‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?
(Uit Psalm 58 : 2)
Kern van de preek van Dietrich Bonhoeffer over Psalm 58: (…) dan het andere: wie God aanroept op de vijand te wreken, die ziet daarmee af van zijn eigen wraak. Wie zichzelf wil wreken weet niet met wie hij van doen heeft, die wil zijn zaak nog zelf in handen nemen. Wie echter de wraak alleen aan God overlaat, die is bereid zelf te lijden en te dulden, zonder wraak, zonder ook maar te dénken aan eigen wraak, zonder haat en zonder tegenspraak; die is zachtmoedig, vredelievend, die heeft zijn vijanden lief. Voor hem of haar is Gods zaak belangrijker geworden dan eigen lijden. Die weet: God zal overwinnen. ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here’ (Romeinen 12 : 19).
‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?
Veeleer bedrijft gij euveldaden in het hart,
op aarde weegt gij het geweld uwer handen af
De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig,
de leugensprekers dwalen van de moederschoot aan.
Hun venijn is gelijk het venijn van een slang;
als een dove adder, die haar oor toesluit,
die niet luistert naar de stem der bezweerders,
noch naar de volleerde belezer.
O, God, verbrijzel hun tanden in hun mond,
sla de hoektanden der jonge leeuwen uit, Here;
laten zij vergaan als water dat wegvloeit;
legt hij zijn pijlen aan, dan mogen zij als afgestompt zijn;
laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt,
als de misdracht van een vrouw, die de zon niet heeft: gezien;
voordat uw potten de dorens bemerken,
zowel groen als verschroeid, stormt Hij hen weg.
De rechtvaardige zal zich verheugen,
wanneer hij de wraak aanschouwt;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
En de mensen zullen zeggen: Toch is er loon voor de rechtvaardige,
toch is er een God, die recht doet op aarde.’
(Psalm 58, NBG)
Geciteerd: Kan deze vreselijke wraakpsalm ons gebed zijn? Mogen wij zo bidden? Het antwoord op deze vraag is heel duidelijk: nee, wíj mogen zeker niet zo bidden! Aan veel vijandschap zijn wij ook zelf schuldig. En we moeten erkennen dat de straf van God terecht is, als hij ons zondige mensen treft en vernedert. Ook in deze moeilijke tijd voor de kerk moeten wij erkennen dat God zelf zijn hand in toorn tegen ons heeft opgeheven om onze zonde te bezoeken, onze geestelijke traagheid, onze openbare of heimelijke ongehoorzaamheid, ons gebrek aan discipline in het dagelijks leven. Het komt allemaal in Gods gericht. Hoe kunnen wij ontkennen dat iedere persoonlijke zonde, ook de meest verborgen zonde, Gods toorn over zijn gemeente zal treffen? Hoe zullen wij dan, die schuldig zijn en Gods toorn verdienen, Gods wraak over onze vijanden afroepen, terwijl deze wraak veeleer onszelf zou moeten treffen? Nee, wíj kunnen deze psalm niet bidden. Niet omdat wij daarvoor te goed zijn (wat een oppervlakkige gedachte en wat een onbegrijpelijke hoogmoed!), maar omdat wij daarvoor te zondig zijn, te slecht!
Alleen wie zelf helemaal zonder zonde is, kan zó bidden. Deze wraakpsalm is het gebed van een onschuldige. ‘Een kleinood van David, op de wijze van: “verderf niet”.’ Het is David die deze psalm bidt. David zelf is niet onschuldig. Maar het heeft God behaagd in David de zoon van David te bereiden: Jezus Christus. Daarom mag David niet gedood worden, omdat uit hem de Christus moet komen. David zelf zou nooit hebben kunnen bidden zijn eigen leven te bewaren voor zijn vijanden. Wij weten dat David heel wat zonden heeft begaan en ze ook deemoedig heeft gedragen. Maar in David is Christus en daarom ook de Kerk van God geboren. Daarom zijn zijn vijanden de vijanden van Jezus Christus en Zijn heilige Kerk. Daarom mag David niet gedood worden door zijn vijanden. Kortom, in David bidt de onschuld van Christus zelf deze psalm mee en met Christus de hele heilige Kerk.
Nee, niet wij zondaren bidden dit wraaklied, alleen de onschuld zélf bidt het. De onschuld van Christus staat voor de wereld en klaagt haar aan. Niet wij klagen haar aan, Christus klaagt haar aan. En wanneer Christus de zonde aanklaagt, behoren ook wij dan niet tot de aangeklaagden? ‘Spreekt gij, goden, inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?’ Een boze tijd, als de wereld het onrecht gewoon zijn gang laat gaan; als de verdrukten, de armen en de ellendigen luid ten hemel schreien en de rechters en de heren der aarde zwijgen; als de vervolgde gemeente in opperste nood God om hulp en de mensen om gerechtigheid aanroept, en niemand op aarde zijn mond open doet om recht te verschaffen.
‘Spreekt gij, goden inderdaad recht? Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?’ Mensenkinderen zijn zij die onrecht wordt aangedaan. Moet dat dan altijd maar vergeten worden, ook in deze tijd? Horen we het? Mensenkinderen, die net als wij schepselen van God zijn; die net als wij pijn en ellende lijden, wie geweld wordt aangedaan; die net als wij geluk en hoop hebben; die net als wij eer en beledigingen voelen. Mensenkinderen, die net als wij zondaren zijn en die net als wij Gods barmhartigheid nodig hebben. Onze broeders! ‘Zijn zij dan stom?’ O nee, zij zijn niet stom, men hoort hun stem op aarde wel. Maar het is een onbarmhartig woord, een woord van de ‘eigen partij’ (in deze wereld of binnen de gemeente/kerk) dat zij spreken. Het is niet gericht op recht, maar met aanzien des persoons.
Bron citaat: Mijn ziel keert zich stil tot God – Meditaties bij de Psalmen (Dietich Bonhoeffer)
‘Maar we zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het Evangelie moest in jullie belang behouden blijven. De belangrijkste broeders – hun positie interesseert me trouwens niet, God slaat geen acht op het aanzien van een mens – hebben mij tot niets verplicht.‘ (Uit Galaten 2 uit de verzen 1-14 : 5-6)
Bron afbeelding: A Joy Filled Woman