‘Ik sprak in mijn moedeloosheid: Ik ben van voor Uw ogen verstoten,
tóch hoorde en hoort U naar de stem van mijn smeken, toen/als ik tot u riep/roep.’
(Uit Psalm 31 vers 23)
Geciteerd: Iemand vroeg aan Maarten Luther: ‘Op welke gronden moet je iemand vertroosten die twijfelt, of hij ook één van de uitverkorenen zou zijn die zalig worden?’ Immers hij of zij voelt niet de vrede die de godzalige christenen hebben, zoals Paulus zegt: ‘Nu wij dan rechtvaardig zijn geworden door het geloof, hebben wij vrede bij God door onze Heer Jezus Christus.’ (1)
Antwoord: Zo iemand moet je in de eerste plaats zeggen en vermanen dat het leven van een christen midden aanvechtingen, treurigheid, droefenis, ellende, jammer, ongeluk en dood staat. Daarom moet je degenen die door satan met zulke zware gedachten verontrust en gepijnigd worden, met deze woorden uit de brief aan de Hebreeën troosten: ‘Mijn zoon (of dochter), acht niet klein de kastijding (tuchtiging) van de HEER, en wanhoop niet als je door Hem bestraft wordt; want wie de Heere lief heeft die kastijdt Hij; Hij tuchtigt iedere zoon (of dochter) die Hij aanneemt‘ (Zie Hebreeën 12 : 5-6). (2)
Omdat nu deze mensen, die hier in de tekst door de satan zo geplaagd en gemarteld worden, (gedoopte) kinderen van God zijn, volgt daaruit onweerlegbaar, dat God voor hen, als voor Zijn lieve kinderen, zal zorgen en hen niet zal verachten en verwerpen. Daarom moeten zij ook midden in de aanvechtingen, tegenslagen en ongelukken, vrolijk, gewis en zeker zijn dat God hen liefheeft. (3)
(1) Bij deze tekst zullen dus niet in de eerste plaats denken aan een gevoel dat in ons (over)heerst, maar aan het geloof dat Christus onze vrede is, zoals Paulus zegt: ‘Als jullie nu met Christus uit de dood zijn opgewekt (zie Dooponderwijs in Romeinen 6 : 5-11!), streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt je dus op wat boven is, niet op wat op aarde is. Jullie zijn immers gestorven (zie Romeinen 6 : 3-4), en je leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw/jouw leven verschijnt, zullen we ook samen met Hem, in luister verschijnen.’ (Uit Kolossenzen 3 : 1-4 en lees hierbij de voorafgaande verzen 2 : 16-23).
(2) Lees wat Paulus uit eigen ervaring hierover schrijft in 2 Korintiërs 12 : 7-10 en 11 : 23-38, 1 : 8-11 en 1 Korintiërs 4 : 9-13 en 2 Timoteüs 2 : 16-18.
(3) Juist daarom is de Doop en het dooponderwijs de Gemeente(n) van Jezus Christus geschonken. Want als de Prediker ons dit al kan voorhouden “Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild.” (Prediker 9 : 7), hoeveel temeer zullen wij dan erkennen en beseffen dat God ons geboren en/of opgenomen (‘ingelijfd’!) worden in Christus’ gemeente door de Doop reeds lang zo gewild heeft. Hij heeft ervoor gezorgd dat u/jij gedoopt zou worden. Lees hierbij wat Paulus de gedoopte gemeente schrijft in 2 Korintiërs 5 : 14 t/m 6 : 13.
> Leestips: Zie bovengenoemde en onderstaande verwijzingen naar Bijbelgedeelten.
Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden’ – Meditatie van 5 juni – Den Hertog Uitgeverij (2022)
‘Getrouwen van de Heer, heb Hém lief.
De HEER behoedt de standvastigen,
voorgoed rekent Hij af met de hoogmoedigen*.
Allen die uw hoop vestigt op de HEER
wees sterk en houd moed.’
(Uit Psalm 31 de verzen 24-25)
* Zie hierbij ook Psalm 4 : 3-4!
Bron afbeelding: Pinterest