Denkend aan het zonnige Zuiden, zie ik… (a)

Geciteerd: Op vakantie zocht ik naar onontdekte authentieke plekken, maar daar bleek de rest van Europa ook naar op weg. Hoe groter ons verlangen, hoe sneller die plekken verdwijnen. Reizen is uitgegroeid tot het ultieme consumptieartikel van de moderne, welgestelde mens.
Over de (Franse) rivier schieten continu speedboten. De smalle straatjes zitten bomvol cafés, restaurants, ijszaken en souvenirwinkels. Wil je nog iets van het oude stadje meekrijgen, moet je je blik omlaag richten naar de gladde keien, gepolijst door ontelbare voetstappen; of omhoog, waar je nog een glimp opvangt van de eeuwenoude dakkapellen en schoorstenen.
Dat geldt trouwens net zo goed voor Rovinj, een stad in Kroatië, zo’n vijfhonderd kilometer verderop in het noordwesten. De middeleeuwse huizen met gekleurde houten luiken staan met hun voeten in het zeewater. Door de straatjes van maximaal een meter breed komen eindeloze golven toeristen.

Opgemerkt: Wij zochten vroeger – m.n. toen we met onze kinderen nog in afgelegen ‘Gîtes de France’-onze vakanties vierden – ons vakantieplezier in de rust van de Franse natuur. (1) Al deze mooie vakanties – waar wij ons dag in dag uit vermaakten in de Franse natuur en in de vakantiehuis(je) waarin wij verbleven – werden door mijn echtgenote (na de vakantie!) graag en ijverig ‘vereeuwigd’ in plakboeken met de tijdens de vakantie door haar gemaakte ‘dag-verslagen’ en door ons allen gemaakte foto’s (of deels ook geknipt uit folders of met gekochte ansichtkaarten).
Maar ook later (na 1997) hebben wij nog een aantal jaren voorkeur gehad (kunnen hebben) voor de wat rustiger campings met niet al te veel voorzieningen (zoals een groot zwembad met glijbanen). Helaas ontkwam ook ons vakantie vieren niet aan de modernere vakantie-eisen, vandaar dat ook wij uiteindelijk op drukkere en luxere campings terechtkwamen met ons gezin.

(1) Wij huurden die huisjes in onze vakanties tot 1997- onze oudste zoon was in dat laatste jaar 17 jaar en samen met zijn één jaar jongere broer graag aan het vissen op rustige plekken in de Franse riviertjes.

Geciteerd: Flashforward: Nederlanders gaan nu gemiddeld 2,4 keer per jaar op vakantie, en meer dan een derde vliegt jaarlijks meer dan één keer. En werden er in 1995 wereldwijd nog 500 miljoen reizen naar het buitenland gemaakt, in piekjaar 2019 waren dat er 1,76 miljard.* Reizen is een essentieel onderdeel geworden van het moderne leven. Tegenwoordig lijkt ‘er even tussenuit gaan’ net zo onmisbaar voor onze gezondheid als twee glazen melk per dag ooit waren.

(Slotregel van het artikel): En zo blijven we hunkeren naar meer.

(a) ‘Denkend aan Holland, zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan’ luidt het gedicht van dichter Hendrik Marsman, die in 1899 in Zeist werd geboren. Zijn beroemde gedicht Herinnering aan Holland werd verkozen tot gedicht van de eeuw.

Bron citaat: De Correspondent – Op zoek naar de unieke reiservaring gaat alles juist steeds meer op elkaar lijken – door Emy Demkes (Correspondent Consumptie)

Bij de afbeelding: Fotograaf Natacha de Mahieu maakte voor haar serie ‘Theatre of Authenticity’ collages van honderden foto’s, genomen binnen een bepaald tijdsbestek op toeristische hotspots.

Bron afbeelding: De Correspondent

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Op de wijze van Augustinus’…

(en over: ‘hoe we begeerten kunnen tegengaan’)

Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn allen te blijven, zoals ik. Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van (onvervulde) begeerte.’ (Uit 1 Korintiërs 7 de verzen 8-9)

Geciteerd: De zusters sprak hij zelf niet, maar hun getuigenis vindt hij „indrukwekkend”. „Zij leven zo anders dan wij buiten het klooster. De abdes heeft bijvoorbeeld twee keer op het punt gestaan om te trouwen, maar dat beide keren tóch niet gedaan, omdat ze een andere roeping voelde: het dienen van God en de gemeenschap op de wijze van Augustinus.”

Opgemerkt: Stel je voor dat die abdes vertellen zou dat ze vijftien jaar innig had samengeleefd met een man en dat ze hem een zoon of dochter gebaard had, maar dat ze die man – mee door druk die op haar werd uitgeoefend door haar moeder – vanwege zijn lage sociale komaf maar weggestuurd had en dat ze met een andere man – waarmee ze door haar moeder in aanraking werd gebracht – niet wenste te trouwen…

Hieronder (daarom wat) citaten uit een bachelorscriptie* (2018) ‘Augustinus en zijn vrouwen – Vrouwbeelden in de Confessiones‘ van Natalie van den Brink.

Opgemerkt vooraf: Wat hadden Augustinus en zijn eerste vrouw (‘Vrouw I’ in de scriptie) geholpen zijn geweest wanneer ze hun seksuele verlangens en lust(en) op grond van Gods Woord hadden weten te aanvaarden als Heer-lijke scheppingsgaven van God, waarvan ze beiden volop mochten leren (!) genieten door echt de tijd te nemen voor het ontdekken en ‘benutten’/bevredigen van beider verlangens en dat zelfs zonder (nog) een ‘kinderwens’ te hebben (zie 1 Korintiërs 7 : 8-9). Nu is de geschiedenis van Augustinus met zijn (drie) vrouwen, bezien vanuit het onderwijs dat Gods Woord ons geeft, nogal ontluisterend voor Augustinus zelf en niet minder ook voor zijn moeder Monica vanwege haar rol in dat gebeuren.

NB. Zie de link naar de pdf-versie van deze lezenswaardige bachelorscriptie onderaan.

> Vrouw I is vijftien jaar bij hem gebleven, tot ze terugging naar Afrika en koos voor een celibatair leven. Toch is Augustinus nooit getrouwd geweest. Hij kon Vrouw I niet trouwen, omdat ze van lage sociale komaf was. Ze was Augustinus’ concubine, of bijvrouw. Buitenechtelijk samenwonen en het krijgen van buitenechtelijke kinderen was in de tijd van Augustinus niet vreemd. Adeodatus was een onwettig kind van hem en droeg de naam van zijn moeder en hoorde bij haar familia. Volgens Wetzel is Augustinus Vrouw I trouw gebleven tot hij naar Milaan ging. Monica heeft toen voor een verloving gezorgd met Vrouw III, veel te jong, maar met een vooruitzicht om sociaal hogerop te komen. Vrouw I werd teruggestuurd naar Afrika. Ze liet alles achter, zelfs haar zoon. Toch hebben lezers volgens Miles geen medelijden met Vrouw I, maar met Augustinus, omdat hij niet eens korte tijd single kon blijven tot zijn verloofde oud genoeg was om te trouwen, maar heel snel een nieuwe minnares nodig had, Vrouw II. Toch krijgen we het idee dat ook de relatie met Vrouw II voor Augustinus geen echte liefde was, maar meer was gebaseerd op lust. Volgens Miles vindt Augustinus dat liefde voor vrouwen onverenigbaar is met de toegewijde liefde voor God.

> Uit de Confessiones blijkt dat Augustinus nooit heel kuis is geweest. In zijn puberteit wil hij niets anders dan liefde geven en liefde ontvangen. Hij geeft niets om de echte liefde en doet het alleen om de lust, zoals uit het volgende fragment blijkt. … sed exhalabantur nebulae de limosa concupiscentia carnis et scatebra pubertatis, et obnubilabant atque obfuscabant cor meum, ut non discerneretur serenitas dilectionis a caligine libidinis. ‘…maar dampen stegen op uit het modderige verlangen van het vlees en uit de opborreling van volwassenheid, en bewolkten en verduisterden mijn hart, zodat de helderheid van de liefde niet werd onderscheiden van de duisternis van de begeerte.’ Even verderop noemt Augustinus wel een oplossing voor deze begeerten, namelijk dat rust alleen gevonden kan worden als men vrede heeft met het doel van de begeerten: het krijgen van kinderen. Toen hij de Confessiones schreef, had hij deze oplossing** al gevonden, maar in zijn puberteit was het nog te vroeg om te beseffen hoe hij de begeerten kon tegengaan.

NB. Paulus noemt dat ‘kinderen krijgen’ dus niet als oplossing voor het ‘branden van begeerte’ in 1 Korintiërs 7 : 8-9.

Wanneer hij naar Carthago gaat om daar te studeren, denkt hij er nog precies hetzelfde over. Hij gaat daar nog wel naar de kerk, maar meer om de mooie meisjes te zien dan om naar de woorden van God te luisteren. Het is waarschijnlijk dat hij daar de vrouw heeft ontmoet met wie hij de volgende vijftien jaar van zijn leven samen zou zijn.

> Augustinus is met Vrouw I thuisgekomen toen hij zeventien jaar oud was. Zijn moeder Monica is nooit blij geweest met deze relatie. Want ook al is Augustinus deze vrouw wel altijd trouw gebleven, hij zegt ook dat hij haar gevonden heeft toen hij nog een ontembare hartstocht had, en om al een relatie te beginnen terwijl zijn ontembare hartstochten nog niet over waren, daar was Monica het waarschijnlijk niet mee eens. Dit blijkt uit het feit dat Monica Augustinus constant gewaarschuwd heeft niet zomaar met een vrouw te slapen en te wachten met een huwelijk tot de eerste jonge hartstochten voorbij waren. Hij beschrijft de relatie met deze vrouw als een verbond op basis van lust, zonder de intentie om kinderen te krijgen.

> Augustinus noemt Vrouw I nergens in de Confessiones zijn concubine. Wel speelt hij met de woorden, coniugii cum qua cubare, zodat enkele lezers wel moeten hebben geweten dat het geen wettige vrouw was. Over de woorden avulso a latere meo is ook veel discussie geweest. Volgens Shanzer is er een gelijkenis tussen deze woorden en het verhaal dat God een rib van Adam neemt om hier Eva van te maken. Ook al worden er in Genesis andere woorden gebruikt, Augustinus verwijst vaker naar Genesis, dus het is goed mogelijk dat hij dat hier ook doet.

> Bovenstaand fragment is een opvallend gedeelte in de Confessiones. Augustinus heeft net hiervoor nog gezegd hoeveel verdriet hij heeft dat Vrouw I bij hem weg moet en dat ze aan hem wordt ontrukt. Maar in plaats van deze vrouw na te volgen, en zelf ook een celibatair leven te leiden, vindt hij snel weer een andere vrouw (Vrouw II), omdat hij er niet tegen kan dat hij voor Vrouw III nog twee jaar moet wachten. Het gaat Augustinus dus duidelijk niet om de liefde en genegenheid, maar vooral om de lusten. De lusten die hij in zijn puberteit al ondervond en die nu nog steeds bestaan.

> Hoewel Augustinus nu een ander heeft om zijn lusten te verzadigen, blijft de pijn die hij had bij het verlies van Vrouw I. Het zou niet verrassend zijn als de seks met Vrouw II voor hem meer voelde als overspel. Op deze manier verschuift voor de lezer het gevoel van medelijden van de concubine naar Augustinus zelf. Alle focus gaat naar hem en we krijgen geen informatie meer over hoe Vrouw I zich na haar vertrek voelt. Uiteindelijk zet Augustinus ook het huwelijk met Vrouw III niet door, en blijft hij de rest van zijn leven ongehuwd, wat Alypius, een van Augustinus’ beste vrienden, alleen maar kan prijzen. In tegenstelling tot Augustinus houdt Alypius helemaal niet van het slapen met een vrouw en is er dan ook na één keer mee gestopt, om de rest van zijn leven een celibatair leven te leiden.

> Miles (1992) schrijft dat Augustinus zijn partners nergens de schuld gegeven heeft van zijn eigen seksverslaving. Augustinus noemt nergens dat de vrouwen hem verleid hebben of hem vastgehouden hebben. Ze hebben zelfs niet tegengestribbeld toen hij hen stuk voor stuk afgewezen had. Iets anders wat Miles is opgevallen is dat Augustinus nergens naar Vrouw I verwijst als de moeder van zijn kind. Op deze manier blijft zij in de rol van seksuele partner, in plaats van in de rol van moeder.

> Zoals uit dit hoofdstuk wel gebleken is, geeft Augustinus de meeste informatie over Vrouw I, met wie hij vijftien jaar samen is geweest. Over Vrouw II en de door zijn moeder geregelde Vrouw III wordt ons weinig informatie verschaft. Van alle drie de vrouwen blijft de naam ongenoemd.

Slot citaat:
> Monica voorziet dat haar dood dichtbij is. Ze laat Augustinus weten dat haar grootste wens, om Augustinus op het goede pad te krijgen, eindelijk meer dan in vervulling is gegaan en dat haar werk nu dus over is. Een paar dagen na dit gesprek met Augustinus wordt Monica ziek. Tijdens de negen dagen van haar ziekte trekt ze zichzelf helemaal terug. Ze heeft alleen haar zoons gezegend, tegen Augustinus gezegd dat ze nooit een verkeerd woord van hem gehoord heeft en dat ze niet bij haar man begraven wilde worden. Dit is altijd wel geweest wat ze wilde, maar gedurende haar leven is ook Monica minder op materiële zaken gesteld geraakt. Het maakt haar niet meer uit waar ze begraven zou worden.

Bron citaat: RD Binnenland – ‘Kees van Eekelen wordt stil van de rust in een klooster, maar zou er niet willen wonen’ – door Elja Verbaan-de Jong

Bachelorscriptie:Augustinus en zijn vrouwen – Vrouwbeelden in de Confessiones

Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik, – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man (is ze al gescheiden dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag z’n vrouw niet wegsturen. Verder geef ik zelf nog – niet de Heer – het volgende voorschrift: wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft die bij hem wil blijven, mag hij van haar niet scheiden. Dit geldt ook voor een zuster: wanneer ze een ongelovige man heeft die bij haar wil blijven, mag ze niet van hem scheiden. Want de ongelovige man behoort dankzij zijn vrouw God toe en de ongelovige vrouw dankzij haar man eveneens. Zou dat niet zo zijn, dan zouden uw kinderen onrein zijn. Maar nu zijn ze geheiligd.* Maar als de ongelovige partij wil scheiden, moet dat maar gebeuren; in dat geval is de broeder of zuster niet gebonden. Bedenk echter dat u door God geroepen bent om in vrede te leven. Wie weet zou u uw man toch kunnen redden? En wie weet, of u uw vrouw toch kunt redden.‘ (Uit 1 Korintiërs 7 de verzen 10-16)
* En ze behoren daarom ook – zonder bezwaar(makers) – gedoopt te zijn/worden in Christus gemeente.

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De verstandige mens en zijn renaissance (=wedergeboorte)…

‘Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg Uw geboden (a) niet voor mij.’
(Uit Psalm 119 vers 19)
(a) Zie de opdracht van onze Heer in Matteüs 28 : 20.

Geciteerd 1: Alleen Calvijn biedt ruimte voor een renteheffing. (1) Hij is van mening dat het oudtestamentische renteverbod alleen gold voor het oude Joodse volk en was ingesteld voor het beschermen van de armen. Onder strenge voorwaarden – hij pleitte voor een renteplafond – vond Calvijn het geoorloofd om rente te vragen voor een investering.

Deze opvatting van Calvijn is bepalend geweest voor het denken van de kerk over rente, zei Jurn de Vries eerder tegen deze krant. Hij schreef in de jaren zestig een boek over het renteverbod.

‘Volgens mij geldt het renteverbod alleen voor leningen aan de armen’, zegt hij. Aan anderen kan wel rente gevraagd worden, mits de rente redelijk is. ‘De rente die de overheid berekent is een goede richtlijn.’

Er zijn andere redenen voor de omslag in het denken over renteheffing, denkt Arie van der Rijst. Hij promoveerde in 1994 met een proefschrift over de rol van rente in de kerk. Volgens Van der Rijst was het opkomende humanisme in de renaissance de cruciale factor voor de ommezwaai.

In die periode veranderde het mensbeeld, en daarmee overtuigingen over de economie. Er ontstaat een markteconomie waarin mensen streven naar maximale winst en rijkdom. Het lenen van geld tegen rente wordt toegestaan. ‘Voor de renaissance was de mens op weg naar het hiernamaals’, schrijft Van der Rijst. ‘Na de renaissance heeft de mens recht op geluk in het hiernumaals.’

(1) Geciteerd 2: De kerkgeschiedenis leert dat rente lange tijd verboden was in de christelijk leer. Tijdens het concilie van Nicea werd geestelijken verboden rente te heffen. Augustinus vond dat rente heffen diefstal was. Ook de reformatoren Maarten Luther en Huldrych Zwingli veroordeelden de rente pertinent. Volgens hen is het altijd woeker, want geld dient alleen als ruilmiddel te worden gebruikt.

Laat daarom… ieder die bezit verwerft daarmee omgaan alsof het niet zijn eigendom is (b), ieder die in deze wereld leeft alsof ze niet meer toch vooral voor hem- of haarzelf van belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder (dat wist en zag Paulus al, door de Geest!). Ik zou willen dat jullie geen zorgen hebben (zoals de wereld die heeft).’ (Uit 1 Korintiërs 7 uit de verzen 29-35 : 30-32)

(b) Wat heeft mijn echtgenote de boze toegelaten in haar hart – onder aangeven van een ‘grootgrondbezitter’ met de verworven invloed op haar en de kinderen (en het pastoraat, maar die hadden een ‘dubbele agenda’) als die van een sekteleider – in de manier waarop zij zich van mij liet scheiden en haar rechten liet gelden op de nieuwbouwwoning die wij nog maar net samen betrokken en ingericht hadden in 2014.
Wat hadden wij de gemeenschap (onze kinderen en kleinkinderen, familie en broeders en zusters en mensen in de samenleving om ons heen) tot voorbeeld kunnen (blijven) zijn met de manier waarop wij omgingen met het goede dat God ons heeft willen geven in deze wereld. Niet eerst en vooral op het gebied van geld en goed en een welvarend leven (met een mooi huis en mooie vakanties), maar door ons belangeloos samenleven ten dienste van elkaar zodat dit zou leiden tot lof en dank aan God.

Bron citaten: ND Geloof – ‘Voor moslims is rente heffen uit den boze. Lange tijd gold die regel ook voor christenen’ – door Jan Blacquière

‘U bent goed geweest voor Uw dienaar,
Heer zo als U het mij had beloofd (al bij mijn Doop!).
Leer mij goed onderscheiden,
Ik heb vertrouwen in het onderwijs van Uw Woord.**

Voor ik vernederd werd, tastte ik mis,
nu houd ik mij aan Uw Woord.
U bent goed geweest en hebt goed gedaan,
onderwijs mij in Uw Woord.

Hoogmoedigen beschuldig(d)en mij vals,
maar ik volg het onderwijs van Uw Woord met heel mijn hart,
gevoelloos als vet is hun hart,
maar ik verheug mij in het onderwijs van Uw Woord.

Het was goed voor mij dat ik (door U!) vernederd werd,
zo leerde ik het onderwijs van Uw Woord kennen.
Goed voor mij is het onderwijs van Uw Woord
beter dan een schat aan goud of zilver (c)

Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd
schenk mij inzicht, dan leer ik het onderwijs van Uw Woord kennen.
Wie U vrezen zien het met blijdschap,
In het onderwijs van Uw Woord heb ik mijn hoop gesteld.
(Uit Psalm 119 de verzen 65-74)

** Zie Matteüs 28 : 20, 2 Timoteüs 3 : 16-17 t/m 4 : 5 en Hebreeën 4 : 12-13.

(c) Beter dan een dubbel pensioen en de resten van een goudenhanddruk en het geld van de verkoop van een gezamenlijke woning op de eigen bankrekening .

Het begin van de wijsheid is ontzag voor de HEER,
wie leeft naar het onderwijs van Zijn Woord
verwerft goed inzicht’
(Uit Psalm 111 vers 10) (d)

(d) Dit was de tekst op onze trouwkaart en van onze huwelijksdienst, waarin heel deze Psalm ‘bepreekt’ werd door onze oom ds. J.D. Janse (1932-2005)

Bron afbeelding: Bursting with Blessings

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Dopen was opdracht aan de apostelen en werd ingebed in het samenleven van de christelijke gemeenten…

Maar toen Filippus hen door zijn verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof had gebracht – en dat aanvaardden van het Evangelie was het werk van de Heilige Geest geweest! -, lieten deze Samaritanen zich dopen, mannen zowel als vrouwen. Ook Simon (de tovenaar) aanvaardde het geloof, en na zijn doop bleef hij voortdurend bij Filippus; en hij stond versteld van de tekenen en machtige wonderen die hij zag gebeuren.’ (…) ‘Toen Simon zag dat mensen door de handoplegging van de apostelen (Petrus en Johannes) vervuld raakten van de Geest (1b), bood hij Petrus en Johannes geld aan (1a) en zei: “Geef mij deze macht, zodat iedereen wie ik de handen opleg de Heilige Geest ontvangt”.’ (Uit Handelingen 8 uit de verzen 4-25)

(1a) Deze Simon (de ex-tovenaar) had wel vanwege het werk van de Heilige Geest zijn hart geopend voor het Evangelie en zich laten dopen, maar hij had als zuigeling in het geloof nog niet geestelijk leren denken (zie 1 Korintiërs 3!) en hij zag het Evangelie als handelswaar, net zoals hij z’n tovenaarspraktijken had gebruikt om zich daarmee een inkomen en aanzien te verwerven. Petrus wijst deze Simon terecht – denk hierbij ook aan Jezus woorden tot Simon Petrus (net nadat hij de ‘goede belijdenis’ had afgelegd): ‘Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.’ (zie Matteüs 16 ; 23 en Markus 8 ; 33).

(1b) De Heilige Geest zal het goed gedacht hebben om onder de Samaritanen een zichtbare uitstorting (en vervulling) van de Heilige Geest te laten plaatsvinden. Net zoals discipelen van onze Heer door het werk van de Heilige Geest zich hadden laten dopen en in het gevolg van Jezus waren gekomen en gebleven en op de eerste Pinksterdag een zichtbare uitstorting van en vervulling met de Heilige Geest mochten meemaken, zo wilde Hij dat ook doen onder de Samaritanen en later ook nog weer in het huis van Romeinse (en dus heidense) hoofdman Cornelius (Handelingen 10). Een duidelijk signaal aan de apostelen en aan de gemeente(n) dat ook Samaritanen en heidenen volwaardige leden – alhoewel nog zuigelingen in het geloof – van Christus gemeente werden, wanneer zij zich (met hun huis) lieten dopen.

Geciteerd: Dopen als initiatierite bestond al lang voordat de kerk startte, zelfs voor de tijd van Johannes de Doper. In de oudheid werd het gezien als een initiatie – de start van iets nieuws, waarin mensen hun oude leven achterlieten door onder te gaan in water, maar dat kon ook vuur zijn. Een waterbad werd ook gebruikt als reinigingsritueel nadat iemand met bijvoorbeeld bloed of dood in aanraking was geweest.
Johannes de Doper combineerde beide betekenissen in ‘zijn’ doop: die van een nieuw begin en die van een oudtestamentisch reinigingsritueel.
– Het Joodse volk kende oorspronkelijk andere inwijdingsrituelen: de besnijdenis als teken van verbondenheid met het volk, en de bar mitswa rond het twaalfde jaar als moment waarop kinderen klaar waren voor deelname aan het religieuze leven. Het waren de vroege kerkvaders (2) die de doop koppelden aan de gemeenschap van heiligen, de kerk.
– Wat tegenwoordig alle kerken gemeen hebben, is dat de doop bepaalde bevoegdheden geeft, zoals lidmaatschap van de gemeente, toegang tot het avondmaal en mogelijk leiderschap. Tussen kerken zijn afspraken gemaakt over wederzijdse erkenning van de doop, die als eenmalig en onherhaalbaar wordt beschouwd.

(2) Door de vroege kerkvaders? De Doop is net als de Evangelieverkondiging en het vieren van het Avondmaal door onze Heer als opdracht meegegeven aan Zijn discipelen, de latere apostelen. En via de apostelen is dat doorgegeven en toevertrouwd aan de door hen gestichte gemeenten. We zullen er zeker voor oppassen dat we deze zaken niet als handelswaar laten gebruiken door evenement-organisaties (w.o. Graceland, New Wine, etc.)! Die zullen we net als Petrus bij Simon (de ex-tovenaar) deed een geduchte waarschuwing geven, dat dit op deze manier ‘bedacht zijn op de dingen/verlangens van mensen’ niet strookt met het ‘bedacht zijn op de dingen Gods’.

Bron citaten: ND Geloof – ‘Dopen tijdens festival of evangelisatieactie, kan dat zomaar? ‘Ik zie hier water, wat is erop tegen?’’ – door Laura Dijkhuizen.

Hoewel ik hoop spoedig naar je toe te komen, schrijf ik je dit alles voor het geval ik mocht worden opgehouden. Dan weet je hoe men zich dient te gedragen in het huis van God (‘Ecclesia’), fundament en pijler van de waarheid (in deze wereld). Ongetwijfeld is dit het grote mysterie van ons geloof: Hij is geopenbaard in een sterfelijk lichaam, in het gelijk gesteld door de Geest, is verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, vond geloof in de wereld (allereerst bij de vrouwen en daarna ook de discipelen en allen die door hun verkondiging het Evangelie geloven en dat vanwege het voortgaande werk van de Geest), is opgenomen in majesteit.’ (Uit 1 Timoteüs 3 de verzen 14-16).

Bron afbeelding: BiblePortal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wanneer kan/mag een christen zijn mond open doen?

“Hoort U niet wat die kinderen zeggen?” vroegen zij aan Jezus. ‘Jawel,’ was zijn antwoord. ‘Maar hebben jullie nooit in de Psalmen gelezen: “Zelfs kinderen en zuigelingen zullen Hem prijzen?” ‘ (Uit Matteüs 21 uit de verzen 16-18)
NB. ‘Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, Uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen’ (Psalm 8 vers 3, NBG)

Geciteerd: Het derde stuk* gaat over de goede werken. Wanneer nu de natuur en de persoon goed is (door Doop en geloof), dan volgt het derde, namelijk dat men ook goed moet doen. Wanneer de satan uitgeworpen is, neemt de verstomming een einde en begint de stomme te spreken (Zie Markus 5 : 18-20!). Dan wordt een gelovig christen pas echt iemand die hoort, spreekt, dankt en onderwijst – iets wat hij tevoren niet kon. Dat zijn dan de voornaamste werken van een christen, dat hij/zij op zo’n manier spreekt en zwijgt dat hij daarin anderen tot voorbeeld is, dat men eigen gezin kan onderwijzen uit Gods Woord, dat de medegelovigen door hem of haar worden getroost en zo nodig vermaant. Dan spreekt hij/zij pas werkelijk goede woorden, dan kan hij/zij bidden (persoonlijk, maar ook met anderen), dan zo’n gelovig christen ook met de handen zoveel goeds als maar binnen zijn of haar vermogen ligt. (1) Dat zijn de goede werken van een christen.
Daarom kan een christen geen goede werken doen voor de eerste twee stukken, namelijk voor hij zich leert kennen als een kind van de duivel en vóór Christus hem of haar door Zijn genade verlost. (2) Als dat gebeurd is, dan weet hij pas wat hij of zij met zijn of haar goede werken op het oog moet hebben. (3)
Die goede werken worden zeker niet gedaan om daardoor (straks) naar de hemel te gaan! – want Christus gééft ons dit alles, omdat wij onszelf als ellendige mensen kennen en Christus als onze zaligmaker kennen. (4) God kan ons niets geven dat meer is dan Christus! Hij wordt aan ons gegeven zonder enig werk, maar slechts door de kennis dat wij niets zijn én door de kennis van Zijn barmhartigheid. (5)
Velen houden het ervoor dat zij alles al ontvangen hebben als zij hun ellende kennen – ja, als het alleen over het verstand ging: ik heb gehoord en ik weet dat ik een kind van de duivel ben. Maar daar hoort nog veel meer bij, want we zien hoe (juist) zij afvallig worden die veel spreken en schrijven over hun zonde (en die va anderen).
Ons leven lang hebben we nodig deze stukken* (a) te leren, want een een christen is in de eerste plaats een mens die zichzelf kent [door het gebod] (DV al meer leert kennen onder en door het onderwijs van Gods Woord) (b), in de tweede plaats zich aan Christus houdt – dit hoort toch echt op de eerste plaats, zie (b) en (c) -, en in de derde plaats uit dankbaarheid goede werken doet [door de liefde]. Welke werken dat zijn leren de Tien Geboden (6), wat daartoe nodig is te bidden, leert het Onze Vader. Dat zijn de drie stukken die een mens tot Christen maken. (d)
[Maarten Luther: Predigten des Jahres 1530, vgl. WA 32, S. 19-20, weergave: Dr. George Buchenwald, Martin Luther Predigten I, S.663-664, Gütersloh 1926).

* Let hier op de volgorde van de stukken die geheel overeenkomt met de hoofdlijn van de Heidelbergse Catechismus: gebod, geloof, gebod en gebed. (a) Opmerkelijk is dat Luther hier de Tien Geboden (gebod) en het Onze Vader (gebed) hier samenvoegt waardoor er toch niet meer dan drie stukken nodig zijn tot zaligheid (vgl. HC Zondag 1, vraag 2) (a)

(1) Dit is een leerweg! Omdat we – naar Gods belofte – gezalfd zijn met de Heilige Geest (dat moet voor onszelf en voor ieder vaststaan vanwege de Doop die we ontvingen) kunnen we die leerweg gaan wanneer we maar gelovig, eerbiedig en trouw de van God gegeven middelen blijven gebruiken.
(2) Nu hoorden we toch van de Psalmist en van onze Heer dat kinderstemmen (zelfs die van zuigelingen) God (dankbaar) lof toebrengen en dat Gods kracht – ook aan onze gedoopte kinderen verleend door de Heilige Geest – ook bij hen al in onze menselijke zwakheid en hulpeloosheid zichtbaar wordt.
(3) Gelukkig is de Heilige Geest machtig genoeg om mensen die met hun kinderen bidden om de liefde en de wijsheid van hun Heer hen die liefde en wijsheid ook dagelijks te schenken (Zie o.a. Lukas 11 : 1-13 en Jakobus 1 : 5-8)
(4) We zouden nog kunnen gaan denken dat we eerst maar eens (veel) ellende-kennis moeten opdoen voor we goede werken kunnen doen en Christus aanvaarden willen/kunnen als onze Verlosser. Maar dat wordt hier toch niet bedoeld!
(5) Juist bij het dopen van een zuigeling (baby) zullen we beseffen dat wij niets hoeven zijn voor God (door kennis of werk of wat dan ook) om Zijn genade te ontvangen en om de Heilige Geest het werk van wedergeboorte en geloof in ons te laten aanvangen.
(6) De Tien Geboden maar dan wel uitgelegd en toegepast naar het onderwijs van onze Heer Zelf en zoals dat ook aan ons is doorgegeven door de apostelen.

(a) Opgemerkt: Toch zijn vanwege Zondag 1, vraag en antwoord 1, Doop en geloof het eerste stuk, waarin dan al de andere stukken begrepen zijn. Zie hierbij ook deze blog met een citaat uit ‘Zondagskinderen’ van ds. H. Veldkamp (1895-1956): https://jc33nl.nl/catechismus/zondag-1-leven-vanuit-onze-rijkdom/
(b) Laten we de kennis van Gods mensenliefde, zoals die klinkt in het ‘Jezus en Die gekruisigd’ en zoals die verwoord en samengevat is in Titus 3 : 3-8 maar altijd weer als ‘grondslag’ nemen bij het onderwijs van al Gods geboden aan de gedoopte leden van Christus’ gemeente.
(c) Het gebod (Gods geboden) onderwijzen aan (zondige) mensen zonder dat zij door Doop en geloof weten dat Christus hen als Redder en Fundament vast en zeker geschonken is, dat maakt mensen doodongelukkig of kopschuw of schijnheilig, of, wat zelfs ook nog kan en erger is: hoogmoedig.
(d) Iemand tot Christen maken dat is wat de Heilige Geest wil doen met en door het (juiste=’Bijbelse’) gebruik van de middelen: Bediening van Doop en Avondmaal en van Gods Woord in een gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Bron citaat: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 33 vraag 91: ‘Maar wat zijn goede werken?’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder (het) toezicht (van de wet), want door het geloof en in Christus Jezus zijn wij allen kinderen van God. Jullie (en ook wij) zijn door de Doop één met Christus geworden, we hebben ons door de Doop met Christus omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen (wat een ‘Heer-lijke nivellering’)- jullie zijn allen één in Christus Jezus. En omdat jullie (en ook wij) Christus toebehoren, zijn jullie/wij – in Christus! – nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.’ (7) (Uit Galaten 3 de verzen 25-29)

(7) Lees hierbij Galaten 3 : 15-18 en het ‘nivellerende’ 1 Korintiërs 3.

Bron afbeelding: BiblePortal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Einde discussie?

‘In Hem zijn jullie allemaal besneden (ook de vrouwen en de kinderen!), niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus*, door het afleggen van het aardse lichaam. Toen jullie gedoopt werden zijn jullie immers met Hem begraven , en met Hem zijn jullie ook weer tot leven gewekt, omdat wij geloven in de kracht van God Die Hem uit de dood heeft opgewekt.’ (Uit Kolossenzen 2 de verzen 11-12)
* Zie Galaten 3 : 15-18!

Opgemerkt (Jos Kramer): Geen discussie. In Efeze 2 staat jullie die eerst dood waren, geestelijk dood waren, staat niets over besneden. Maar nogmaals, van mij mogen jullie.
Lees het hoog priesterlijk gebed eens. Ik bid dat ze één zijn. Zoek niet de verschillen, maar zoek Jezus. Ik hoop hand in hand samen voor Zijn aangezicht te staan.
Die man die naast Jezus hing aan het kruis was niet gedoopt, besneden, geen belijdenis, geen zondaars gebed, maar wel ‘‘s avonds bij Jezus in de Hemel. Wij zijn samen één. Ondanks dat ik het absoluut niet met je eens bent, heb ik er wel respect voor. Het staat er echt niet, maar respecteer je mening.
Doen, vooral doen die kinderdoop. Dat doen jullie omdat jullie dat geloven. Dat is toch geweldig. Houden zo, niets aan veranderen.
Ik wil geen leerstelling volgen, ik wil Jezus volgen, die Jezus die Zichzelf gaf, zodat wij hand in hand zouden staan. Die Jezus, die niet vraagt welke leerstelling juist is, die Jezus die het hart ziet.
Paulus, die je zo graag aanhaalt zegt: ‘de letter dood, maar de Geest geeft leven’.
Ik noem je mijn broer, ondanks ons meningsverschil. Dat hoort zo, samen zijn jij en ik één.

Opgemerkt (AJ): Goed, je wilt geen leerstellingen volgen, maar dan zal je toch beter moeten letten op wat ik schrijf, want ik ga beslist niet uit van leerstellingen, maar van het Bijbels onderwijs dat wij van de apostelen ontvangen hebben. Dus je gaat niet eerlijk te werk als je mijn schrijfsels zo naast je neer wilt leggen, zoals jij hier doet. We zullen wel degelijk elkaar in de gemeente van onze Heer blijven bevragen over hoe wij Gods Woord (OT en NT) hebben te lezen en toe te passen. De Doop – waarbij we ook de kinderen dopen – is een Heer-lijk nivellerend** en heilzaam gebeuren in Christus gemeente. En juist daarom hebben zovelen er moeite mee!
** Zie Handelingen 10 : 44-48 en 15 : 9-12.

> Zie ook de inhoud van deze blog: ‘Het Evangelie (niet) in de aanbieding (doen)?

N.a.v. (vervolg) discussie bij RD artikel over een biografie over het leven van baptistenpredikant B.A. Ramsbottom.

Jullie/wij waren allemaal dood door jullie/onze zonden en onbesneden staat (ook onze kinderen!), maar God heeft ons samen met Christus levend gemaakt toen Hij ons al onze zonden kwijtschold. Hij heeft het document met voorschriften (de wet van Mozes met al haar voorschriften, zie hierbij ook Handelingen 15 : 9-12) waarin wij werden aangeklaagd uitgewist en vernietigd door het aan kruis te nagelen (zie 1 Korintiërs 2 : 2). Hij (!) heeft Zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.’ (Uit Kolossenzen 2 de verzen 13-15)
> Lees hierbij ook nog Titus 3 : 3-8.

Bron afbeelding: slideplayer-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het Evangelie (niet) ‘in de aanbieding’ (doen)?

Vrij als ik ben ten opzichte van iedereen, ben ik de slaaf van iedereen geworden om zoveel mogelijk mensen te winnen (voor het Evangelie)’ (Uit 1 Korintiërs 9 vers 19)

Geciteerd: „Daar ben ik het mee oneens. Mijn vader zei dat we het Evangelie aan allen preken, ook al bieden wij het niet aan. Het probleem dat hij met ”aanbieden” had, is dat God dan als het ware onmachtig wacht totdat mensen Zijn Evangelie aannemen.
De gedachte dat een zondaar eerst zelf iets moet doen voordat God hem kan redden, was voor hem een verdraaiing van de Schrift. In de Evangelieprediking moet een hartelijke nodiging klinken voor geestelijk zieken, vermoeiden en belasten die naar verlossing verlangen.”

Opgemerkt: Juist daarom schonk God ons de zuigelingendoop. Gedoopte zuigelingen (of het nu volwassen Korintiërs waren of gedoopte kinderen/baby’s zijn), er is niets in de aanbieding, maar alles wordt ons geschonken om niet. Zelfs onze hand kunnen we niet heffen om ook maar iets van God te ontvangen, maar de Heilige Geest wil het in onze mensenhandjes of in onze (grote) mensenhanden stoppen – of we nu in de wieg liggen of op een sterfbed of waar dan ook. Waar het Evangelie klinkt – bij het Doopvont, vanaf een kansel of podium, of bij een sterfbed of op straat – daar wordt de waarheid verkondigd, en het enige wat iemand dan zelf zou kunnen doen is zich verzetten tegen het de Heilige Geest (die het Woord laat verkondigen) en de waarheid (van het verkondigde Woord) afwijzen en zodoende een bondgenoot van de leugenaar en ‘mensenmoorder van den beginne’ worden…

Wie telden er mee in de eerste/vroege gemeenten van onze Heer?

Opgemerkt (Bas Gimenez): De zuigelingendoop is geen doop. En al helemaal niet de enige ware “doop” die zonder handen geschiedt. dit is een rooms ritueel, wat niets betekent. Of men een nieuwe creatie / schepping wordt, dat is wat telt.

Opgemerkt 1: Lees 1 Korintiërs 3 dan nog weer eens goed en laat tot je doordringen wat Paulus (die jij toch zo graag volgt) ons daar leert. De eerste vier hoofdstukken van die brief, die laten ons toch zien hoe pril wij mogen zijn in het geloof, want dat is van het begin tot het einde het werk van de Heilige Geest en de Doop is het waarmerk voor alle leden van Christus gemeente en daarom kan niemand zich daar boven een ander verheffen, maar moet ieder in het geloof worden als de kinderen. En later lezen we hoe de gemeente iedere keer weer teruggebracht moet worden bij die eenvoud en ootmoed van het geloof, niet alleen in de twee brieven aan de Korintiërs, maar haast nog meer in de brieven van onze Heer aan de zeven gemeente in Klein Azië. Het is geen toeval dat juist die kleine in de ogen van mensen onbetekenende gemeente van Filadelfia zulke goede woorden hoort van onze Heer (lees het na in Openbaring 3 : 7-13).

Opgemerkt 2: Ook dat ‘een nieuwe creatie worden’ is niet iets wat wij eerst eens bij onszelf moeten gaan waarnemen en dan de conclusie trekken of dat inmiddels wel of niet gebeurd is, maar het is een zaak van geloof, en dat belijden we dus door onze kinderen te dopen en te aanvaarden dat God Zelf daar Zijn beloften uitspreekt en ook zal nakomen. En daarom gaan we ook altijd weer trouw samen met onze kinderen naar de samenkomsten van de gemeente, want daar wil de Heilige Geest ons ook altijd weer hebben om Zijn werk in ons te doen.

Opgemerkt 3: Laat ik het tot slot nog eens zo zeggen: Wie de zuigelingendoop niet aanvaardt en toepast in de gemeenten van onze Heer Jezus Christus, die heeft het Evangelie niet begrepen en is en blijft een gevaar voor de eenvoudige gelovigen en hun blijdschap in de Heer ondanks al hun moeiten en zonden.

Opgemerkt (Ed Cohn): in Efeze 1 : 13 staat dat de mens pas wordt “verzegeld” met de heilige Geest NADAT hij tot geloof komt…

Opgemerkt 4: Dat kon zo gezegd worden tegen de heidenen die tot geloof waren gekomen na de Evangelieverkondiging van Paulus en z’n medewerkers en zich door hen hadden laten dopen, maar je negeert dan wel het hele verdere Bijbelse onderwijs wanneer je ‘jouw gelijk’ aan deze ene tekst wil ophangen. En het is toch wel duidelijk dat de apostelen bij de vele bekeerlingen geen ‘geloofscheck’ konden uitvoeren, ze vertrouwden daarbij helemaal op Gods belofte bij de Doop van deze heidenen en het werk van de Heilige Geest, vooral ook wanneer deze heidenen met heel hun huis gedoopt werden. De vraag: geloof je nu werkelijk en met een waar geloof, had zelfs helemaal geen zin, dat moest hen nog allemaal onderwezen worden. Heel duidelijk blijkt dat uit de woorden in 1 Korintiërs 3, waar Paulus heel sterk benadrukt dat al die dopelingen, jong en oud, ongeletterd of hooggeleerd eigendom van Christus zijn (vers 23). En dat belijden we ook met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus: We zijn gekocht en betaald met het bloed dat door Christus op Golgotha voor ons vergoten werd (Kolossenzen 2 : 11-15)

> Zie ook de inhoud van deze (vervolg blog: ‘Einde discussie?

Bron citaat: RD Interview – ‘„Pastoraal werk stond bij mijn vader* op nummer één, maar wij als gezin voelden ons nooit op nummer twee staan”’ – door Ruben Bolier
* Van Engeland tot Indonesië lezen mensen pennenvruchten van de in 2023 overleden baptistenpredikant B.A. Ramsbottom. Eind mei rolde een biografie over hem van de pers, geschreven door zoon Paul.

Door Zijn genade zijn jullie immers gered, dankzij jullie geloof. Maar dat (geloof) danken jullie niet aan jezelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van jullie daden, dus niemand kan er zich op laten voorstaan.’ (Uit Efeziërs 2 uit de verzen 4-10 : 8-9)

Bron afbeelding: BiblePortal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Paulus een ‘onafhankelijke zzp-er’?

Het ontbreekt mij aan niets …’ (Uit Filippenzen 4 uit vers 18)

Geciteerd 1: Paulus mag dan een beetje teleurgesteld zijn, hij neemt de hulp uit Filippi wel aan. Normaal wijst hij elke hulpverlening af want hij wil onafhankelijk blijven. Sponsors mogen geen invloed uitoefenen op Paulus missie. Hij is een soort zzp-er voor de Heer, zorgt voor z’n eigen inkomen en gaat zo nodig tenten maken.

Opgemerkt 1: Wie een beetje thuis geraakt is in wat Paulus aan de gemeenten over dit ‘onafhankelijk’ zijn schrijft, die weet dat de schrijver hier de plank flink misslaat. Je zou nog gaan denken dat Paulus vergelijkbaar is met het soort zzp-ers dat wij tegenwoordig inhuren om onze jeugd in Joyn-diensten Jezus te laten aanpraten. Maar die huurlingen van tegenwoordig dat zijn geen tentenmakers…

Opgemerkt 2: In Handelingen 20 : 33-35, 1 Korintiërs 9 en 2 Korintiërs 11, 12 : 11-21 en in 2 Tessalonicenzen 3 : 6-15 lezen we over de motieven van Paulus om zelf te voorzien in wat hij en zijn medewerkers nodig hadden voor hun dagelijks bestaan en waar mogelijk daarvan ook nog uit te delen aan de behoeftigen in de gemeente(n) waar hij zijn werk deed. Hij wilde daarin een voorbeeld zijn voor heel de gemeente (zie o.a. 2 Tessalonicenzen 3 : 7-9) en niet alleen voor de voorgangers.

Opgemerkt 3: Paulus erkent dat een dienaar van het Woord in een gemeente (en als apostel en voorganger was hij dat) net als de anderen recht kan laten gelden op zich te laten onderhouden door een of meer gemeenten die hij gesticht had. Toch heeft hij dat dus heel bewust nagelaten. En ook wij kunnen daarvan nog leren en voorzichtig zijn met wiens kosten wij voor onze rekening nemen in onze gemeenten/kerken.

Opgemerkt slot: Is het onder ons mensen eerder niet zo dat wie de durf heeft om een hoop geld (en zelfs veel te veel) voor z’n diensten te vragen eerder geloofwaardig en navolgingswaardig wordt geacht, dan iemand die zijn kennis en kunde gratis aanbiedt. In de gemeente van Korinthe speelde dat!

Geciteerd 2: Dat Paulus de hulp uit Filippi accepteert is dus een uitzondering. Voelde hij zich veilig bij hen? (1) Gezegend ben je wanneer je afhankelijk durft te zijn en hulp accepteert.
Paulus maakt (beter: onderwijst) er een win-winsituatie van. De uitgaven die ze doen zijn voor hen pure winst; want een gevangene brengt je in lijn met Christus’ lijden aan deze wereld – en aan de gemeente(n) van onze Heer! (AJ). Voor Paulus is de winst dat hij niet alleen gelaten wordt dankzij de bijstand uit Filippi. (2) Dacht hij aan Psalm 23 als hij aan de Filippenzen laat weten: ‘Het ontbreekt mij aan niets’?

(1) ‘Voelde hij zich veilig bij hen?’ De vraag ‘kon deze gemeente dat aan’ ligt meer voor de hand op grond van Paulus motieven om het van andere gemeenten niet te vragen.
(2) De winst voor Paulus is dat opnieuw blijkt dat God bij machte is op Zijn wijze te voorzien in wat Paulus nodig heeft voor zijn bediening – zie hierbij zijn woorden in Filippenzen 4 : 17-20.

Bron citaten: Dag in dag uit 2025 – Meditatie van vrijdag 15 augustus – Leger des heils | Ark Media

Als wij geestelijke zaken onder jullie hebben gezaaid, is het dan teveel gevraagd dat wij materiële zaken van jullie oogsten? Als anderen hier al aanspraak op durven maken, kunnen wij het dan niet des te meer (zie de verzen 1-2). Wij hebben echter geen gebruik gemaakt van onze rechten; integendeel we verdragen alles, omdat we de verkondiging van het Evangelie niets in de weg willen leggen.’ (Uit 1 Korintiërs 9 de verzen 11-12)

Bron afbeelding: Bible Hub

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Niet recht van God spreken…

… bij het oordelen over een kind/de kinderen van Gods volk.

Uit Numeri 20 – (Het volk verwijt Mozes en Aäron het woestijnleven en het gebrek aan water en Mozes en Aaron zonderen zich dan af om de Heer te raadplegen): ‘De Heer zei tegen Mozes: “Neem de staf en roep met je broer Aäron de Israëlieten bijeen. In hun bijzijn moet je daar de rots bevelen water te geven. Jullie zullen water voor hen uit de rots laten komen en mensen en vee te drinken geven.” Mozes nam de staf uit het heiligdom , zoals de HEER hem had opgedragen. Hij en Aäron lieten iedereen bij de rots* samenkomen. “Luister, opstandig volk, zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?” Mozes hief zijn hand op en sloeg tweemaal met zijn staf op de rots, zodat iedereen te drinken had en ook het vee.’ (De verzen 7-11)
* Zie hierbij 1 Korintiërs 10 : 4. En bedenk bij de woorden ‘Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn’ (vers 5) dat ook Mozes en Aäron stierven voordat het volk van God het beloofde land bereikte en mocht binnengaan. De jonge generatie, die evengoed hun doop ondergingen in de wolk en in de Rode Zee (vers 2), op de arm van hun moeder of aan de hand van hun vader, of zelfs nog in de moederschoot, die generatie ‘jongeren’ mocht het beloofde land binnentrekken…

Mijn toorn is ontstoken tegen u (Elifaz) en tegen uw twee vrienden; want gij hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job.” (Uit Job 42:7b)

Geciteerd: Het is vreselijke gedachte over de Heere dat Hij niet gewillig is een zondaar te vergeven, dat Hij niet gezind is hem in gunst aan te nemen. Hij vermoedt dat God een soort van akelig welbehagen heeft in de verdoemenis van een ziel. Dat kan niet wezen. Het leugenachtige daarvan behoeft niet bewezen te worden. God zweert het tegendeel. En de leugen verdwijnt als rook.

Overweeg ten eerste hoe klein het getal is van Gods oor­delen onder de mensen. Er zijn mensen die altijd van oordelen spreken, maar zij dwalen. Als er een schouwburg afbrandt of als er een boot omslaat op de dag des Heeren, dan roepen zij: Dat is een oordeel! Maar ook kerken en bedehuizen verbranden. En zendelingen verdrin­ken op het ogenblik dat zij eropuit zijn om het werk van de Heere te doen. Het is verkeerd om alles wat er gebeurt, aan een oordeel toe te schrijven. Want als u dat doet, vervalt u in de dwaling van de vrienden van Job en veroordeelt u de onschuldigen.

De zaak is dat er slechts weinig handelingen van de Voor­zienigheid zijn met bijzondere personen die bepaald en stellig als oordelen Gods kunnen aangemerkt worden. Voorzeker bestaan ze, maar ze zijn zeer zeldzaam in dit leven, als men nagaat hoe de Heere dagelijks wordt ge­tergd door vermetelheid en laster.

Woorden van Charles Haddon Spurgeon, predikant te Londen – ”Oproep en aanmoediging”, 1884.

Bron citaat: RD Meditatie

“Hij Die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; maar de genade Die Hij schenkt is nog groter.” Daarom staat er: “God keert Zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt Hij Zijn genade.” Onderwerpt u dus aan God, en verzet u tegen de duivel (de uiteenwerper van wat bijeen hoort, voor wat/wie God samengevoegd heeft in gemeente/huwelijk/gezin/familie/volk, etc.), dán zal die van u wegvluchten. Nader tot God (samen, in huwelijk en gezin en ook altijd weer in de samenkomsten van de gemeente) dán zal Hij tot u naderen. Reinig uw handen zondaars, zuiver uw hart, weifelaars. Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien (over de eigen hardheid van hart, het anderen Gods genade en barmhartigheid misgunnen). Laat (vanwege die hardheid van hart) uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. Verneder u voor de Heer, dán zal Hij (!) u verheffen.’ (Uit Jakobus 4 uit de verzen 1-12 : 5-10)

Bron abeelding: A Reason For Hope with Don Patterson

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar de liefde ontbreekt loopt alles uit het spoor…

Wees elkaar niets schuldig, behalve de liefde, want wie de ander liefheeft,
heeft de hele wet vervuld.’ (Uit Romeinen 13 vers 8 )

Geciteerd: Het gebod van de liefde nu is een kort gebod en een lang gebod, één gebod en veel geboden, geen gebod en alle geboden (vgl. de verzen 8-9, Matteüs 7 : 12, 22 : 36-40). Het is op zich kort en één, en voor het verstand gemakkelijk te begrijpen. In de praktijk echter is het lang en veel en niet te doorgronden, want alle geboden zijn erin besloten en worden er door geregeerd. Het is helemaal geen gebod als je naar de werken kijkt, want het heeft geen bijzonder werk dat met name genoemd wordt. Toch zijn het alle geboden, omdat de liefde het werk van alle geboden is en moet zijn. Op deze manier heft het alle andere geboden op en verordent het alle geboden. En wel om deze reden: wij moeten weten en leren om geen gebod, geen werk verder te houden of te achten dan alleen in zoverre de liefde dat eist. Omdat wij nu op aarde niet zonder werken kunnen of mogen zijn, moeten er ook verschillende geboden zijn, waarin de werken omschreven worden. Maar toch zo dat de liefde moet regeren en keizerin (!) is over alle wetgevers die de werken gebieden te laten (!) en te doen. Want alles moet de liefde dienen – dus God dienen, zoals onze Heer dat volmaakt heeft gedaan (zie o.a. Matteüs 5 : 43-48) – en zonder dat mag geen werk blijven of voortgang hebben.

Laten we dat met het voorbeeld van een wagenmenner duidelijk maken. Deze heeft een paard en wagen in toom volgens zijn/haar wil. Als de menner nu daarmee al tevreden was dat het paard in het tuig liep en zelf niet op de weg zou letten, dan was dat nog niet genoeg. Een menner moet namelijk goed opletten en het toom gebruiken om paard en wagen te leiden in overeenkomst met de weg. (1) Anders zou het gerei als spoedig breken en op één hoop komen te leggen met wagen, paard, toom en de wagenmenner erbij. De menner moet immers de kuilen, stenen en boomstronken in de weg ontwijken om te zorgen dat niet alles over de kop gaat en menner en paard de nek breken of in de modder verdrinken. Wanneer de wagenmenner echter zo verstandig is dat hij/zij paard en voertuig overeenkomstig de weg geleidt, en oplet of de weg het toelaat of niet, dan gaat het goed. Wie echter alleen ‘rechttoe rechtaan’ wil rijden (2), die is geen verstandige wagenmenner, omdat hij/zij niet de wagen wil sturen, maar meent dat de weg zich naar zin en wil (lees: rigoureuze/beperkte visie op de weg) van de menner zal of moet schikken. Zo iemand denkt: zoals mijn wagen gaat zo moet ook de weg gaan. Maar zo’n wagenmenner zal er wel achter komen hoe dat afloopt.
[Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2, 95, 17-96,3]

(1) Dat zijn de geboden, die we met gebed om de liefde en de wijsheid van onze Heer, die we door de kracht en het werk van de Heilige Geest zó zullen toepassen dat het tot heil en zegen is voor onze naasten en daarmee ook voor onszelf.
(2) Dat we menen dat de geboden (van de wet van Mozes) ‘rücksichtlos’ moeten worden toegepast zonder liefde en ongeacht tijd en omstandigheden en gevolgen.

Opgemerkt: Wanneer onze liefde gebaseerd is op het (vermeende) samen streven naar en willen bereiken van een (verheven/christelijk) ideaal of idealen die we ons zelf (en/of ook samen met anderen) voor ogen gesteld hebben en waarnaar we (met gebundelde krachten) willen streven, dan loopt dat geheid mis. Of dat nu in een kerkelijke gemeenschap of in een afzonderlijke gemeente of dat het in een huwelijk of gezin aan de orde is, dat maakt niet uit!
Denk (bijvoorbeeld) aan de kerkstrijd in de jaren zestig en waar dat op uit liep, of denk aan het streven naar gemeentelijke vernieuwing* op de manier waarop dat in ons gemeente (NGK ‘De Ontmoeting’) gedreven werd en gestalte kreeg. Er ontstaat dan een soort van zelfoverschatting, zelfverheffing en partijvorming die ons (en ook de andere christelijke gemeenten binnen eigen burgerlijke gemeente en binnen eigen kerkgenootschap) niet tot zegen strekt!
* De gemeentevernieuwing werd tot een project gemaakt en een project vraagt om een projectmanager die alle neuzen in ‘de organisatie’ in dezelfde richting moet zien te krijgen…

Bron citaat: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 32 vraag 86: ‘Aangezien wij uit onze ellende, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Jezus Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog liefdewerken doen?’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Wat jullie ook doen, doe het uit liefde!‘ (Uit 1 Korintiërs 16 vers 14)

Bron afbeelding: Twelve Stone Art

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie