‘Zo is Hij dan Bemiddelaar van een nieuw verbond; Hij is immers gestorven om ons te verlossen van de overtredingen tegen het eerste verbond. Nu kunnen allen die geroepen zijn het beloofde eeuwige erfdeel ontvangen.’ (Uit Hebreeën 9 uit de verzen 11-28 : 15)
Geciteerd: ‘Ga uit, ga uit! Uit uw legerplaats’, klonk het bij de Sinaï, ‘Heilig jezelf. Ga de rommelende donder, de verschrikkelijke bliksem, het vreselijke gezicht tegemoet. Laat niemand het wagen de berg te beklimmen.’ En de stem van de bazuinen verkondigde: ‘Je zult niets aanraken, je bent verloren, je bent verdoemd!’
‘Ga uit, ga uit! roept de duivel een mens toe. zo’n zondaar als jij mag niet naar binnen; als je het waagt binnen te gaan, verpletter ik je het hoofd!’ ‘Ga uit, ga uit. De tijd der genade heb je verspeeld, jij behoort niet tot het volk dat de deugden van God verkondigt, jij bent van onder tot boven bevlekt. Wie daar wel binnenkomt is niet zo’n zondaar als jij, ze hebben tóch iets in zich, dat jij niet hebt.’ Zó spreekt menig ziel tot zichzelf en sluit zichzelf daarmee uit. ‘Ga uit, ga uit!’ En al wilde Hij jou ook zalig maken – nee, zo’n zondaar als ik zal God niet aannemen. Wat moet zo iemand voor Zijn troon doen?
‘Ga uit, ga uit’, denkt menige ziel. ‘God heeft mij van zijn aangezicht verstoten, Hij heeft mij verlaten, zal ik ooit weer tot mijn God te Sion kunnen naderen? Waar zijn de vorige dagen? Waar is de vroegere genade? O, mijn harp en mijn snarenspel, hoe heerlijk hebben jullie voorheen geklonken, maar nu is de deur gesloten! Waar zijn Gods beloften?’
‘Ga uit, ga uit’, zegt men in de wereld, klinkt het (zelfs ook) in de vrome stad, ‘wie kan jouw woorden nog aanhoren? Je bent een ketter, je bent buitengesloten met de sleutels van het hemelrijk. En zo iemand wordt met smaad overladen; in het huis van degenen die men liefhad wordt men geslagen en verwond; van de vaders (of moeders) en de broeders ontvangt men vijfmaal negenendertig slagen (vergelijk 2 Korintiërs 11 : 24).
Ga uit naar de woestijn – door iedereen gehaat omdat je de banier der gerechtigheid hebt willen planten – met een naam die door allen veracht wordt.
Maar wat zal dat ‘ga uit’ van het oude paradijs? Wat zal dat ‘ga uit’ dat op de Sinaï klonk, het ‘ga uit’ uit de mond van de duivel, het ‘ga uit’ van de zonde, van de wankelmoedigheid van zowel de vrome als de goddeloze wereld?
Hij ging uit, dragende Zijn kruis. Laat ons gaan buiten de legerplaats, buiten de stad Gods die hierbeneden ligt. Wij hebben hier geen blijvende stad. En de toekomende stad? – Wie heeft die in zijn hand? De duivel zéker niet; de zonde ook niet; de vrome wereld nog minder. En al schijnt het ook dat God je uitsluit – laat je van het doel niet afbrengen. Houd aan om ontferming en genade. De gehele strijd is slechts een schermutseling om je de genade van Christus en de liefde van God te laten prijsgeven, opdat je de gemeenschap met de Heilige Geest – in het midden van Zijn gemeente (1), AJ – zult ontberen.
Het is geschied! Het is historische waarheid. Hij draagt Zijn kruis en gaat uit. Daarom is immers Zijn Naam Jezus: Borg. Hij is deze gang niet vergeefs gegaan. Hij is uitgegaan tot eer van Zijn Vader, om de Wet op te richten, de zonde uit het midden weg te doen, de schuld en de straf weg te nemen en de mens in gerechtigheid voor zich te stellen.
Wat de dode dieren niet konden bewerken, nadat hun bloed door de hogepriester in het binnenste heiligdom was gebracht en de dieren verbrand werden buiten de legerplaats, dat heeft Hij teweeggebracht toen Hij uitging. En wat de weggezonden bok betekende die met de zonden van het volk beladen de woestijn ingedreven werd, dat heeft Zijn uitgaan tot stand gebracht. Met zonden, met ónze zonden, ging Hij uit. Zonder zonde zullen wij Hem weerzien; want de zonde is weg, Hij heeft ze weggedragen. Dat is wat voor de troon der genade bewaarheid is.
Ten dode beangstigde ziel, als jij buiten blijft – dan is Hij niet uitgegaan. Hij is echter uitgegaan en jij zult binnen zijn. Laat je niet verontrusten door wat je ziet; houd je vastgeklemd aan de Onzichtbare. Zijn Naam is Zondenuitdelger, Zijn Naam is Verlosser. Dat Hij is uitgegaan, dat is je trouwring. Door Zijn uitgaan heeft Hij geopend – wie kan dan toesluiten? Het is Zijn wil ons zalig te hebben.
(1) Zie Psalm 22 : 25-27, 40 : 11 en Psalm 71 : 14-18.
Bron citaat: Reveilserie no 622 februari 2026 – ‘Jezus draagt mijn kruis’ -door dr. F.H. Kohlbrugge.
Leestips: 2 Korintiërs 3 en 4 en Hebreeën 13.
‘Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. Laten we dan door Hém voortdurend een dankoffer brengen aan God, het huldebetoon van onze lippen die Zijn Naam prijzen, ononderbroken. en houd de liefdadigheid en de onderlinge solidariteit in ere, want dát zijn offers waar God behagen in schept.‘ (Uit Hebreeën 13 : 13-16)
Bron afbeelding: KJV Bible Scripture Pictures