‘Kom ga met ons en doe als wij’… (Extra)

Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel. Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.’ (Uit Psalm 27 de verzen 4-5)

Geciteerd 1 (ds. J.L. de Jong): „Als Mozaiek mensen bij reformatorische kerken wegtrekt, staat er mijns inziens theologisch best iets op het spel. Wat ik vooral mis, is de theologische bedding van verbond, verkiezing en heilshistorisch handelen van God. Daardoor wordt de kerk gemakkelijk tot een organisatie waarin meer de menselijke beslissing centraal komt te staan. Dit raakt de geloofsbeleving én de organisatie van de kerk. De liturgie lijkt vaak een feestje van óns te zijn, terwijl het in de eredienst toch zou moeten gaan om een beweging gericht op de eer van God.”

Opgemerkt 1: Hier wordt (m.i.) duidelijk (met zoveel woorden gezegd) dat zowel bij Mozaïek als ook in de reformatorische kerken de geloofsbeleving centraal staat en hoe dan door invulling van de zondagse ‘eredienst’ dáár aan zal worden bijgedragen, zodat die ‘erediensten’ de mensen het gevoel (de beleving) zullen geven – op basis van het door/bij ons ontwikkeld ‘theologisch inzicht/gevoel’ – dat God in de zondagse ‘erediensten’ bij en door hen toch echt alle eer ontvangt (‘aan Zijn trekken komt’) – of dat nu reformatorisch of Mozaïeks ingevuld wordt.

Opgemerkt 2: Wij zullen de samenkomsten (samenroeping!) van de gemeente van onze Heer echter hebben te (leren) zien (belijden) als puur een beweging van onze Drie-enige God naar ons toe. Dat zal ons zeer bescheiden maken t.a.v. hoe wij in die samenkomsten de liturgie vorm zullen geven. De liturgie zal sober zijn. In feite zou je de liturgie waar dan ook ter wereld, in rijke of in arme, in vrije of in vervolgde gemeenten, moeten kunnen gebruiken/herkennen. De muzikale begeleiding van het zingen kan per plaats (in een dorp of stad of elders op de wereld) wel verschillen, maar ze mag niet iedere zondag grote investeringen (in tijd en geld en inzet van mensen) vergen en tot (een soort van) unieke gebeurtenissen gemaakt worden! (1)
Omdat het (dus – vanwege ‘samenroeping’) niet een betreffende gemeente is die een ‘vergadering/samenkomst’ belegd, zullen wij, aan het begin van een zondagse samenkomst, als eerste de gemeente groeten in de Naam van onze Heer! En wat na die groet past, dat is een dank- en een lofzegging. Waarom dat past, dat lezen we in de aanhef van Paulus eerste brief aan de Korintiërs – 1 Korintiërs 1 de verzen 4-9, dat afsluit met de woorden: ‘God, door wie jullie geroepen zijn om één te zijn met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw‘.

Opgemerkt 3: Omdat we diep (hebben te) beseffen dat het Evangelie niet bij ons begonnen is, zullen we in alles streven naar aansluiting bij wat in alle gemeenten van onze Heer nodig en mogelijk was en is. We zullen ons niet uniek (willen) maken (2), maar streven naar eenvoud en eenheid, opdat de Heilige Geest (!) door Woord en gebed en door wat we zingen en gelovig belijden zal bewerken dat de hoorders in geloof zullen aannemen dat Jezus Christus Zelf midden onder hen gekomen is in de kracht van Zijn lichaam (de gemeente/kerk); dat Hij komt om hen (ons!) te zeggen, dat Hij hen (en ieder afzonderlijk – ‘ook mij’!) aangenomen heeft, en nu wederom aannemen wil. Deze eenvoud en herkenbaarheid zal zeker ook de eenheid van christenen/kerken landelijk en wereldwijd tot zegen zijn!

Opgemerkt 4 (naar woorden van Dietrich Bonhoeffer): In een samenkomst van een gemeente van onze Heer zal het woord van de apostolische prediking centraal staan. Dat is het Woord dat de zonden van de gehele wereld lichamelijk gedragen heeft; het is de in de Heilige Geest in het midden van Zijn gemeente aanwezige Christus. Christus in Zijn gemeente, dat is het ‘onderwijs’ van de apostelen, de apostolische prediking. Deze leer (dit ‘onderwijs’) maakt zichzelf nooit overbodig, maar schept zich de gemeente, die zich gedurig aan haar houdt, omdat ze door het Woord is aangenomen en daar in elke samenkomst, maar ook dagelijks, van vergewist wordt. Bij de zichtbaarheid van Christus in de prediking komt nog de zichtbaarheid in Doop en Avondmaal.

(1) Dat zal men dus (beslist) niet in de zondagse samenkomsten van een gemeente doen! Daarbuiten is wat anders!
(2) Zelfs met onze (vaderlandse) belijdenisgeschriften zullen we bescheiden omgaan.

Aanvullend nog:
Geciteerd 2 (Bas Gimenez): “de theologische bedding van verbond, verkiezing en heilshistorisch handelen van God”. De verbonden zijn met de joden, evenals de eredienst de wetgeving en de profeten, wonderen en tekenen, die zouden verstommen. We leven onder een geheel andere bedeling, de genade bedeling welke Paulus pas bekend maakte, en welke pas kon gaan gelden sinds de Erflater was heengegaan. Eerder is een testament niet geldig, ten slotte. God Zelf zei over Zijn Zoon ,Hem is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.. luister naar Hem. Als het oude niet onberispelijk was geweest, zou er geen plaats zijn geweest voor het nieuwe. Steeds meer mensen onderzoeken gelukkig.

Opgemerkt: Dat onderzoeken heb ik dankzij Gods genade mijn leven lang mogen doen. Petrus roept ons op om naar het profetische Woord (in het OT) te luisteren en dat voor vast en zeker te houden en daar aandacht aan te geven totdat de morgenster opgaat in ons hart (zie 2 Petrus 1 : 16-21) en Paulus zegt ons dat wij (‘heidenen’) nu opgenomen zijn in het burgerschap van Israël, zoals God dat al begonnen was met en door het Verbond dat Hij met Abraham sloot – zie Efeziërs 2 : 11-22 en de brief aan de Galaten. Zie verder ook Hebreeën 5.

Zie ook: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I) en (Extra I)

Bron citaat 1: RD Kerk & religie – ‘Moderne muziek en aanbidding trekken refo naar Mozaiek’ – door Addy de Jong

Bron afbeelding: Pixels

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I)

Ik had besloten jullie geen andere kennis bij te brengen dan die over Jezus Christus – de Gekruisigde. Bovendien kwam ik bij jullie in al mijn zwakheid en ook was ik angstig en onzeker. Mijn verkondiging overtuigde niet door wijsheid en welsprekendheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, want jullie geloof moest niet rusten op mensenwijsheid en jullie eigen overwegingen daarbij, maar op de kracht van God.‘ (naar 1 Korintiërs 2 de verzen 2-5)

Geciteerd: Een waarheid, een leer, een religie heeft geen eigen plaats nodig. Zij is zonder lichaam. Ze wordt gehoord, geleerd, begrepen. Dat is alles (1). Maar de mensgeworden Zoon van God heeft niet alleen oren of ook harten nodig, maar Hij heeft lichamelijke mensen nodig, de Hem navolgen. Daarom riep Hij Zijn discipelen tot Zijn lichamelijke navolging en Zijn gemeenschap met hen was voor iedereen zichtbaar.
Terwille van de gemeenschap met Hem moesten de discipelen alles opgeven, moesten ze lijden en vervolgd worden, en toch ontvingen ze juist onder vervolgingen in Zijn gemeenschap zichtbaar terug wat ze verloren: broeders en zusters, akkers en huizen. De gemeente van de volgelingen was zichtbaar voor de wereld. Het waren lichamen die handelden, werkten en ook lijden hadden te verduren in de gemeenschap met Christus.

Ook het lichaam van de verhoogde Heer is zichtbaar in de gestalte van de gemeente. Hoe wordt dit lichaam zichtbaar? Allereerst in en door de verkondiging van het Woord. ‘Ze bleven volharden bij het onderwijs van de apostelen‘ (Handelingen 2 vers 42). Ieder woord in deze zin is van betekenis. Onderwijs heet de prediking, hier in tegenstelling tot elk soort van religieuze toespraak. Hier wordt de mededeling van gebeurde (heils)feiten bedoeld. De inhoud van de boodschap ligt objectief vast; deze heeft slechts bemiddeling door het ‘onderwijs’ nodig.

Mededeling beperkt zich volgens haar wezen tot het onbekende. Is het bekend, dan is verdere mededeling zinloos; zo ligt het vanzelf in het begrip ‘onderwijs’, dat het zich overbodig maakt. In opmerkelijke tegenspraak hiermee wordt hier gezegd, dat de eerste gemeente ‘bleef volharden‘ bij dit onderwijs: dat dit onderwijs zichzelf dus niet overbodig maakt, maar dat het juist bestendigheid verlangt.

Op de grondslag (het getuigenis) van de apostelen en van de profeten is de kerk gebouwd, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is (Efeziërs 2 vers 20). Iedere verdere prediking moet zelf apostolische prediking zijn, doordat zij op deze grondslag verder bouwt (2). Zo is de eenheid van ons en de eerste gemeente door het woord van de apostelen tot stand gebracht.

Gods Woord zoekt een gemeente om die aan te nemen. Dat Woord is het essentiële in de gemeente. Dat Woord komt op eigen kracht (dat is: door de kracht van de heilige Geest) de gemeente binnen (niet alleen de oren maar ook de harten, waar het wil groeien en vruchtdragen). Het heeft een eigen beweging naar de gemeente toe. Het is niet zo dat er aan de ene kant een woord, een waarheid is, en aan de andere kant een gemeente, en dat een prediker nu dit woord moet nemen, hanteren en richten op de gemeente, het op de gemeente toepassen. Veeleer gaat het Woord deze weg geheel op eigen kracht; de prediker kan en moet niets doen dan deze eigen beweging van het Woord dienen, er niets aan in de weg stellen. Het Woord gaat uit om mensen aan te nemen; dat wisten de apostelen en dat maakt hun prediking uit. (3)

Het woord van de apostolische prediking is het Woord, dat de zonden van de gehele wereld lichamelijk heeft gedragen; het is de in de Heilige Geest tegenwoordige Christus. Christus in Zijn gemeente (4), dat is het ‘onderwijs’ van de apostelen, de apostolische prediking. Deze leer maakt zichzelf nooit overbodig, maar schept Zich de gemeente, die zich gedurig aan haar houdt, omdat ze door het Woord is aangenomen en daar altijd weer van vergewist wordt.

Bij de zichtbaarheid van het lichaam van Christus in de prediking komt nog de zichtbaarheid in Doop en Avondmaal…

(Wordt vervolgd)

NB. Het geciteerde hierboven bestaat uit een aantal (gekozen) deelcitaten!

(1) We zetten mensen op het verkeerde been, door ze de idee te geven dat ze het Evangelie (het christelijk geloof) kunnen leren kennen door een cursus te volgen, waarbij men dan ook nog gezellig maaltijd(en) houdt met elkaar: dus zonder gelovige aanvaarding van het verkondigde Woord ‘Jezus en Die gekruisigd’ (en opgestaan uit de dood), waarom men zich (dan eerst ook) laat dopen om daarna als gelovige deel te nemen aan het ‘onderwijs van de apostelen’ in de samenkomsten van de gemeente met daar ook de gezamenlijke vieringen van het Avondmaal (Zie hierbij o.a. Handelingen 16 : 13-15 en 29-34 en 40).
Vraag: Moeten we niet zeggen/stellen dat het dankgebed van Paulus in 1 Korintiërs 1 : 4-9 zich uitdrukkelijk keert tegen het gedachtegoed en het soort van bijeenkomsten als die van New Wine?
Vraag: Waarom wilde Paulus in Athene wel een gemeente met dopelingen stichten, maar niet een praatgroep voor belangstellende Atheners (die er wel waren, zie Handelingen 17 vers 32)
– Zie verder ook het geheel van het geciteerde in deze blog en (later ook) het vervolg.
(2) Zie hierbij o.a. 1 Korintiërs 3 : 10-15.
(3) Lees 1 Korintiërs 1 vanaf vers 18 t/m 2 vers 16 waar Paulus dit aan de gemeente onderwijst en zie ook zijn onderwijs in 1 Korintiërs 14 : 23-25.
(4) Naar de belofte(n) van onze Heer: zie Matteüs 18 : 20 en Lukas 11 : 13.

Zie ook: ‘Kom ga met ons en doe als wij…. (II)’ en ‘(Extra)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De zichtbare gemeente’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

Zo zijn jullie dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; op Wie ook jullie mede gebouwd worden tot een woonplaats van God, in de Geest.’ (Uit Efeziërs 2 de verzen 19-22)

Bron afbeelding: Immanuel Woden Valley Lutheran Church

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Die door doop en geloof ‘in Christus Jezus’ zijn…

Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.’ (Uit Efeziërs 2 vers 10)

Geciteerd: De gelovige wordt gerechtvaardigd, de gerechtvaardigde wordt geheiligd, de geheiligde zal in het gericht bestaan, niet omdat ons geloof, onze gerechtigheid, onze heiliging, voor zover het ons betreft, iets anders zouden zijn dan zonde, maar omdat Jezus Christus ons geworden is ‘rechtvaardigheid, en heiliging en verlossing, opdat het zij: wie roemt, die roeme in de Heer’ (1 Korintiërs 1 vers 30)

Door Gods eigen werk in Jezus Christus zijn wij zalig geworden, niet door onze eigen werken. Zo valt ons nooit roem uit eigen werken ten deel; want wij zijn Zijn werk. Maar daartoe zijn wij een nieuwe schepping in Christus Jezus, dat wij in Hem goede werken zouden voortbrengen.
Maar al onze goede werken zijn alleen Gods eigen goede werken, waarvoor Hij ons van tevoren toebereid heeft. Weliswaar zijn de goede werken dus vereist om het heil te verwerven, maar toch zijn de goede werken altijd slechts de werken die God Zelf in ons doet. Zij zijn een gave van Hem. Wijzelf zijn het, die in goede werken moeten wandelen, die te allen tijde tot goede werken geroepen zijn; en toch weten wij, dat wij met onze werken nooit voor Gods gericht zouden kunnen bestaan, maar dat het Christus alleen is en Zijn werk, waaraan wij ons in het geloof vastklampen.

Zo belooft God degenen die door het geloof in Christus Jezus zijn, goede werken, waarmee ze eens kunnen bestaan; Hij belooft hun de bewaring in de heiliging tot op de dag van Jezus. Wij kunnen deze belofte van God slechts geloven op grond van Zijn Woord, en heengaan en in goede werken wandelen, waartoe Hij ons heeft bereid.

Zo blijft ons goede werk geheel aan ons oog onttrokken (1). Onze heiliging blijft verborgen tot op de dag waarop alles openbaar wordt. Wie hier iets wil zien, wie hier aan zichzelf openbaar wil worden en niet geduldig wil wachten, die heeft reeds zijn loon. Juist bij onze vermeende vooruitgang in heiliging, waarover wij ons willen verheugen, worden wij eerst recht tot verootmoediging geroepen en zien wij onze werken als door en door zondig. Wij zijn echter geroepen tot een steeds groter vreugde in onze Heer.

God alleen kent onze goede werken, wij kennen slecht Zijn goede werk en horen Zijn gebod en gaan onder Zijn genade voort, wandelen in Zijn geboden en zondigen. Het kan nu eenmaal niet anders dan dat de nieuwe gerechtigheid, de heiliging, het licht dat moet schijnen, ons totaal verborgen blijft. De linkerhand weet niet, wat de rechter doet. Maar wij geloven (!) het en zijn daarom vol vertrouwen (!), dat ‘Hij die in u/jou een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus’ (Filippenzen 1 vers 6). (2)

Op die dag zal Christus Zelf ons de goede werken openbaren, die wij niet kenden. Zonder het te weten hebben wij Hem te eten en te drinken gegeven, Hem gekleed en bezocht; en zonder het te weten, hebben wij Hem van ons gestoten. Dan zal een grote verwondering ontstaan en wij zullen inzien dat het niet onze werken zijn die hier bestaan, maar het werk dat God op Zijn tijd zonder ons willen en onze inspanning – maar niet buiten ons gelovig vertrouwen om! (AJ) – heeft gedaan (Matteüs 25 vers 31 vv). Zo blijft ons nogmaals niets dán van onszelf weg te zien op Hem Die reeds alles voor ons heeft volbracht, en Hem na te volgen.

(1) Anders is dat t.a.v. onze kwade werken waarvan wij ons bekeren zullen! Wanneer wij leugens (over ons geloof of eigen zondige daden) handhaven, wanneer we weigeren berouw te hebben en schuld te belijden, wanneer we in onmin met onze naaste leven en hem of haar belasteren of zelfs naar het leven staan, dan wil de heilige Geest ons daar de ogen zeker voor openen en dan zullen we ervoor oppassen dat werk van de heilige Geest in ons hart en geweten niet te weerstaan. Altijd weer bidden met de woorden van Psalmdichters mee, is een krachtig van God gegeven hulpmiddel, om het werk van de Heilige Geest in ons hart en geweten altijd weer toe te laten en om met Zijn hulp de machten en weerstanden die daar aanwezig en actief zijn (mogelijk zelfs heersen) te ontdekken (Psalm 139 : 23-24) en in Zijn kracht te overwinnen. Ook helpen de Psalmen ons om aangedaan onrecht en laster, etc. te (be)noemen en om Gods gericht daarover met (kinderlijk) vertrouwen in Gods hand te leggen.
(2) Bij dat gelovig vertrouwen, dat we mogen/zullen hebben, past een verwijzing naar de woorden die Paulus schrijft, n.a.v. mensen in de gemeente van Korinthe die Paulus en zijn werk wilden kleineren (en zelfs verdacht maken): Zie zijn woorden in 2 Korintiërs 13 : 5-10.

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De heiligen’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.’ (Uit Romeinen 1 vers 17)

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar wij het christelijk leven zullen realiseren…

Toen wij bij jullie waren, hebben we ons dagelijks werk niet verwaarloosd en op niemands kosten* geleefd. Integendeel, we hebben ons ingezet en ingespannen, dag en nacht hebben we gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Niet dat we geen aanspraak konden maken op uw ondersteuning, maar we wilden onszelf als voorbeeld stellen, zodat u ons zou navolgen.’ (Uit 2 Tessalonicenzen 3 de verzen 7-9)
* Zie (1) onderaan.

Geciteerd 1: Hoe ga ik als christen om met een moeilijke baas of met een bedrijfscultuur die vooral draait om geld verdienen? Is het goed als ik carrière wil maken? En hoe kan ik als Jezus genereus zijn wanneer iedereen om me heen egoïstisch is? Het zijn vragen waar volgens de Amerikaanse theoloog en ethicus Matthew Kaemingk, die op uitnodiging van de Theologische Universiteit Utrecht in Nederland was, christenen wel mee rondlopen. Toch leggen de meesten geen verbinding tussen hun geloof en hun werk, zegt hij. ‘Het zijn vaak gescheiden werelden.’ Hij wil die kloof dichten en vindt dat kerken daarbij meer kunnen helpen.

Geciteerd 2: De christen blijve in de wereld. Niet vanwege het door God (nog) gegeven goede in de wereld, zelfs niet vanwege eigen verantwoordelijkheid voor de loop van deze wereld, maar terwille van het lichaam van Christus de mensgewordene, terwille van de gemeente. Christenen blijven in de wereld vanwege de frontale aanval op de wereld, zij blijven het wereldlijk werk/beroep uitoefenen, om het ‘anders-zijn dan de wereld’ des te duidelijker te laten worden. Dat gebeurt echter niet anders dan door het zichtbaar lid-zijn van de gemeente, het lichaam van Christus.

Niet anders heeft Luther in de beslissende jaren van zijn breuk met het kloosterleven over het wereldlijk werk/beroep geoordeeld. Niet dat heeft hij verworpen, dat in het kloosterleven de hoogste eisen werden gesteld, maar dit, dat de gehoorzaamheid aan het gebod van Jezus (elkaar – de naaste(n) – in liefde dienen) als prestatie van enkelen (2) werd opgevat. Niet het ‘anders-zijn dan de wereld’ van het kloosterleven heeft Luther aangevallen, maar dit, dat dit anders-zijn binnen de muren van het klooster (3) juist weer tot een nieuwe geestelijke wereldgelijkvormigheid was geworden, die de ergste verdraaiing (!,4) van het Evangelie is.

Daarom zullen de christen in hun dagelijks werk het christelijk leven realiseren. Daarom moeten zij in hun beroep (lees: dagelijks werk, thuis of elders) aan de wereld (leren!) afsterven (5). Daarin ligt voor de christen de waarde van zijn/haar werk/beroep, dat men als christen daarin door Gods goedheid kan leven en te ernstiger kan strijden tegen de wereld (6). De beweegreden van Luthers terugkeer in de wereld was niet een ‘positievere waardering’ van de wereld of zelfs het opgeven van de oerchristelijke verwachting van de nabij zijnde wederkomst van Christus. Ze had veeleer de zuiver kritische betekenis van een protest tegen de verwereldlijking (!) van het christendom in het kloosterbestaan. Doordat Luther de christenheid in de wereld terugroept, roept hij haar eerst recht op tot het anders-zijn dan de wereld. Dat heeft Luther aan den lijve ervaren. Luthers roepstem tot de wereld was altijd een oproep tot de zichtbare gemeente van de mensgeworden Heer. En niet anders was dit bij Paulus.

Daarom is het ook nu duidelijk, dat het leven in een wereldlijk beroep voor de christen zijn heel bepaalde grenzen heeft en dat dus in bepaalde gevallen op de roep naar een wereldlijk beroep de roep uit het wereldlijk beroep moet volgen. Dat is paulinisch maar ook luthers gedacht. De grenzen zijn door het behoren tot de zichtbare gemeente van Christus Zelf gegeven. Waar de door het lichaam van Christus in deze wereld opgeëiste en ingenomen ruimte voor de godsdienstoefening, de kerkelijke ambten en het burgerlijk leven met de aanspraken op de ruimte door de wereld botst, daar is de grens bereikt.

(1) Een predikant/voorganger of ‘oudste’ zal ook niet ‘op kosten’ (lees: ten koste) van vrouw en kinderen zijn kerkelijk werk doen, maar gewoon bijdragen aan het nodige ‘dagelijkse werk’ en omgaan met elkaar in huwelijk en gezin.
(2) Zelfs binnen de kerken van na de reformatie is dit toch nog weer in een bijzondere (‘geestelijke’) vorm binnengeslopen, namelijk daar waar men het Evangelie onder de gelovigen in de kerk, die samen toch het lichaam van Christus vormen, en waarom alle leden op elkaar betrokken dienen te zijn, slecht nog een heel (klein) ‘select groepje’ gelovigen als ware kinderen van God worden beschouwd (3).
(3) Maar dat kan ook op de zondagen nog weer binnen kerkmuren gebeuren (zie ook het ND-artikel).
(4) Nergens anders kan het Evangelie bedrieglijker worden verdraaid dan binnen de kerken zelf!
(5) Daar was de prediking van Gods Woord a.h.v. de Catechismus in het verleden zeker bij behulpzaam!
(6) Zie 1 Johannes 2 : 15-17.

Zie ook blogserie: ‘‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I)(II)(III)(IV) en (Slot)

Zie ook de blogserie: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I) en (II) en (Extra)

Bron citaat 1: ND Nieuws – ‘Hoe ben ik christen op mijn werk? ‘Er is geen betere plek om je naaste te dienen’’ ** – door Eduard Sloot
Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De zichtbare gemeente’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)
** Er is nog wel een beter – maar wel moeilijker – oefenplaats en dat is in eigen huwelijk en gezin. Nergens anders leeft men zo dicht op de huid van een ander als daar! Is het daar werkelijk de liefde tot de ander/anderen, of is het toch vooral – of niet meer dan – eigen belang dat daar de drijfveer van het elkaar dienen is.

Broeders en zusters, doe het goede, zonder op te geven, en wees op uw hoede voor wie geen gehoor geven aan wat wij in onze brief schrijven. Ga niet met hen om, dan zullen ze zich schamen. Behandel hen echter niet als vijanden, maar wijs hen als broeders en zusters terecht.‘ (Uit 2 Tessalonicenzen 3 de verzen 13-15)

Bron afbeelding: BiblePortal-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (Slot)

‘Ik heb met Mijn uitverkorene een Verbond gesloten,
aan Mijn dienaar David gezworen:
Uw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.’
(Uit Psalm 89 de verzen 4-5)

De tempel waarop Israël wacht, is het lichaam van Christus

Geciteerd: De afsluiting van deze beschouwing moet nu daarin bestaan, dat wij het getuigenis over het lichaam van Christus in het geheel van de Schrift terugvinden. Hier wordt bewezen, dat in het lichaam van Christus de grote oudtestamentische voorspelling van de tempel van God zijn vervulling vindt.

Niet in samenhang met het hellinistisch gebruik van dit beeld, maar vanuit de oudtestamentische profetie over de tempel is het lichaam van Christus te begrijpen. David wil voor God een tempel bouwen. Hij informeert de profeet. Die brengt David Gods Woord ten aanzien van zijn plan over: ‘Zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen?De HEER kondigt u aan: de HEER zal u een huis bouwen‘ (2 Samuël 7 verzen 5-11). Gods tempel kan slechts door God Zelf gebouwd worden. Tegelijkertijd ontvangt David in een opmerkelijke tegenspraak met het voorafgezegde, de belofte dat één uit zijn zaad het huis zal bouwen en dat zijn rijk in eeuwigheid zal bestaan (verzen 12-13). ‘Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn‘ (vers 14). Salomo, de ‘zoon des vredes’ van God met het huis van David, heeft deze belofte op zichzelf betrokken. Hij bouwde de tempel en werd door God daarin bevestigd.

Toch was met deze tempel deze profetie niet vervuld; want hij was door mensenhanden gebouwd en moest vergaan. Zo bleef de profetie nog onvervuld verder bestaan. Nog wacht het volk Israël op de tempel die door de zoon van David gebouwd zou worden, wiens rijk eeuwig zou bestaan. De tempel in Jeruzalem was meer dan eens afgebroken; een teken dat hij niet de beloofde tempel is. Waar was de waarachtige tempel? Christus Zelf zegt het ons, wanneer Hij de profetie over de tempel op Zijn lichaam betrekt. ‘De Joden dan zeiden: zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen?’ Maar Hij sprak van de tempel Zijns lichaams. Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden Zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had‘ (Johannes 2 vers 20 vv). De tempel waarop Israël wacht, is het lichaam van Christus. De oudtestamentische tempel is slechts voorafschaduwing van Zijn lichaam (Kolossenzen 2 vers 17, Hebreeën 10 vers 1, 8 vers 5).

Jezus bedoelt (dus) Zijn menselijk lichaam. Hij weet dat ook de tempel van Zijn aardse lichaam afgebroken wordt, maar Hij zal opstaan en de nieuwe tempel, de eeuwige tempel, zal Zijn opgestane verheerlijkte lichaam zijn. Dat is het huis dat God Zelf voor Zijn Zoon bouwt en dat toch ook de Zoon voor de Vader bouwt (1). In dit huis woont God waarachtig en tegelijkertijd de nieuwe mensheid, de gemeente van Christus (1). De mensgeworden Christus Zelf is de tempel van de vervulling. Het komt overeen met wat de openbaring van Johannes van het nieuwe Jeruzalem zegt, dat daarin geen tempel is, ‘want de almachtige God is haar tempel en het Lam’ (21 vers 22).

De tempel is de plaats van de genadige tegenwoordigheid en het wonen van God onder de mensen. Hij is tegelijkertijd de plaats waar de gemeente door God wordt aangenomen (2). Beide is bewaarheid in de mensgeworden Jezus Christus alleen. Hier is de tegenwoordigheid van God waarachtig en lichamelijk. Hier is de mensheid waarachtig en lichamelijk; want Hij heeft haar in Zijn eigen lichaam aangenomen. Zo is het lichaam van Christus de plaats van aanneming (2), van de verzoening, en de vrede tussen God en mensen. God vindt in het lichaam van Christus de mens en de mens vindt zichzelf in het lichaam van Christus door God aangenomen.

Christus lichaam is de geestelijke tempel, die uit levende stenen is gebouwd (1 Petrus 2 vers 5 vv). Christus is alleen grondslag en hoeksteen van deze tempel (Efeziërs 2 vers 20; 1 Korintiërs 3 vers 11), Hij is tegelijkertijd Zelf de tempel (Efeziërs 2 vers 21), waarin de Heilige Geest woont en de harten van de gelovigen vervult en heiligt (1 Korintiërs 3 vers 16, 6 vers 19). Gods tempel is de heilige gemeente in Jezus Christus. Christus’ lichaam is de levende tempel van God en van de nieuwe mensheid.

(1) Zie hierbij Hebreeën 3 de verzen 1-6.
(2) Zie Efeziërs 1 vers 5.

Zie de voorgaande blogs: ‘‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I)(II)(III) en (IV) 

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Gelukkig wie door U gekozen is en U mag naderen*,
die mag wonen in Uw voorhoven.
Wij genieten het goede van Uw huis,
het heilige van Uw tempel.’
(Uit Psalm 65 vers 5)

* Lees hierbij Hebreeën 10 : 19-25 en zie ook deze blog over Psalm 65 vers 5)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (IV)

Ik ben blij dat ik nu voor jullie lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van Zijn lichaam, de kerk.’ (Uit Kolossenzen 1 vers 24)

Geciteerd 1: In de gemeenschap van het gekruisigde en verheerlijkte lichaam van Jezus Christus nemen we deel aan het lijden en de verheerlijking van Christus. Het kruis van Christus ligt op het lichaam van de gemeente. Wat zij onder dit kruis lijdt, is Christuslijden. Het is allereerst het ondergaan van de kruisdood in de doop, het is voortaan het ‘dagelijks sterven’ van de christenen (1 Korintiërs 15 vers 31) in de kracht van de ontvangen/ondergane doop. Het is daarenboven nog een lijden met een onuitsprekelijke belofte: weliswaar heeft alleen Christus’ eigen lijden verzoenende kracht, Hij leed ‘voor ons’ en Hij overwon ‘voor ons’, maar in de kracht van Zijn lijden geeft Hij degenen die zich niet schamen voor de gemeenschap met Zijn lichaam, de onmetelijke genade nu ook ‘voor Hem’ te mogen lijden. Geen groter heerlijkheid kon Hij de Zijnen schenken, geen onbegrijpelijker waardigheid kan er voor de christen bestaan, dan dat hij/zij ‘voor Christus’ mag lijden.

Geciteerd 2: Er kan slechts voor Christus geleden worden, om der wille van Hem die alles ten bate van ons heeft gedaan! Dat is het wonder en de genade in de gemeenschap aan het lichaam van Christus (Filippenzen 1 vers 25, 2 vers 17; Romeinen 8 vers 35 vv; 1 Korintiërs 4 vers 10; 2 Korintiërs 4 vers 10, 5 vers 20, 13 vers 9).
Hoewel Jezus Christus al het verzoenende en plaatsvervangende lijden vervuld heeft, is Zijn lijden op deze aarde nog niet teneinde. Hij heeft in Zijn genade voor deze laatste tijd tot Zijn wederkomst Zijn gemeente een rest van lijden overgelaten, die nog vervuld moet worden (Kolossenzen 1 vers 24). Dit lijden mag het lichaam van Christus, de kerk, ten goede komen. Of wij daarbij mogen denken, dat ook dit lijden van christenen een zonde wegnemende kracht heeft (vgl. 1 Petrus 4 vers 1) blijft onzeker. Maar het is duidelijk, dat degene die lijdt in de kracht van het lichaam van Christus, plaatsvervangend ‘voor’ de gemeente, voor het lichaam van Jezus lijdt; dat hij/zij mag dragen wat anderen bespaard blijft.

Geciteerd 3: Zalig die door God waardig wordt gekeurd, voor het lichaam van Christus te lijden. Zulk lijden is vreugde (Kolossenzen 1 vers 24, Filippenzen 2 vers 17, 1 Petrus 3 vers 14). In zulk lijden mag de gelovige zich roemen, dat het sterven en de littekens van Christus aan het lichaam gedragen worden (2 Korintiërs 4 vers 10, Galaten 6 vers 17). Nu mag de gelovige daartoe dienen, ‘dat Christus zal worden grootgemaakt, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood’ (Filippenzen 1 vers 20). Zulk plaatsvervangend doen en lijden van de leden aan het lichaam van Christus is zelf het leven van Christus, die in Zijn leden gestalte wil verkrijgen (Galaten 4 vers 19). In dit alles staan wij in de gemeenschap van de eerste discipelen en (vroegere en huidige) volgelingen van Jezus.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I)(II), (III) en  (IV).

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

Wij dragen te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam om, opdat ook het leven van Jezus zich in ons leven openbare. Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare. Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u/jullie.’ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 10-12; vgl. 1 de verzen 5-7 en 13 vers 9; Filippenzen 2 vers 17).

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (III)

De boodschap die ik verkondigde overtuigde (jullie) niet door (mijn) wijsheid (of welbespraaktheid), maar bewees zich door kracht van de heilige Geest (in jullie harten), want jullie geloof moest niet op menselijke wijsheid (en inspanning) steunen, maar op de kracht van God.’ (…) ‘Niemand van jullie zal zich daarom laten voorstaan op een ander mens (en ook niet jezelf), want alles is (al) van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus (of Luther of Calvijn, etc.) is, wereld, leven of dood, heden of toekomstalles is van jullie (gemeente: jong en oud!). Maar (want) jullie zijn van Christus en Christus is van God.’ (Uit 1 Korintiërs 2 de verzen 2-5 en 3 de verzen 21-23)

Geciteerd 1: De verhouding van de enkeling tot de ‘nieuwe mens’ is zo, dat hij hem ‘aandoet’ (1). De ‘nieuwe mens’ is als een kleed dat de enkeling bedekken moet (2). In het evenbeeld van God, dat Christus en de kerk is, moet de enkeling zich kleden. Wie gedoopt wordt, doet Christus aan (Galaten 3 vers 27), wat ook weer verklaard moet worden als het opgenomen worden in het lichaam, in de éne mens, in wie Griek is noch Jood, vrije noch knecht, d.w.z. alleen maar in de gemeente. Niemand wordt een nieuw mens, tenzij dan in de gemeente, door het lichaam van Christus. Wie (eerst) op eigen gelegenheid een nieuw mens wil worden (3), blijft bij het oude. Een nieuw mens worden betekent tot de gemeente toetreden (beter: ingelijfd worden), lidmaat worden van het lichaam van Christus. Niet de gerechtvaardigde en geheiligde enkeling is de nieuwe mens, maar de gemeente (in haar samenhang), het lichaam van Christus, in en door Christus.

Geciteerd 2: De eenheid van Christus met Zijn kerk, Zijn lichaam, verlangt tegelijk, dat Christus als Heer van Zijn lichaam erkend wordt. Daarom wordt Christus in de verdere uitwerking van het begrip lichaam het hoofd van het lichaam genoemd (Efeziërs 1 vers 22; Kolossenzen 1 vers 18, 2 vers 19) De duidelijke tegenstelling wordt gehandhaafd: Christus is Heer. Het heilsfeit dat deze tegenstelling noodzakelijk maakt en een mystieke versmelting van gemeente en Christus nooit toelaat, is de hemelvaart van Christus en Zijn wederkomst. Dezelfde Christus Die in Zijn gemeente tegenwoordig is (door de heilige Geest), komt weer van de hemel. Hij is dezelfde Heer, hier zowel als daar, het is dezelfde kerk hier zowel als daar; het is een en hetzelfde lichaam van Hem Die hier tegenwoordig is, en van Hem Die op de wolken wederkomt. Maar het maakt een ernstig verschil, of wij hier zijn of daar. Zo gaan eenheid en onderscheidenheid noodzakelijk tezamen.

Geciteerd 3: Alleen vanuit de eenheid van de gemeente is iedere enkeling wat hij/zij is, en is de gemeenschap wat zij is, zoals de gemeente slechts door Christus en Zijn lichaam is wat zij is. Hier komt het ambt van de heilige Geest duidelijk naar voren. Hij is het, Die Christus aan ieder persoonlijk geeft (Efeziërs 3 vers 17; 1 Korintiërs 12 vers 3). Hij bouwt door – het verkondigde Evangelie! (AJ) – bijeengebrachte enkelingen Zijn kerk op, wier gebouw toch in Christus reeds voltooid is (Efeziërs 2 vers 22, 4 ver 12; Kolossenzen 2 vers 2). Hij schept de gemeenschap (2 Korintiërs 13 vers 13) van de leden van het lichaam (Romeinen 15 vers 30, 5 vers 5; Kolossenzen 1 vers 8; Efeziërs 4 vers 3). De Heer is Geest (2 Korintiërs 3 vers 7). De kerk van Christus is de in de heilige Geest tegenwoordige Christus. Zo is het leven van het lichaam van Christus ons leven geworden.

(Wordt vervolgd!)

(1) Zie Kolossenzen 3 : 1-4 en 12-17 25 en Galaten 3 : 27-29 en Titus 3 : 4-7
(2) De gemeente moet ook de kleine, zwakke gelovigen en ook de gelovige zondaren (en wie is dat niet) in hun midden niet afwijzen maar beschermen: zie Matteüs 18 : 10-14; Lukas 18 : 9-14; 1 Korintiërs 12 : 23-26 en Jakobus 5 : 19-20.
(3) Daarom is de Doop een voorafgaand iets! Juist door deze inlijving mag iemand zich opgenomen weten in het lichaam van Christus. Een mens kan het zich niet eerst waard maken! Zelfs niet door het geloof! En dáárom behoren de kinderen van de gemeente gedoopt te worden/zijn en zo zullen ze deel zijn van en functioneren en meegroeien in het lichaam dat de gemeente is.

Zie ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (IV) en (Slot).

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus. Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar zijn/haar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de Liefde.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 15-16).

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (II)

Zo bracht Hij vrede en verzoende Hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in Zijn lichaam de vijandschap te doden.‘ (Uit Efeziërs 2 vers uit de verzen 15 en 16)

Geciteerd: Het lichaam van Jezus Christus is het door Hem aangenomen nieuwe menszijn zelf. Het lichaam van Christus is Zijn gemeente. Jezus Christus is tegelijkertijd Hijzelf en Zijn gemeente (1). (…) ‘In Christus zijn’ betekent daarom: deel uitmaken van Zijn gemeente. Maken wij echter deel uit van Zijn gemeente, dan zijn wij ook waarachtig en lichamelijk in Jezus Christus. Nu wordt de betekenis van het lichaam van Christus in zijn gehele volheid openbaar.

De plaats van Jezus Christus in de wereld wordt na Zijn heengaan ingenomen door Zijn lichaam, de kerk. De kerk is de aanwezigheid van Christus Zelf. Hiermee krijgen we de in vergetelheid geraakte gedachte over de kerk terug. Wij zijn gewoon over de kerk als een instituut (of een organisatie) te denken en te spreken. Men moet echter over de kerk (2) denken als over een levende persoon, zij het ook een persoon van geheel eigen geaardheid.

De kerk is één. Alle gedoopten zijn allen ‘één in Christus’ (Galaten 3 vers 28, Romeinen 12 vers 5, 1 Korintiërs 10 vers 17). De kerk is ‘mens’. Zij is de ‘nieuwe mens’. Als zodanig is de kerk geschapen door de kruisdood van Christus. Hier was een einde gemaakt aan de vijandschap tussen joden en heidenen, die de mensheid verscheurde, om in Zichzelf, vrede makende, die twee tot één nieuwe mens te scheppen’ (Efeziërs 2 vers 15). Er is maar één ‘nieuwe mens’; er bestaan er niet vele. Behalve de kerk die de nieuwe mens is, bestaat er slechts de oude verscheurde mens.

De ‘nieuwe mens’, die de kerk is, is ‘naar God geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (Efeziërs 4 vers 24). Hij wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van Zijn Schepper’ (Kolossenzen 3 vers 10). Hier wordt van geen ander gesproken dan van Christus Zelf (en over wat Hij bewerkt heeft voor Zijn lichaam ‘de kerk’ – AJ) als het evenbeeld van God (zie Kolossenzen 1 : 15-20). Adam was de eerste mens in het (‘natuurlijk’) evenbeeld van God. Maar de natuurlijke mens kon geen deel krijgen aan het koninkrijk van God (zie 1 Korintiërs 15 vers 20). Adam viel en verloor daarmee (zelfs) het mens-zijn in het (‘natuurlijk’) evenbeeld van God. Nu wordt een ‘tweede Mens’ een ‘laatste Adam’ geschapen naar het evenbeeld van God; dat is Jezus Christus (1 Korintiërs 15 vers 47). Zo is de ‘nieuwe mens’ tegelijkertijd Christus en de kerk. Christus is de nieuwe mensheid in nieuwe mensen, Christus is de kerk.

(1) Zoals bruid en bruidegom door hun huwelijk tot één lichaam zijn geworden (Efeziërs 5 vers 20).
(2) Door het geloof zien wij een plaatselijke (kerkelijke) gemeente als vertegenwoordigende ‘de kerk’ daar ter plaatse. We volgen daarin onze Heer na, Die in zijn zeven brieven ook de plaatselijke gemeente(n) en hun voorganger(s) aanspreekt als ‘de kerk’ daar ter plaatse.

(Wordt vervolgd!)

Zie hierbij ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I)‘ , (III), (IV) en (Slot)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie jullie ook (oud én jong!) samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God (naar Zijn belofte!) woont door de Geest.‘ (Uit Efeziërs 2 de verzen 21-22)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus…

Er is “één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen”.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 4-6).

Geciteerd: Omdat Christus niet (maar) één mens, maar de menselijke ‘gestalte’, het ‘zondige vlees’, de menselijke ‘natuur’ had aangenomen, daarom lijdt en sterft met Hem alles wat Hij droeg. Het is ons aller ziekte en ons aller zonde die Hij op het kruis draagt; wij zijn het, die met Hem gekruisigd worden en sterven. Weliswaar sterft het aardse lichaam van Christus, maar als een onvergankelijk, verheerlijkt lichaam staat Hij uit de doden op. Het is hetzelfde lichaam – het graf was immers leeg – en het is toch een nieuw lichaam. Zo draagt Hij de mensheid, waarmee Hj stierf, mee naar de opstanding. Zo draagt Hij nog in Zijn verheerlijkt lichaam het menszijn, dat Hij op aarde had aangenomen.

Hoe krijgen wij nu (vandaag) levend deel aan dit (verheerlijkte) lichaam van Christus, Die dit alles voor ons deed? Want dit is zeker, er is geen gemeenschap met Jezus Christus mogelijk, tenzij als gemeenschap met Zijn lichaam, waarin wij zijn aangenomen, waarin alleen ons heil ligt! De gemeenschap met het lichaam van Christus worden wij deelachtig door de beide sacramenten van het lichaam van Christus, door Doop en Avondmaal. De evangelist Johannes laat in een niet over het hoofd te ziene aanduiding de elementen van beide sacramenten, water en bloed, voortkomen uit het gekruisigde lichaam van Jezus Christus (Johannes 19 de verzen 34-35). Dit getuigenis wordt door Paulus bevestigd, doordat hij het lidmaat zijn van het lichaam van Christus geheel aan beide sacramenten bindt. (1) Doel zowel als oorsprong van de sacramenten is het lichaam van Christus.

Omdat het lichaam van Christus aanwezig is, daarom alleen bestaan er sacramenten. Niet het woord van de prediking bewerkt onze gemeenschap met het lichaam van Jezus Christus, het sacrament moet erbij komen. Doop is opgenomen worden in de eenheid van het lichaam van Christus, Avondmaal is het in stand houden van de gemeenschap, aan het lichaam. De Doop maakt ons deelgenoot van Christus’ lichaam. Wij zijn ‘in’ Christus gedoopt (Galaten 3 vers 27, Romeinen 6 vers 3), wij zijn ‘tot één lichaam gedoopt’ (1 Korintiërs 12 vers 13). Zo wordt ons in de dood van de Doop door de heilige Geest toegeëigend wat Christus in Zijn lichaam voor allen verwierf.

De gemeenschap met het lichaam van Jezus die wij ontvangen, zoals de discipelen en volgelingen van de eerste tijd die ontvingen, betekent dat wij nu ‘met Christus zijn, ‘in Christus zijn’ en dat ‘Christus in ons’ is. Vanuit een juist begrip van het lichaam van Christus ontvangen deze uitdrukkingen een duidelijke betekenis.

(1) Ook Efeziërs 3 vers 6 omvat de gehele heilsgave: Woord, Doop, Avondmaal.

Bovenstaande in het kort:

  • Geen gemeenschap met Christus, tenzij als in gemeenschap met Zijn lichaam.
  • Doop en Avondmaal komen voort uit het gekruisigde lichaam van Christus.
  • Doel zowel als oorsprong van de sacramenten is het lichaam van Christus.
  • Door de Doop eigent de heilige Geest ons toe wat Christus in Zijn lichaam voor ons mensen verwierf.
  • Door het Avondmaal (deelname aan het Avondmaal) wordt de gemeenschap met Zijn lichaam in stand gehouden.

Opgemerkt: Zouden wij onze kinderen deze gemeenschap met het lichaam van Christus willen ontzeggen en onthouden omdat ze nog niet tot hun verstand gekomen zijn? Maar wat zijn dan de gevolgen wanneer we hen deze gemeenschap (voorlopig maar) wel ontzeggen en onthouden?

(Wordt vervolgd!)

Zie ook (vervolg): ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (II)‘, (III), (IV) en (Slot)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

De heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het Evangelie.‘ (Uit Efeziërs 3 vers 6 – zie ook Galaten 3 : 27-29).

Bron afbeelding: Knowing Jesus – Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Adam bezat Gods Geest (nog) niet in alle volheid…

Want ik zal de hemel zien, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren die U bereidde.’ (Uit Psalm 8 vers 4)

Geciteerd: Nu is de zon een prachtig helder licht. Zó helder, dat geen mens in de heldere zon kan kijken zonder verblind te worden, hoe scherp iemands ogen ook zijn. Wat zal er dan van ons worden als de zon nog zevenmaal helderder zal schijnen dan nu, zoals Jesaja in hoofdstuk 30 (vers 26) zegt? Daar zullen ook heldere en scherpe ogen bij horen, die dat zonlicht zullen kunnen uitstaan en verdragen. Wanneer Adam in zijn onschuld was gebleven waarin hij geschapen was, dan zou hij zulke heldere en scherpe ogen hebben gehad dat hij net als een adelaar recht in de zon zou kunnen kijken.
Maar door de zonde en val van de mens in het paradijs zijn we aan lichaam, ziel, ogen, oren in alles zo verzwakt, vergiftigd en verdorven, dat ook ons gezicht niet voor een honderdste deel zo scherp is, als Adams gezicht is geweest voor de val.
[ Maarten Luther: Predigten des Jahres 1537, WA 45, 229 ff]

Opgemerkt 1: Wordt Adam hier niet meer verheven, als ‘natuurlijke mens’, dan wat Gods Woord over hem leert? Was de zonde van Adam&Eva niet wantrouwen aan Gods Woord, dus ongeloof! En zij waren toch mensen in een goede conditie en in een goede schepping, die geen enkele reden hadden om God te wantrouwen en Hem iets kwaads (een onwaarheid/leugen) toe te dichten. Zij wilden echter (desondanks) toch geloof hechten aan de leugen die de satan hen voorhield. Het was niet de (geestelijke) superioriteit of de genialiteit van Adam(&Eva), die hen had kunnen of moeten bewaren voor dat ongeloof aan Gods Woord, want dan hadden Adam&Eva als God geweest moeten zijn, dat is: Hem kennen in Zijn Liefde en Wijsheid. (1) In het paradijs hadden zij (net als wij nu ook nog weer) ‘heel gewoon’ (toch?!) al hun vertrouwen zullen geven aan God, hun Schepper, en de slang (een schepsel!), die hen dat eenvoudige vertrouwen af wilde nemen, verontwaardigd* de paradijspoort zullen wijzen.

Opgemerkt 2: Wanneer Adam&Eva er al – op eigen kracht – niet in slaagden God te blijven vertrouwen op Zijn Woord in een goede schepping en in een door God voor hen aangelegde paradijstuin, hoe zal dan hun nageslacht daar wel in slagen, in een schepping die door God aan verval en zinloosheid werd overgegeven en waarin de boze tekeer gaat als een brullende leeuw?

Opgemerkt 3: Het moet ons toch duidelijk zijn dat er daarom onmogelijk nog iets goeds van de mens zelf verwacht kan worden. De mensengeschiedenis heeft dat inmiddels al op vele manieren aangetoond. En dat horen we toch ook in wat Paulus ons voorhoudt met zijn woorden in Romeinen 7 : 24-25 en in 1 Korintiërs 15 : 35-58. Wat wij mensen aan geloof (Godsvertrouwen) opbrengen en wat wij uit liefde aan (werkelijk) goede werken doen, dat is altijd weer helemaal te zien en te belijden als een geschenk van Gods kant. Dat mag de gelovige kinderen van God wel heel bescheiden en nederig maken (naar God en naar al onze medemensen, wie zij ook zijn!): Wij gelovigen leven van de geef!
Abel was zo’n nederig mens en offeraar, want hij vond genade bij God (2), maar Kaïn kon dat niet verkroppen (3), ondanks dat God hem erop wees hoe hij daar mee om moest gaan…

(1) Zoals Hij Zich aan ons in Zijn Liefde en Wijsheid geopenbaard heeft in en door Zijn Zoon onze Heer Jezus Christus en die wij mogen kennen door het getuigenis van de apostelen en de kracht van de heilige Geest. (Zie hierbij 1 Korintiërs 2 : 6-16)
(2) Wij hoeven niets in en bij onszelf te zoeken, maar we zullen wel zoeken en vinden bij Hem.
(3) Laten de gelovigen toch niet/geen verwachting hebben van ‘krachtmensen’ en of ‘grote’ mannen of vrouwen.
* Adam&Eva zouden als kinderen ‘wandelend met hun God’ onderwezen worden over hun taak in deze wereld. Ze hadden dan ook als kinderen – niet als wijze, volleerde volwassenen (!) – met verontwaardiging zullen (in feite: niet anders kunnen) reageren op de verdachtmakingen van satan. Net zoals (jonge) kinderen doen, wanneer ze iemand kwaad horen spreken over hun vader of moeder, van wie ze toch alleen maar goeds ondervonden hebben. We horen later toch ook nog niet zomaar van een Henoch die wandelde met God en die door God werd opgenomen – Zie Genesis 5 : 21-24. Dat is ook voor ons opgeschreven.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Mediatie van 4 december – Den Hertog uitgeverij (2022)

Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven. Laten we daarom het goede doen (naar en voor elkaar), zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Laten we dus in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.’ (Uit Galaten 6 de veren 8-10)

Bron afbeelding: Today’s Verse (Emmanuel Baptist Church)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie