“Zonder geloof is het echter onmogelijk God te behagen. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat, en dat Hij een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.” (Uit Hebreeën 11 uit de verzen 1-6 : 6)
Geciteerd 1: ‘Ik ben zo atheïstisch dat ik zeker weet dat God me er later voor gaat straffen.’ In deze zin, die ze ergens las, herkent Gerjanne zich helemaal. ‘Ik ben bij tijden echt heel atheïstisch. Op een manier die ik niet eens zo goed zou durven omschrijven. Ik heb fases waarin ik er diep van overtuigd ben dat God niet bestaat.’
Opgemerkt 1: Daar zullen we ons, wanneer een dopeling dat van zichzelf kan/moet beweren, ten zeerste over verbazen en over verdrieten! Zie dat zelf als een gevolg van het feit dat ze in kuddes van de Goede Herder geleefd heeft en leeft, maar dan geweid door het soort herders (‘huurlingen’) waar onze Heer Zich o.a. in Matteüs 23 zo fel tegen gekeerd heeft en ze typeert als: ‘Toneelspelers!’. Dat waren ontdekkende woorden voor zowel het arme Godsvolk als voor die vrome en zeer godsdienstige Farizeeën en Schriftgeleerden en leiders van het volk… (Lees m.n. hierbij ook Zijn woorden in vers 13 van het genoemde hoofdstuk).
Geciteerd 2: Wat haar helpt? ‘Bedenken dat hele intelligente mensen ook gelovig kunnen zijn. Als ik in een atheïstische fase zit, heb ik de neiging om te denken dat iedereen die gelooft, naïef en dom is. En niet nadenkt. Ze geloven maar gewoon alles wat een predikant zegt.’
Opgemerkt 2: Dus niet de Heilige Geest, Die toch in haar woont, wordt te hulp geroepen, maar met haar eigen verstand komt ze zichzelf te hulp. Zal de Heilige Geest dan niet met verdriet Zich terugtrekken bij zulke tegen het onderwijs van Gods Woord ingaande zelfhulp?
En wat een vreemde gedachten over haar (gewone?) gedoopte medegelovigen? Heeft in haar kerkelijke gemeenten/kringen de predikant zo’n hoge status en is hij zo boven ‘de schare die het Woord niet voldoende kent’ en ‘de ware bevindingen niet heeft’ verheven dat ze zoiets als werkelijkheid ziet en ervaart en zichzelf kan voorhouden?
Geciteerd 3: ‘Ik heb in zo’n fase de neiging om niet meer uit de Bijbel te lezen, om niet meer te bidden en om de kerk heel kritisch binnen te lopen. Daar staan de woorden van Pascal dan tegenover: ga maar doen alsof je christen bent, in die weg spreekt God weer tegen je. Ik voel me dan hypocriet, maar dat is het niet. Het is de weg waarin ik God weer ruimte geef.’
Opgemerkt 3a: Dus niet de raadgevingen en aansporingen van Gods Woord eerbiedig en trouw aanhoren en naleven, maar daar een mensenwoord (van een hoog intelligente man) tegenoverzetten en voor gebruiken en daar dan nog zegen van verwachten ook? De woorden van Jakobus over het bidden van een gedoopt kind van God verbieden ons om ook maar enige verwachting te hebben van wat daar via Pascal ons wordt aangeraden.
Opgemerkt 3b: ‘Het is de weg waarin ik God weer ruimte geef’? Moeten wij (!) God ‘de ruimte geven’? Of dient een dopeling zijn of haar leven lang heel gewoon de van God geschonken middelen blijven gebruiken en dat zal toch voor een dopeling dan beslist geen toneelspel dienen te zijn (waar God op zou zitten te wachten omdat het niet anders kan), maar dat is de heel gewone weg die God de gedoopte leden van Zijn gemeente geschonken heeft en door het werk en de kracht van de Heilige Geest gebruiken wil om ons (weer/opnieuw) in de ruimte – de ruimte van het hartelijk geloven in en vertrouwen op een ons om Christus’ wil genadig God – te zetten. En dat is dus wat anders dan het voorlopig maar weer opheffen van atheïstisch gedachten en atheïstisch levensgevoel.
|>>> ‘Psychologisch gezien werkt het gewoon zo’ … ‘Dat is een wetmatigheid in de psychologie‘ (???)
Geciteerd 4: Christine: ‘Ik herken de gedachten (van Gerjanne) wel, maar kan ze ook zo weer laten gaan. Ze zijn niet existentieel. Maar waar ik veel last van heb, zeker sinds ik een psychopastorale opleiding heb gedaan, is dat alles psychisch verklaarbaar is. Ook de ervaringen van God die je meent gehad te hebben, de antwoorden die je in preken krijgt.
Psychologisch gezien werkt het ook gewoon zo: als je wanhopig bent, dan komt er op een gegeven moment iets waardoor die ergste wanhoop verdwijnt. Dat is een wetmatigheid in de psychologie. Daardoor heb ik ook wel een hele duistere periode gehad van verlatenheid, waarin ik God niet meer ervoer. Dat was heel beangstigend.’
Op zulke momenten probeert Christine terug te vallen op de Bijbel. ‘En los van of ik er iets bij voel of niet, zoek ik naar een ankerpunt in de Bijbel waarop ik kan staan. Ook al is het misschien niet zo dat zo’n tekst door God naar mij toe wordt gestuurd, het is wel waar.’
Opgemerkt 4: God is de God van alle menselijk leven en bewegen en die ‘wetmatigheid in de psychologie is beslist niet zo wetmatig als Christine hier stelt! Misschien vinden psychiaters en psychologen het fijn om de zaken zo voor te stellen en misschien hebben ze een boel onderzoek gedaan en statistiek verzameld om hun gelijk te bewijzen, maar een gelovige weet dat het niet zo ligt! Zullen we ook hier niet beseffen en belijden dat God Zijn koninkrijk en werk voor wie hier wereldwijs en verstandig wil zijn verborgen heeft…
Bron citaat: ND Geloof – ‘Christine en Gerjanne: ga leven alsof God bestaat, ook als je je vanbinnen een atheïst voelt’ door Machteld Meerkerk.
|>>> Hieronder nog een toegezonden Luthercitaat van maandag 2 november 2026
‘Niemand komt tot den Vader dan door Mij.’ (Uit Johannes 14 : 6b, weergave DB 1545)
Wanneer het erop aankomt om uit dit leven door de dood in het andere leven te komen, dan is daar meer voor nodig dan óns leven en doen, hoe goed het ook zou kunnen zijn! Want daarvoor ben ik veel te zwak, evenals alle werken en vermogens van alle mensen. Ik kan mijzelf niet verlossen, voor de zonde betalen, God verzoenen en de dood overwinnen. Daarom moet ik een andere, vaste Grond of veilige Weg en Brug hebben om mij tot de Vader te brengen. Dat is nu alleen deze Heere Jezus Christus. Hij alleen moet de Weg zijn, waardoor we in het andere leven en tot de Vader komen – als we tenminste met een vast geloof aan Hem hangen.
Wanneer het zover komt dat u deze weg moet gaan, dan moet u, kort gezegd, alle andere wegen vergeten, uw oog daarvan afwenden en die uit uw hart bannen. Wat men u over werken leert en over het goede leven en de voorbeelden der heiligen zegt, dat moet u zeker doen, maar alleen zolang u hier op aarde wandelt. U oefent u dan in een deugdzaam leven, gehoorzaamheid en liefde tot uw naaste. Dat is goed, maar bedrieg uzelf hier niet mee! Want als u denkt dat dit de weg is die u uit dit leven zal overbrengen in het andere leven, dan kunt u zich daarmee in het uur van de dood beter niet troosten of daarop vertrouwen. Want dit alles is toch geen Christus, Die voor u is gekruisigd en gestorven. Daarom moeten deze werken ook niet de eer hebben die Christus alleen toekomt – die kunnen zij ook niet hebben!
Wanneer wij overdenken dat het uurtje eenmaal komt waarin ons doen en werk moet ophouden en wij hier niet langer kunnen blijven, komt deze vraag op: ‘Hoe vind ik nu een brug of pad, waarvan ik zeker weet dat ik daarlangs in het eeuwige leven kom?’ Dan is mijn antwoord: kijk naar géén andere wegen om! Het zijn allemaal wegen van mensen en van ons eigen heilige leven en goede werk – zondewegen! Laat deze alle bedekt worden door het Onze Vader en zeg: ‘Vergeef ons onze schulden.’ Houd u alleen vast aan Hem Die zegt: ‘Ik ben de Weg.’ Zorg ervoor dat deze woorden diep in uw hart gegrift zijn. Zó diep, alsof Christus naast u staat en Zelf tegen u zegt: Waarom zoekt en kijkt u naar andere wegen? Hierheen! Kijk naar Mij – op Mij moet u zien! U moet elke andere gedachte over een weg naar de hemel uit uw hart bannen en aan niets anders meer denken dan aan Mijn woorden: ‘Ik ben de Weg.’ Zie slechts dat u op Mij wandelt.
Dat is: houd u met een vast geloof en volkomen vertrouwen van uw hart vast aan Mij. Ik wil de Brug en Weg zijn Die u aan de overkant brengt, zodat u in een ogenblik uit de dood en de angst der hel in het andere leven komt. Want Ik heb deze weg Zelf geplaveid en ben die Zelf gegaan, opdat Ik u en allen die in Mij geloven, naar de overkant zou brengen. Alleen vraag Ik u, dat u nu zonder twijfel aan Mij vasthoudt, het dapper op Mij waagt en getroost en vrolijk heengaat en sterft in Mijn Naam.
Kijk, zo moeten wij onze Heere Christus leren zien en leren kennen: niet als Degene Die ons niet méér kan helpen dan door Zijn onderwijs en voorbeeld. Ook niet als Degene Die nu van ons is heengegaan, zoals de andere heiligen, maar als Degene Die voortdurend in ons is en blijft. Dat doet Christus vooral in het uur waarop dit leven een einde neemt. Dan is Hij ons zó nabij, dat Hij alléén ons hart vervult. Dit gebeurt als ik vast geloof dat Hij mijn Zaligmaker is, Die voor mij door Zijn dood tot de Vader is heengegaan, om mij daar ook te brengen. Dan ben ik op de goede Weg waarop men wandelt door de schaduw van de dood (Psalm 23:4).
Deze stervensgang begint al in de doop. En zolang er geloof is, gaat de mens altijd voort op deze Weg, totdat hij deze Weg door de dood voltooit. Want het geloof dwaalt en faalt niet. Maar waar deze Christus is en blijft, aan Wie het geloof zich vastklemt, daar moet die mens ook zijn en blijven. En hoe sterker het geloof is, des te zekerder wordt deze Weg bewandeld. Want dit wandelen is niets anders dan een voortdurende groei in het geloof en in een steeds sterkere zekerheid van het eeuwige leven in Christus.
Als ik volhard in dit geloof en de dood mij aanvalt, mij óf neerwerpt in de kracht van mijn leven óf door zwaard of vuur meeneemt, dan begeven en verlaten al mijn vijf zintuigen mij. Dan is de reis voorbij en volbracht. Ik ben al op mijn bestemming gekomen en sta op in het andere leven.
Kijk, nu hebben wij hier de tekst en de bedoeling van de Heere Christus: Hij wil ons van alle omzwervende, wijdlopige en vliegende gedachten afbrengen en ons alleen tot Zichzelf trekken. Hij wil ons er alvast aan wennen om deze Weg te wandelen, zodat wij ons daarop zullen bevinden wanneer in het uur van de dood alle andere wegen ophouden. Want Hij wil daarmee Zijn discipelen en christenen wapenen en voorbereiden, zodat zij altijd de gang naar het andere leven verwachten.
Het is alsof Hij tegen ieder van hen wil zeggen: omdat Ik nu van u heenga, gaat het heel anders met u worden. De dood zal u alle dagen voor ogen staan. U zult ook ieder uur moeten verwachten dat men u zal martelen, doden en uit deze wereld zal jagen. Zo moet u nu ook dezelfde weg gaan die Ik uit dit leven moest gaan.
Let er dus op dat u dán weet waar u de eerste stap moet zetten. Dat u dán op de Weg stapt Die u kan dragen, dat is: dat u zich aan Mij vastklemt! Dan zult u in dat uur niet beven en sidderen voor de dood, zoals zij doen die zeggen dat ze deze leer niet willen horen en aannemen. Zij zoeken hun leven lang tevergeefs naar andere wegen. Want zo gaat het en moet het gaan met het hart van een mens die zonder Christus is: het drijft en dobbert altijd op de zee van de eeuwige twijfel.
[Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis (Druck Frühjahr 1538), WA 45, 498ff]
‘Het moet jullie tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als jullie allerlei beproevingen ondergaan. Want jullie weten (toch): wanneer je geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid. Als die standvastigheid ook daadwerkelijk blijkt, zullen jullie volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming.
Komt iemand van jullie wijsheid tekort? Vraag God erom en Hij die aan iedereen geeft zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal je de nodige wijsheid schenken. Vraag vol vertrouwen, zonder enige twijfel. Wie twijfelt is als een golf van de zee, die door de wind heen en weer wordt bewogen. Wie zo aarzelend en onberekenbaar is bij alles wat hij of zij doet, moet niet denken dat hem of haar ook maar iets door de Heer zal worden geschonken.’ (Uit Jakobus 1 uit de verzen 2-11 : 5-8)
Bron afbeelding: Motivation by Devotion