‘Vol verlangen heb ik op de HEER gewacht
en Hij boog zich naar mij toe,
Hij heeft mijn roep om hulp gehoord.’
(Uit Psalm 40 uit de verzen 1-5 : 2)
Geciteerd: Het hart zegt in een volgende verdrukking: Die mij voorheen zo vaak geholpen heeft, Die zal mij nu opnieuw helpen. Dat is het verlangen van het hart: ach, verlos mij; ach, kom toch, mijn God; ach help mij toch. Dat is de hoop, die niemand te schande laat worden. God moet zo’n mens wel helpen! ‘Want de liefde van God, die Hij tot ons heeft, is uitgestort in ons hart door de Heilige Geest, Die ook aan ons (dopelingen) is gegeven. (Romeinen 5 : 5).
Dat doet de Heilige Geest: Hij werkt het verlangen en wekt het hart op tot bidden en smeken, zodat het hulp ontvangt. Op deze manier verbergt God onder de dood het leven; onder de hel de hemel; onder dwaasheid wijsheid, onder zonde genade. Zó moet Abraham goedkeuren, dat het Gods welgevallen is, dat Hij tegen hem zegt, dat hij zijn enige zoon moet offeren (Genesis 22 : 1vv). Zo zegt ook David, als hij voor zijn zoon Absalom moet vluchten, dat God het goede met hem voorheeft (2 Samuël 15 : 25vv). Het is hem ook tot zaligheid gerekend toen hij sprak: ‘Het is goed voor mij, dat U mij vernederd hebt‘ (Psalm 119 : 71). Maar deze wijsheid, goedheid, zoetheid en volkomen vereniging met Gods wil, wordt niet ondervonden door het verstand of de wijsheid van mensen – want die vluchten daarvoor – maar alleen door het geloof [=Godsvertrouwen], dat het verstand doodt. Dat was over de hoop. Nu volgt nog onderwijs over de liefde.
[Maarten Luther: Stephanus Roths Festpostille 1527, WA 17.2, 271 ff]
Leestip: Psalm 40, Psalm 116 en 2 Korintiërs 6 : 1-13.
Zie ook deze voorgaande blog: ‘Over bevinding die hoop wekt… (I)‘
Bron citaat: ‘vertroost elkaar met deze woorden’ – Meditatie 11 juli – Den Hertog uitgeverij (2022)
‘Ik en arm en zwak,
HEER, denk aan mij.
U bent mijn Helper, mijn Bevrijder,
mijn God, wacht niet langer.’
(Uit Psalm 40 het slotvers)
Bron afbeelding: Pinterest