Over profeteren in de samenkomsten gesproken…

Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd…’ (Uit Lukas 4 de verzen 16-17)

Opgemerkt: Denk bij dat mogen profeteren in een samenkomst* maar aan hoe het toeging in de synagoge (ook de gemeente van Korinthe was begonnen in een synagoge – zie Handelingen 18 vers 7) en zie ook dit Bijbelgedeelte hieronder waar onze Heer het woord krijgt om de aanwezigen toe te spreken en waar de aanwezigen ook reageren op wat Hij te zeggen heeft.
* Zie 1 Korintiërs 14 vers 1 en 22-39

Geciteerd (uit Lukas 4): ‘Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat:
‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’
Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. Hij zei tegen hen: ‘Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan.’ Allen betuigden Hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden, en ze zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’ En Hij zei tegen hen: ‘Ongetwijfeld zullen jullie me dit gezegde voorhouden: Geneesheer, genees uzelf. Doe alles waarvan wij gehoord hebben dat het in Kafarnaüm gebeurd is, ook hier in uw vaderstad.’ Hij vervolgde: ‘Luister, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. Maar ik zeg het jullie zoals het is: in de tijd van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden lang gesloten bleef en er in het land een grote hongersnood uitbrak, waren er veel weduwen in Israël. Toch werd Elia niet naar een van hen gezonden, maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel mensen in Israël die leden aan huidvraat. Toch werd niemand van hen gereinigd, maar wel de Syriër Naäman.’ Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. Ze sprongen op en dreven hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem in de afgrond te storten. Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok.

Zie ook deze blog: ‘Waar roept Paulus zo nadrukkelijk toe op?‘ (in 1 Korintiërs 14 vers 1).

Bron afbeelding: SlidePayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Profetie geen menselijk initiatief…

Ons vertrouwen op de woorden van de profeten (uit het OT) is alleen maar toegenomen. Jullie doen er goed aan je aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in je hart. Besef daarbij dat geen enkele profetie uit de Schrift (OT) een eigenmachtige uitleg toelaat, want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de Heilige Geest.‘ (Uit 1 Petrus 1 uit de verzen 12-21 de verzen 19-21).

Een voorbeeld van die aandacht voor de woorden van de profeten tot opbouw van de gemeente vinden we (bijvoorbeeld) bij een predikant zielzorger als Walter Lüthi (1901-1982, Zwitserland), zie zijn woorden genomen uit de ook als boekwerkje verschenen prekenserie ‘De zeven gesprekken van Maleachi’ in deze blog (tweede citaat): https://jc33nl.nl/2023/09/02/over-verbond-en-sociaal-contract/

Leestips: 1 Petrus 1, Handelingen 20 : 17-38 en Titus 3.

Wie oren heeft moet horen wat de Geest tot tegen de gemeenten zegt.‘ (Herhaalde oproep in de brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar roept Paulus de gemeente(n) zo nadrukkelijk toe op?

Jaag naar de liefde en naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de profetie.‘ (Uit 1 Korintiërs 14 vers 1)

Geciteerd: Tot dusver kiezen we voor het woord profetie omdat het enerzijds de hele beweging (luisteren en doorgeven) in één woord vat en omdat het anderzijds iets is waartoe Paulus ons zo nadrukkelijk oproept (1 Korintiërs 14:1).
Maar wat bedoelt Paulus met profetie? En hoe gaan we daarmee om? Hoe zorgen we dat profetie aan de ene kant niet eng en ontoegankelijk wordt en er aan de andere kant niet onzorgvuldig mee wordt omgegaan zodat mensen beschadigd raken?
Natuurlijk komt niet iedereen tot dezelfde conclusie. Theologie is immers geen exacte wetenschap. Het gaat om argumenten, overwegingen en ervaringen. Alleen met alle heiligen samen – heel de kerk – kunnen we de lengte, breedte en diepte van God kennen.
Tegelijkertijd komt een (snel) groeiende groep mensen tot de overtuiging dat God profetie ook heeft bedoeld voor de kerk van vandaag. Net als diaconaat, gebed, verkondiging en de hele christelijke praktijk. Wat deze conclusie voor de pastorale praktijk betekent, vraagt om gesprek, om reflectie, om onderwijs en oefening. Alleen zo voorkom je dat het vreselijk uit de hand loopt.

Opgemerkt 1: Jazeker roept Paulus in 1 Korintiërs 14 de leden van de gemeente(n) op om juist profetie (het profeteren) binnen de gemeente alle ruimte te geven, maar dat is dus niet het soort profetie (profeteren) dat men bij New Wine op het oog heeft. In vers 24 en later in de verzen 29-33 maakt hij duidelijk waar het hem bij de profetie (het profeteren) die (dat) hij op het oog heeft om gaat. Het gaat om mensen die in staat zijn om het geschreven Woord van God – toen toch eerst en vooral nog het OT, dat nu met het licht van het Evangelie dat de apostelen reeds verkondigd (en toen nog maar deels beschreven hadden) hadden, moest worden gelezen en verkondigd en toegepast op onze Heer Jezus Christus en dat om alle leden van gemeente op te bouwen in het geloof en hen te bemoedigen in de geloofsstrijd die zij in hun (persoonlijke en gemeentelijke) omstandigheden te strijden hadden. Het gelezen en verkondigde Woord moest zelfs zo verkondigd worden dat het voor buitenstaanders geen ‘abracadabra’ maar stichtend (tot inkeer oproepend/brengend) zou zijn. Hij schrijft dat hoofdstuk 14 aan een gemeente waar het in de samenkomsten inmiddels (zacht gezegd) nogal onordelijk toegaat en waar velen blijkbaar hun zegje willen doen, zelfs als dat voor de aanwezigen in onbegrijpelijke (en niet uit te leggen) klanktaal gebeurd. Zo kan de gemeente niet gebouwd en bemoedigd worden. Toch wil Paulus dat niet direct maar met een harde aanpak de kop indrukken (zie m.n. zijn woorden in vers 39, dat is wat de klanktaal betreft een understament*). Maar hij is in hoofdstuk 14 toch duidelijk genoeg over waar het naar toe moet (moet!). We kunnen uit de latere woorden van Paulus aan Timoteüs afleiden dat die orde er inderdaad gekomen is en dat Timoteüs inmiddels nauwelijks of niet meer te maken heeft met allerlei mensen die ook het woord willen voeren (Lees het in en begrijp het uit Paulus woorden in 1 Timoteüs 4 : 11-16). En ook in de gemeente waar Titus voorganger is, lijkt het erop dat hij daar de taak heeft om het Evangelie op basis van het Woord van God profetisch te verkondigen aan de gemeente.
* Een understatement is een veelgebruikte stijlfiguur waarbij iets opzettelijk veel zwakker wordt geformuleerd dan men te verstaan wil geven.

Opgemerkt 2: Juist die onvolwassenheid van de gemeente en het onvermogen van veel leden van de gemeente om daar de Schrift (OT) te lezen en op basis daarvan het Evangelie profetisch in en aan alle gemeenteleden te verkondigen – Paulus heeft daar toch zelf ‘gedemonstreerd’ hoe dat moest (zie o.a. 2 Timoteüs 2 : 2) – heeft Paulus doen besluiten om de vrouwen met strenge woorden en een beroep op de wet (daar toen) het zwijgen op te leggen en hij wil dat degenen die menen te kunnen profeteren of die in het bezit van de Geest zijn (daartoe mochten/dienden allen zich toch rekenen!), de noodzaak en waarheid van zijn woorden/maatregelen dienden in te zien en te erkennen en dat hier juist ook vanwege het gezag dat een apostel van de Heer mag uitoefenen ging/gaat om – het grote belang van – de goede orde van de samenkomsten te handhaven en waar dat inmiddels door velerlei inbreng ontbrak te herstellen.

Zie hierbij ook deze blogs: ‘Profetie geen menselijk initiatief!‘ en ‘Over profeteren in de samenkomsten gesproken…

Bron citaat: ND Opinie – ‘Om te voorkomen dat profetie uit de hand loopt, moet je er niet mee stoppen, maar gaan oefenen’ – door Bart Visser (directeur New Wine Nederland).

Mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. Geef wat je in aanwezigheid van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die – op hun beurt – geschikt zijn om anderen te onderwijzen**.’ (Uit 2 Timoteüs 2 vers 2).
** Kunnen dat in de huidige omstandigheden nog altijd niet ook heel best vrouwen zijn?

Bron afbeelding: JeffRandleman-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De zware arbeid van het loslaten en nietsdoen…

Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag zullen jullie rust houden‘… (Uit Exodus 34 vers 21)

Geciteerd: Nu klinkt het sabbatsgebod. De zevende dag, de sabbat, onderbreekt de dagelijkse routine. Op sabbat wordt niet gewerkt. Iedereen mag op adem komen, want in de rust komt het werk (en ons Godsvertrouwen!) tot z’n recht. De sabbat is er om te stoppen met (het onszelf opgelegde) moeten. Het is een terugkerende oefening om van ophouden te weten. Daarom wordt er niet gekocht of verkocht (zelfs niet op het ‘tempelplein’!). Eenmaal per week verrichten we het zware werk van het nietsdoen. Zo is de sabbat tegengif voor het goudenkalfsyndroom. Deze dag is gewijd aan het vieren van dingen die waarde hebben, maar geen prijs. Zo wordt de prestatiemaatschappij (en ook de ‘prestatiekerk’!) een grens gesteld. De sabbat is er om te ontspannen. Het is een dag van omzien naar elkaar, want de kwaliteit van ons leven hangt af van de kwaliteit van onze relaties (allereerst onze relatie met God en daaraan gelijk de relaties met onze medemensen). Zo doet de sabbat ons wortelen in vaste grond.

Opgemerkt 1: De Farizeeën en Wetgeleerden hadden voor die sabbatsrust allerlei regels bedacht om ook dit gebod voor (vrome) mensen (met de nodige middelen) tot een huns inziens – zelfs in de ogen van God – volmaakt haalbare kaart te maken. Later bedachten ook in ons land vrome mensen nog weer zulke ‘sabbatsregels’, al meende een ‘wetregelsgetrouwe’ ds. Kerstens hiermee toch wel de hand te mogen lichten (zie artikel onlangs in het ND, in de serie van Willem Bouwman met anekdotes uit de kerkgeschiedenis hier te lande).

Opgemerkt 2: We zullen de Wet – zoals Mozes die in naam van God heeft mogen optekenen en uitwerken voor Gods volk – toch altijd weer hebben te zien als een ‘tussenoplossing’, een te hulp geroepen pedagoog, tot de tijd zou komen dat de Heilige Geest de uitwerking van het grote gebod ‘God liefhebben boven alles door je naasten lief te hebben als jezelf’ in onze harten zou schrijven (zie Galaten 3 : 15-29 en 2 Korintiërs 3 : 7-18, Galaten 4 : 1-11, Romeinen 15 : 1-13 en Hebreeën 8 )

Bron citaat: Dag in dag uit 2025 – Meditatie van 30 januari – Leger des Heils | Ark Media
NB. De tussen () geplaatste tekst is toegevoegd.

Generatie na generatie zullen de Israëlieten de sabbat in acht nemen en vieren. Voor Mij en hen is die dag een teken van een eeuwig durend verbond, want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zevende dag heeft Hij gerust om op adem te komen.’ (Uit Exodus 31 de verzen 16-17)

‘Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël (zie hierbij Psalm 87) zal sluiten – spreekt de HEER: In hun verstand zal Ik Mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn…’ (Uit Hebreeën 8 uit de verzen 10-13, vers 10)

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Moeite en lijden (leren) ontvangen als uit de Vaderhand van God…

‘HEER, straf mij niet in Uw woede,
tuchtig mij niet in Uw toorn.’
(Uit Psalm 6 vers 2)

‘Als U de zonden blijft gedenken, HEER,
HEER, wie houdt dan stand?
Maar bij U is er vergeving,
daarom eert men U met ontzag.’
(Uit Psalm 130 de verzen 3-4)

Hoe het aannemen van een slachtofferrol te vermijden…

Geciteerd: In de eerste plaats: In alle lijden en tegenspoed moet de mens allereerst tot God de toevlucht nemen en wat hem of haar overkomt, aanzien als door God gezonden en dat als uit Zijn hand aannemen. Het mag geen verschil maken of het door de duivel of door mensen veroorzaakt is (1). De profeet (David) doet hier ook zo. Wel spreekt hij in deze boetpsalm (Psalm 6) over zijn lijden, maar hij neemt toch eerst de toevlucht tot God. Het lijden neemt hij niet van hen aan, maar uit de hand van God. Alleen op deze manier (!) wordt men geduldig en godvrezend. Wie echter de mensen erop aanziet en het niet uit de hand van God aanvaardt, die wordt ongeduldig en veracht God.
In de tweede plaats: God heeft twee manieren om te straffen. De ene manier is dat Hij straft in genade, als een vriendelijke Vader en maar voor een tijd. De andere is dat Hij dat doet in toorn, als een strenge Rechter, maar dan voor eeuwig. Als God de mens aanraakt, dan is de menselijke natuur zwak en angstig (2), zij kan eerst niet weten of God haar uit toorn of uit genade aanraakt. En omdat ze vreest voor de toorn begint een gelovig kind van God te roepen: ‘Ach God, straf mij niet in Uw toorn.’ Dat is: laat Uw straf in genade zijn en tijdelijk, wees een Vader en geen Rechter. Zoals ook Augustinus zegt: ‘Ach God, brand hier maar, hak hier maar, sla hier maar, maar spaar ons dáár voor Uw rechterstoel.’ Hij bidt niet om helemaal ongestraft te blijven, want dat zou immers geen goed teken zijn (3). Maar hij vraagt om als een kind door Vader gestraft te worden.
In de derde plaats: dat hier in deze Psalm door een zondaar – of eigenlijk door Christus, in naam van een zondaar – gesproken wordt, blijkt wel duidelijk als hij ook over straf spreekt, want God straft ons niet om onze rechtvaardigheid. Alle heiligen en christenen moeten daarom belijden dat ze – nog altijd – zondaren zijn – en dat ook blijven tot hun laatste dag – en zonder Hem niet zonder verschrikken voor de Rechterstoel van God zouden kunnen verschijnen, want deze Psalm bedoelt alle mensen en zondert niemand uit. Daarom, wee over alle mensen die niet vrezen, hun zonden niet gewaar worden en rustig – zonder hun toevlucht tot Christus te nemen – het ontzaglijk oordeel van God tegemoet gaan, tot Hem aan Wie toch geen enkel goed werk behagen kan.
[Maarten Luther: Die sieben Bußpsalmen. Zweite Bearbeiting, 1525, WA 18, 480, 1-25]

(1) Zie woorden over Davids volkstelling in 2 Samuël 24 : 1 en 2 Kronieken 12 : 17.
(2) Zie (bijv.) Adam&Eva na het eten van de boom – Genesis 3 : 8.
(3) Zie Hebreeën 12 : 5-13.

Leestips: Psalm 6, Psalm 31 en 1 Petrus 1 : 22-25.

Bron citaat: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

‘In mijn angst had ik gezegd:
“Ik ben verbannen uit Uw ogen”,
maar U hebt mijn smeekbede gehoord
toen ik U om hulp riep.’
(Uit Psalm 31 vers 23)

Bron afbeelding: LinkedIn

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Vanwaar de verdorven aard van de mens?

N.a.v. Zondag 3 vraag 7 van de Heidelbergse Catechismus.

Maar het is zoals geschreven staat: Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefhebben. God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepte van God. Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens? Zo is alleen de Geest van God in staat om God te kennen. Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in Zijn goedheid heeft geschonken.’ (Uit 1 Korintiërs 2 de verzen 9-12)

Geciteerd: Als wij Mozes volgen, kunnen wij zeggen dat de oorspronkelijke gerechtigheid inhoudt dat de mens rechtvaardig, waarachtig en oprecht is geweest – niet alleen uitwendig, maar vooral inwendig in het hart. Hij heeft God gekend en is aan God gehoorzaam geweest in volmaakte vreugde en blijdschap. Hij heeft alle werken van God gezien en verstaan, niet door onderwijs van anderen, maar vanuit zichzelf. Bij deze oorspronkelijke gerechtigheid hoorde ook dat Adam God en Gods werken met zijn hele hart en met de zuiverste genegenheden liefhad. Idem: dat hij in vrede met alle schepselen leefde, zonder vrees voor de dood en zonder angst voor enige ziekte. Idem: dat hij ook een lichaam had dat tot alle gehoorzaamheid geschikt was, zonder een enkele verkeerde genegenheid of kwade begeerlijkheid – zoals wij die nu bij ons gewaar worden.

Opgemerkt 1: Kunnen wij Luther hier volgen, wanneer hij zegt Mozes te volgen. Want stelt Luther de zaak hier niet voor alsof Adam (en Eva) de Geest van God al ten volle bezaten en dat in het paradijs in feite al gold dat God alles was in Adam en Eva? Jezus was aan de boezem van de Vader voordat Hij op aarde werd geboren, maar dat gold niet voor de geschapen mens: Adam&Eva. Daarom zullen we toch ook niet kunnen beweren dat Adam al Gods werken gezien en verstaan heeft uit eigen inzicht en verstand, alsof hij toen over de goddelijke wijsheid in al haar volheid beschikte. En bleek bij de aantrekkelijke vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad niet dat Adam&Eva wel degelijk tot ongehoorzaamheid in staat waren door verkeerde genegenheid en kwade begeerlijkheid? Die kwade begeerlijkheid kwam in hen op toen de boze de woorden van God van een liefdevolle Vaderlijke waarschuwing – de mens kon de kennis van goed en kwaad niet aan uit eigen kracht – door zijn woorden maakte tot een gebod(sregel), bedoelt om de de mens (onnodig) klein te houden. Zullen we bij deze woorden niet denken aan de woorden van Paulus in Romeinen 7 : 7 t/m 25. Waarin Paulus de menselijke natuur machteloos verklaart tegenover de zonde doordat deze zich niet houden kan aan Gods gebod. En we horen/lezen in 1 Korintiërs 15 toch dat de natuurlijke (eerste) mens (Adam), – i.t.t. tot de geestelijke (tweede) Mens (Christus) – geen deel kan hebben aan het koninkrijk van God?!

Opgemerkt 2a: En houdt bovenstaande dan niet ook in dat we niet meer zó kunnen spreken over de val van de menselijke natuur als dat Luther hieronder doet:

Geciteerd 2: De oorspronkelijke zonde is werkelijk de totale val van de menselijke natuur. Daardoor is eerst het verstand verduisterd, zodat wij voortaan God en Zijn wil niet meer kunnen verstaan – ook Zijn werken niet. Onze wil is op zo’n ingrijpende manier veranderd en ontrouw aan God geworden, dat wij niet meer op Gods goedheid en barmhartigheid kunnen en willen vertrouwen. Wij vrezen God niet meer, maar laten Gods Woord los en volgen de begeerte en de aandrift van het vlees. Vervolgens: wanneer ons geweten denkt over het gericht van God, heeft het geen rust en vrede meer, maar zoekt wanhopig en vraagt naar ongepaste en verboden middelen om te ontsnappen. Zulke vreselijke en verschrikkelijke zonden zitten zo diep in onze natuur geworteld dat men die in dit leven op geen enkele manier kan helemaal kan uitroeien. De zonde toont aan wat de oorspronkelijke gerechtigheid – die wij in het paradijs hadden – eigenlijk was. Daardoor kunnen we ook begrijpen hoe groot het goed is dat wij door de oorspronkelijke zonde verloren hebben. De oorspronkelijke zonde is dus het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid, zoals blindheid een verlies van het gezicht is.
[Maarten Luther: Vorlesungen über 1. Mose von 1535-45, vgl. WA 42, 86, 1-30]

Opgemerkt 2b: Zullen we niet stellen dat de val de tekortkoming van de menselijke natuur aan het licht bracht. En die tekortkoming hadden Adam&Eva zullen erkennen door geen geloof te hechten aan de woorden van de boze, een ander schepsel dus. En alle mensen die uit/na Adam&Eva geboren werden die dragen ook die tekortkoming, vandaar dat wij weten dat geen mens het er beter vanaf kan brengen dan dat Adam&Eva dat deden. We kunnen dus ook minder dramatisch spreken over de zondeval en de erfzonde (welke gevolgen dat direct allemaal zou hebben gehad voor ons verstand o.a.) wanneer we deze tekortkoming van de menselijke natuur – die er al voor de val was, de mens was nu eenmaal niet gelijk aan God en dus ook niet zo volmaakt! – beseffen en erkennen/belijden. Zie hierbij de woorden in Jakobus 1 : 13-15.

Opgemerkt slot: Bovenstaande moet ons ook helpen om minder/geen hoge verwachtingen te hebben van wat de mens nog bereiken kan hier in deze wereld. Ook (wedergeboren) christenen dragen nog altijd hun oude natuur met zich mee en zullen dus leven lang strijd hebben te voeren met hun oude mens, die sterven moet, maar nog niet dood is. Dat zullen ze niet doen in eigen kracht, maar met en door de kracht die de Heilige Geest ons verlenen wil wanneer wij trouw gebruik maken van de middelen die God ons geschonken heeft om die (wed)strijd uit te lopen en vol te houden tot het einde van ons leven toe.

Bron citaten 1-2: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige Rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad.‘ 2 Timoteüs 4 de verzen 7-8)

Bron afbeelding: Trinity Lutheran Church

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Met het optimisme van de Verlichting de Bijbel lezen…

Maar hoe kunnen ze Hem aanroepen als ze niet in Hem geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet over Hem hebben gehoord?‘ (Uit Romeinen 10 uit vers 14)

Geciteerd 1: Bij wie kunnen we beter te rade gaan dan bij de Meester-Ontwerper van alles? Hij heeft ons twee boeken nagelaten waaruit we Hem en Zijn bedoeling met deze wereld kunnen leren kennen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) is heel duidelijk: we leren God in de eerste plaats kennen door de „schepping, onderhouding en regering van de hele wereld”. De Bijbel komt daarin op de tweede plaats. Onze voorouders zagen scherp het belang ervan dat we God zien in de natuur, in het dagelijks leven. Zie bijvoorbeeld het boek (1) ”De wonderen des Allerhoogsten” van A. van de Velde.

Geciteerd 2: „Gods eeuwige kracht en goddelijkheid” – dat is de kennis die we uit de natuur, ons lichaam en de schepselen om ons heen over God verkrijgen. Een kennis die genoegzaam is om ons alle onschuld te benemen, aldus de NGB. Gods Woord leert ons dat dit een begrensde, gebrekkige kennis van God is. Pas nadat we Hem door Zijn Woord hebben leren kennen, gaan onze ogen open voor een vollediger interpretatie van de lessen die de natuur ons kan leren over God.
De Bijbel leert dat de zorg die we geacht worden te hebben voor al Gods werken (inclusief onszelf) in het teken staat van relaties, van verbondenheid. Onderlinge afhankelijkheid is geen zwakte maar een grondstructuur van Gods werken. Alles bestaat in God. Zo is ook alles onderling verbonden. We zien dat in de gevolgen van Adams ongehoorzaamheid. Die resulteerde in verbroken relaties tussen mensen, de rest van de schepping en God. Het is evengoed zichtbaar in de gevolgen van ons handelen in de laatste generaties. De hele schepping zucht daaronder.

Geciteerd 3: De opdracht tot rentmeesterschap maakt het leven op aarde tot een soort beroepspraktijkvorming, waarin we opgeroepen worden om Gods aanwijzingen te horen (door de werken van Zijn handen) en die op te volgen. Dat vraagt om aandachtig bestuderen van en luisteren naar de stemmen van de natuur in en om ons heen. Stemmen die ons vertellen over God, Zijn grootsheid, majesteit en heerlijkheid. Niet om planten en dieren rechten te geven, wel om te beseffen wat de juiste plaats van elk schepsel binnen Gods schepping is. Zodat we daar recht aan doen (Jesaja 28:23-29). God zorgt er genadig voor dat alle schepselen elkaar nodig hebben (zowel levende als niet-levende). Dienstbaarheid en zorg binden de schepping samen en stellen haar in staat om een eensgezinde lofprijzing te offeren.

Opgemerkt 1: Is het waar dat wij mensen God in de eerste plaats kennen door de ‘schepping, onderhouding en regering van deze wereld’? Leert Gods Woord ons over het eerste mensenpaar en ook de mensen na hen niet wat anders? Adam&Eva moesten toch niet eerst ijverig rondspeuren in deze wereld om God te leren kennen om pas daarna ook toegesproken te worden door hun Schepper en hun God?! En ook voor hun kinderen en geslachten na hen gold en geldt dat ze eerst het vertrouwen in het door God tot hen gesproken Woord verworpen hebben – dus net als bij de eerste zonde gebeurde! – en dat ze daarna – in hun latere geslachten – uiteindelijk zelfs niet eens meer in staat waren om God – de levende God van het Woord! – nog te vinden in Zijn schepping.

Opgemerkt 2: Is de opdracht tot rentmeesterschap sinds de Verlichting en de ‘calvijn-reformatie’ niet veel te optimistisch geduid en had en heeft Gods volk niet een veel nederiger en eenvoudiger opdracht dan om deze wereld door het bestuderen van de natuur en het op grond daarvan ontwikkelen van kennis en kunde toch nog invulling te geven aan Gods oorspronkelijke scheppingsopdracht? En geeft Gods Woord ons niet alle reden om dagelijks eerst en vooral te luisteren naar Gods Woord, zoals ons dat geschonken is in de Bijbel (OT en NT) en dat levend en krachtig is door de Heilige Geest, en om dat luisteren ook altijd weer in de samenkomsten van Christus’ gemeente te doen (zie 1 Timoteüs 3 : 14-16) en dat natuurlijk niet los van de bediening en het gebruik van Doop en Avondmaal daar.

Opgemerkt 3: Het goed lezen en begrijpen van het boek Genesis in het licht van Gods Woord, zoals ons dat ook in het Nieuwe Testament geschonken is, is van het grootste belang voor de Kerk. En niet alleen vanwege een nieuwe hermeneutiek hebben wij reden om ons af te vragen of men sinds de tijd van de reformatie er in geslaagd is om die hoofdstukken goed te lezen en uit te leggen en toe te passen, bijvoorbeeld zoals dat gedaan is door wat daarover is vastgelegd in onze belijdenisgeschriften (waaronder ook de Heidelbergse Catechismus).

Opgemerkt slot: Het is mijn wens en gebed dat we veel bescheidener zullen worden t.a.v. de mogelijkheden die wij christenen zouden hebben – en de pretenties die daarop gebaseerd en ‘uitgevent’ worden – om deze wereld door goed rentmeesterschap (alsnog) tot bloei te kunnen brengen. Dan zullen wij als gelovige broeders en zusters elkaar toch hopelijk (DV!) ook wat minder ‘de protestantse tenten uit vechten’ zoals dat tot nu toe nog altijd weer gebeurd.

(1) ‘Met het optimisme van de Verlichting de Bijbel lezen’. Calvijn was er al jong heel goed in. Hij meende zelfs met zijn scherpe intellect God en Zijn Woord voor de (toenmalige) mensheid (in Europa) in kaart te kunnen brengen, zodat zijn leerlingen/volgelingen niet met hulp van de Heilige Geest, maar met hulp van zijn bril (de Institutie) hun God en Zijn Woord zouden leren kennen. Dr. A. de Reuver meent Calvijn te mogen/kunnen typeren als een kerkvorst*, maar dat is toch vanuit Gods Woord gezien bepaald geen vleiende term voor deze man. Zouden de apostelen daarin hebben mee willen gaan, wanneer één van hen als kerkvorst was getypeerd en aangewezen? En als dat wel gebeurd was, hadden we dan ooit nog protest aan kunnen teken tegen de pauselijke hiërarchie vanuit Rome?
* In het artikel ‘Ik had een goudader getroffen’ in De Waarheidsvriend, 04 2025 (23 januari) .
(2) Is het niet treffend dat bij dat leren kennen van de natuur de schrijver hierbij op een boek wijst! Mijn ouders wisten wel beter en onze liefde voor boeken over de natuur ontstond bij ons doordat wij door hen mee naar buiten werden genomen om daar eerst Gods schepping te ondergaan en te leren kennen.

Leestip: Romeinen 10 en 11.

Bron citaten: Publicatie van een artikel door Jan van Meerten.

Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord?’ Natuurlijk wel, want er staat (geschreven): “Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinder van de wereld.” Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu Mozes zegt al: “Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, jullie je trots en eigenwaan benemen door een volk zonder verstand.‘ (Uit Romeinen 10 uit de verzen 14-21 vers 18-19a)

Bron afbeelding: The Church in Action

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De mens een duister fenomeen?

De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Het berouwde God dat hij mensen had gemaakt en het gaf Hem hartzeer.‘ (Naar Genesis 6 vers 5-6)

Geciteerd 1: Tien jaar geleden heb ik in mijn boek De onverwerkte Holocaust betoogd dat kerk en theologie hebben gefaald, doordat ze zich nooit serieus hebben verdiept in de cultuur die de Holocaust mogelijk maakte. De kerk sleept dat onverwerkte verleden met zich mee. Naarmate het langer geleden is, slijt de vraag niet weg. Ze wordt eerder urgenter. Als de Holocaust een duister fenomeen is en als de Holocaust niet los te maken is van onze cultuur, dan is ook onze cultuur een duister fenomeen.’
Opgemerkt 1: is het werkelijk waar dat de kerk en de theologen zich eerst maar eens serieus hebben te verdiepen in de cultuur van het toenmalige Duitsland (en Europa) om te gaan ontdekken waar de duisternis in die (hoge Duitse/Europese/Westerse) cultuur nu toch vandaan kwam en vandaan komt om te ontdekken/leren hoe het ‘in de wereld toch mogelijk was’ dat men een fabrieksmatige/industriële aanpak ging gebruiken om Joden en andere ongewenste bevolkingsgroepen om te brengen en zo mogelijk definitief uit te roeien? Is het dan voor niets dat de Bijbel vanaf de eerste hoofdstukken ons laat zien wat er in de mens ‘huist’ en wat de gevolgen zijn wanneer de mens niet naar God wil luisteren, maar liever afgaat op eigen inzicht om met de middelen die de schepping en het schepsel hem bieden zelfstandig (onafhankelijk) aan de slag te gaan in deze wereld? En wordt in het boek Genesis tot de roeping van Abraham ons niet duidelijk gemaakt dat God Zelf het verlossingswerk ter hand moet nemen en dat we werkelijk niets van de mens en de mensheid zelf iets te verwachten hebben? Werd en wordt dat ons (gedoopte) kerkgangers nog altijd weer in alle ernst voorgehouden of horen we tot in de meest orthodoxe kerken toe in feite toch altijd weer toch (vooral) een ander geluid en menen we dat het toch wel wat meevalt allemaal en dat we onze stem toch ook wel kunnen geven aan wereldleiders die zeggen het beste met de mensheid voor te hebben. Dat we daar (in de kerken) niet werkelijk belijden met woorden en daden dat we niet van wereldleiders maar altijd weer van Gods gunst afhankelijk zijn in wat Hij ons nog aan mogelijkheden tot samenleven als mensen onder elkaar schenken wil?

Geciteerd 2: De neiging om fouten uit het verleden te laten rusten, zag je ook in het kerkelijk personeelsbeleid. Veel predikanten die actief waren geweest bij de Deutsche Christen, de christenen die op de hand waren van Hitler, konden na de oorlog gewoon hun ambtelijke loopbaan voorzetten. Een bizar voorbeeld hiervan is predikant Heinz Brunotte. Hij collaboreerde met de nazi’s, werd na de oorlog Kirchenpräsident van de Evangelische Kerk en kreeg ook de opdracht om het verzet van de kerk na de oorlog te documenteren, omdat men de geschiedschrijving niet wilde overlaten aan de Bekennende Kirche.
Opgemerkt 2: Is dit werkelijk zo verrassend voor wie de Bijbel, de wereld- en de kerkgeschiedenis kent?

Geciteerd 3: Ik moet daarbij denken aan de censura morum, die de kerk vroeger kende in de week voor de avondmaalsviering. Voor individuele gelovigen was dat een oproep tot zelfonderzoek, om fouten te erkennen, zonden te belijden en onderlinge conflicten bij te leggen. Het heeft me altijd verbaasd dat er nooit een censura morum is ingevoerd voor kerkelijke vergaderingen, inclusief de synode. Kunnen die soms geen fouten maken?
Opgemerkt 3a: Als het zelfs daar al niet lukt dat mensen die elkaar in het kerkelijk samenleven de meest verdrietige dingen hebben aangedaan (omdat anderen als vijandelijke groep/persoon konden worden aangemerkt) tot schuld belijden te brengen – er moeten eerst een of meer generaties overheen gaan), wat mogen ‘de kerken’ (wij christenen) dan van ‘de wereld’ verwachten?
Opgemerkt 3b: Zelf heb ik het nu tweemaal meegemaakt om binnen de eigen kerkgemeenschap en/of gemeente te worden aangemerkt als behorende tot de ‘tegenstanders/vijanden’ van het kerkelijk of gemeentelijk leven. En wat broeders en zusters dan tegen gestigmatiseerde groepen en/of personen willen en durven ondernemen…
Daarom nogmaals: Wij zullen ons er niet over verbazen waar wij mensen toe in staat zijn als God het niet verhoedt. Omdat God er zeker aan wil werken dat het met ons niet zo ver komt, daarom zullen wij christenen de ons door God geschonken middelen gelovig (!), trouw en heel bescheiden (!) blijven gebruiken. Dan blijven we onder Gods beloften en bewaart God ons voor grote/grove overtredingen (o.a. Psalm 19 : 13-14).

Opgemerkt slot: Het is toch niet voor niets dat de woorden van Psalm 101 die aan David worden toegeschreven in feite door hem ook nog aangevuld worden met de slotwoorden van Psalm 139 (de verzen 19-24). David wist – had vanwege zijn macht aan het hof ontdekt en geleerd – hoezeer hij als zondaar altijd weer de hulp van God nodig had om niet met andere zondaars verleid te worden tot onrecht en bloedvergieten (moord: zie ook Matteüs 5 : 21-26). Vandaar zijn felle woorden aan het einde van deze psalm met ook weer de vraag om Gods hulp om hem op de goede weg te doen voortgaan.

Bron citaat: ND geloof – ‘Theoloog Ad Prosman over knagende geloofsvragen na Auschwitz. ‘De Holocaust plaatst je voor een raadsel’’ – door Koos van Noppen.

Bron afbeelding: Anchored Voices

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Professor Selderhuis meer Erasmiaans dan hij beseft…

Ik wil maar één ding van jullie weten: hebben jullie de Geest ontvangen door (eerst) de wet (onderwezen te hebben gekregen van mij om die) na te leven of door te luisteren naar (mijn verkondiging van Jezus en Die gekruisigd’) en (dát) te geloven?‘ (Uit Galaten 3 vers 2)

Geciteerd 1: Dit jaar is het 500 jaar geleden dat het grote conflict tussen Luther en Erasmus speelde. Dat ging niet alleen om de vrije of slaafse wil, maar ook om de uitleg van de Bijbel. Luther zegt dat de Bijbel helder is, Erasmus ziet dat anders en wil daarom niet zo stellig zijn over bepaalde onderwerpen.
Ik herken vandaag veel Erasmus bij hen die officieel van Luther zijn. Ik bedoel: de gedachte dat de Bijbel op meerdere manieren uitgelegd kan worden, kom ik tegen bij hen die bij de gereformeerde belijdenis zeggen te horen. Verschil is dat Erasmus vindt dat de kerk dan maar moet beslissen over de juiste uitleg, terwijl vandaag de trend is dat ieder die zelf maar moet uitzoeken.”

Geciteerd 2: Men was ervan overtuigd dat het Woord kracht heeft, maar dat de Geest het hart moet openen. Woord en Geest werken samen en de Geest laat mensen geen dingen zeggen die in strijd met het Woord zijn. Bij de reformatoren vinden we een balans die we ook vandaag nodig hebben.”

Opgemerkt 1: Luther heeft duidelijk aangegeven hoe (op welke ‘centrale punten’) de helderheid van de Bijbel gezamenlijk geleerd en beleden dient te worden en hij gaf zijn collega predikanten (en de gemeenten die zij dienden) veel meer vrijheid dan prof. Selderhuis en de synode van de cgk dat nu aan collega’s en de gemeenten die zij dienen willen geven/gunnen. Want zij willen liefst nu toch weer via een centraal kerkelijk gezag bepalen hoe de Schrift ook buiten de door Luther genoemde ‘centrale punten’ uitgelegd en toegepast moet worden. Ze durven niet – zoals de apostelen op het Jeruzalem convent nog wel – op allerlei andere punten (dus niet of minder ‘centrale punten’) de gemeenten toe te vertrouwen aan het werk dat de Heilige Geest ook in hun midden zal en wil doen – dat is dus niet een zaak van eindeloze gesprekken en rapporten, maar toch vooral óók een zaak van gezamenlijk geloofsvertrouwen en gebed! En geven de brieven van onze Heer aan de zeven gemeenten ons ook niet reden om de (lokale) gemeenten een eigen verantwoordelijkheid te gunnen tegenover hun hemelse Herder. We horen Hem toch niet oproepen tot onderwerping aan een centraal leergezag dat zich inmiddels ergens gevestigd zou hebben – of dat het tot de vorming van zo’n centraal leergezag diende te komen, om daarmee de eenheid in leer en praktijk te kunnen dienen en handhaven.

Opgemerkt slot: Laten we hopen dat het niet opnieuw tot een kerkelijke (uit)zuivering/opdeling komt bewerkt vanuit een kerkelijke synode.

Zie hierbij ook deze blog: ‘Een ware christelijke kerk met enkel heiligen…

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘Prof. Selderhuis: Gereformeerden gaan anders met Bijbel om dan hervormers in zestiende eeuw’ – door Maarten Stolk

Toen de brief – opgesteld in Jeruzalem – was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud. Judas en Silas (met Barnabas en Paulus, afgevaardigden uit Jeruzalem), die zelf ook profeten waren*, hielden een lange toespraak waarin ze de gelovigen bemoedigden en sterkten.’ (Uit Handelingen 15 de verzen 31-32)
* M.i. hier te lezen als medewerkers die het Woord van God konden verkondigen en uitleggen/toepassen tot opbouw van de gemeente.

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het gebed van een kind…

Als u in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zult u bidden wat u wilt, en het zal u overkomen.‘ (Uit Johannes 15:7, weergave DB 1545)

Geciteerd: Let erop hoe hoog deze Man het christelijke leven prijst. Mocht iemand het niet begrijpen en willen vragen: Maar hóé blijf je toch in Christus? Hoe ben ik een rank in deze Wijnstok óf hoe blijf ik zo’n rank? – dan antwoordt Christus: Let slechts op Mijn Woord; want alles hangt ervan af of Mijn Woord in je blijft – dat wil zeggen, of je gelooft en belijdt overeenkomstig het artikel dat de kleine kinderen leren: ‘Ik geloof in Jezus Christus, onze Heere, Die voor mij gekruisigd is, gestorven, opgestaan en gezeten aan de rechterhand van de Vader,’ en wat verder nog in de artikelen wordt gezegd. (1)

Als je daarbij blijft en bereid bent alles daarvoor te wagen en op te geven – eerder dan een andere lering of een ander werk aan te nemen – en je op deze manier ín het Woord blijft, dan blijf Ik in u/jou en u/jij in Mij. Dan zijn Wij [als Wijnstok en rank] in Elkaar geworteld en ingelijfd; dan zijn Wij zó met Elkaar verenigd, dat Mijn woorden én uw/jouw hart één zijn geworden. Dan hoeft u ook niet te vragen: Hoe Ik in u/jou blijf of hoe u/jij in Mij blijft, want dit zult u/jij in het andere leven volmaakt zien. Nu echter kunt we het niet anders begrijpen of verstaan, dan dat jullie Mijn Woord in je hebben, en door het geloof gewassen bent in Mijn bloed, en dat je gezalfd en verzegeld bent door Mijn Geest. Dan is alles – jullie hele leven en doen – goed gedaan en zijn het enkel goede vruchten.

Wat ik zoeven heb gezegd, is nog niet alles wat je zult hebben. En wel dit, dat alles wat je bidt, je ook zeker zult ontvangen. Wat wilt je nog meer? Alles wat je doet, zal goed en aangenaam zijn; je zult het lieve kind zijn en je kunt het niet verknoeien. Hoe zwak en gebrekkig je ook bent, hoezeer je ook jezelf soms bevuilt – zoals een kind of een zieke doet – Hij zal jou daarom niet verstoten, maar Hij zal je steeds weer reinigen en aannemen. Bovendien zult je ook de macht, de eer en heerlijkheid hebben, dat, wat je maar bidt, je zal overkomen (v.7) – want Christus zegt hier duidelijk, dat al je gebeden verhoord worden.

Wanneer je gebrek, nood of vrees of iets anders voelt wat je neerdrukt, roep Hem dan maar eenvoudig aan. Open je mond in kinderlijk vertrouwen, zoals een klein kind doet, dat met zijn lieve vader praat – die met alles tevreden is wat het kind doet, zolang het hem maar vertrouwt. Dat is bijzonder het geval als het kind zo kinderlijk met vader babbelt en iets van hem verlangt wat het graag wil hebben; zo’n vader wil wel alles doen en geven wat het kind zo vol vertrouwen aan hem vraagt. Ja, niet alleen dát, maar hij zorgt ook voor het kind en hij wil alles wat het nodig heeft, toestaan, gunnen, brengen en geven. Dat – zegt Christus – kunnen jullie ook zeker van Mijn Vader en van Mij verwachten, als je tenminste maar als een rank in de Wijnstok blijft.”
[Maarten Lurther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis (Druck Frühjahr 1538), WA 45, 678 ff]

(1) Of zie het belijden van Zondag 1 dat wij in onze kinderjaren ook al leerden belijden.

Lezen: Psalm 131, Lukas 11 : 1-3 (kerntekst vers 10-13) en Galaten 4:1-7 (kerntekst vers 6-7).

Zie ook deze blogs: ‘De kinderen gaan ons voor…‘ en ‘Hebben jullie Jezus al nodig gekregen?

Bron citaat: maartenluther-com – Wekelijks toegezonden Luthercitaat – Maandag 20 januari 2025

Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden open gedaan.‘ (Uit Lukas 11 vers 9)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie