‘(…) Een tijdlang wilde hij niet haar horen, maar daarna sprak de betreffende rechter bij zichzelf: Al bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij ten slotte nog in het gezicht slaan. En onze Heer zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg jullie, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?
Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar…‘ (Uit Lukas 18 de verzen 1-10)
Geciteerd 1: In het veertiende hoofdstuk onderwijst Paulus ons dat wij de zwakke gewetens van de gelovigen voorzichtig moeten leiden en er geduld mee hebben. Je mag de christelijke vrijheid niet tot hun nadeel, maar je zult die juist tot versterking van de zwakken gebruiken. Want als je dat niet doet, komt er twist en tweedracht, waardoor het Evangelie gelasterd wordt…
Geciteerd 2: In het vijftiende hoofdstuk wijst Paulus ons op het voorbeeld van Christus, om te laten zien dat wij de zwakken verdragen moeten. Niet alleen hen die een zwak geweten hebben, maar bovendien hen die nog gebrekkig zijn en bekende zonden of ergerlijke gewoonten hebben. Wij moeten ze daarom niet verwerpen, maar verdragen en geduld hebben tot – en opdat! – het beter met hen gaat. Zo heeft Christus immers ook met ons gedaan, en Hij doet dat nog dagelijks (!), waarbij Hij zeer veel ondeugden (w.o. niet als laatsten hoogmoed, eerzucht, jaloezie, egoïsme), gebreken en kwade gewoonten in ons verdraagt en ons toch zonder ophouden helpt en bijstaat (1).
Daarna bidt Paulus voor hen die te Rome zijn (en hij verlangt ook altijd dat er voor hem gebeden zal worden) en beveelt hen in Gods genade aan. Hij wijst op zijn eigen ambt en de prediking die hij brengt. Hij vraagt ook, op een zeer bescheiden manier (2), om een bijdrage voor de armen in Jeruzalem. Alleen de christelijke liefde is de bron van alles wat Paulus zegt en doet. (3)
[Maarten Luther: Deutsche Bibel, Vorrede auf die Epistel S. Pauli an die Römer, 1522/46, vgl. WADB 7, 17, 6-27]
* Deze regel komt voor in de berijming van Psalm 98 het vierde vers. Deze Psalmtekst roept op tot vreugde en lofprijzing, omdat de Heer komt om de wereld te oordelen en in gerechtigheid te regeren.
(1) Hebben we dat door Gods genade en het werk van de Heilige Geest en door Gods Woord geleerd al ontdekt (a) en heeft dat bij ons al tot ootmoed en nederigheid geleid of gaan we prat op wat wij inmiddels bereikt menen te hebben met en door onze levensheiliging en wat dat met en voor ons karakter inmiddels gedaan zou hebben en zien we, net als de Farizeeër in de gelijkenis, neer op onze broeders en zusters die het in o.i. minder ver geschopt hebben dan wijzelf? Zie hierbij Klaagliederen 3 : 22-23!
(2) Wat kon dat verzoek ook makkelijk (smalend!) tegen Paulus gebruikt worden: Heeft hij daar in die gemeente van Jeruzalem nog altijd wat goed te maken? En moeten wij daar nu aan bijdragen? Hebben we niet genoeg armen in onze eigen gemeente en stad om geld aan uit te geven?
(3) Dat is dus de ‘hoge(re) weg’ die ons altijd weer gewezen wordt bij elk christelijk streven! Wat blijkt uit de kerkgeschiedenis dat die weg het vrijwel altijd weer heeft moeten afleggen tegen de weg van de doelen die de kerkleiders (en hun volgelingen) zich voor ogen stelden en stellen! Of het nu het streven in een plaatselijke gemeente was of is of op ‘kerkelijk niveau’ (classis, synodes, etc.)
(a) Zie hierbij ook nog deze blog: ‘Hijzelf zorgt voor u…‘
‘Wie bent u dat u een oordeel velt over een (gedoopte en gelovige) broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op een broeder of zuster? Wij allen zullen voor Gods rechterstoel komen te staan, want er staat geschreven (!): ‘Zo waar ik leef – zegt de HEER -, voor Mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’ Ieder van ons zal zich tegenover God moeten verantwoorden.‘ (Uit Romeinen 14 de verzen 10-12)
‘En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg jullie, in zoverre jullie dit aan één van mijn minste (minst geachte) broeders of zusters hebben gedaan, hebben jullie het Mij gedaan.’ (Uit Matteüs 25 vers 40)
Bron afbeelding: Talk To The Word