Hoe we dichtgetimmerde oren en vastgeroeste harten voorkomen…

‘Bid zonder ophouden’… (Uit 1 Thessalonicenzen 5 uit de verzen 4-24 : 17)

Geciteerd: Hoewel de verlossing is volbracht en wij werkelijk door het bloed van Gods Zoon verlost zijn, is het toch nodig dat wij elke dag om de verlossing bidden, zoals Christus ons in het Onze Vader heeft geleerd en geboden.
Want wij hebben in dit leven niet de voltooiing, maar de eerstelingen van de Heilige Geest; de macht van het vlees – onze oude Adams natuur – doet zich elke dag nog gelden – en ook de boze gaat nog te keer als een leeuw op zoek naar prooi (AJ). Wij gaan wel het Koninkrijk van God binnen en staan er met één voet in, en zijn er ook van verzekerd dat de belofte aan ons vervuld zal worden, maar we moeten daar niet blijven staan, maar ook de andere voet erin zetten. Dat wil zeggen: we moeten elke dag groeien in de kennis van de genade door het geloof (1). Daarom vermaan ik jullie: wen je aan voortdurend gebed en overdenking van de heilige Schrift. Wie nog nooit – op dood en leven – tegen de duivel heeft gestreden, weet niet hoe nodig de Geest van het gebed is. Want de nalatigheid en de valse gerustheid nemen elke dag – en (dus ook) elke zondag, als God het niet genadig verhoedt – toe, zoals roest het ijzer aantast, en het Woord glipt uit onze hand – en uit onze oren harten (2) – voordat we er erg in hebben. Wanneer dat gebeurt, heeft de satan al half gewonnen; want hij slaapt (en sluimert) niet, maar loert op elke gelegenheid en grijpt ons aan zodra hij merkt dat het hart niet meer vasthoudt aan het Woord. Daarom zullen we ons voortdurend oefenen in het Woord van God en bidden bij het slapengaan en bij het opstaan, zodat de vijand ons niet ongewapend (3) aantreft en ons niet geheel en al van het geloof in de verlossing losrukt en berooft. Ik ben zelf als theoloog, iemand die door veel gevaren (heen) in de Schrift geoefend is geraakt en het nodige heeft meegemaakt; toch beroem ik mij niet op die gave(n), maar blijf ik samen met de kinderen en eenvoudigen (4) de ‘Catechismus’ (5) bidden – de tien geboden, het geloof en het Onze Vader – en dit met mijn hart overdenken, en wel zo dat ik niet alleen de woorden opzeg, maar er ook op let wat deze woorden betekenen. En wanneer ik dat nalaat, omdat ik met andere bezigheden overladen ben, ondervind ik daar altijd de nadelige gevolgen van (6). Het Woord is ons gegeven om ons – persoonlijk en ook gezamenlijk (7) er ijverig in te scherpen en te oefenen. Wanneer wij die oefening nalaten, worden onze harten als ijzer dat door de roest wordt aangevreten, en weten/beseffen wij niet eens meer hoe het met ons gesteld is.

Leestip: 1 Thessalonicenzen 5 : 4-24.

(1) En niet toenemen in ongenade – jegens onszelf, maar meestal/eerder nog jegens anderen – door nalatigheid en/of zelfs ongeloof aan Gods barmhartigheid jegens zondaren (w.o. wijzelf en onze broeders en zusters).
(2) Zie Matteüs 13 : 16-23.
(3) Zie Efeziërs 11 : 6-18 en 2 Timoteüs 2 : 1-13.
(4) Zie Matteüs 11 : 25-30 en Lukas 10 : 21-24.
(5) Luther bedoelt hier: De tien geboden, de Twaalf Artikelen van het geloof (opzeggen, overdenken, belijden) en het (eerbiedig en bedachtzaam) Onze Vader bidden (dus niet herhaaldelijk als in het bidden van een ‘rozenkrans’).
(6) Ook een reden om altijd voor anderen – in de eerste plaats onze geliefden (in familie, gezin, broeders en zusters) – te bidden, wanneer we wel tijd hebben en nemen voor gebed. Ook daarin ligt bewarende kracht!
(7) Zie Spreuken 27 : 17 en Handelingen 2 : 41-47.

Bron citaat: Ecclesia nr. 18, september 2026 – Meditatie – Maarten Luther.

Degenen die zijn woorden en oproep aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.‘ (Uit Handelingen 2 uit de verzen 37-42 : 41-42)

Bron afbeelding: only.bible-com

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie