‘Maar Sion* zegt: de Heere heeft mij verlaten; de Heere heeft mij vergeten. Kan een vrouw haar kindje vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon of dochter van haar lichaam?’ (Uit Jesaja 49 uit de verzen 8-20 : 14-15)
* Abrahams kinderen door het geloof – zie o.a. Galaten 3 : 27-29.
‘Want Hij is als een lieve moeder, die ons liefdevol verzorgt en draagt’…
Geciteerd: Kan ook een vrouw haar kindje vergeten… Dit voorbeeld kent het natuurlijk verstand van een gedoopt kind van God (1) vast wel, maar het gelooft niet dat het zelf zo’n kind in de moederschoot is (2). Het denkt niet dat het wordt gedragen, maar dat het wordt weggeworpen, ja gruwelijk wordt heen en weer gesmeten. Hier is geen raad of hulp, dan dat we met uitsluiting van alle zinnen (3), ons alleen op het Woord verlaten. Dat we in eenvoudig en kinderlijk geloof, tegen ons gevoel en tegen onze verwachting in (4) geloven dat het waar is wat Gods Woord ons laat horen. Want alles wat buiten Gods Woord is, is alleen angst en nood (5).
Als we nu op deze manier onze uitwendige gevoelens en natuurlijke gedachten overwinnen en als naakte zondaren aan Gods Woord hangen – zó, dat we geloven: God heeft ons niet verlaten (6) – dan is het met ons gebeurd (7). Want Hij is als als een lieve moeder, die ons liefdevol verzorgt en draagt. Dáárom heeft Hij ons Zijn Woord toch niet gegeven (en ons ‘vlees’ laten aannemen), omdat Hij ons wil verlaten, maar juist door alle droefenissen heen, de kracht en de macht van Zijn Woord en Zijn Verlosser en Verlossing te laten zien. Wat nu naar het aanzien een verlaten schijnt, dat is veel meer een bewaren, waarin en waardoor we de kracht van het Woord meer en meer leren kennen. Zulke beloften moeten slechts worden geloofd; ze kunnen niet met de handen getast en gegrepen worden (8).
[Maarten Luther: Luthers Vorlesung über Jesaja (1527/30), WA 25, 89 ff; WA 31,2, 1 ff]
(1) Luther schreef: kind van God (zelf was hij zo’n nog in de RK gedoopt kind van God).
(2) Er zijn gemeenten/kerken waar men dat de gedoopte kinderen van God liefst eerst dat geloof afneemt. Er moet toch wel wat meer bijkomen dan dat je gedoopt bent om zeker te mogen weten dat je door God geliefd en in Jezus Christus aangenomen bent.
(3/4) Dus ook allerlei bijzondere bevindingen en ervaringen geven ons niet de vaste grond van/voor het Godsvertrouwen, zoals Doop en het Evangelie dat ons (onlosmakelijk!) bij de Doop verkondigd wordt, biedt.
(5) Daarom zal geen mens (geen theoloog of voorganger of wie dan ook) een gedoopt kind van God het Evangelie (eerst maar eens) afnemen!
(6) Jesaja mag dit het volk Israël voorhouden en God vroeg ook toen van Zijn volk dat ze Hem op Zijn Woord zouden geloven.
(7) Dan zijn we overgeleverd aan onze eigen gevoelens en het oordeel van de mensen om ons heen. Door Gods genade ben ik daar (weer) bovenuit getild en dat juist door weer (!) te gaan ontdekken/beseffen en geloven wat mij door en bij de Doop verkondigd was.
(8) Al waren het wel mensenhanden en mensenmond(en) die ons met het Doopwater overgoten en Gods Woord (dat Evangelie is) daarbij verkondigden – en dat ook mee door danken en lofprijzing na het bedienen van de Doop.
Leestips: Jesaja , Handelingen 10 : 44 t/m 11 : 18** en Galaten 3 : 15-29.
** Hoe de Heilige Geest ons altijd al voor is geweest bij het bedienen van de Doop, ook bij het dopen van pasgeboren babies.
Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden’ – Meditatie van 9 mei – Den Hertog Uitgeverij (2022)
‘En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus.’ (Uit Handelingen 10 : 48a)
Bron afbeelding: Bible verse of the Day