Over de ‘ware schat van de kerk’…

Geciteerd 1: Eén van Luthers 95 stellingen luidt: ‘De ware schat van de kerk is het evangelie van Gods eer en genade.’ Met deze stelling houdt de reformatorische en voluit Bijbelse gedachte verband dat de kerk in haar zichtbare vorm overal te vinden is waar het Woord van God recht wordt bediend. De rechte bediening van het Woord maakt de kerk tot kerk. Waar die te vinden is, is het wezen van de kerk aanwezig en waar die ontbreekt, ontbreekt het wezen van de kerk.

Opgemerkt 1: Niet alleen waar het Woord van God ‘recht bediend wordt’, maar ook waar Doop en Avondmaal ‘recht [=naar het onderwijs van Gods Woord] bediend worden aan Christus’ gemeente en dat (dus) in de samenkomsten van de/een gemeente. Waar men geen kinderen doopt of waar men de doop die men aan kinderen bediend niet op ‘Bijbelse’ waarde weet te schatten, daar ontbreekt dat ‘recht bedienen’ ervan en dat heeft ook consequenties voor het ‘recht bedienen’ van en ‘recht deelnemen’ aan het Avondmaal.

Opgemerkt 2: ‘De ere Gods is dat we Zijn weldaden met een gelovig en dankbaar hart aannemen’. (Uitspraak van Maarten Luther). God wil/verlangt een dankbare gemeente (1) vanwege de redding die Hij ons als gedoopte gemeente geschonken heeft en waardoor de doopleden van Christus’ gemeente zeker kunnen zijn van het heil dat hen ten deel is gevallen. Dat is m.i. toch een andere invulling van ‘de ere Gods’ dan veel calvinisten, puriteinen en de nadere reformatie theologen er aan hebben gegeven (2). Het is daarom niet toevallig dat hun leerboeken, anders dan de Heidelbergse Catechismus – niet beginnen met een dankbare belijdenis, maar met het voorop stellen van de ‘ere Gods’, waaraan wij dan moeten bijdragen.

(1) Net zoals God een dankbaar volk verwachtte vanwege de redding die Hij hen geschonken had uit het slavenbestaan in Egypte: Zie o.a. Psalm 50, 78, 105 en 106.

(2) Geciteerd 2: Het meest in het oog lopende verschil met onze Heidelbergse Catechismus is, dat de Westminster geen Lutherse invloeden kent. Zonder de twee reformatoren tegen elkaar uit te spelen weten we dat het levensdevies van Calvijn was: Hoe komt God aan Zijn eer? Terwijl Luther meer de nadruk legde op: Hoe krijg ik een genadig God? (3) Bij de opzet van onze Heidelberger is deze Lutherse invloed duidelijk te merken. Dat is al zo bij de eerste vraag: Wat is uw enige troost beide in het leven en in het sterven? In de Westminster catechismus (klein en groot) lezen we als eerste vraag: ‘Wat is het hoofddoel van de mens? ‘ God te verheerlijken en zich in Hem te verblijden. Deze theologische onderbouwing komen we in heel deze catechismus tegen. De volle nadruk valt op het eenzijdig werk van God: zalig worden gaat van Hem uit en verloren gaan is honderd procent* eigen schuld. De volle verantwoordelijkheid wordt bij de mens gelegd.
* Dat is helemaal geen Bijbelse uitspraak! En het is zelfs ‘Bijbels’ gezien [=volgens het onderwijs van Gods Woord] beslist niet waar.

(3) Het droevige is dat Luther helemaal niet in de gemeente de vraag ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ centraal wil stellen. Nee, hij had juist ontdekt dat de gedoopte gemeente een genadig God heeft en dat wij daarom heel de gemeente zullen leren hoe een dankbaar leven te leiden voor Gods vriendelijk aangezicht.
Met name bij de puriteinen en nadere reformatie theologen wordt die zekerheid van een genadig God hebben je eerst afgenomen en dan moet je eerst maar zien te ontdekken of je ook kunt zeggen dat je een genadig God hebt. In die tussentijd (of misschien wordt het wel nooit wat) wordt er wel van je verwacht dat je God verheerlijkt en dat door je nauwgezet aan de wet te houden, en dat niet eens uit dankbaarheid, maar omdat God dat nou eenmaal van iedereen verlangd en verlangen mag…

Leestip: Titus 2 : 11 t/m 3 : 8

Bron afbeelding: Pinterest

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie