Gedachten van een liefhebbend vader/echtgenoot…

‘Ze weten dat ik een stakker ben, net zoals zij‘…

‘We hebben geen thuis meer!’ Dat wil óók zeggen: er is niemand meer die ons (of elkaar) vergeeft!’

Geciteerd: Je zoon moet dus, als hij naar je kijkt kunnen zeggen als wat ik zelf over mijn arme vader zei, als ik naar hem keek. Dat vraag ik keer op keer aan God, dat mijn kinderen, als ze naar mij kijken, zullen zeggen: ‘Het is – ondanks alles! – de moeite waard om te worden/zijn zoals mijn vader.’ Ik krijg er kippenvel van als ik eraan denk, maar het is de enige wens die ik als vader heb: dat ze dát kunnen zeggen. Niet dat hun vader zo goed is. Hij had en heeft tal van gebreken. Dat weten mijn kinderen heel goed. Ze weten dat ik een stakker ben, net zoals zij. En ze weten best dat zij, als het erop aan komt net zulke arme drommels zijn als hun ouders. Doen alsof je volmaakt bent (of meer/beter dan een ander – AJ) heeft geen enkele zin: het werkt eerder in de hand dat ze zich aan je gaan ergeren en dat je een relatie krijgt, waarin leugens en chantage aan de orde van de dag zijn. Tegen je kinderen moet je kunnen zeggen: ‘Ik ben net als jij, maar ik kijk naar iets wat veel groter is. ‘Ik ontving vergeving!’
Ik ontving vergeving, ik ben geliefd. Dat is het geheim. Zo kun je het leven op een grootse manier – niet in eigen kracht! – tegemoet gaan met alle mooie en lelijke dingen die je aantreft. Zo kun je pijn en zelfs ook de dood tegemoet gaan. Je zegt: ‘Kom op, doe jij het ook zo. Voor jou is hetzelfde weggelegd! Het hele geheim van de opvoeding lijkt me hierin liggen.

Eigenlijk zou je, paradoxaal genoeg kunnen zeggen dat het geheim van de opvoeding is: je niet druk maken om de opvoeding. Je voedt op als je de opvoeding niet als een probleem ervaart (1). Want als het voor jou een probleem is, wordt het dat ook voor het kind. Als het voor jou een probleem wordt omdat je hen ergens van moet overtuigen; als jij hen opdringt om te worden zoals jij wilt dat ze moeten zijn, krijg je conflicten. Ze reageren. Ze voelen dat jij hen iets wilt opleggen. En dat accepteren ze niet. Ze ervaren het als een inperking van hun vrijheid. En daar hebben ze gelijk in. (2)
Het is de bedoeling dat ze in de loop van hun leven Jezus ontmoeten. En juist daarom hebben ze volwassenen nodig die zich niet overbezorgd maken. Dat ze christen worden kan een stille wens zijn die we tijdens de kerkdienst uitspreken (3). Daarna hoef je er echt niet meer aan te denken, want ze zitten echt niet te wachten op overmatige bezorgdheid (4). Als ze die aanvoelen, nemen ze je die kwalijk. Ze hebben volwassenen nodig die beseffen dat ze vrij zijn – sterker nog: die op hun vrijheid durven inzetten en er vertrouwen – Godsvertrouwen! – in hebben dat het goed komt. Juist zo communiceer je hoeveel God van ons houdt, en die liefde waarvan jullie getuigen – die we op grond van Gods Woord geloven en belijden – is zo sterk dat ze jullie nooit meer zullen loslaten (5).

We kennen de gelijkenis van de verloren zoon. De jongen zei tegen zijn vader: ‘Ik heb het hier wel gezien en wil weg’. Dat doen alle kinderen vroeg of laat. (Volgens de schrijver dan, volgens het Bijbelverhaal niet! – AJ).
(…)

Maar hoe komt het dat de verloren zoon terug kon keren? Hij kon het omdat hij er absoluut zeker van was dat hij een thuis had en iemand die op hem wachtte. Het Evangelie vertelt ons hoe die jongen al zijn geld in dat verre land erdoorheen joeg. Uiteindelijk kwam hij bij de varkenstroggen en at hij varkensvoer. Dan heb je erge honger! Toen hij op het dieptepunt was aangekomen, kwam hij tot zichzelf. Het ging door hem heen wat voor een dwaas hij was. Daar, in het huis van mijn vader, daar hebben zelfs de knechten te eten; ze krijgen er drinken en hebben een plek om te slapen. En ik voed me hier met wat de varkens opslobberen. Ik ga terug naar mijn vader! Ik zal me aan zijn voeten werpen en zeggen: ‘Vader, vergeef mij!’ Let wel: deze eerste stap naar herstel was alleen maar mogelijk omdat hij wist dat hij werd verwacht door een vader wiens hart ongetwijfeld was gebroken op de dag dat de jongen vertrok. We kunnen ons van die vader een voorstelling maken: hoe hij sindsdien jarenlang, elke dag, de horizon afspeurde in afwachting dat zijn zoon terug zou keren. Klaar om feest te vieren als hij zou komen. En dáár komt hij, bij het eerste licht van de dageraad. Daar staat de vader, bij het hoogste raam van het huis, turend in de verte, voor het geval dat zijn zoon werkelijk terugkeert. Dat is opvoeding. – Dat is onvoorwaardelijke ouderliefde! (AJ) (6).

Jouw kind wil met zijn gedrag waarvan je het op de zenuwen krijgt, waarmee hij je als ouder op de proef stelt, iets te weten komen. Hij wil weten of zijn vader en moeder de rots zijn – en blijven- die hij nodig heeft. Of dat huis van hun ouders op de Rots gebouwd is. Dát willen kinderen weten. En ze stellen je op de proef, ze trekken en duwen om te zien of het touw breekt. Maar jij houdt stand – en dat dus niet in eigen kracht! (AJ).

Er is nog een fout die ouders kunnen maken. Wij proberen te voorkomen dat hun vrijheid ons verwondt, bezorgd als we zijn om het lot van onze kinderen (of vanwege de wens om met hen ook een eigen leven te gaan leiden? – AJ). je kunt namelijk ook tegen een kind zeggen: ‘Ik doe de deur achter me dicht en ga met je mee’. Je denkt: dan houdt ik hem of haar in het oog, zo is hij/zij nog dichtbij en kan ik meer controle uitoefenen (of: net zo’n vrij leven leiden als zij – AJ).
Maar denk er eens over na hoe die verloren zoon (dat verloren kind) zich zou voelen als hij niet een vader (een van de ouders of allebei) die op hem of haar wachtte, maar een vader (of moeder) die was meegegaan en in de zelfde situatie beland, terwijl het ouderlijk huis er niet meer was/is. Wat een wanhopige toestand. Het verlangen hebben om naar het ouder/huwelijkshuis terug te keren om weer bij je vader (ouders) te zijn – en die heeft (hebben) het huis gesloten en verkocht. ‘We hebben geen thuis meer!’ Dat wil óók zeggen: er is niemand meer die ons vergeeft!

Pascoli heeft daarover een gedicht geschreven, dat don Giussani nogal eens aanhaalde. Het gaat over twee wezen. In dit gedicht komt de zin voor: ‘Er is niemand meer die ons vergeeft.’ Hij bedoelde: er is geen vader of moeder meer, we zijn van niemand meer, we zijn wezen.

Maar zo waren mijn ouders (van de schrijver en van mij/ons) niet! Ze vroegen en vragen van ons dat we bij elkaar blijven (als ouders én kinderen!). Vanwege het goede dat onze ouders hebben/hadden gezien en waaruit ze leven/leefden, vanwege het geluk dat dát met zich meebrengt en vanwege de hoop die hun levensgang bepaalde. Dat is het enige wat wij en onze kinderen nodig hebben!

(1) Ik kan toch eerlijk zeggen dat ik het opvoeden van onze kinderen van het begin af aan niet als een probleem heb gezien. Eerder nog zou mij overmoedigheid kunnen worden verweten – vanwege het ‘Gods water over Gods akker te laten lopen’ (zie 1 Korintiërs 3 : 7-9), thuis en in de samenkomsten van onze gemeente – dan overbezorgdheid. Zie ook hieronder.
(2) Dat later – toen onze kinderen al de leeftijd van volwassen kinderen bereikt hadden – mij verweten werd dat ik hen iets wilde opleggen, dat had te maken met dat mij inmiddels het recht ontzegd werd om in eigen huis mijn opvattingen over bepaalde zaken te laten horen en daar ook Bijbelse gronden voor aan te geven.
(3) Dat ze nog eens een christen zouden worden? We mogen eerder bidden dat wij dopelingen (ouderen en jongeren) niet verachteren in de genade door van ons eenvoudige geloof in het Evangelie af te vallen. Ouders kunnen/zullen eerder nog een voorbeeld nemen aan hun (jonge) kinderen en hun oudere kinderen steeds weer aanbevelen in Gods genade, net zoals kinderen dat hun ouders mogen/zullen doen.
(4) Het is zelfs een teken van een tekort aan Godsvertrouwen en daarmee geen goed voorbeeld.
(5) Onze Heer Jezus zegt ons dat dit desondanks ons toch overkomen kan: zie o.a. Lukas 12 : 49-53.
(6) Maar zo is ook de onvoorwaardelijke huwelijksliefde: nog altijd sta ik op de uitkijk en wacht op het moment van terugkeer van mijn echtgenote!

Bron bewerkt citaat: Ecclesia nr. 22, oktober 2026 – Een kind dat gaat in de voetstappen van zijn vader (III) – door Franco Nembrini

Uit een door dr. H. Klink (Leerdam) vertaalde toespraak die Franco Nembrini hield op 20 februari 2004 in Milaan. Nembrini is een leerling van Don Guissani* en een groot kenner van de werken van Dante Alighieri. Tijdens avonden waarin hij het dichtwerk van deze Middeleeuwse schrijver uitlegde, wist hij jarenlang door heel Italië heen duizenden jongeren te trekken en te boeien, door de levenslessen die hij meegaf en het uitzicht dat hij hen bood.
* Don Guissani zei voor het tv-journaal op 18 november 2003: ‘Als er een (werkelijk christelijke) opvoeding van het volk zou zijn, zou iedereen beter af zijn. De angst die men heeft voor of ook de minachting van het kruis van Christus zal ertoe leiden dat nooit iemand deelt in de vreugde van het leven, ook niet bij een volksfeest of een familie-aangelegenheid. Zoals Dante Alighieri zei: ‘In U is barmhartigheid, in U is medelijden, in U is grootsheid, in U verenigt zich al wat er aan goedheid in een schepsel is.’

“Want in Hem woont heel de volheid van God lichamelijk.” (Uit Kolossenzen 2 uit de verzen 6-15 : 9)

Bron afbeelding: A Thought to carry this week (Salvation Army Ingle Farm)

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie