Dat wij Gods zonen zijn…

58 Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik. 59 Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg. (Uit Johannes 8)

Over het lijden van Christus (6)

Het citaat voor deze week komt uit een doordeweekse preek die Luther gehouden heeft op zaterdagmiddag 6 maart 1529 over Johannes 19 vers 7. Kort voor onze hoofdtekst zegt hij het volgende: ‘Dit is wel het duidelijkste bewijs van de onschuld van Jezus, dat Pilatus niet eenmaal, maar twee, drie, ja, zesmaal roept en aantoont dat Jezus geweld en onrecht wordt aangedaan. Want hij had goed begrepen dat de Joden geen goede reden hadden om Jezus te beschuldigen. Voor de Joden echter kon er evenwel geen grotere zonde bestaan dan dat iemand van zichzelf zou zeggen: ‘Ik ben Gods Zoon.’ Daarom ook, als Christus voor de geestelijke rechtbank belijdt dat Hij Gods Zoon is, dan scheurt de hogepriester zijn klederen en roept: ‘Hij heeft God gelasterd, wij hebben verder geen getuigen nodig!’ (vgl. Mattheüs 26:65). Zij hadden immers het gebod: ‘Wie Gods Naam lastert, die moet gestenigd worden (vgl. Leviticus 24:16). Nu was voor hen ‘Gods Naam lasteren’ niet alleen het vloeken en schenden van Gods Naam, maar ook als iemand zou zeggen: ‘Ik ben God’ (vgl. Johannes 10:33). Ook deze zonde moest Christus voor ons dragen. Christus heeft dat woordIk ben Gods Zoongoed en duidelijk uitgelegd. In de eerste plaats als Hij zegt: ‘Als u de Zoon des mensen zult verhoogd hebben [aan het kruis], dan zult u erkennen dat Ik Die ben’ (vgl. Johannes 8:28 plus kanttekening SV). En verder zegt Hij: ‘Ik zeg u, van nu af zult u zien dat de Zoon des mensen zit aan de rechterhand van de Kracht en zal komen op de wolken des hemels’ (vgl. Mattheüs 26:64). Maar dit getuigenis heeft voor de Joden niets te zeggen. Hij moest de zonde dragen dat Hij een godslasteraar was, omdat Hij Zich Gods Zoon genoemd had.’

‘De Joden antwoordden hem [= Pilatus]: Wij hebben een wet, en naar de wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf tot Gods Zoon gemaakt’ (Johannes 19:7, weergave DB 1545).

(…) “Voor ons is dit ook een goede preek en waarschuwing: dat Christus moest sterven omdat Hij Zich tot Gods Zoon had gemaakt (vgl. Genesis 2:17 en Leviticus 24:16). Want de wet is onze dood en duivel – deze ligt allen op de hals die zichzelf tot Gods Zoon hebben gemaakt. De uitspraak van Mozes is zeker goed: want wie zich dan ook tot Gods Zoon maakt, moet de dood sterven. Ieder mens heeft zich tot God of Gods Zoon gemaakt. Daarom zijn wij allen de dood schuldig en moeten allen sterven.

Van deze vloek der wet heeft Christus ons verlost. Hij wordt terechtgesteld, omdat Hij in onze plaats is getreden en ook deze zonde voor ons heeft willen betalen. Wat Zijn Persoon betreft was Hij echter geheel onschuldig aan de wet van Mozes – dus dat men de godslasteraar moest doden, ging Hem niets aan. Maar omdat Hij op Zich had genomen dat Hij in de plaats van alle mensen zou staan, moest Hij ook hun straf verwachten.

Wij mensen zijn het immers, die onszelf tot zonen [of kinderen] van God willen maken, ja, die God Zelf willen zijn. Adam is met deze zonde begonnen in het paradijs. Want hij liet zich door de oude slang, de duivel, opstoken dat het niet genoeg was om een prachtig schepsel van God te zijn, naar het beeld van God geschapen. Daarom wilde Adam geen mens blijven maar God zijn – goed én kwaad kennen. Toen hij nu hierin de oude slang navolgde en God gelijk wilde zijn, werd hij geen God, maar [werd als het ware] een duivel (vgl. Genesis 3:1 vv)

Nu volgen wij allen onze eerste vader Adam na en willen God gelijk zijn. Want ónze wijsheid, ónze kracht, ónze godsdienst, ónze heiligheid, óns geld en ónze dingen moeten ons tot zonen [of kinderen] van God maken. Daarop verlaten wij ons. Maar wij vertrouwen niet op Gods goedheid, barmhartigheid en genade. Kort gezegd: dit is de eerste zonde die Adam heeft bedreven en op ons heeft overgeërfd.

Deze zonde is het die nu in ons en door ons allen zonder ophouden wordt voortgezet. Adam wilde zelf God zijn en God moest niets zijn. Zo doen alle adamskinderen, daarom is het waar en goed gezegd:Wie zichzelf tot Gods Zoon maakt, moet de dood sterven’dat zijn wij!”

Maarten Luther: Wochenpredigten über Joh. 16 20, 1528/29, vgl. WA 28, 348, 31 – 350, 8

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Wat kan ons schaden,
wat van U scheiden,
Liefde die ons hebt liefgehad?
Niets is ten kwade, wat wij ook lijden,
Gij houdt ons bij de hand gevat.
Gij hebt de zege voor ons verkregen,
Gij zult op aarde de macht aanvaarden
en onze Koning zijn. Halleluja!
Gij, onze Here, doet triomferen
die naar U heten en in U weten,
dat wij Gods zonen zijn. Halleluja!

Geest van hierboven, leer ons geloven…
Gezang 477, zetting: G.G. Gastoldi (1591)
Tekst: M. Jacobse (1909-1972)

Gezang 477 - SlideShare

Bron afbeelding: SlideShare

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s