‘Ik ben de HEER uw (jouw!) God‘ (Uit Exodus 20 de verzen 1-21 : 2a)
Geciteerd: Deze woorden moeten we los van het tweede deel van de zin, dus zonder de woorden ‘Die u/jou uit Egypte uit het slavenhuis/bestaan uitgeleid heb’, nog eens goed uitleggen en daar met aandacht op letten. Want die woorden raken (‘sinds Christus’) ons allen, de hele wereld in het algemeen en ieder mens in het bijzonder, Joden en heidenen. Niet zozeer omdat Mozes het zo [over het volk Israël] heeft geschreven, maar omdat God alle mensen heeft geschapen, onderhoudt en regeert en omdat Hij met en door Abraham en zijn nageslacht alle volken op het oog heeft gehad en nog altijd heeft. Zoals ook Paulus zegt in Romeinen (3 : 29 vv): ‘Is God alleen een God van de Joden?’ Is Hij het ook niet van de heidenen? Ja, zeker ook van de heidenen, aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigt uit het geloof en de voorhuid door het geloof’ [dus zowel de besneden Joden als de onbesneden heidenen]. Met deze woorden echter: ‘Ik ben de HEER uw God‘ , spreekt God tot de mensen op geen andere manier dan alsof er slechts één mens was. God zegt hier niet: Ik ben de HEER jullie God, maar heel persoonlijk: jouw God.
Nu moeten we heel goed op dat woordje ‘uw’ letten (1), want om dit woordje gaat het. Als Hij zegt ‘Ik ben de HEER uw God’, dan wil Hij heel letterlijk zeggen: Ik wil jullie allen en een ieder in het bijzonder aannemen, alsof er slechts één enkel mens en verder niemand op aarde was/is. Dat doe Ik, met de bedoeling dat u/jij Mijn Woord nog ernstiger zou aanhoren, aangrijpen, omhelzen en bewaren.
Niemand zou dan toch mogen zeggen: ‘God heeft wel de wet gegeven, veel edele en grote dingen geboden en boven dien wil Hij de mensen genadig zijn, hun God zijn en met hen omgaan als een vader (2) met zijn kind – maar mij gaat dat misschien niet aan! Wie weet of Hij met die woorden ook mij op het oog heeft en bedoelt? Dat geldt misschien alleen voor anderen’ (3).
[Maarten Luther: WA Predigten über dass 2. Buch Mose, 1524-1527, vgl. WA 16, 432, 18-433, 19]
(1) In het Duits en in het Hebreeuws is er geen verschillend woord voor u en jij/jou.
(2) Of beter zelfs: zoals een vader en moeder met hun kind/kinderen. God is te groot en veelzijdig om alleen in het Vaderschap gekend te worden. Daarom ook schiep Hij de mens als man en vrouw.
(3) Die mensen willen Gods verborgen uitverkiezing voorop stellen en daarmee deze Godswoorden tot hen ‘im Frage’ stellen. In bepaalde kerken is dat zelfs tot heersende theologie verheven. Zij gaan voorbij aan wat ons mensen geopenbaard is in en door het Woord – en het Woord is vlees geworden! (1 Johannes 1 : 1-14*) en luisteren naar wat de boze hen influistert en geven die zelfs stem op hun kansels: ‘Maar heeft God niet gezegd dat er uitverkiezing is en zijn er niet tweeërlei kinderen van het Verbond? Nou dan, wat zouden jullie je rijk kunnen/willen rekenen aan deze Evangelie verkondiging’.
* God openbaarde dat ‘Evangelie voor alle volken te beginnen in Israël/Jeruzalem’ door het getuigenis van Johannes de Doper bij de Jordaan, maar volgens de heren theologen van die tijd paste dat niet binnen hun theologie die zij hadden opgesteld (zie Matteüs 21 : 23-27, Marcus 11 : 27-33 en Lucas 20 : 1-8) en waarmee ze het volk (‘de schare die de wet niet kent’ w.o. de hoeren en de tollenaars) onder de (hun grote) duim hielden.
Bron citaat: ‘Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus’ – Meditatie bij ‘Wat gebiedt God in het eerste gebod’ – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)
‘Jullie moeten je niet rabbi laten noemen want jullie hebben maar één Meester, en jullie zijn elkaars broeders en zusters.’ (Uit Matteüs 23 uit de verzen 1-15 : 8 )
Bron afbeelding: Instagram (‘The One Teacher Jesus Christ’)