan de behoeftigen in de gemeente(n) waar hij zijn werk deed. Hij wilde daarin een voorbeeld zijn voor heel de gemeente (zie o.a. 2 Tessalonicenzen 3 : 7-9) en niet alleen voor de voorgangers.

Opgemerkt 3: Paulus erkent dat een dienaar van het Woord in een gemeente (en als apostel en voorganger was hij dat) net als de anderen recht kan laten gelden op zich te laten onderhouden door een of meer gemeenten die hij gesticht had. Toch heeft hij dat dus heel bewust nagelaten. En ook wij kunnen daarvan nog leren en voorzichtig zijn met wiens kosten wij voor onze rekening nemen in onze gemeenten/kerken.

Opgemerkt slot: Is het onder ons mensen eerder niet zo dat wie de durf heeft om een hoop geld (en zelfs veel te veel) voor z’n diensten te vragen eerder geloofwaardig en navolgingswaardig wordt geacht, dan iemand die zijn kennis en kunde gratis aanbiedt. In de gemeente van Korinthe speelde dat!

Geciteerd 2: Dat Paulus de hulp uit Filippi accepteert is dus een uitzondering. Voelde hij zich veilig bij hen? (1) Gezegend ben je wanneer je afhankelijk durft te zijn en hulp accepteert.
Paulus maakt (beter: onderwijst) er een win-winsituatie van. De uitgaven die ze doen zijn voor hen pure winst; want een gevangene brengt je in lijn met Christus’ lijden aan deze wereld – en aan de gemeente(n) van onze Heer! (AJ). Voor Paulus is de winst dat hij niet alleen gelaten wordt dankzij de bijstand uit Filippi. (2) Dacht hij aan Psalm 23 als hij aan de Filippenzen laat weten: ‘Het ontbreekt mij aan niets’?

(1) ‘Voelde hij zich veilig bij hen?’ De vraag ‘kon deze gemeente dat aan’ ligt meer voor de hand op grond van Paulus motieven om het van andere gemeenten niet te vragen.
(2) De winst voor Paulus is dat opnieuw blijkt dat God bij machte is op Zijn wijze te voorzien in wat Paulus nodig heeft voor zijn bediening – zie hierbij zijn woorden in Filippenzen 4 : 17-20.

Bron citaten: Dag in dag uit 2025 – Meditatie van vrijdag 15 augustus – Leger des heils | Ark Media

Als wij geestelijke zaken onder jullie hebben gezaaid, is het dan teveel gevraagd dat wij materiële zaken van jullie oogsten? Als anderen hier al aanspraak op durven maken, kunnen wij het dan niet des te meer (zie de verzen 1-2). Wij hebben echter geen gebruik gemaakt van onze rechten; integendeel we verdragen alles, omdat we de verkondiging van het Evangelie niets in de weg willen leggen.’ (Uit 1 Korintiërs 9 de verzen 11-12)

Bron afbeelding: Bible Hub

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Niet recht van God spreken…

… bij het oordelen over een kind/de kinderen van Gods volk.

Uit Numeri 20 – (Het volk verwijt Mozes en Aäron het woestijnleven en het gebrek aan water en Mozes en Aaron zonderen zich dan af om de Heer te raadplegen): ‘De Heer zei tegen Mozes: “Neem de staf en roep met je broer Aäron de Israëlieten bijeen. In hun bijzijn moet je daar de rots bevelen water te geven. Jullie zullen water voor hen uit de rots laten komen en mensen en vee te drinken geven.” Mozes nam de staf uit het heiligdom , zoals de HEER hem had opgedragen. Hij en Aäron lieten iedereen bij de rots* samenkomen. “Luister, opstandig volk, zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?” Mozes hief zijn hand op en sloeg tweemaal met zijn staf op de rots, zodat iedereen te drinken had en ook het vee.’ (De verzen 7-11)
* Zie hierbij 1 Korintiërs 10 : 4. En bedenk bij de woorden ‘Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn’ (vers 5) dat ook Mozes en Aäron stierven voordat het volk van God het beloofde land bereikte en mocht binnengaan. De jonge generatie, die evengoed hun doop ondergingen in de wolk en in de Rode Zee (vers 2), op de arm van hun moeder of aan de hand van hun vader, of zelfs nog in de moederschoot, die generatie ‘jongeren’ mocht het beloofde land binnentrekken…

Mijn toorn is ontstoken tegen u (Elifaz) en tegen uw twee vrienden; want gij hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job.” (Uit Job 42:7b)

Geciteerd: Het is vreselijke gedachte over de Heere dat Hij niet gewillig is een zondaar te vergeven, dat Hij niet gezind is hem in gunst aan te nemen. Hij vermoedt dat God een soort van akelig welbehagen heeft in de verdoemenis van een ziel. Dat kan niet wezen. Het leugenachtige daarvan behoeft niet bewezen te worden. God zweert het tegendeel. En de leugen verdwijnt als rook.

Overweeg ten eerste hoe klein het getal is van Gods oor­delen onder de mensen. Er zijn mensen die altijd van oordelen spreken, maar zij dwalen. Als er een schouwburg afbrandt of als er een boot omslaat op de dag des Heeren, dan roepen zij: Dat is een oordeel! Maar ook kerken en bedehuizen verbranden. En zendelingen verdrin­ken op het ogenblik dat zij eropuit zijn om het werk van de Heere te doen. Het is verkeerd om alles wat er gebeurt, aan een oordeel toe te schrijven. Want als u dat doet, vervalt u in de dwaling van de vrienden van Job en veroordeelt u de onschuldigen.

De zaak is dat er slechts weinig handelingen van de Voor­zienigheid zijn met bijzondere personen die bepaald en stellig als oordelen Gods kunnen aangemerkt worden. Voorzeker bestaan ze, maar ze zijn zeer zeldzaam in dit leven, als men nagaat hoe de Heere dagelijks wordt ge­tergd door vermetelheid en laster.

Woorden van Charles Haddon Spurgeon, predikant te Londen – ”Oproep en aanmoediging”, 1884.

Bron citaat: RD Meditatie

“Hij Die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; maar de genade Die Hij schenkt is nog groter.” Daarom staat er: “God keert Zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij Zijn genade.” Onderwerpt u dus aan God, en verzet u tegen de duivel (de uiteenwerper van wat bijeen hoort, voor wat/wie God samengevoegd heeft in gemeente/huwelijk/gezin/familie/volk, etc.), dán zal die van u wegvluchten. Nader tot God (samen, in huwelijk en gezin en ook altijd weer in de samenkomsten van de gemeente) dán zal Hij tot u naderen. Reinig uw handen zondaars, zuiver uw hart, weifelaars. Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien (over de eigen hardheid van hart, het anderen Gods genade en barmhartigheid misgunnen). Laat (vanwege die hardheid van hart) uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. Verneder u voor de Heer, dán zal Hij (!) u verheffen.’ (Uit Jakobus 4 uit de verzen 1-12 : 5-10)

Bron abeelding: A Reason For Hope with Don Patterson

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar de liefde ontbreekt loopt alles uit het spoor…

Wees elkaar niets schuldig, behalve de liefde, want wie de ander liefheeft,
heeft de hele wet vervuld.’ (Uit Romeinen 13 vers 8 )

Geciteerd: Het gebod van de liefde nu is een kort gebod en een lang gebod, één gebod en veel geboden, geen gebod en alle geboden (vgl. de verzen 8-9, Matteüs 7 : 12, 22 : 36-40). Het is op zich kort en één, en voor het verstand gemakkelijk te begrijpen. In de praktijk echter is het lang en veel en niet te doorgronden, want alle geboden zijn erin besloten en worden er door geregeerd. Het is helemaal geen gebod als je naar de werken kijkt, want het heeft geen bijzonder werk dat met name genoemd wordt. Toch zijn het alle geboden, omdat de liefde het werk van alle geboden is en moet zijn. Op deze manier heft het alle andere geboden op en verordent het alle geboden. En wel om deze reden: wij moeten weten en leren om geen gebod, geen werk verder te houden of te achten dan alleen in zoverre de liefde dat eist. Omdat wij nu op aarde niet zonder werken kunnen of mogen zijn, moeten er ook verschillende geboden zijn, waarin de werken omschreven worden. Maar toch zo dat de liefde moet regeren en keizerin (!) is over alle wetgevers die de werken gebieden te laten (!) en te doen. Want alles moet de liefde dienen – dus God dienen, zoals onze Heer dat volmaakt heeft gedaan (zie o.a. Matteüs 5 : 43-48) – en zonder dat mag geen werk blijven of voortgang hebben.

Laten we dat met het voorbeeld van een wagenmenner duidelijk maken. Deze heeft een paard en wagen in toom volgens zijn/haar wil. Als de menner nu daarmee al tevreden was dat het paard in het tuig liep en zelf niet op de weg zou letten, dan was dat nog niet genoeg. Een menner moet namelijk goed opletten en het toom gebruiken om paard en wagen te leiden in overeenkomst met de weg. (1) Anders zou het gerei als spoedig breken en op één hoop komen te leggen met wagen, paard, toom en de wagenmenner erbij. De menner moet immers de kuilen, stenen en boomstronken in de weg ontwijken om te zorgen dat niet alles over de kop gaat en menner en paard de nek breken of in de modder verdrinken. Wanneer de wagenmenner echter zo verstandig is dat hij/zij paard en voertuig overeenkomstig de weg geleidt, en oplet of de weg het toelaat of niet, dan gaat het goed. Wie echter alleen ‘rechttoe rechtaan’ wil rijden (2), die is geen verstandige wagenmenner, omdat hij/zij niet de wagen wil sturen, maar meent dat de weg zich naar zin en wil (lees: rigoureuze/beperkte visie op de weg) van de menner zal of moet schikken. Zo iemand denkt: zoals mijn wagen gaat zo moet ook de weg gaan. Maar zo’n wagenmenner zal er wel achter komen hoe dat afloopt.
[Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2, 95, 17-96,3]

(1) Dat zijn de geboden, die we met gebed om de liefde en de wijsheid van onze Heer, die we door de kracht en het werk van de Heilige Geest zó zullen toepassen dat het tot heil en zegen is voor onze naasten en daarmee ook voor onszelf.
(2) Dat we menen dat de geboden (van de wet van Mozes) ‘rücksichtlos’ moeten worden toegepast zonder liefde en ongeacht tijd en omstandigheden en gevolgen.

Opgemerkt: Wanneer onze liefde gebaseerd is op het (vermeende) samen streven naar en willen bereiken van een (verheven/christelijk) ideaal of idealen die we ons zelf (en/of ook samen met anderen) voor ogen gesteld hebben en waarnaar we (met gebundelde krachten) willen streven, dan loopt dat geheid mis. Of dat nu in een kerkelijke gemeenschap of in een afzonderlijke gemeente of dat het in een huwelijk of gezin aan de orde is, dat maakt niet uit!
Denk (bijvoorbeeld) aan de kerkstrijd in de jaren zestig en waar dat op uit liep, of denk aan het streven naar gemeentelijke vernieuwing* op de manier waarop dat in ons gemeente (NGK ‘De Ontmoeting’) gedreven werd en gestalte kreeg. Er ontstaat dan een soort van zelfoverschatting, zelfverheffing en partijvorming die ons (en ook de andere christelijke gemeenten binnen eigen burgerlijke gemeente en binnen eigen kerkgenootschap) niet tot zegen strekt!
* De gemeentevernieuwing werd tot een project gemaakt en een project vraagt om een projectmanager die alle neuzen in ‘de organisatie’ in dezelfde richting moet zien te krijgen…

Bron citaat: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 32 vraag 86: ‘Aangezien wij uit onze ellende, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Jezus Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog liefdewerken doen?’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Wat jullie ook doen, doe het uit liefde!‘ (Uit 1 Korintiërs 16 vers 14)

Bron afbeelding: Twelve Stone Art

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

“Het dappere geloof!”

En er was een koninklijke [hoveling], wiens zoon ziek lag in Kapérnaüm.’ (Uit Johannes 4 de verzen 47-54, weergave DB 1545)

Geciteerd: Iedereen kan wel zeggen dat God David en de heiligen, Petrus en Paulus, genadig is geweest en de profeten heeft geholpen. Maar als ik in Petrus’ en Paulus’ omstandigheden kom en dezelfde nood moet ervaren, en net als David Gods weldaad moet verwachten, dan zegt de natuur: De lieve heiligen (1) zijn het waard geweest; ik echter ben een zondaar die het niet verdient – ik ben te onwaardig om Zijn hulp en genade te mogen verwachten. Dit soort gedachten zijn zó machtig en zó verbonden met onze natuur, dat ik alle moed verlies.

Wanneer ik volgens de natuur te werk ga en ik moet een weldaad ontvangen, dan wil ík de eerste steen leggen en het zelf verdienen. Dat is het geloof van degene die gelooft dat anderen wél een weldaad deelachtig kunnen worden, maar hij niet – als hij het niet voor ogen ziet, grijpt hij het ook niet. Ook de hoveling heeft dit gehoord. Wat heeft hij gehoord? Dat Christus anderen helpt. Maar nu komt het geloof – de hoveling heeft er echter aan toegevoegd: ook mij zal Hij helpen! Waar is zijn onwaardigheid? Hij denkt helemaal niet: ik ben onwaardig.

Hij mag dan een heiden zijn geweest en zijn waardigheid niet hebben kunnen bewijzen – of dat hij het waard was dat Christus hem zou helpen. Hij heeft ook niet overwogen hoe waardig of onwaardig hij was, maar hoe goed en waardig Christus is. Wanneer ik wil wachten tot mijn hart voor God een goed getuigenis kan geven over mijn waardigheid, dan komt er nooit iets van terecht; altijd zal mijn hart zeggen: Ik weet het niet, ik ben onwaardig.

Daarom wil de Heere dat wij niet bouwen op het getuigenis van ons hart (2), maar in plaats daarvan op Gods belofte en goedheid en op het lieve Woord. Dat wij het gerucht horen van Zijn goedheid en daaruit leren: Jij, hart, zegt: ik ben een onwaardige zondaar, maar houd nu je mond! Ik hoor buiten mijn hart en geweten een goed gerucht van Christus, dat Hij mij wil helpen. Datzelfde uitwendige Woord grijp ik aan. Ben ik ook niet waardig, heilig of vroom, dan heb ik hier tóch het Woord, dat zal mij niet bedriegen!”

[Maarten Luther: Predigten des Jahres 1531 (29. Oktober), WA 34.2, 350ff. Weergave: Georg Buchwald: Martin Luthers Predigten, Gütersloh 1926, zweiter Bd. S. 537-544]

Lezen: Lukas 7 : 1-10 (Kerngedeelte de verzen 6 en 7)

Zie hierbij ook nog deze blog: ‘Het geloof van Maria…

(1) En (schijn)heiligen (die naar het schijnt zich hun Doop zich waard gemaakt of waard betoond hebben) zijn er vast ook wel aan te wijzen in onze christelijke kerkgeschiedenis en in onze huidige gemeente(n), maar de Bijbelse heiligen – door God uitgekozen om van Zijn beloften te leven in en door het geloof – die blijken altijd nog weer mensen te zijn van gelijke bewegingen als wij…
(2) Dat is precies de reden dat Hij ook wil dat we de kinderen niet (voorlopig) buitensluiten, maar hen inlijven bij Zijn Gemeente en dat doen we door hen te dopen en daarmee, door Gods Woord tot hen persoonlijk, tot volwaardige lidmaten van Zijn gemeente laten verklaren. ‘Lidmaatjes’ die ook de Heilige Geest hebben ontvangen om God te kunnen danken en loven om Zijn barmhartigheid en genade over ons in Jezus Christus, onze Heer.

Daarom achtte ik mij niet waardig om naar U toe te gaan. Maar U hoeft maar te spreken* en mijn knecht zal genezen zijn.’ (Uit Lukas 7 vers 7)
* Zulk geloof zal ons ook weghouden van gebedsgenezers en hun genezingsdiensten!

Bron afbeelding: YouTube

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Hij komt, Hij komt, de aarde richten’ *

‘(…) Een tijdlang wilde hij niet haar horen, maar daarna sprak de betreffende rechter bij zichzelf: Al bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij ten slotte nog in het gezicht slaan. En onze Heer zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg jullie, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?
Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar…
‘ (Uit Lukas 18 de verzen 1-10)

Geciteerd 1: In het veertiende hoofdstuk onderwijst Paulus ons dat wij de zwakke gewetens van de gelovigen voorzichtig moeten leiden en er geduld mee hebben. Je mag de christelijke vrijheid niet tot hun nadeel, maar je zult die juist tot versterking van de zwakken gebruiken. Want als je dat niet doet, komt er twist en tweedracht, waardoor het Evangelie gelasterd wordt…

Geciteerd 2: In het vijftiende hoofdstuk wijst Paulus ons op het voorbeeld van Christus, om te laten zien dat wij de zwakken verdragen moeten. Niet alleen hen die een zwak geweten hebben, maar bovendien hen die nog gebrekkig zijn en bekende zonden of ergerlijke gewoonten hebben. Wij moeten ze daarom niet verwerpen, maar verdragen en geduld hebben tot – en opdat! – het beter met hen gaat. Zo heeft Christus immers ook met ons gedaan, en Hij doet dat nog dagelijks (!), waarbij Hij zeer veel ondeugden (w.o. niet als laatsten hoogmoed, eerzucht, jaloezie, egoïsme), gebreken en kwade gewoonten in ons verdraagt en ons toch zonder ophouden helpt en bijstaat (1).
Daarna bidt Paulus voor hen die te Rome zijn (en hij verlangt ook altijd dat er voor hem gebeden zal worden) en beveelt hen in Gods genade aan. Hij wijst op zijn eigen ambt en de prediking die hij brengt. Hij vraagt ook, op een zeer bescheiden manier (2), om een bijdrage voor de armen in Jeruzalem. Alleen de christelijke liefde is de bron van alles wat Paulus zegt en doet. (3)
[Maarten Luther: Deutsche Bibel, Vorrede auf die Epistel S. Pauli an die Römer, 1522/46, vgl. WADB 7, 17, 6-27]

* Deze regel komt voor in de berijming van Psalm 98 het vierde vers. Deze Psalmtekst roept op tot vreugde en lofprijzing, omdat de Heer komt om de wereld te oordelen en in gerechtigheid te regeren.

(1) Hebben we dat door Gods genade en het werk van de Heilige Geest en door Gods Woord geleerd al ontdekt (a) en heeft dat bij ons al tot ootmoed en nederigheid geleid of gaan we prat op wat wij inmiddels bereikt menen te hebben met en door onze levensheiliging en wat dat met en voor ons karakter inmiddels gedaan zou hebben en zien we, net als de Farizeeër in de gelijkenis, neer op onze broeders en zusters die het in o.i. minder ver geschopt hebben dan wijzelf? Zie hierbij Klaagliederen 3 : 22-23!
(2) Wat kon dat verzoek ook makkelijk (smalend!) tegen Paulus gebruikt worden: Heeft hij daar in die gemeente van Jeruzalem nog altijd wat goed te maken? En moeten wij daar nu aan bijdragen? Hebben we niet genoeg armen in onze eigen gemeente en stad om geld aan uit te geven?
(3) Dat is dus de ‘hoge(re) weg’ die ons altijd weer gewezen wordt bij elk christelijk streven! Wat blijkt uit de kerkgeschiedenis dat die weg het vrijwel altijd weer heeft moeten afleggen tegen de weg van de doelen die de kerkleiders (en hun volgelingen) zich voor ogen stelden en stellen! Of het nu het streven in een plaatselijke gemeente was of is of op ‘kerkelijk niveau’ (classis, synodes, etc.)

(a) Zie hierbij ook nog deze blog: ‘Hijzelf zorgt voor u…

Wie bent u dat u een oordeel velt over een (gedoopte en gelovige) broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op een broeder of zuster? Wij allen zullen voor Gods rechterstoel komen te staan, want er staat geschreven (!): ‘Zo waar ik leef – zegt de HEER -, voor Mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’ Ieder van ons zal zich tegenover God moeten verantwoorden.‘ (Uit Romeinen 14 de verzen 10-12)

En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg jullie, in zoverre jullie dit aan één van mijn minste (minst geachte) broeders of zusters hebben gedaan, hebben jullie het Mij gedaan.’ (Uit Matteüs 25 vers 40)

Bron afbeelding: Talk To The Word

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Blijf je motieven toetsen met hulp van de Heilige Geest!

… ‘dát het gebeurt verheugt me‘ … (Uit Filippenzen 1 : 12-19 uit vers 18)

Geciteerd 1: ‘Daar wordt je blij van!’ was eens een reclameboodschap op de tv. Paulus schrijft aan de leden van de gemeente (van onze Heer) waar hij blij en dankbaar (!) van wordt: namelijk dat het Evangelie ingang en voortgang vindt. Hij merkt daarbij wel op waar hij minder blij en dankbaar van zou kunnen worden, namelijk dat sommigen laten blijken dat ze Paulus wel kunnen missen (als kiespijn?): Al die aandacht voor wat deze apostel te zeggen had en heeft… Paulus vernedert zich daaronder – NB. in de originele tekst staat: Paulus staat daar boven (1) – en hij richt zich op wat in belang is van Gods koninkrijk, namelijk dat ‘Christus verkondigd wordt’. Dat de verkondiging van het Evangelie doorgaat ondanks allerlei menselijke ‘ruis’ (2) in de gemeenten/kerken van deze wereld. Hij concentreert zich op Jezus Christus (3) en zoekt niet zichzelf.
De zondagse eredienst (4a) is een kans om Paulus verwondering (5) te delen met elkaar. Liturgie betekent letterlijk: werk van het (Gods)volk’ (4b/c). Maak er werk van om ook voor je (onze) voorganger(s) te bidden (6) en vergeet daarbij ook de overheden niet, al is dat laatste vooral ook een opdracht voor het gezamenlijk gebed in de zondagse samenkomsten (7)!

Leestip (over het ‘gebedsleven’ van Paulus): ‘Bidden als Paulus

Hoe kunt u geloven, u, die eer van elkaar aanneemt? En de eer die alleen
van God is, zoekt u niet! (Uit Johannes 5 vers 44, weergave DB 1545)

Geciteerd 2: In deze tekst kun je duidelijk horen en zien, waarom zij Christus niet aannemen. ‘Jullie nemen Mij niet aan’ – dat wil zeggen: je gelooft niet in Mij – zoals je zegt: omdat je niet zeker bent dat Ik in de Naam van de Vader kom. Je hebt echter iets anders in je hart dat je hindert en niet toelaat, dat je Mij aanneemt. Je hebt namelijk een afgod in je hart! Die afgod heet: EIGEN-EER – díé laat het niet toe, dat je Mij aanneemt. Het zijn maar heel eenvoudige woorden in onze tekst, tóch zijn ze zó hoog en diep, dat ik ze onmogelijk kan verklaren. De zonde van eigen-eer is zó aangenaam en bekoorlijk dat geen mens die als zonde kan kennen, tenzij dat de Heilige Geest zijn of haar Leermeester is.

Die het meest met hun nederigheid te koop lopen, die zijn het juist, die het meest daartegen prediken en die deze zonde het meest bestraffen en veroordelen. Wij zijn eerbare en achtbare mensen – ja! En toch wordt er geen volk méér met deze eerzucht verzocht, dan juist zij. Het is zo’n aangename en bekoorlijke helse duivel dat geen mens hem ontdekken of herkennen kan. We zeggen wel: O, ik ellendige zondaar, ik ben niet waard dat de aarde mij draagt! Ondertussen zitten we vol eerzucht! We denken dat we met onze [gemaakte] nederigheid nu helemaal verlost zijn van onze eigen-eer. Want we zien daarbij niet, dat, hoe nederiger iemand zich voordoet, hoe hoogmoediger zijn geest is.

Alle gaven die God ons geeft, zijn goed, zuiver en rein, maar zo spoedig wij ze ontvangen, laten we ze niet rein blijven, maar maken daaruit afgoden en hangen daaraan met ons hart. Bijvoorbeeld, zoals we zeggen: Goed maakt moed! Wanneer je rijk wordt, word je een ander mens. Dan kan een rijke zich tegen een arme bedelaar heel nederig gedragen. In werkelijkheid is hij dat toch niet, tenzij hij een echte christen is. Dat kun je zien wanneer de bedelaar brutaal of onbeleefd is, dán zou hij immers zijn nederigheid eens écht kunnen bewijzen – maar hij jaagt hem weg of laat hem staan. Dat speelt broeder penning klaar, die toch maar de geringste van alle gaven is. Als de rijke tóch wat aan de bedelaar geeft, dan kan het niet anders, dat hij, als hij géén echte christen is, opzwelt van hoogmoed, maar de bedelaar in zijn hart verafschuwt.

Precies zo is het wanneer iemand de gave van wijsheid en kennis heeft. Dat is immers iets hogers dan rijkdom. Kijk nu eens naar hem, dan zul je een echte levende afgod zien, hoewel hij zich verborgen houdt en zich nederig gedraagt – echter niet langer dan dat je hem bewondert en vereert, anders is het spoedig gedaan met z’n nederigheid. Idem: als iemand een opvallend heilig leven leidt, zoals in die dagen de Farizeeërs deden en tegenwoordig onze werkheiligen doen. Als hij dan ziet dat anderen niet zo vroom leven als hij, en dat de mensen juist hém om zíjn vroomheid prijzen, dan glimlacht hij; als je echter zijn heiligheid geringacht, dan scheldt hij je uit (of gebruikt laster).
[Maarten Luther: Predigten des Jahres 1529 (11. Oktober, auf der Rückreise von Marburg), WA 29, 582ff]

Lezen: Kolossenzen 2 : 16-23 (Kerntekst vers 23)

(1) Zie o.a. 2 Korintiërs 12 : 19-21 (m.n. vers 21) en natuurlijk ook de bekende verzen 6-10.
(2) Vooral ook veroorzaakt door theologen en voorgangers die zich opwerpen als ‘kerkleiders’.
(3) Zie Kolossenzen 1 : 24-29: ‘Ik ben blij dat ik nu voor jullie lijd’…
(4a/b) We zullen op Bijbelse gronden (!) moeite hebben met de zondagse samenkomsten rondom Woord en Sacrament en gezamenlijke gebeden en lofzangen onze ‘erediensten’ te noemen. Laten we deze toch zien als dienst van God aan ons, zoals de apostelen de Evangelieverkondiging aan en in de gemeenten ten dienste stelden van de gemeenten in opdracht van onze Heer Jezus Christus (zie Matteüs 28 : 18-20 waar onze Heer Zijn discipelen belooft dat Hij hun getuigenis over hem aan/in deze wereld zal laten doorgaan en steunen tot aan Zijn Wederkomst.
(4c) Bedenk dat Paulus het je inspannen om zelf de kost te verdienen en om daarvan ook te kunnen meedelen aan de zwakken als zeer belangrijk onderdeel van onze liturgie beschouwt – zie o.a. Handelingen 20 : 32-35, 2 Korintiërs 11 : 5-15 en 2 Tessalonicenzen 3.
(5) Laten we zijn blijdschap en verwondering delen, namelijk dat ook ons het Evangelie verkondigd en voorgehouden wordt en dat wij eraan mogen meewerken dat wij de ‘ware liturgie’ (zie Romeinen 12!) – gesteund door wat wij in de zondagse samenkomsten weer mochten ontvangen (!) met elkaar – doordeweeks in praktijk zullen brengen met dagelijks gebed om bijstand van de Heilige Geest.
(6) Zie o.a. Efeziërs 6 : 18-19 en Hebreeën 13 : 7-8 en 17-18.
(7) Zie 1 Timoteüs 2 : 1-4.

Bron citaat 1: Dag in dag uit 2025 – Meditatie van zondag 3 augustus – Leger des Heils | Ark Media
Bron citaat 2: http://www.maartenluther-com – Wekelijks Luthercitaat van maandag 4 augustus 2025

Broeders en zusters, doe het goede zonder op te geven, en wees op jullie hoede voor broeders en zusters die geen gehoor geven aan wat wij jullie schrijven. Ga niet met hen om dan zullen ze zich schamen. Behandel hen echter niet als vijanden, maar wijs hen als jullie broeders en zusters terecht (Dus ‘links laten liggen’ is beslist niet de bedoeling! De liefde van onze Heer staat dat niet toe!). Moge de Heer van de vrede jullie altijd en op elke wijze (persoonlijke en onderlinge!) vrede geven. De Heer zij met jullie allen!‘ (Uit 2 Tessalonicensen 3 de verzen 13-16)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (mede)schapen helpen en redden: de sleutels en de biecht… (vervolg II, slot)

Nu is het zo dat wij allemaal tegenover elkaar schuldig staan‘…

Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.‘ (Uit Romeinen 13 de verzen 8-10)

Geciteerd: Dan is er ook nog de biecht [=schuldbelijdenis], die ieder aflegt tegenover zijn naaste, die is ook in het Onze Vader (1) begrepen, namelijk dat wij elkaar onze schuld belijden en vergeving schenken (2), vóórdat wij tot God komen (3) en Hem om vergeving vragen.
Nu is het zo dat wij allemaal tegenover elkaar schuldig staan (4), daarom moeten wij ook openlijk in bijzijn van iedereen biechten en niemand moet een ander hierin ontwijken. Er is echter behalve de algemene schuld ook een bijzondere, als iemand zich aan een ander bezondigd heeft [letterlijk: hem of haar vertoornd heeft], dan moet hij of zij daar vergeving om vragen. Zo hebben wij in het Onze Vader een dubbele absolutie [=vergeving] dat ons vergeven is waarin wij schuldig zijn zowel tegenover God als tegenover onze naaste, wanneer wij de naaste vergeving schenken en ons met hem of haar verzoenen.
Behalve deze openbare, dagelijkse en noodzakelijke biecht [in het Onze Vader], is er nog de geheime biecht, die voor één broeder (of zuster) alleen afgelegd wordt. Deze moet ons helpen als iets bijzonders ons neerdrukt of ons iets aanvecht waar wij last van hebben en waar wij geen vrede mee kunnen hebben en wij evenmin sterk genoeg zijn in het geloof. Dan kunnen wij dat tegenover een broeder (of zuster) als klacht uitspreken, raad, troost en kracht bij hem (of haar) verkrijgen wanneer of zo vaak als wij maar willen. Deze biecht wordt aan ieder die het nodig heeft, vergund om te gebruiken als hij of zij er behoefte aan heeft. Krachtens Goddelijke instelling heeft Christus Zelf Zijn christenheid de absolutie in de mond gelegd en heeft bevolen elkaar vrijspraak van zonden te geven. Wanneer nu een mens zijn of haar zonde voelt en naar troost verlangt, vindt hij/zij hier een veilige toevlucht, omdat hij/zij Gods Woord vindt en hoort dat God door een mens zijn of haar zonden kwijtscheld en vrijspraak verleent. (5)
[Der Grosse Katechismus, 1529, vgl. WA 30.1, 235, 6-28]

(1) Het samen hartelijke willen en kunnen bidden van het Onze Vader gebed is een lakmoesproef voor het christelijk huwelijk! Het heeft ook alles te maken met het voorbeeld en onderwijs van onze Heer in Johannes 13 : 3-17.
(2) Zie Matteüs 6 : 14-15, 18 : 35, Lukas 11 : 4, 15 : 28-31, 17 : 3-10, 23 : 7 en Johannes 3 : 18, 4 : 29-30+39, 8 : 10-11, 12 : 47-50, 13 : 3-17 (!), 14 : 21, 16 : 1-3
(3) Zie Matteüs 5 : 22-26.
(4) Niemand heeft God en de naaste zo lief en maakt van de gevraagde liefde tot God en de naaste zoveel werk als dat het volgens de volmaakte liefde behoort. We zijn nalatig, schieten tekort, geven onszelf en onze verlangens en idealen ongepast hoge prioriteit, etc., etc.
(5) Zie het onderwijs van onze Heer in Matteüs 18 en verder o.a. Kolossenzen 3 : 13 en m.n.ook in Jakobus 5 : 12-20.

> Zie ook de voorgaande blog(s): ‘Een schaap is een schaap en blijft een schaap…
> En ook nog deze indringende woorden van Dietrich Bonhoeffer: ‘De ander helpen…

Bron citaten: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 31 vraag 85: ‘Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door de ban?’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.‘ (Uit Kolossenzen 3 vers 13)

Bron afbeelding: Katie Hauck Ministries

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (mede)schapen helpen en redden: de sleutels en de biecht… (vervolg I)

Spreek geen kwaad van elkaar broeders en zusters. Wie kwaad spreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. (1) En als jullie de wet veroordelen, handelen jullie niet naar de wet (1), maar jullie treden dan op als rechter. Er is maar één Wetgever en Rechter: Hij Die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wij ben jij/u om een broeder of zuster te veroordelen?‘ (Uit Jakobus 5 de verzen 11-12)

Geciteerd 1: Over de sleutels: De sleutels zijn een ambt en macht, door Christus aan Zijn Gemeente gegeven (2) om de zonden te laten houden en ervan vrij te spreken. Daarmee worden niet alleen de grove en openbare zonden, maar ook de heimelijke zonden bedoeld, die God alleen kent. Zoals geschreven (!) staat: ‘Wie kan weten hoe dikwijls hij afdwaalt’ (Psalm 19 : 13). En Paulus klaagt dat hij vanuit zijn natuur (vlees) de wet van de zonde dient (vgl. Romeinen 7 : 26). Want het staat niet aan ons, maar alleen aan God om te oordelen wat, hoe groot en hoeveel onze zonden (de eigen, persoonlijke, of die van een ander) zijn. Zoals geschreven (!) staat: “Ga niet in het gericht met Uw knecht, want voor U is geen levend mens rechtvaardig’ (vgl. Psalm 143 : 2), en ook zegt Paulus: ‘Ik ben mij van niets bewust, maar daarom ben ik niet rechtvaardig’ (vgl. 1 Korintiërs 4 : 4).

Geciteerd 2: Over de biecht: Omdat de absolutie [=vergeving] of de kracht van de sleutels ook (of beter: juist) een bijstand en troost is tegen de zonde en een kwaad geweten – zoals door en in het Evangelie ingesteld – moet men de biecht en de absolutie onder geen beding (!) in Christus’ gemeenten in onbruik laten komen. Dit juist met het oog op de bevreesde en gekwelde gewetens en ook tot opvoeding van het jonge volk, opdat het daarover ondervraagd kan worden vanwege het onderwijs in de leer van het Evangelie. (3)
Ieder moet echter vrij zijn welke zonden hij of zij wil belijden of niet wil belijden. (4) Want zolang wij ‘in het vlees zijn’, is het geen leugen wanneer we zeggen: ‘Ik ben een arm mens, vol zonden’ of ‘ik voel een andere wet in mijn leden’ enzovoort (vgl. Romeinen 7 : 23). Want omdat ook de persoonlijke vergeving berust op het ambt van de sleutels, zal men de biecht niet verachten, maar hoog in waarde houden, zoals alle andere instellingen (Woordverkondiging, Doop en Avondmaal) van de christelijke kerk.
[Maarten Luther: Die Schmalkaldische Artikel, 1537 (1538), vgl. WA 50, 243, 12-244,30]

(1) ‘Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat we die naleven? Nee, door de wet die eist dat we geloven.’ (Uit Romeinen 3 : 27) Daar zullen we dus op letten bij onze broeders en zusters: Geloof! Daar zullen we dus aan werken bij onze broeders en zusters: Dat ze geloofsvertrouwen zullen hebben! Daarom hebben we het allemaal zo nodig dat we goed thuis raken/zijn in Gods Woord en dat we dat goed leren verstaan en toepassen. Dat kan en zal niet gebeuren zonder het werk van de Heilige Geest in onze levens. Daarom kunnen wij ook geen dag zonder het eerbiedige (persoonlijke en gezamenlijke) gebed om Zijn hulp en bijstand. Maar daar mogen de leden van Christus’ gemeente dan ook vast en zeker op rekenen! – Zie o.a. Lukas 11 : 1-13 en Jakobus 1 : 5-8.
(2) Toevertrouwd! Zie o.a. Handelingen 20 : 25-35, Galaten 1 : 6-12 en Timoteüs 3 : 14-16)
(3) Maar heel de gemeente – oud én jong – hebben dit onderwijs altijd en levenslang nodig en dat kon én kan juist zo goed gebeuren aan de hand van wat men via de vragen en antwoorden van de Heidelbergse Catechismus over het christelijk geloof de gemeenten van Christus heeft willen aanreiken.
(4) Wat een belangrijk punt. De ‘biechtvader/moeder’ zal er geen kruisverhoor van maken en bij zwijgen over bepaalde zaken daar geen misbruik van maken. Het gaat ook hier weer om het vertrouwen in het werk dat alleen de Heilige Geest in mensenharten kan en zal doen – DV! Vandaar ook het gezamenlijk bidden, het gezamenlijk verootmoedigen voor Gods aangezicht!

Leestip: Jakobus 5 : 7-20

Zie ook deze voorgaande blog: ‘Een schaap is een schaap…

(Wordt vervolgd!)

Broeders en zusters, als een van ons afdwaalt van de waarheid en een broeder of zuster laat hem of haar daarheen terugkeren, dan mag zo iemand weten: wie een (mede)zondaar van het dwaalspoor terugbrengt (5), redt hem of haar van de dood en wist tal van zonden uit.’ – En dat dus in de naam van onze Heer! (Uit Jakobus 5 : 19-20)

(5) Dat dwaalspoor kan ook zijn dat iemand meent dat zijn zonden hem of haar niet (meer) vergeven (kunnen) worden. De boze kan een mens zijn vroegere (en toch vergeven!) zonden (en zelfs ook vermeende zonden!) en allerlei Bijbelteksten zo voor de voeten werpen dat een mens er wanhopig en radeloos (en naar het schijnt zelfs redeloos) van wordt. Dan zijn/blijken mensenwoorden en mensenwijsheid (denk aan de psychiatrische/psychologische analyses/oordelen) niet genoeg, maar al onze gebeden worden zeker gehoord en verhoord! (Lees hierbij Jakobus 5 : 7-11)

Bron afbeelding: Zie afbeelding.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een schaap (a) is een schaap, is een schaap en blijft een schaap…

Matteüs 18:12-14 luidt: “Wat zal hij doen als één ervan wegloopt en verdwaalt? Zal hij dan niet de negenennegentig andere in de bergen achterlaten en op zoek gaan naar het ene dat verdwaald is? En als hij het vindt, dan zal hij, dat zeg ik jullie, zich meer verheugen over dat ene schaap dan over de negenennegentig die niet verdwaald zijn. Zo is het ook de wil van jullie Vader in de hemel dat niet één van deze kleinen verloren gaat.”

Geciteerd 1: Deze lieve Man (Zoon van God), de trouwe en hartelijke Bisschop [Opziener, Herder] van onze mensenziel, Jezus Christus, heeft goed gezien (geweten, Hij weet wat in de mens is) dat Zijn lieve christenen vol gebreken zouden zijn, en daarbij door de duivel, vlees en wereld dikwijls en zonder ophouden zouden worden aangevochten. Bovendien dat zij ook zouden vallen en zondigen. Daartegen heeft Hij dit medicijn (1) ingesteld: de sleutel die bindt, opdat wij niet vrijmoedig, roekeloos, onbeschaamd en onbekommerd zouden doorgaan in de zonde (2). De sleutel die losmaakt: dat wij ook in de zonde niet zouden hoeven te wanhopen, maar in het midden tussen roekeloosheid en radeloosheid in ware deemoed staande zouden blijven, opdat wij op alle manier rijkelijk verzorgd zouden zijn. (3) Die niet zondigt (wie zondigt er niet?), heeft het openbare Evangelie, wie echter in de zonde valt, die heeft het Evangelie en de sleutels.
[Maarten Luther: Onderwijzing van de visitatoren aan de predikanten, 1528]

(1) Het gebruik van de sleutels is medicinaal. Zij bestaat in feite uit de volle verkondiging van Gods Woord waardoor wij allen ‘bij de les’ worden gehouden, niemand uitgezonderd. De gemeenten zullen altijd weer luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten te zeggen heeft. Bedenk hoe nodig dat was voor de zeven gemeenten in Klein Azië. Ligt het voor ons anders?
(2) Bij de volle verkondiging van Gods Woord zullen de zonden waaraan wij mensen ons schuldig maken worden aangewezen en wij worden eraan ontdekt door het werk van de Geest. Wij zullen altijd weer beseffen dat we niet zonder het eerbiedig en trouw gebruik van de ons beschikbaar gestelde ‘medicijnen’ kunnen leven.
(3) De gemeente is een plaats waar onze Goede Herder en Geneesheer zorgen wil voor heel de kudde en dat mee doordat wij goede zorg dragen voor elkaar. Daarom zullen wij ook het goede en regelmatige medicijn gebruik – ‘de middelen’ die God Zijn Gemeente schonk en schenkt – niet nalaten, maar het gebruik ervan juist stimuleren en elkaar aanraden.

Geciteerd 2: Het zou ook goed zijn als men de straf van de goede christelijke ban, waarover geschreven staat in Matteüs 18 (vgl. vers 17 vv), niet helemaal in onbruik laat komen. Daarom mogen degenen die in openbare zonden leven, zoals echtbreuk, dagelijkse overdaad en dronkenschap en dergelijke zonden meer, en dit niet willen nalaten, niet tot het heilige sacrament worden toegelaten. (4) Toch moeten zij daarvóór verscheidene keren vermaand worden zich te beteren. Daarna, als zij zich niet beteren, mag men hen de ban aanzeggen. Deze straf moet niet veracht worden, want omdat het een geboden vloek is over zondaren, mag men die niet minachten. (5) Deze vloek is niet zonder gevolgen, zoals Paulus in de eerste brief aan Korinthe, iemand die met zijn stiefmoeder sliep, heeft overgegeven aan de satan tot verderving van het vlees, opdat de geest zalig zou worden op de dag van onze Heer Jezus Christus (vgl. 1 Korintiërs 5 : 5). (6) Zij die in de ban gedaan zijn mogen echter wel onder de prediking komen, want daar laat men ook de ongelovigen en de heidenen toe. (7)
[Maarten Luther: Von den Schlusseln, 1530, vgl. WA 30.2, 504, 12-24; Unterricht der Visitatoren an die Pfarrherrn, 1528, vgl. WA 26, 233, 24-35]

(4) In feite is het genoeg om iemand aan te zeggen* dat hij of zij niet (meer) behoort aan te gaan, wanneer de aangezegde zou laten blijken zich niet van een of meer bepaalde zonden te willen bekeren. Maar het lijkt me – Bijbels gezien! – niet juist dat ook van ons (de christelijke gemeente/de leden van het pastoraat) gevraagd wordt om iemand daadwerkelijk af te gaan houden van de Avondmaalstafel. Dat blijft toch de verantwoordelijkheid van degene die te horen heeft gekregen dat hij of zij niet meer aan de Avondmaalstafel behoort aan te gaan.
* Men maakt dan duidelijk dat dit medicijngebruik niet tot zegen zal zijn – zie hierbij 1 Korintiërs 11 : 27-32.
(5) Wanneer minachten wij die vloek? Degene die de (ban)vloek aangezegd is, die zou deze vloek kunnen minachten, maar degenen die de (ban)vloek uitspreken, die zullen dat toch met alle eerbied voor Gods Woord hebben te doen, al toont de kerkgeschiedenis veel droeve misstanden op dit gebied.
(6) Ook in dit geval dus een ‘werkwijze’ met een ‘medicinaal’ doel.
(7) We zullen zo’n (hardnekkig/onbekeerlijk) gedoopt lid van de gemeente blijven zien en aanvaarden (behandelen) als een schaapje van de kudde van onze Heer en daarom zullen we ze nooit van dat medicijngebruik afhouden of hen die ontzeggen! Het is aan onze Heer om dat gebruik van de medicijnen te zegenen.

Leestips: Matteüs 18 (geheel!) en Lukas 15 (geheel!)

Zie ook: ‘Over medeschapen helpen en redden – over sleutels en de biecht (vervolg I)‘ en ‘Elkaars menselijkheid centraal (blijven) stellen…

(a) Wij zullen een gedoopt mensenkind altijd als kind van God hebben te erkennen en terechtwijzen en tot bekering roepen waar en wanneer nodig. Maar dat terechtwijzen en bekeren en schuld belijden dat hebben alle schapen nodig. Als dat niet zo was, dan konden we de zondagse samenkomsten met Woordverkondiging, Doop en Avondmaal en onze gezamenlijke lofprijzing en gebeden wel afschaffen.

Bron citaten: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 31 vraag 84: ‘Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig evangelie ontsloten en toegesloten’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Toen deze dienaar – van wie een grote schuld kwijtgescholden was – naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “heb geduld met mij, ik zal je betalen.” Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangen zetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald.’ (Uit Matteüs 18 de verzen 28-30)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Spiritualiteit krijgt door deze invulling een vieze bijsmaak…

In 2 Korintiërs 2:17 schrijft Paulus: “Want wij zijn niet zoals zovelen, die handeldrijven met het woord van God, maar wij spreken in Christus, in Gods tegenwoordigheid, zoals iemand die oprecht is, zoals iemand die door God gezonden is.

Geciteerd: De oude optimistische verhalen over de wereld en de toekomst, gestoeld op de beloftes van kapitalisme en liberalisme, blijven niet meer overeind. Apocalyptische toekomstscenario’s dringen zich aan ons op. Alles wordt afgebroken, alles is onzeker.

Mensen ervaren stress door grote issues: geopolitieke instabiliteit en klimaatverandering. Voor steeds meer mensen zijn primaire bestaansonzekerheid en sociale isolatie een belangrijke bron van onzekerheid. Door een constante blootstelling aan onmetelijke wreedheid waar je niets tegen lijkt te kunnen doen, kunnen mensen ‘morele verwonding’ ervaren. Het gevolg: mensen gaan op zoek naar nieuwe kaders die houvast kunnen bieden.

Voor deze zoekers staan twee groepen klaar met duidelijke verhalen en open armen: spirituele bewegingen en fascisten. Waar slappe centrumlinkse of liberale toekomstvisies weinig losmaken, beloven spirituele bewegingen veel meer. Eenheid met het goddelijke. Verbondenheid in gemeenschap. Intense, fysieke, mystieke ervaringen. Een duidelijke plaats voor jou in de wereld. Het geloof dat het wel goed komt.

Dit klinkt fascisten als muziek in de oren. Zij zijn honderd procent bereid een zo simpel mogelijk verhaal te vertellen dat veiligheid biedt, inspireert en nostalgie voedt – mits ze dat kunnen vertalen naar groeiende aanhang en politiek gewin. Daarom zijn mensen met spirituele honger een makkelijke prooi voor extreemrechts.

Roxane Van Iperen doet verslag van influencers die met zachte zweef-esthetiek extreemrechtse ideologie spuien en daarmee grote aantallen volgers voor zich winnen. Volgens Van Iperen komt dit deels doordat spiritualiteit gevangen blijft in een individualistisch ‘eigen welzijn eerst’-denken, waarin de beoefenaars helemaal niet gevraagd wordt om buiten zichzelf te kijken. Daardoor is er meer dan genoeg ruimte voor de combinatie van extatische ervaring en zelfzuchtige ideologie.

Spiritualiteit krijgt door deze invulling een vieze bijsmaak…

De mondiale markt voor spirituele producten en diensten werd in 2024 geschat op 376 miljard dollar, meer dan twee keer zoveel als de markt voor videogames. Is er een manier om mensen die geïnteresseerd zijn in spirituele ontwikkeling te laten zien hoe ze die spiritualiteit kunnen inzetten voor een betere wereld?

Opgemerkt: De beweging van New Wine is ook een beweging die (en dat mee vanwege allerlei commercieel belang*) inspeelt op onvrede, maar dan onder kerkmensen…
* Echter een aantrekkelijker ‘way-of-life’ – aantrekkelijker dan gemeente-predikant/pastor (voorganger) – voor de betaalde krachten van deze beweging is beslist ook een factor die niet over het hoofd gezien mag worden. Dat zullen we ook bedenken bij het soort predikers dat we tegenwoordig betaald moeten inhuren voor (onze) ‘Joyn’ jeugddiensten, omdat onze vroegere jeugddiensten (die door eigen gemeente en voorgangers werden verzorgd) de jeugd ook al niet meer konden/kunnen inspireren en ‘redden’ voor de kerk.

Volg de (eenvoudige en nederige!) weg van Christus, nu jullie Hém aanvaard hebben in en door het geloof. Blijf in Hem geworteld en gegrondvest, houd vast aan het geloof dat jullie door ons onderwijs geleerd is en wees vervuld van dankbaarheid(!). Blijf op je hoede (1) en laat je niet meeslepen door holle en misleidende leringen die op mensenwijsheid en wijsgerige tradities (2) gebaseerd zijn en zich richten op de machten van deze wereld (3) en niet op Christus. Want (alleen) in Hem is de Goddelijke volheid lichamelijk (!) aanwezig en omdat jullie één met Hem zijn (4), het Hoofd van alle krachten en machten, zijn jullie ook van die volmaaktheid vervuld. (5) In Hem zijn jullie besneden (6), niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam. Toen jullie gedoopt werden zijn jullie immers met Hem begraven en met Hem zijn jullie opgewekt (7), omdat jullie en wij geloven in de kracht van God (8) Die Hem uit de dood heeft opgewekt. Jullie waren dood door jullie zonden en door jullie (van nature) onbesneden staat, maar God heeft jullie samen met Christus levend gemaakt toen Hij ons onze zonden kwijtschold. Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd (de wet van Mozes!) uitgewist en vernietigd, door deze aan het kruis te nagelen. Hij heeft Zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en over hen getriomfeerd.’ (Uit Kolossenzen 2 de verzen 6-15 – lees ook het vervolg!)

(1) Zie de waarschuwing van Paulus aan de oudsten van Efeze in Handelingen 20 : 28-31.
(2) Denk hierbij ook aan de invloed van de Griekse filosofie waaraan Augustinus ‘leed’ bij het verkondigen van zijn leringen.
(3) De machten van religieuze en spirituele bewegingen, de financiële, militaire en politieke machten.
(4) Daarom is het onontbeerlijk dat heel de gemeente gedoopt is en dat allen deelnemen aan het Avondmaal.
(5) Lees hierbij Paulus dankgebed voor de leden van de jonge gemeente te Korinthe in 1 Korintiërs 1 : 4-9.
(6) Deze woorden ook weer vanwege hen die nog altijd wilden beweren dat de (Joodse) besnijdenis nog gehandhaafd moest worden.
(7) Opgewekt tot een nieuw leven – zie het dooponderwijs in Romeinen 6.
(8) Die kracht van God om ons een nieuw leven te laten leiden is en blijft een zaak van geloof. Een geloof dat altijd weer wil zien op de genade en barmhartigheid van onze God ondanks alle teleurstellingen in en over onszelf, zondaars, die wij zijn en blijven.

Bron citaten: De Correspondent – ‘De samenleving kan niet zonder spiritualiteit (maar wel zonder complotdenkers)’ – door Joost Vervoort (Universitair Hoofddocent Transformatieve Verbeelding)

Nu jullie met Christus uit de dood zijn opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt jullie op wat boven is, niet op wat op aarde is.** Jullie zijn immers gestorven, en jullie leven ligt met Christus verborgen In God. En wanneer Christus verschijnt, zullen ook jullie, samen met Hem, in luister verschijnen.’ (Uit Kolossenzen 3 de verzen 1-4)
** Lees hoe we dat hier op aarde invulling zullen geven in de verzen 5-25 van dit hoofdstuk t/m 4 : 1-6)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie