Over de dienende liefde van God…

Zó heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft…’ (Uit Johannes 3 vers 16)

Zal Hij, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alle dingen schenken?!‘ (Uit Romeinen 8 vers 32)

Geciteerd: Wat is de oorzaak van Gods geven, en wat beweegt Hem daartoe? Het is niets anders dan onuitsprekelijke grote liefde. Want Hij geeft niet uit schuld of plicht, of dat iemand Hem daarom zou gebeden of gesmeekt hebben, maar door Goddelijke goedheid en liefde bewogen. Het is Zijn blijdschap en vreugde om uit vrije genade te geven, zonder dat iemand Hem daarom gevraagd heeft. Hij geeft uit pure liefde. En zoals er geen groter Gever is dan God, zo is er ook geen grotere deugd – niet in God en ook niet in de mensen – dan de liefde (1 Johannes 4 vers 8 ). (1,2,3)
Liefde is meer dan geduld, nederigheid en alle andere deugden tezamen. Want alle deugden zijn vervat in de liefde. Immer als ik iemand liefheb, met die zal ik zeker niet (liefdeloos) toornen of hem/haar kwaad doen. Ook zal ik tegen hem of haar niet opscheppen of aanmatigend zijn, maar ik zal bereid zijn die ander te dienen, raad te geven en te helpen in alles, wanneer ik zie dat die ander mij nodig heeft. Kort gezegd: die ander heeft mij helemaal met lichaam, bezit en met alles wat ik kan. Nu, dat gaat over de liefde van mens tot mens!
Daarom moet hier ons hart vervuld worden tegen alle droefenis, omdat aan ons zo’n rijkdom van grondeloze liefde van God wordt voorgesteld. Hij, Die zó geeft dat het voortvloeit uit Zijn Vaderlijke hart, en ontspringt uit de hoogste deugd van de Goddelijke liefde. Hij, Die de Bron is van alle goed, die ook dé Gave [de Zoon] dierbaar en kostbaar maakt.
[Maarten Luther: Cruciger Sommerpostille 1530/35 (Druck 1544), WA 21, 479 ff]

Leestip: Johannes 13 : 1-20.

(1) Daarom is het zo’n verdrietige zaak dat wij de samenkomsten van de gemeente ‘erediensten’ (zijn gaan) noemen. Wanneer we beseffen dat (ook) daar alles van Gods kant naar ons toekomt – zelfs de lofzangen die we daar zingen heeft Hij ons in de mond gelegd – tenminste wanneer we daar m.n. de ‘lofzangen Israëls’ zingen zie Psalm 22 vers 4 – en wat we Hem daar bidden is geen nieuws voor Hem en ook wat en hoe wij Hem bidden zullen heeft Hij ons onderwezen en onderwijst Hij ons nog altijd – dan zullen we toch beseffen dat wij Hem niets hoeven toebrengen en/of ‘wijsmaken’.
(2) Wanneer we menen dat wij mensen Hem (juist) dáár (in onze samenkomsten) de ‘ere’ zullen en moeten toebrengen, dan lijkt het ook gepast dat we daar de hoogst opgeleide voorgangers en de beste sprekers en bidders en de beste muzikanten en (koor)zangers zullen laten optreden, want die dragen dan natuurlijk [lees: ons inziens!] het beste bij aan het eren van God in onze ‘erediensten’.
(3) Wanneer we echter beseffen dat het in de gemeentelijke samenkomsten (juist, heel bepaald) gaat om de dienende liefde van Hem, zoals Hij daar in ons midden aanwezig wil zijn met Zijn Geest en door het Woord, dan gaan we niet meer zoveel belang hechten aan onze inbreng in die zondagse samenkomsten van de gemeente, maar gebruiken we die (vooral) liever om dan (stilletjes) te zitten aan de voeten van onze Meester, zoals Maria dat deed. En dan worden we (steeds verder) onderwezen in wat Paulus in Romeinen 12 onze ‘ware eredienst’ noemt en passen we ons niet aan aan deze wereld*, maar veranderen we door onze gezindheid te (laten) vernieuwen, om zó (weer) ons te (laten) ontdekken wat God van ons wil en wat goed en volmaakt en Hem welgevallig is.
* Dan kijken we bij hen niet de kunst af van hoe zij hun afgoden vereren – bijv. zoals met hun extatische lofzangen in grote stadions.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Meditatie 12 september – Den Hertog uitgeverij (2022)

U hebt mijn redding bevolen, mijn Rots en mijn Burcht, dat bent U
(Uit Psalm 71 uit vers 3)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘eeuwigheids-vraag’ – ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ – is al beantwoord!

Weten jullie (dan) niet – het is jullie toch al verkondigd – dat jullie een tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigd – bijv. door jullie niet als Gods bevrijde kinderen te zien en toe te spreken door het geloof – dan zal God zo iemand vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel zijn jullie zelf.‘ (Geschreven aan ‘zuigelingen in het geloof’ in 1 Korintiërs 3 de verzen 16-17)

Geciteerd: Aan veel predikanten en catecheten wordt regelmatig de vraag gesteld of de preek of de les niet wat praktischer kan zijn. Deze vraag lijkt op gespannen voet te staan met een theologie waarin de thema’s bepaald worden door de orde van het heil en de toepassing van het werk van Christus. Een wat-kan-ik-ermee-preek mist, volgens hen, immers de belangrijkste vraag: Hoe krijg ik een genadig God en hoe komt God aan Zijn eer?

Opgemerkt 1: In de gedoopte gemeente van onze Heer is het beslist niet waar en kan en mag het beslist niet zo zijn dat daar de belangrijkste vraag is ‘Hoe krijg ik een genadig God’ of ‘Hoe kan ik het heil, dat God mij in het Evangelie aanbiedt, mij toe-eigenen’. Het is een grote (de grootste!) overwinning van de satan na de ‘Luther-reformatie’ geweest dat hij deze vraag (weer) tot de belangrijkste vraag heeft weten te maken in veel kerken.

Opgemerkt 2: Alleen daar waar heel de gedoopte gemeente geleerd wordt en door het geloof weet te leven voor het aangezicht van een hen in Christus genadig God en Vader, daar worden de mensen losgemaakt van hun eigen ik (dat eerst nog zekerheid wil en moet zien te verkrijgen over het persoonlijk heil) en in de ware vrijheid gezet (door de bediening van Gods Woord en de sacramenten en het werk van de heilige Geest daarmee) om God en de naaste te dienen met een dankbaar hart. Het onderwijs van Gods Woord dient om hen altijd weer en steeds meer te overtuigen van het feit dat God hen om Christus’ wil een genadig God is en om hen te leren hoe zij in de praktijk van het leven God en de naaste zullen liefhebben en dienen. De(ze) waarheid, die maakt vrij!

Opgemerkt 3: Ook de vraag ‘hoe komt God aan Zijn eer’ is daarmee beantwoord, namelijk: Dat we gelovig amen zeggen op al Gods beloften, die in Jezus Christus ‘ja en amen’ zijn voor/in Zijn gemeente. Maarten Luther zei het zo: De ere Gods is dat we zijn weldaden (gelovig) aannemen. God wil namelijk geen (angstige) slaven maar dankbare kinderen in Zijn huis zien en horen en zo mogen ze ook de wereld weer in gaan om daar als vrije kinderen van God de Vader te leven in navolging van Zijn Zoon. En hoe we dat leven in navolging zullen leven dat leren we door altijd weer te luisteren naar het onderwijs van Gods Woord, niet alleen in de samenkomsten van de gemeente, maar ook thuis en op de scholen (waar dat nog kan) en in de ‘catechisatielokalen’.

Leestip: 1 Korintiërs 3.

Bron citaat: RD Opinie – ‘Maak preek en catechese praktisch, de Bijbel is het ook’ – door Johan Schouls
En ook mee n.a.v. ND Opinie & Columns – ‘Stefan Paas: Jongere christenen voelen zich verlegen met de protestantse reddingsleer’ – door Stefan Paas

Niemand van jullie moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van jullie. Maar (want) jullie zijn van Christus en Christus is van God.’ (Geschreven aan ‘zuigelingen in het geloof in 1 Korintiërs 3 de verzen 21-23)

Bron afbeelding: Knowing Jesus – Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vragen (bij de gang van zaken) bij een volwassendoop…

‘”Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot Mijn leerlingen, door hen te dopen in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren zich te houden aan alles wat ik jullie onderwezen (bevolen) heb. En zie, Ik ben met jullie (getuigenis!) alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.“‘ (Uit Matteüs 28 uit de verzen 18-20).
Maar broeders en zusters, ik kon tot jullie niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak (nog) tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb jullie melk gegeven, geen vast voedsel; daar waren jullie nog niet aan toe. En ook nu nog niet…’ (uit 1 Korintiërs 3 de verzen 1-2)

Geciteerd 1: Marten Micron, een van de voorgangers van de gemeente in London had aangegeven hoe met volwassenen die als kind niet waren gedoopt moest worden omgegaan: zij moeten ‘eerstmael in ’t gheloove geleerd werden’ en daarna hun geloof voor de gemeente belijden. Blijkbaar is er in de loop der jaren een aantal vragen geformuleerd die in voorkomende gevallen gebruikt werden.
Geciteerd 2: Het blijft verbazingwekkend dat deze vragen honderdvijftig jaar ‘verborgen’ zijn gebleven in een boek, uitgegeven zonder zaakregister. De literatuur over de doop zwijgt over deze vragen.
Geciteerd 3: De laatste vragen laten zich ook vandaag nog lezen als een vernieuwing van het verbond.

  • Verlangt u, nu u hier de kernpunten van het christelijk geloof beleden hebt, altijd daarbij te blijven en uw leven dienovereenkomstig in te richten, terwijl u de duivel met alle dwalingen en ketterijen samen met de wereld en al haar lusten verzaakt, en voortaan in ware gerechtigheid en heiligheid God en uw Zaligmaker te dienen? – (antw.: ) Ja, ik door Zijn genade.
  • Verlangt u ook op grond van deze belijdenis en op dit geloof de heilige doop in de gemeente van Christus te ontvangen? – (antw.: ) Ja, ik van harte.

Opgemerkt 1: ‘Deze vragen laten zich lezen als een vernieuwing van het verbond’? In die tijd gebeurde het wel dat men mensen uit de koloniën meebracht en deze dan liet onderwijzen in de christelijke leer en ook dopen. Maar dan is het toch niet terecht om te spreken van ‘verbondsvernieuwing’. Dan passen eerder de woorden die Paulus aan de gedoopte heidenen te Efeze schreef (zie Efeziërs 2 : 11-22)

Opgemerkt 2: Hoe kan het toch dat de apostelen het niet nodig vonden dat de heidenen ‘eerstmael in ’t gheloove geleerd werden’ voordat ze hen wilde dopen? Is dat niet (altijd nog en overal) een veel betere (aan te raden) praktijk?! Wanneer iemand op de verkondiging van ‘Jezus en Die gekruisigd’, die verkondiging niet afwijst, maar gelovig als waarheid aanvaardt (1), om diegene dan te dopen en uit te nodigen om de samenkomsten van de gemeente (met ook de vieringen van het Avondmaal) trouw te bezoeken en om zich – zo mogelijke en gewenst – dan ook nog op andere manier te laten onderwijzen over wat Christus Zijn discipelen/apostelen geleerd heeft en wat er nog meer te leren valt uit heel Gods Woord?!

Opgemerkt 3: Gezien Jezus onderwijs over het ‘grote gebod’ zou de vraag ‘en voortaan in ware gerechtigheid…’ zeker nog aangevuld dienen te worden met de woorden: en (dus/daarmee) ook uw naaste(n) te dienen. De dopeling is toch niet voor niets eerst onderwezen in de ‘christelijke leer’ (maw: in wat Christus Zijn discipelen geleerd heeft).

(1) Zie bijv. deze woorden van Lydia in Handelingen 16 (nadat ze met haar huis was gedoopt): ‘Als u (!) er van overtuigd bent dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij uw intrek.’ (vers 15).

Bron citaat: De Waarheidsvriend – ‘Teruggevonden doopvragen’ – door dr. W.H. Th. Moen

Hij bracht hen naar buiten en vroeg: “Zegt u mij heren, wat moet ik doen (2) om gered te worden?’ Ze antwoordden: “Geloof in de Here Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.” En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan iedereen die bij hem woonde. Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon. Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten gedoopt.’ (Uit Handelingen 16 de verzen 30-33)
(2) Zie hierbij ook Jezus woorden in Johannes 6 : 28-29.

Bron afbeelding: ‘Lydia is listening’ (YouTube)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Verbond en geloof…

Daarom lachte ze in zichzelf. Zou de liefde bedrijven dan nog voor mij weggelegd zijn? – dacht ze. Ik ben immers verwelkt, en mijn man is al oud. Toen vroeg de HERE aan Abraham”: “Waarom lacht Sara, waarom vraagt ze zich af of ze op haar leeftijd nog wel een kind ter wereld kan brengen? Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn?”‘ (Uit Genesis 18 uit de verzen 9-15 de verzen 12-14)

Wanneer het lachen je niet vergaat, maar je geschonken wordt

Geciteerd 1: ‘Vorstin van volken’, SARA. Zij zal tot volken worden. Dat doet Abraham voor de HERE neervallen. (Genesis 17 de verzen 15-17). Korte tijd later hoort ook Sara zichzelf noemen als moeder. Net als eerder bij Abraham (Genesis 17 : 17) wekt dat bij haar lachen op door het contrast met haar kinderloosheid. Bij haar is de gedachte van mislukte moeder nog sterk gebleven, ondanks haar naamsverandering en de stellige beloften van de HERE. Dat is ongeloof. En daarom wordt ze bestraft. Blijkbaar schaamt ze zich dan en zegt ze dat ze niet gelachen heeft.

Geciteerd 2: Sara baarde Abraham een zoon. Genesis 21 vers 2. God heeft mij een lachen gemaakt! Jubelt zij. En haar grote betekenis voor de mensheid beseffend, roept ze het uit: ‘al wie het hoort, zal met mij lachen!‘. De mensheid zal niet mislukt ondergaan in de dood. God heeft met Abraham en met Zijn zaad uit Sara (Genesis 17 vers 19, Galaten 3 vers 16) een verbond gemaakt. Dát is Sara’s betekenis voor de mensheid. Hoe duidelijk wordt haar vorstinnennaam als we bedenken dat uit haar geboren is de Grote Koning, ‘aan Wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is‘, Die nu, ook in onze tijd, de wereld regeert.
Als de huidige wereld eens de ogen geopend werden – als die eens zouden zien de Koning op Davids troon, de Zoon des Mensen – uit Sara. Wat een plaats zou deze vorstin (naast Maria) ook in hun gedachtewereld innemen. Mislukte vrouw – naar het scheen. Vorstin – door Gods genade én door HET GELOOF! Na bestraffing om haar ongeloof – dat haar deed lachen – heeft Sara ernst gemaakt met de belofte van de HERE. Zij heeft die belofte geloofd. En het geloof geeft kracht. Ook fysieke kracht om leeuwenmuilen te stoppen, om sterk te zijn in de strijd (zie Hebreeën 11 : 33-34). Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht gekregen (fysieke kracht, zie de kanttekening van de SV op Hebreeën 11 : 11) ontvangen om ‘zaad te geven’.

Zie ook deze blogs: ‘Over Verbond en huwelijk…(I)‘ en (II)

Bron citaat: ‘Eva’s dochters’ – door A. Janse (1890-1960) – Uitgeverij De Vuurbaak (Groningen)

Abraham was honderd jaar toen zijn zoon Izak werd geboren. “God maakt dat ik kan lachen”, zei Sara, “en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen. Wie had Abraham durven voorspellen dat ik ooit een kind de borst zou geven. En toch heb ik hem op zijn oude dag een zoon gebaard!” (Uit Genesis 21 de verzen 5-7)

Bron afbeelding: Bible Verses For You

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ‘helse macht’ van het geweten… (vervolg)

‘En toen wij in de herberg kwamen en wij onze zakken opendeden, zie, toen was ieders geld boven in zijn zak in het volle gewicht, daarom hebben wij het weer teruggebracht’ (Genesis 43 : 21, weergave DB 1545)

Geciteerd 1: Luther spreekt in zijn uitgebreide verklaring van Genesis (1535-1545) in hoofdstuk 43 over het kwade geweten van de broers van Jozef tijdens hun tocht naar Egypte, waarheen zij Jozef als slaaf hadden verkocht.
(…) “Een kwaad geweten legt immers het allerbeste uit als het allerergste. Iets dat overeenkomstig de natuur van de zaak aangenaam en liefelijk is, dat verandert een kwaad geweten in alsem en bittere gal. Ja, alle schepselen die voor ons tot nut en vreugde geschapen zijn, stelt het voor als zouden die alle tegen ons zijn. Op deze manier is een kwaad geweten ook tegen God gezind. Want als Hij ons toelacht, en vriendelijk en genadig is, vreest het toch voor Zijn straf, en houdt het ervoor dat Hij met ons strijdt en op ons toornt…
> Lees meer/verder in deze blog: De ‘helse macht’ van het geweten…

Aanvullend 1: We zullen bij dit werk van ons geweten onderscheid maken tussen een geweten dat (zwaar) belast is vanwege het nog niet goed kennen van Gods liefde en genade (Zijn barmhartigheid) voor ons in Jezus Christus en een geweten dat weigert schuld te erkennen en belijden. Maarten Luther leed aan dat eerste, maar de broers van Jozef leden aan dat laatste. Toch zien we in de geschiedenis van Jozef en zijn broers dat God zo genadig is dat hij de broers van Jozef stap voor stap leidden wilde naar dat erkennen en belijden van schuld en Jozef naar vergevingsgezindheid jegens zijn broers. En zo wil God ook ons helpen, waar wij dat nodig hebben, om de weg van schuld erkennen belijden of van vergeving van anderen te gaan, en dat dus zelfs ook al wanneer we daar zelf nog niet mee aan de slag zijn gegaan, zoals uit de geschiedenis van Jozef en zijn broers blijkt.
Voor Jozef is het later – na het overlijden van hun vader Jakob (zie Genesis 50 : 15-21) nog wel teleurstellend en verdrietig dat zijn broers dan toch nog weer (hardop) vraagtekens gaan zetten bij die vergevingsgezindheid van hem, die Jozef hen toch klaarblijkelijk en daadwerkelijk al geschonken had. Het was geen toneelspel van hem geweest. Zal God niet net zo goed er verdriet van hebben wanneer wij altijd nog achterdochtig blijven over Zijn vergevingsgezindheid jegens ons?! Luister dan nog weer eens naar Paulus – die toch de gemeente vervolgd had – maar dan toch belijdt: ‘Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn. Zal Hij, Die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alles schenken?‘ – en wat er nog verder volgt in de verzen 33-38 in Romeinen 8.

Aanvullend 2: Je zou het ook nog zo kunnen zeggen: Je kunt last hebben van een kwaad geweten en je kunt het te kwaad hebben met je geweten. Bij dat eerste speelt vrijwel altijd zelfhandhaving en eerzucht een rol. Je weigert bepaald onrecht dat je een ander hebt aangedaan recht te zetten door je (mede)schuld daaraan niet te erkennen en belijden naar God én mensen en dat maakt dat je ook niet bijdraagt aan verzoening met en vergeving door die ander, al kan de betreffende andere mogelijk je die vergeving al wel hebben geschonken.
Wanneer je het te kwaad hebt met je geweten, dan kan de oorzaak daarvan zijn dat je moeite hebt met het aanvaarden van vergeving voor bepaalde zonden, die je al wel beleden hebt en vergeving voor hebt gevraagd. Dat is dan meestal een zaak tussen God en jou en niet (meer) een zaak tussen jou en andere mensen. Ook kan het zijn dat de strijd die je nog altijd te voeren hebt met je zondige natuur en bepaalde zonden je het moeilijk maakt. Maar wanneer je daar van harte droefheid over hebt en ook alijd weer vergeving voor vraagt, dan mag je zeker weten dat God je ook altijd weer volmaakt (zeventig maal zevenmaal!) vergeeft.

Bron citaat 1: http://www.maartenluther.com (contact zoals vermeldt op de homepage en van deze website: info@maartenluther-citaten.nl).

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over Verbond en sociaal contract…

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?
(Uit Maleachi 2 vers 10a)

Geciteerd 1: (…) Opvallend ook: Althusius claimt nergens dat hij met iets nieuws komt! Het is voor hem volstrekt vanzelfsprekend: politieke macht is niet gebaseerd op een of andere absurdistische goddelijke beschikking maar op een contract of verbond tussen het volk en een machthebber. Daarin wordt afgesproken dat een machthebber (en de burgers) zich aan de gezamenlijk afgesproken wetten (regels) zullen houden. Zo niet, dan wordt hij (zij) de laan uitgestuurd (de burgers de laan uitsturen ligt lastiger, maar het gebeurd op grote schaal door machthebbers – AJ)*. Zo hadden de Nederlanders het gedaan met hun Plakkaat van Verlatinghe in 1581, en zo hoort het ook. Een koning moet niet menen een soort grillige, oud-oosterse, absolute god te zijn.
* Zelfs onze Heer werd ‘de laan uitgestuurd’!

Waarom is dit niet nieuw? Het woord contract bestaat in veel talen en met nogal wat synoniemen: berith (Hebreeuws), diatheke (Grieks), pactum en foedus (Latijn), covenant, compact, agreement, pact, contract (Engels), VERBOND, afspraak, verdrag, genootschap (Nederlands), pacte, contrat, alliance (Frans). Nu wil het geval dat bij vrijwel alle auteurs deze termen door elkaar heen gebruikt worden. Althusius, maar ook Hobbes, Locke en Rousseau gebruiken de termen lustig door elkaar. Dat betekent ook dat men royaal put uit een breed, oud en diep reservoir, en daarvoor hoeven we niet ver te zoeken: het Bijbelse denken, zoals dat in het christendom in het Westen bekend was geworden. Daarin is ‘verbond’ een centrale term. (…) Het centrale middel om een gemeenschap te creëren is een contract, of zoals men het ook wel noemt, een ‘verbond’.

Verbond betekent: instemmen met een serie rechten én plichten. In een gemeenschap waar je toetreedt, is er geen ‘free lunch’, nee, je zet je in voor het geheel, je houdt je aan de met elkaar afgesproken regels, ook de machthebber, ook de staat: een rechtsstaat! En ten derde: in zo’n ‘bottom up’-gemeenschap doet iedereen mee, maar wordt ook voor iedereen gezorgd, je hoort erbij. Verbondenheid, solidariteit, door dik en dun.

Geciteerd 2: Hoe het ook zij, de vraag ‘Hebben wij niet allen één Vader?’ is gesteld en raakt ook ons. Het gaat hier om een van de weinige, zeer belangrijke vraag van alle tijden. ‘Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen (voorgeslacht) is gemaakt?‘ (Maleachi 2 vers 10). Dat is de vraag die ook ons vandaag op de lippen brandt, als de vraag naar de eenheid van het menselijk geslacht.

Door deze vraag te stellen beantwoordt de Bode haar bevestigend. Ja, de hele mensheid heeft één God en Vader, die de almachtige Schepper van de hemel en van de aarde is. Dit Woord van de éne God moesten wij in alle Godshuizen en hogere en lagere scholen en in alle huis- en kinderkamers leren spellen. (…) Wij weten (nog) niet allemaal dát God onze Vader is. En helemaal weten wij niet allen dat het door Jezus Christus de Zoon is, dat wij allen één Vader hebben. En velen in deze wereld weten eigenlijk niets meer of nog niets (weer) van God af. Maar – of we het nu weten of niet, of dat wij het maar half weten, dat veranderd niets aan het feit, dát wij allen één Vader hebben.

Maar wij, die Die éne Vader zelfs ook door de Zoon kennen, liefhebben en eerbied bewijzen mogen, wij christenen hebben meer kans dit geloof te verloochenen dan heidenen ooit gegeven is. Wanneer een christen het enige Vaderschap van God loochent, dan gebeurd dat tegen beter weten in. En juist doordat wij het enige Vaderschap van God afvallig loochenen, zijn wellicht die onoverkomelijke scheidsmuren opgetrokken tussen Roomse- en Griek-Katholiek, tussen Rooms en Protestant. Daar zit de splijtzwam, de splijtzwam van de bijzondere schuld als christenen. Ja, midden in een en dezelfde christelijke gemeente vindt men de ‘richtingen’, die vreemder kunnen staan tegenover elkaar dan tegenover dan ‘heidenen’ (mensen – nog – zonder het Evangelie).

Dit geloof aan de ‘ene ondeelbare wereld’ kan men een mooi (en verheven) idee (ideaal) noemen. Maar het is veel meer dan dat, het gaat hier om de (heils)feiten en om de werkelijkheid. Nu is weliswaar de plaats, die deze eenheid van de aarde garandeert, niet in de eerste plaats op de aarde zelf te zoeken. Deze plaats is in de hemel. In de hemel ligt de garantie voor de eenheid van het menselijke geslacht.

(Wordt vervolgd!)

Leestips: Handelingen 17 : 22-34 en Psalm 50.

Zie ook deze blogs: ‘Over Verbond en sociaal contract… (vervolg)‘ en ‘Over Verbond en huwelijk…(I)‘ en (II)

Bron citaat/citaten 1: ND Opinie & Columns – ‘Een ‘nieuw sociaal contract’? Pieter Omtzigt doelt op een heel oude, christelijke traditie’ – door Govert Buijs
Bron citaat/citaten 2: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker
(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

De God Die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft , Hij Die hemel en aarde bestuurt, woont niet in door mensenhanden vervaardigde tempels (Godshuizen). Hij laat Zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft, Hij Die Zelf aan iedereen (en alle schepselen) het leven en adem en al het andere schenkt. Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid…’ (…) ‘God slaat geen acht op de tijden dat men Hem niet (meer!) kende, maar roept nu overal de mensen op een nieuw leven te beginnen (zich te bekeren)‘ (Uit Handelingen 17 vers 30).

Bron afbeelding: Bible Answer Man (Facebook)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Spreken over Verbond en huwelijk… (II)

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (…) ‘En dit is het tweede dat jullie doen: Jullie bedekken het altaar van de HERE met tranen, met geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer wendt tot de offergave, noch iets met welgevallen uit jullie handen aanneemt.’ Vragen jullie: Waarom? – Daarom, dat de HERE getuige geweest is tussen u en de huisvrouw/’huisman’ van uw jeugd, tegen wie ge trouwbreuk hebt gepleegd, terwijl zij/hij toch uw levensgezel is geweest en de vrouw/man met wie ge een verbond zijt aangegaan.’ (Uit Maleachi 2 de verzen 10 en 13-14)

Geciteerd: En nu nog enkele overwegingen van meer pastorale aard: hoe komt het toch dat de Bode uit alle mogelijke manieren waarop mensen met elkaar een gemeenschap kunnen vormen (volksgemeenschap, werkgemeenschap, nabuurschap, vriendschap) alleen en nu juist de huwelijksgemeenschap in die bijna ondragelijke en bijna beangstigende nabijheid van het eeuwige Verbond van God plaatst? Waarom doet hij dat met het huwelijk? Ja, eigenlijk is hij het niet, die dat doet, maar God. Lees er de allereerste bladzijden van de Bijbel maar op na.

De volgende overweging kan ons, zo al niet alles verklaren, dan toch enigszins van dienst zijn: Hoe verder wij mensen van elkaar af wonen, des te minder mogelijkheid heeft de zonde om haar scheiding-brengende werking te doen. En omgekeerd, hoe dichter wij mensen bij elkaar komen, des te meer vernielende werking krijgt de zonde. Ja, de vernielende werking van de zonde neemt toe in dezelfde verhouding, waarin wij mensen dichter bij elkaar komen. We naderen nu elkaar nergens dichter dan in de huwelijksgemeenschap. Aangezien in een beperkte ruimte de dingen tegen elkaar botsen en wij in het huwelijk nu eenmaal zeer dicht bij elkaar zijn, is hier de explosieve kracht van de zonde ook het grootst. Daarom is het huwelijk in een heel bijzondere zin de plaats van tweespalt en bederf, en eveneens in het bijzonder een plaats van de dood.

Over vaderschap en moederschap hangt van het begin af de schaduw van de sterfelijkheid en van de dood. Dientengevolge is het een pijnlijk onderwerp dat we aansnijden, zo dikwijls als we over het huwelijk spreken. Dan treden we als het ware een hospitaal binnen, ja verkeren wij op een slagveld vol lijdenden en gewonden. En het is maar niet, nu ja, een slagveld, maar het huwelijk is, zij het ook in het verborgene, het bloedigste strijdtoneel van het menselijke geslacht.

En nu hebben wij gehoord, dat God juist aan deze plaats der verwonding, aan dit bloedige en onzalige oord, niet alleen aandacht schenkt, maar dat Hij het Zijn buitengewone zorg en bescherming waardig keurt. Ja, we kunnen hier niet, zonder gevaar te lopen dat wij een nietszeggende cliché-uitdrukking gebruiken, met het volste recht zeggen: ‘Als de nood het hoogste is, is de redding nabij.’ Daarom spreekt de Bode van het huwelijk als van een verbond. Daarom spreekt Paulus van het huwelijk als van een verborgenheid tussen Christus en Zijn gemeente. Daarom betreedt Christus als het ware dit slagveld als de Heer en Heiland van het huwelijk.

Zoals Christus het Hoofd van de gemeente is, zo is Hij, boven de man, het Hoofd van het gezin. Omdat het huwelijk in bijzondere zin een zee van bloed en tranen is, daarom is hier de geneesheer en barmhartige Samaritaan in bijzondere zin tegenwoordig als Heer, ook over de huwelijksnood. Laat toch ieder dit horen, die deze nood kent, en, wie kent hem niet. Wie kan hier ergens anders staan dan in de sfeer der vergeving, wie kan hier anders leven dan uit het feit van Pasen?

Jullie, die in het huwelijk begraven zijn, jullie, die in het huwelijk gevangen zijn, jullie, die aan het huwelijk te gronde zijn gegaan, jullie, die in het huwelijk gevallen zijn, en jullie, voor wie het huwelijk hierom een pijnlijke geschiedenis is, omdat het voor jou niet weggelegd was een huwelijk te sluiten, en vooral jullie die gescheiden zijn, die niet maar als geamputeerden, maar als gehalveerden moet verder leven – hoor het toch: Christus is in heel bijzondere zin de Heer en Geneesheer van het huwelijk. Deze verborgenheid is groot.

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond dat met ons voorgeslacht is gemaakt.‘ Hebben wij niet allen één vader, op beide wereldhelften en in beide huwelijkshelften? Eén Vader, in de éne Zoon?

Zie ook: ‘Spreken over Verbond en huwelijk… (I)‘ en ‘Over Verbond en sociaal contract…

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant.

En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar.‘ (Uit Kolossenzen 3 vers 14)

Bron afbeelding: Do Not Depart

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Spreken over Verbond en huwelijk… (I)

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (…) ‘En dit is het tweede dat jullie doen: Jullie bedekken het altaar van de HERE met tranen, met geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer wendt tot de offergave, noch iets met welgevallen uit jullie handen aanneemt.’ Vragen jullie: Waarom? – Daarom, dat de HERE getuige geweest is tussen u en de huisvrouw/’huisman’ van uw jeugd, tegen wie ge trouwbreuk hebt gepleegd, terwijl zij/hij toch uw levensgezel is geweest en de vrouw/man met wie ge een verbond zijt aangegaan.’ (Uit Maleachi 2 de verzen 10 en 13-14)

Geciteerd: In de tijd van Malaechi zijn er niet alleen gemengde huwelijken onder de kinderen van Gods volk, maar is er ook sprake van veel echtbreuk en echtscheiding. Maar over deze dubbele zonde spreken en klagen de priesters niet, maar de Bode heeft een boodschap en het is niet aan zijn believen of gevoelen overgelaten of hij haar brengen wil: ‘Niemand plege trouwbreuk jegens de huisvrouw/’huisman’ van zijn/haar jeugd‘ (2 vers 15). Hebben zij de goede dagen gedeeld, dan zullen ze ook de moeilijke dagen delen met elkaar. ‘Daarom, dat de HERE getuige is geweest tussen u en de huisvrouw/’huisman’ van uw jeugd, tegen wie gij trouwbreuk hebt gepleegd‘ (2 vers 14), omdat het hier niet in orde is met het volk en omdat de priesters over het gemengde huwelijk met heidense vrouwen en over echtbreuk en echtscheiding zwijgen, is het altaar zo leeggebrand en zijn alle bronnen van vernieuwing gestopt; daarom helpt al dat gezucht en geween en al dat bidden niets, als niet dáár de bekering begint, ‘want ik haat de echtscheiding, zegt de HERE, de God van Israël‘ (2 vers 16).
(NB. Zie ook 1 Petrus 3 vers 7: opdat jullie gebeden niet belemmerd worden.)

Maar de schade is nog groter. De Bode ziet in dit gedrag ten aanzien van het huwelijk zelfs ook een dubbele trouwbreuk. Hij ziet het huwelijksverbond heel dicht liggen tegen dat andere Verbond, waarvan sprake was in het begin van dit gesprek (2 vers 10) Wie trouwbreuk pleegt tegen de echtvriendin/echtvriend, doet dat tegenover een mens. Maar de Bode ziet verder en stelt vast, dat men dan ook jegens God trouwbreuk heeft gepleegd. Hij noemt hier de vrouw/man ‘uw metgezel en de vrouw/man, met wie ge een verbond zijt aangegaan‘ (2 vers 14). Daarmee staan we echter voor een mysterie. Zoals God de verhouding tussen Zich en Zijn gemeente, Zijn eeuwig Verbond, een huwelijk noemt, zo noemt de Bode hier nu omgekeerd, van het huwelijk uit gezien, de verhouding tussen man en vrouw, het huwelijk, een verbond.

Men moet de volle betekenis van dit woord peilen, vooral nu het in dit verband met het eeuwige Verbond van God genoemd wordt, wat hier in dit verdere gesprek zo duidelijk het geval is. Precies hetzelfde woord (in het Hebreeuws ‘Berit’), dat de bode aan het begin van het gesprek bezigt voor de aanduiding van het eeuwige Verbond van God, gebruikt hij tegen het eind van hetzelfde gesprek voor de verhouding tussen een getrouwde man en zijn vrouw. Dit verbond is niet maar een verdrag, dat men sluiten of opzeggen kan, niet maar een verbintenis tussen twee mensen, die elkaar de hand reiken, doch een verbond dat God geschapen heeft en dat Hij aanbiedt, in deze zin een eeuwig verbond. ‘Zij/hij toch is uw metgezel en de vrouw/man, met wie ge een verbond zijt aangegaan‘, dat wil niets anders zeggen, dan dat het huwelijk onverbreekbaar is. Het is als een ritssluiting, die naar boven gesloten word en waarvan het lipje om haar dicht te trekken, als het eenmaal bovenaan zit, ons te hoog hangt, zodat we er niet bij kunnen komen om de sluiting weer te openen.

Daarom ‘Ik haat de echtscheiding, zegt de HERE‘ (2 vers 16), omdat de echtscheiding een verbond schendt. Evengoed als het Verbond van God met ons mensen onverbreekbaar is, even goed is dit ook zo met het huwelijksverbond tussen twee gelovige mensen.

Het huwelijk is een verbond. In dezelfde lijn spreekt ook Christus, als Hij zegt: ‘Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper van den beginne één man en één vrouw gemaakt heeft? Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen één vlees zijn. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, dat scheide de mens niet.‘ (Matteüs 19 : 4-6). En wanneer dan ook direct hierna het woord over de scheidbrief staat, die Mozes toegelaten heeft, dan is toch Christus’ bedoeling duidelijk uitgesproken door de opmerking: ‘Van den beginne is het alzo niet geweest‘ (Matteüs 19 vers 18). Het is dezelfde God, Die bij Maleachi de echtscheiding haat, en Die zegt: ‘Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.‘ En eveneens op dezelfde lijn ligt wat Paulus aan de Efeziers schrijft in hoofdstuk 5. Waar Paulus, zoals in dit hoofdstuk, het heeft over de verhouding tussen man en vrouw, daar spreekt hij niet maar van een natuurlijk iets of van een rechtsbegrip, maar van een mysterie. Paulus zegt hier van het huwelijk: ‘Deze verborgenheid is groot, maar ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente.’ (Efeziërs 5 vers 32).

Zie ook (vervolg): ‘Spreken over Verbond en huwelijk… (II)‘ en ‘Over Verbond en sociaal contract…

Bron citaten: ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ – door Walter Lüthi (1) – T. Wever, Franeker

(1) Walter Lüthi (1901-1982) was een Zwitsers zielzorger en predikant

Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen we dan trouweloos tegen elkaar en ontheiligen wij het Verbond, dat met onze vaderen is gemaakt?‘ (Uit Maleachi 2 vers 10)

Bron afbeelding: Talk To The Word

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wijd open ogen voor een wijd geopende hemel…

Ik zeg jullie, van nu aan zullen jullie de hemel geopend zien, en de engelen Gods opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.’ (Uit Johannes 1 vers 51)

Geciteerd 1: Wij moeten (leren) zien hoe Christus deze geschiedenis, over wat de patriarch Jakob meemaakt, op Zichzelf betrekt. Want het Evangelie zwijgt over de ladder en zegt alleen dat de engelen op de Zoon des mensen opklimmen en neerdalen. Daarom moet je deze geschiedenis op een geestelijke manier verstaan. Deze geschiedenis heeft betrekking op Christus. Met het begin van de prediking van Christus is de hemel wijd geopend. En deze blijft ook wijd open vanaf de dag dat Christus gedoopt werd in de Jordaan (zie Matteüs 3 : 13-17).

Geciteerd 2: Waar de christelijke kerk is en het Goddelijk Woord zuiver verkondigd wordt en de sacramenten met trouwe vlijt volgens Gods Woord bediend worden, en de Twaalf Artikelen van ons christelijke geloof onvervalst uitgelegd, dáár staat de hemel wijd open en is niet toegesloten. Tevoren was de hemel in zekere zin gesloten*, voordat Christus Mens werd, maar nu is de hemel wijd geopend, omdat het Kind Jezus is geboren.
* Zie hierbij Johannes 4 : 21-26.

Geciteerd 3: Vanaf die tijd staat de hemel open en wij behoren, zoals Paulus tegen de Efeziërs zegt, ook bij de gemeenschap der engelen (zie Efeziërs 2 vers 19). En in in Filippenzen zegt Paulus: ‘Wij zijn medeburgers en huisgenoten der heiligen, en ons burgerschap is niet in deze wereld, maar boven in de hemel, vanwaar wij ook de Zaligaker, Jezus Christus, verwachten’ (3 vers 20). Dát is de goede stad, het ware Jeruzalem, waar we medeburgers van de engelen zijn, en huis- en landgenoten van hen die in de hemel wonen en die daarbinnen handelen en wandelen.

Geciteerd 4: Dát wil Christus ons zeggen: Jullie zijn nu hemelse burgers en jullie hebben je burgerschap boven in het hemelse Jeruzalem en leven in gemeenschap met de lieve engelen, die zonder ophouden tot je opstijgen en neerdalen.

Geciteerd slot: Hoewel ik dat zo precies met mijn lichamelijke ogen niet zie, schaadt mij dat niet, want dan zie ik het toch met de geestelijke ogen van het geloof. Dat is mij (zelfs) liever dan dat ik het met mijn lichamelijke ogen zie (kan zien).

Leestips: Efeziërs 2 : 11-22 en Kolossenzen 1 : 12-23

Bron citaten: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Uit Meditaties ‘Een geopende hemel (2-5)’ – Den Hertog uitgeverij (2022)

Maar dan moeten jullie ook blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest in de hoop die het Evangelie jullie gebracht heeft en brengt en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.’ (Uit Kolossenzen 1 vers 23)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gebouwd op de visie en vragen (en antwoorden) van ‘visionairs’?

Want al hadden jullie tienduizend leermeesters in Christus, dan hebben jullie toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik jullie door het Evangelie verwekt.‘ (Uit 1 Korintiërs 4 vers 15)

Geciteerd: Dick Westerkamp stond aan de wieg van de Nederlands Gereformeerde Kerk De Lichtboog in Houten, die nu tweeduizend leden telt. Inmiddels is hij met emeritaat. ‘Toen wij dertig jaar geleden begonnen, bestond De Lichtboog net vijf jaar. Het was een jonge, levendige gemeente met weinig traditie.
Eén van de eerste vragen was de vraag naar visie: wat maakt deze gemeente, midden in het land, met veel hoogopgeleide leden – van wie toen helft onder de twaalf jaar – bijzonder? Hoe worden we gezegend en op welke manier kunnen we die zegen uitdelen? We begonnen met een aantal mensen een luisterkring, gewoon bij ons in de woonkamer. Dat gaf de onderlinge band geestelijke diepgang en gaf die visie richting.’
Opgemerkt 1: Wanneer je (als gemeente en persoonlijk) niet genoegen neemt met het eenvoudige belijden van Gods Woord (met Woord en daad), dan ben je in de gemeenten/kerken ‘overgeleverd’ aan leiders met hun visies!

Geciteerd 2: De vraag ‘doen we de goede dingen’ blijft er één die de oudstenraad zich regelmatig stelt, vertelt voorzitter Jacqueline Evers. ‘We moeten de dingen anders durven doen als de tijd of ontwikkelingen daarom vragen. Daarin zijn we als oudstenraad en staf nog steeds aan het ontdekken, zeker nu de gemeente veel groter is dan dertig jaar geleden. We leggen als raad regelmatig een vergadering stil om eerst met elkaar te bidden, of God onze gedachten wil leiden. Soms komen we daarna tot de conclusie dat we pas op de plaats moeten maken. Een andere keer worden plannen juist bevestigd.’
Opgemerkt 2: Ja, die vraag moet je dan steeds weer stellen, want gewoon doorgaan met dat belijden van Gods Woord, ook iedere zondag, daar verwachten we het niet (meer) van. En dan wordt het ingewikkeld!

Geciteerd 3: Blijf als kerkelijk leiders hoopvol en verwacht het van God en de werking van de heilige Geest, adviseert Westerkamp vanuit ervaring. Hij vertelt over een kerkenraadsweekend waarin de vraag voorlag: waar zijn we als kerk over vijf jaar? Westerkamp: ‘Ik stelde daar een aantal vragen, zoals: hoeveel jongeren zijn er dan nog in de gemeente? Hoeveel raken we er kwijt? En als het gaat om mensen van buitenaf, hoeveel zijn er dan aan onze gemeente toegevoegd? Eén persoon? Vijftig? Dan onze huwelijken. Hoeveel zijn er over vijf jaar gestrand? Eén? Drie?
Opgemerkt 3: Wat een bijzonder advies voor een kerkelijke gemeente van Dick Westerkamp. Daar moet je toch echt theologie voor gestudeerd hebben en jarenlange ervaring in het buitenland opgedaan om dat advies te kunnen en willen (door)geven. En wat een vragen legt hij ons voor. Gelukkig hebben de apostelen zich en de gemeenten – en dus ook ons! – daar niet mee vermoeid! Je zou er statisticus van worden.

Bron citaten: ND Geloof & kerk – ‘Hoe geef je leiding in de kerk? ‘Omdat we zo verschillend zijn, versterken we elkaar’’ – door Esther van Lunteren.

Ze zijn vol ijver voor jullie, maar niet op de goede manier, ze drijven een wig tussen jullie en mij, en dan moeten jullie alles voor hén doen. Het is goed als jullie je inspannen, maar doe het dan ook voor de goede zaak, dus niet alleen wanneer ik bij jullie ben. Kinderen, zolang Christus geen gestalte in jullie krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om jullie.’ (Uit Galaten 4 de verzen 17-20)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie